V.

Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't

beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes

alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,

door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden

dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij

waren armoedzaaiers.

Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen

rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,

dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden

laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden

hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,

nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven

voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en

omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want

als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen

gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen

gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur

gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele

schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,

in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en

z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar

weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder

trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:

"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist

jai d'r van?"

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 31 / 43 题