Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
't Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured
satteens te vergeten.
Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te
vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,
in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,
zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele
vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde
en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,
die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,
alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n
stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij
streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en
wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de
huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God
om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig
zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier
zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien
komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even
lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van
heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,
nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en
recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den
rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren
hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand
zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,
dat even de zon fel weerkaatste.
En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,
een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"
blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van
de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,
geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,
je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of
niet netjes?
Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele
geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en
had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des
jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën
en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval
uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij
wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar
huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,
haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in
zwarte glacétjes elkaar vast.
Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een
lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar
zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,
maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze
stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar
in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte
een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,
aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al
goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas
van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon
ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun
naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat
en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is
een vrouw, die zichzelf begrijpt.
Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
aanraken.
En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den
sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in
onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen
en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo
dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen
zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te
genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op
haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat
zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie
winkel?"
Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
't zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om
te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje
bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een
gilletje geven van plezier.
En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep
er niets van.
Maar wat een dag der dagen.
Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor
een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar
hoofd in den Waal gooien, datti siste.
De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,
een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen
op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets
markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen
wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,
de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en
toch verloren in de wijdte.
Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
weggaan.
Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de
helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en
zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel
als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God
sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant
en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"
maar de helderheid was geweken.
Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes
en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten
en schiftte de post.