Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den
Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,
een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,
een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een
witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine
sokken met witte ruiten, lage schoenen.
Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op
de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes
op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op
zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing
over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat
hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens
komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in
verbazing achter.
Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden
hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd
etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij
was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als
hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,
dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn
hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en
had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte
langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een
tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit
deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,
dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet
lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.
Toen gaven wij hem op.
En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,
en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen
begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden
zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging
roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in
den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken
naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in
het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons
uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden
toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit
voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind
voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij
't wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.
"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met
burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een
Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die
twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade
gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar
de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair
uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook
stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi
en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.
't Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat
i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien
avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,
kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
hadden om te verstoken.
Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,
de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten
door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,
verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te
rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.
Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij
Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal
met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte
de zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,
de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor
tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God
weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,
meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water
gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden
daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren
hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben
zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien
hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood
zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000
jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,
duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog
stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan
was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,
er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.
Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets
meer te krijgen op de pof.
Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar
handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden
schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee
te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met
kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,
over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.
Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden
wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i
uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden
van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan
zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op
kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:
"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.
Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.
Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog
in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal
was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en
zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek
uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,
zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,
keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.
Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als
je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg
Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer
herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek
geopend in zijn handen.
"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:
"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,
"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.