XI.

Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het

sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen

warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,

dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke

knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met

glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.

Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.

Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met

de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster

pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van

worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende

een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"

was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,

der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze

wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?

Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten

komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde

ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een

andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."

De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep

adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel

aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich

dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck

gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch

bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",

die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,

dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat

al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen

branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.

"Dag moe, ik kom direct beneden".

Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen

werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van

verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar

hoofd. Ze begreep zichzelf niet.

Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom

wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger

dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze

ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze

gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor

den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en

hield ze op haar beide handen.

Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote

verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"

Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een

gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van

haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte

ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,

over een half uurtje ben ik weer terug."

Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze

schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel

open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,

haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van

de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't

plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben

je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen

ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam

licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en

vluchten zou.

"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen

zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In

dat eene woord was alles en ze hoorde 't.

Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun

lijven als zingende zonnen.

Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:

"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...

De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde

z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels

op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.

"Kwart over achten. Consummatum est."

Iemand tikte op z'n schouder.

De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee

en zie."

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 16 / 43 题