Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.
Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid
en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,
die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld
hebben gebracht.
Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen
tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme
opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij
zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest
't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij
de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij
hadden niets te vertellen.
En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op
de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.
O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's
Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,
die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,
waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond
de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal
doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld
had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En
hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en
Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit
zouden kunnen beleven.
Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van
de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar
dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed
waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",
daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel
knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,
een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg
me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat
woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat
zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht
gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet
niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden
ons slecht de heeren.