Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't
beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden
dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij
waren armoedzaaiers.
Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,
dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden
laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden
hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,
nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven
voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en
omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want
als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen
gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen
gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur
gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele
schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,
in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en
z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar
weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder
trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:
"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist
jai d'r van?"