Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn
nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal
geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n
vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten
en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun
warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen
door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten
onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je
weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer
vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor
je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm
op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer
dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,
alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg
tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al
te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,
en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets
zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde
afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken
en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die
kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we
"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan
praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog
met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest
waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;
alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep
niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure
jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren
dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.
Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen
en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan
hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er
wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir
zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar
de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n
baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan
zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij
't sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,
dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat
zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,
die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker
wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk
met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de
dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal
werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange
schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch
maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim
stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:
"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in
een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets
zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer
dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen
te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.
Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes
beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun
groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon
je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier
moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En
dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er
vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna
in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,
die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je
't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een
paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij
ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest
't maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en
luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets
van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel
beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na
aan de waarheid was.
Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet
al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,
die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer
naar die bazen toegingen.
We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd
zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,
dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen
duidelijk en weidden er niet verder over uit.