Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n
eerste gedicht.
'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er
iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de
week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.
Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er
meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden
alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild
en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.
't Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De
tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,
de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en
de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En
de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met
riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon
met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't
licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.
Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,
reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag
is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te
staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie
moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te
breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen
kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds
kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:
"Wat moest ik toch op die tram?"
Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't
aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken
naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas
wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht
ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van
nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er
iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,
die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,
Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.
Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.
Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg
mot met een kerel met een witte kiel aan.
't Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in
slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht
van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes
wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij
was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En
ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren
lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei
leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen
zorg. Hij had niks noodig.
Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
't groote verschil tusschen God en ons.
Er is dan ook niks van gekomen van die hei.