Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver
datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot
tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week
zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,
waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij
kon niet weg, als een heusche heer.
's Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken
en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't
niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire
waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van
1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur
hebben benoemd."
Maar 't kwam even anders.
Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,
die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes
centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de
keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,
vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,
alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de
Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de
trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar
ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En
de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen
langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo
echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op
Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de
van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,
in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de
Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en
kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit
licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie
en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel
's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die
zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot
een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,
had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,
met bruine schoenen aan.
En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat
ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik
de tram hoorde bellen."
Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand
was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden
weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
alleen was en niemand er van wist.
Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar
huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n
vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe
plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd
hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in
steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde
op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige
zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had
gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze
gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar
ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had
erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften
hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een
zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een
heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis
tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij
leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat
beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van
wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar
trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't
huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix
doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een
vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid
en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,
de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna
zat ze en staarde.
En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,
om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar
zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,
en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar
lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even
gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,
die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks
wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,
en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en
losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits
kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer
kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,
de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,
voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was
al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een
degelijk heer hielden.
"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij
knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't
dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt
je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij
dan willen?"
"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel
even... "ten minste als je dat kunt."
Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix
beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk
een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille
ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,
je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals
't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in
eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat
nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen
in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje
op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en
staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"
en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om
ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn
lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den
Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,
stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de
voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig
met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:
"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit
't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de
rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en
boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den
trein over de brug.