VI.

Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n

eerste gedicht.

'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er

iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de

week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.

Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar

met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er

meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden

alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild

en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de

anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.

't Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De

tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,

de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en

de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En

de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met

riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon

met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't

licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns

flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.

Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,

reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag

is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te

staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie

moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te

breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen

kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds

kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:

"Wat moest ik toch op die tram?"

Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't

aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken

naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas

wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht

ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van

nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er

iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,

die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,

Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.

Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de

kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den

kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.

Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg

mot met een kerel met een witte kiel aan.

't Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in

slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht

van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.

Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes

wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij

was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En

ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren

lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei

leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen

zorg. Hij had niks noodig.

Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist

't groote verschil tusschen God en ons.

Er is dan ook niks van gekomen van die hei.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 32 / 43 题