IV.

Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,

maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En

nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna

zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs

mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had

geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb

ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je

naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij

Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over

dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had

ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen

hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren

naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,

hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste

bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:

vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele

centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en

in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n

theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee

was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,

met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en

keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van

mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar

de regen en was tevreden.

't Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,

't klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft

voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer

in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,

omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.

Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet

bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen

aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,

die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den

toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik

had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en

keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,

dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik

een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,

twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een

kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert

mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De

boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden

een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem

alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die

dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent

geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.

En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,

vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,

't deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den

stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te

halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:

biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik

bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje

drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd

door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn

deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een

paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de

lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak

zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de

reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,

te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit

dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond

op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",

zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep

van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.

"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,

dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i

een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette

't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en

gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.

"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing

de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die

toen plat op den grond in den hoek.

Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat

verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't

pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,

burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,

"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"

zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie

in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van

den ouwen heer gekregen."

""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,

druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie

en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren

(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat

genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder

No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de

stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben

ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel

er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300

à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"

"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei

Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo

niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last

van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen

cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag

een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken

ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van

't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van

Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop

rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een

fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik

wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,

ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel

gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,

in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."

Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi

nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft

hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.

Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette

't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.

"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n

stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad

met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al

gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze

in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze

om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink

nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."

In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en

zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp

gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd

hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den

pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij

was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook

't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't

uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen

had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan

naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van

z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert

was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden

middag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die

later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te

komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink

ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,

En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende

plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n

drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi

dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met

hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw

kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk

model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.

Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een

kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard

neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet

kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de

gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik

't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair

volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van

mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde

bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,

hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi

at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en

hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet

Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,

"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo

moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed

voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens

iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n

handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik

zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."

En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,

op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een

artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er

geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam

nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en

Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"

ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en

wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik

altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de

kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik

er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk

naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de

lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde

vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik

aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe

ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,

wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond

te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en

't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor

mij? Die paar centen kunnen ze houden."

't Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet

geloofde dat 't van hem was.

"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde

achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,

geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,

maar steek een sigaar op."

De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren

wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij

stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die

Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden

't niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning

en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral

maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."

Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en

toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar

huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende

die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman

gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi

had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer

was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi

vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman

moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij

Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist

wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft

zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft

die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar

veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij

er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er

een mouw uitgetrokken.

"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen

eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt

niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën

zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij

was nog zwaar van 't water.

"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe

gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,

hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en

gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen

moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal

't je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas

over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;

m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi

z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo

ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks

te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi

te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en

schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij

keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie

't al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,

"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en

vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den

grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",

zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,

dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de

leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;

in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,

z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,

dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en

zei: "Wel te rusten."

En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte

in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in

mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.

Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde

ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden

water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij

uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij

hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i

"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij

wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur

of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij

't raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en

keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn

jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich

nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."

Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel

lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,

dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 22 / 43 题