Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den
voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in
't laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,
maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds
in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op
't water en scheen op onze gelaten.
Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
daalde zag je enkel de stoompijp.
Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje
maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't
gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest
om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen
gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de
weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein
gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't
Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds
een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,
een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:
"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel
meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet
meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou
hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de
treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,
vele malen.
Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een
warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde
langzaam en ruischte maar zacht.
Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei
gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden
ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is
ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een
paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half
negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch
heeft veel noodig.
Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg
ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk
als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om
onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van
de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou
gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik
er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist
't immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving
de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof
rood, hij was bijna weg.
Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer
schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even
zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets
leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de
roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een
blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij
't dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die
dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,
Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen
verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet
schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg
ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars
waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat
't dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik
ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God
is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,
in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,
boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met
uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in
't land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen
staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan
en luister. Kan jij eruit blijven?"
"Waaruit?"
"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid
achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God
ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En
overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo
dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet
God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En
zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is
oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom
hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te
gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en
verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan
komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert
dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n
vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer
en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er
was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank
had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis
Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een
groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een
dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken
aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde
't allemaal te gelooven.
De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn
gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand
brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.