VIII.

Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver

datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot

tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week

zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,

waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij

kon niet weg, als een heusche heer.

's Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken

en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't

niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire

waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van

1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur

hebben benoemd."

Maar 't kwam even anders.

Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti

kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,

die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes

centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de

keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,

vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.

En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix

laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,

alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de

Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de

trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar

ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En

de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen

langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo

echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op

Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de

van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,

in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.

Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de

Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en

kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit

licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie

en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel

's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die

zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot

een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,

had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,

met bruine schoenen aan.

En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in

haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat

ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik

de tram hoorde bellen."

Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een

dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand

was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden

weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze

alleen was en niemand er van wist.

Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar

huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n

vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe

plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd

hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in

steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde

op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige

zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had

gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze

gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar

ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had

erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften

hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een

zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een

heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis

tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij

leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat

beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van

wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en

witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde

flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf

die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.

Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de

Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar

trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't

huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix

doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een

vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid

en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.

Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor

weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.

Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.

In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg

stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met

groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,

de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna

zat ze en staarde.

En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,

om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar

zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,

en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar

lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even

gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,

die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks

wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,

en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en

losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits

kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer

kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.

Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,

de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,

voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was

al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een

degelijk heer hielden.

"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij

knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't

dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt

je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij

dan willen?"

"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel

even... "ten minste als je dat kunt."

Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix

beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk

een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille

ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,

je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals

't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in

eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat

nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen

in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje

op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en

staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"

en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.

Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om

ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn

lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."

Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo

nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."

Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den

Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,

stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de

voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig

met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:

"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit

't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de

rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en

boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den

trein over de brug.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 13 / 43 题