Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden
en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't
Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den
ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had
je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En
daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van
Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;
't water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en
maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;
en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan
zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan
zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:
"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen
keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg
naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste
en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag
door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't
Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte
de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n
as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar
de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door
de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen
avond zou worden.
Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche
duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.
Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten
dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i
niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd
ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er
pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de
dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,
om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink
had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes
de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de
boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn
schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan
zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i
als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er
wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden
genomen en door elkaar geschud zooals hem.
Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar
zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling
weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er
over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu
goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan
enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook
op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome
wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die
kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met
hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was
't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet
een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een
paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was
i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"
zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen
noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht
i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",
en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij
was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk
bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in
zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i
in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met
zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.
Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"
zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit
aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,
en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."
Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende
in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,
zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten
wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo
"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen
om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond
en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods
aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,
en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich
stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en
't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:
"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur
kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste
in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,
hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at
en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood
zoo lekker smaken kon."
En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,
omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi
een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe
de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand
anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.
"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat
je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt
't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou
niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen
er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou
niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te
zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder
van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch
wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat
't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"
Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink
heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem
kwam aanzetten.
Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"
gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo
gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en
toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was
de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;
als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,
naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze
in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki
van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België
klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand
anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar
niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals
Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti
voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn
van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,
elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,
elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi
had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker
en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i
goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't
rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam
't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de
schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel
en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen
je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje
in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets
zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb
ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond
de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links
er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en
we zijn ook 10 minuten te laat."