Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net
burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op
't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,
alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,
veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook
dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats
van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne
overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen
voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,
alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet
van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds
terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge
respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs
zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte
goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf
sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad
en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond
van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar
als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een
uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk
een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze
en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en
trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en
had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad
en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur
open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat
z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,
en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad
uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter
en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven
had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten
verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet
meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at
en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti
koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze
mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat
je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die
moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar
't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal
nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als
kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un
jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er
moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine
steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was
druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te
klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't
Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien
om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man
geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur
uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je
een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch
al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En
dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies
weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal
zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een
groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je
vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een
blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen
nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,
zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i
't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was
gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf
al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i
z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,
nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar
nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch
een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die
'm droefgeestig maakte.
Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood
wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,
om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan
al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en
alleen over was met 't niet.
Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten
in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar
dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een
enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,
die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen
langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens
gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij
schreef trouwens toch onder een anderen naam.
Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te
kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter
en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,
zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen
onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet
kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie
je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien
waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden
en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
"Ik kijk van terzij in je groote oogen.
En zie een blauw' en een gouden vonk"
en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."
Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven
in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan
't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam
ophalen voor de muziek.
Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n
dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
't Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't
keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n
eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in
eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar
en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter
worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt
en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw
beneden van schrikte.