Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,
als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een
jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,
die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een
vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de
centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die
een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,
en pakken droeg, die hij nooit betaalde.
Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam
met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi
voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen
gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond
je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,
onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar
binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of
drie; toen zag Bavink hem niet meer.
Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele
dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan
genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,
daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink
koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte
't op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't
voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,
tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,
"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De
boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en
liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er
iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek
'm aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen
kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.
"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer
en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen
salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",
zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."
't Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de
grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In
eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't
water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens
keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
spraakzaam.
"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet
altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.
"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.
"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",
zei Japi, "is u daar gelogeerd?"
"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die
altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:
"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's
Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden
en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet
ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom
ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar
Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."
"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik
ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een
rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat
toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook
niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank
heelemaal niks."
Dat kon Bavink wel bekoren.
Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte
en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te
bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,
"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van
de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en
schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en
geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de
wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje
sleepte een aak en twee tjalken.
"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog
veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar
stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook
niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en
nacht blijven doorzitten."
Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog
altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm
steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand
opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,
alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele
weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.
Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en
daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als
je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk
te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote
vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je
weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft
't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor
anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.
Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en
knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes
weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek
op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze
allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want
Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in
Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat
Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En
boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen
wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die
heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die
oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,
hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en
toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden
en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen
op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar
bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch
verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok
en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer
koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,
mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."
En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.
Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor
zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij
was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel
goud waard was.
En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet
'm driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n
wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,
dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze
wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen
hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde
Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens
even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je
praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees
en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als
een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een
bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover
kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi
placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren
niet eens af en toe een relletje hebt."