"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op
een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was
uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een
pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."
"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.
"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn
ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,
Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,
Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand
oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't
Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684
Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg
ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui
nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat
is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij
doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",
zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,
ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik
deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks
van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We
zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde
't zorgvuldig onder tafel.
"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga
je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel
schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,
daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten
leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der
maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat
duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk
je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te
maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur
present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet
opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,
maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze
zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan
gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te
werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin
zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks
lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke
dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het
leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden
ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder
wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet
was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit
hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;
af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk
gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon
van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich
een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een
schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me
aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest
ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle
monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden
niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om
erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit
naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief
verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief
kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan
i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep
ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den
baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de
hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets
aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,
dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een
effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de
stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor
bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er
was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik
zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.
"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren
wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel
op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom
duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje
en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor
den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van
de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."
"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik
ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat
doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels
zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga
naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin
in heb."
Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein
van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te
wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan
z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een
papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen
we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i
terug met een vischhengel.
Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half
uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
voor hem had.
Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een
paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle
opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein
laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei
i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet
laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht
van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand
rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet
om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij
ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam
die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg
geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag
ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van
Bavink natuurlijk.