Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En
nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna
zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs
mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had
geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb
ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je
naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij
Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over
dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had
ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen
hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren
naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,
hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste
bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:
vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele
centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en
in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n
theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee
was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en
keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van
mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar
de regen en was tevreden.
't Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,
't klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft
voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer
in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,
omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.
Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet
bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik
had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en
keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,
dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik
een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,
twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een
kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert
mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden
een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem
alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.
En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,
't deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den
stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te
halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:
biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik
bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje
drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd
door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn
deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een
paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de
lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak
zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de
reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,
te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit
dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond
op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",
zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep
van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.
"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,
dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i
een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette
't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en
gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.
"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing
de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die
toen plat op den grond in den hoek.
Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat
verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't
pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,
burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,
"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"
zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie
in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van
den ouwen heer gekregen."
""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,
druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie
en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren
(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat
genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder
No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de
stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben
ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel
er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300
à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"
"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei
Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo
niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last
van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen
cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag
een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken
ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van
't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van
Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop
rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een
fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik
wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,
ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel
gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,
in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."
Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi
nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft
hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.
Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette
't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.
"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n
stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad
met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al
gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze
in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze
om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink
nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."
In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en
zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp
gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd
hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den
pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij
was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook
't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't
uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan
naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van
z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert
was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden
middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die
later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te
komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink
ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,
En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende
plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n
drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi
dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met
hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw
kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk
model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.
Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard
neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet
kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de
gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik
't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair
volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van
mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde
bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,
hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi
at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en
hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet
Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,
"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo
moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed
voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens
iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n
handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik
zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."
En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,
op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een
artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er
geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam
nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en
Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"
ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en
wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik
altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de
kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik
er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk
naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de
lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde
vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik
aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe
ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,
wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond
te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en
't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor
mij? Die paar centen kunnen ze houden."
't Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet
geloofde dat 't van hem was.
"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde
achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,
geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,
maar steek een sigaar op."
De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren
wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij
stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die
Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden
't niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning
en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral
maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."
Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en
toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar
huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi
vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman
moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij
Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist
wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft
zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft
die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar
veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij
er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er
een mouw uitgetrokken.
"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen
eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt
niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën
zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij
was nog zwaar van 't water.
"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe
gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,
hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en
gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen
moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal
't je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas
over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;
m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi
z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo
ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks
te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi
te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en
schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij
keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie
't al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,
"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en
vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den
grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",
zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,
dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de
leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;
in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,
z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en
zei: "Wel te rusten."
En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte
in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in
mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.
Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde
ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij
uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij
hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i
"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij
wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur
of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij
't raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en
keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn
jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich
nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."
Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel
lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,
dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.