III.

Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet

die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,

twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.

Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar

op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid

en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,

die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld

hebben gebracht.

Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen

tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme

opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij

zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,

dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest

't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij

de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij

hadden niets te vertellen.

En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op

de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de

aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.

O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit

gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,

wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's

Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit

kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,

die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,

waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond

de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal

doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld

had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En

hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en

Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit

zouden kunnen beleven.

Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op

't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van

de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend

onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar

dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks

waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed

waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",

daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel

knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,

een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg

me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat

woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat

zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht

gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet

niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden

ons slecht de heeren.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 29 / 43 题