V.

"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op

een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die was

uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een

pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."

"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.

"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn

ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,

Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,

Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand

oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't

Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684

Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg

ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui

nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat

is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij

doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",

zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,

ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik

deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks

van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We

zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde

't zorgvuldig onder tafel.

"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,

Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga

je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel

schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,

daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik

ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten

leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der

maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat

duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk

je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te

maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur

present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet

opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,

maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze

zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan

gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te

werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin

zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks

lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke

dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het

leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden

ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder

wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet

was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit

hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;

af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk

gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon

van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich

een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een

schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me

aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest

ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle

monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden

niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om

erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit

naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief

verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief

kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan

i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep

ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den

baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de

hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets

aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,

dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een

effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de

stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor

bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er

was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik

zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.

"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren

wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel

op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom

duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje

en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor

den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van

de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."

"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik

ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat

doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels

zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga

naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin

in heb."

Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein

van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te

wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan

z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een

papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen

we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i

terug met een vischhengel.

Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen

wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half

uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het

portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak

voor hem had.

Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een

paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle

opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein

laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei

i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet

laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht

van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand

rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet

om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij

ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam

die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg

geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag

ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van

Bavink natuurlijk.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 23 / 43 题