Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
bij z'n schoonmoeder gehaald.
Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing
langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees
met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van
dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.
"Eduard" riepen ze beiden tegelijk.
"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de
onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik
doe is goed."
Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.
"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.
Bonger bleef staan.
"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de
vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".
Weer stapte hij achteruit.
"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,
alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
en jij ook, Graafland".
Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".
De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel
zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,
van 't bed, van de stoelen, van den grond.
"Kleed je aan".
Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.
't Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben
schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd
geweest.
Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven
met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't
gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche
en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest
is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet
i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje
en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast
'm heeft gezeten op school.
Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext
en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig
en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van
den afgrond is gegaan.
Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar
baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat
iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.
En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog
gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.
Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral
niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,
dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief
heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.
Juni-Juli 1917.