VII.

Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink

zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half

dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag

zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij

Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige

moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die

hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen

en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan

met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.

Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,

wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk

starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.

Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:

"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,

zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen.

"Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje

pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,

achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd

hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer

eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede

en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.

Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,

last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer

koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i

van den zomer teruggekomen.

Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,

sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een

vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar

gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar

kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van

haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er

om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok

had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras

van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest

en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had

een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;

maar loopen kon ze nog maar heel slecht.

En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i

uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.

Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?

O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden

was i in de laatste drie, vier jaar.

Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een

dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje

deed i er af.

Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts

en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met

Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was

gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,

het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen

gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost

lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien

wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,

anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had

i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,

voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al

die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam

van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,

heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.

Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich

gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,

terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,

hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die

i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals

altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich

gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren

kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel

maakten, meer dan genoeg.

En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens

over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een

standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun

plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak

begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet

doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was

i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,

wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in

den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,

niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.

Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet

bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn

ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het

nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon

je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich

vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren

te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In

Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September

had i in Nijmegen doorgebracht.

En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over

't water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,

dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe

dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur

dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde

naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300

maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende

nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar

dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar

kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,

tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er

meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende

boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien

hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel

langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water

er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn

de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent

ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot

God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze

plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben

willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,

de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar

ook een eind aan komt.

Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet

meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien

avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech

af, staande op een stoel.

Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging

het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den

winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,

mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,

al tobbende.

In Mei trok i naar Nijmegen.

Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal

gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.

Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is

hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de

gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen

was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.

Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er

afgestapt.

Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan

de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".

De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen

zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond

krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.

Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 25 / 43 题