Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond
bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't
grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks
leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er
niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer
Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.
Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop
bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren
tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had
een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt
naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,
enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."
Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet
lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker
had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht
van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,
maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i
metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,
dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,
maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever
in de kroeg.
Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven
en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,
de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't
Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op
dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;
als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,
waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.
Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even
breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan
maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:
No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:
Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen
't voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,
waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."
Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette
thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar
dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want
tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was
niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een
neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.
Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte
met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst
weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang
zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We
bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens
wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees
begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven
zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster
stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten
te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.