IV.

En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over

de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een

schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter

haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft

nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In

de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag

vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't

stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,

met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op

zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren

ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i

weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een

vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,

Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon

toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de

zomervacantie kwam ze niet meer terug.

"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze

liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't

boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een

stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een

lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is

beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden

je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."

Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar

ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs

me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren

van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer

en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,

vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden

en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van

Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan

er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij

Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:

"zoo is 't" en ging door met lezen.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 30 / 43 题