En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
't wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.
Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van
Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en
over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige
jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge
dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap
gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo
maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.
Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik
ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd
een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,
Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond
Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,
kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.
"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te
maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je
plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,
hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met
een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje
maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een
schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",
zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag
Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,
daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie
zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",
zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En
Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag
"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,
die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,
Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,
kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome
ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie
is die heer?"
En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei
Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van
Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.
"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t
ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond
op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we
daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis
in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;
ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."
"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en
ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."
Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper
aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan
't applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en
applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren
opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;
een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't
heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig
vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein
meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje
ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",
zei Hoyer.
En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg
Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O
ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden
avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier
nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden
van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat
wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie
kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner
ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner
kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein
vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;
hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval
kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet
zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich
te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij
"Le Lys dans la Vallée" te pakken.