X.

't Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.

Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog

en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht

uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.

Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even

teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren

ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,

er moesten alleen nog maar postzegels op.

't Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er

was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora

zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in

't vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar

heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den

haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,

en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar

't roode schijnsel van den haard op de vloer.

Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar

dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't

land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was

't reeds donker.

't Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht

zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een

farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou

hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van

z'n tante in Velp.

't Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde

nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,

maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.

De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En

als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,

stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat

om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.

En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun

neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden

konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,

"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie

't niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij

vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde

ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die

hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.

De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden

zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er

heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand

waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang

weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.

De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal

is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.

De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden

gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora

dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag

boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,

zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de

menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer

eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou

opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?

Ze spraken nog altijd niet.

Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard

gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te

worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en

dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van

droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des

levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,

wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,

maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij

zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel

de moeite waard.

"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en

de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de

hooge boomen alom bruin.

Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met

haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen

op haar stoel.

De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den

gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken

hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen

ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige

witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,

maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege

lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog

zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den

hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt

naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar

je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een

klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:

"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't

vroege voorjaar.

't Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,

vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.

"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook

een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist

alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm

ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren

met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij

was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken

en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld

datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou

vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of

iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar

z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield

niet vannem.

"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In

't schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen

van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.

"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,

hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.

Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor

zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,

maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en

gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was

't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,

z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit

door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.

En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat

anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de

zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe

lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,

in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er

boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,

van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't

Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,

't licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar

de zee, die ze niet zag.

Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor

dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.

"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,

trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."

Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat

hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens

enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een

van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze

begreep niet.

Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten

de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen

uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren

haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één

hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't

alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij

niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien

sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen

bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij

moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k

Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."

"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar

de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan

nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak

aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij

de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit

"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.

Hij bracht haar tot de trap.

"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,

au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was

als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag

hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen

sloeg de deur dicht.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 15 / 43 题