VI.

Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den

Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,

een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,

een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een

witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine

sokken met witte ruiten, lage schoenen.

Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het

Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich

amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij

lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op

de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij

verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes

op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op

zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing

over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat

hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens

komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in

verbazing achter.

Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden

hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd

etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan

ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November

droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij

was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als

hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,

dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn

hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en

had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte

langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een

tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit

deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,

dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet

lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.

Toen gaven wij hem op.

En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en

Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,

en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen

begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden

zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging

roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,

want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in

den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken

naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in

het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons

uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden

toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit

voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind

voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij

't wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.

"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met

burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een

Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die

twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade

gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar

de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair

uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook

stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi

en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.

't Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer

had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij

aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat

i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien

avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend

hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,

kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten

als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer

hadden om te verstoken.

Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde

door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon

was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,

de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten

door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,

verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te

rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.

Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij

Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal

met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte

de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,

de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor

tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God

weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,

meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water

gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden

daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren

hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben

zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien

hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood

zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000

jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,

duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog

stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan

was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,

er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.

Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets

meer te krijgen op de pof.

Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder

eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar

handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden

schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee

te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met

kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,

over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.

Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden

wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i

uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden

van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan

zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op

kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:

"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.

Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover

was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.

Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog

in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal

was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was

druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en

zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek

uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,

zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,

keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.

Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als

je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg

Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer

herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek

geopend in zijn handen.

"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:

"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,

"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 24 / 43 题