II.

Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden

en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't

Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den

ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had

je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En

daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van

Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;

't water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en

maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;

en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan

zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en

klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan

zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:

"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen

keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg

naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste

en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag

door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't

Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte

de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.

Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n

as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar

de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door

de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen

avond zou worden.

Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche

duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.

Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten

dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i

niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd

ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er

pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de

dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,

om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink

had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes

de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de

boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn

schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan

zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i

als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er

wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden

genomen en door elkaar geschud zooals hem.

Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar

zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling

weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er

over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu

goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan

enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook

op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome

wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die

kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met

hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was

't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet

een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een

paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was

i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"

zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen

noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht

i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",

en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij

was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk

bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in

zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i

in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met

zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.

Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"

zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit

aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,

en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."

Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende

in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van

leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,

zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten

wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo

"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen

om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond

en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods

aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,

en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich

stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en

't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:

"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur

kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste

in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,

hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at

en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood

zoo lekker smaken kon."

En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,

omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi

een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe

de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand

anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.

"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat

je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt

't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou

niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen

er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou

niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te

zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder

van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch

wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat

't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"

Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink

heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem

kwam aanzetten.

Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter

wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"

gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo

gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en

toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was

de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;

als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,

naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze

in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki

van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België

klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand

anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar

niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals

Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti

voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn

van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,

elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,

elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi

had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker

en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i

goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't

rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam

't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de

schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel

en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen

je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje

in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets

zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:

"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb

ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond

de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links

er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en

we zijn ook 10 minuten te laat."

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 20 / 43 题