VII.

Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net

burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op

't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,

alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.

Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,

veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook

dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats

van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne

overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen

voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,

alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet

van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den

conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,

begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds

terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge

respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs

zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte

goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf

sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad

en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond

van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar

als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een

uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk

een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze

en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en

trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en

had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad

en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur

open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat

z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.

En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep

vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,

en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad

uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.

Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter

en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven

had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten

verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet

meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at

en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti

koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze

mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat

je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die

moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar

't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal

nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.

Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als

kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un

jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er

moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine

steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was

druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te

klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't

Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien

om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man

geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur

uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je

een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch

al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever

heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een

spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En

dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies

weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal

zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een

groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je

vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een

blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen

nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,

zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.

En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i

't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was

gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf

al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i

z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,

nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar

nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch

een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die

'm droefgeestig maakte.

Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog

iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood

wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,

om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan

al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet

was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en

alleen over was met 't niet.

Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets

van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten

in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar

dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"

noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een

enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,

die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen

langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens

gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij

schreef trouwens toch onder een anderen naam.

Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te

kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar

rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter

en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,

zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen

onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet

kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie

je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien

waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden

en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:

"Ik kijk van terzij in je groote oogen.

En zie een blauw' en een gouden vonk"

en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."

Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven

in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan

't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam

ophalen voor de muziek.

Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te

merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n

dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.

't Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:

"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't

keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.

En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n

eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in

eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.

Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar

en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter

worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt

en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw

beneden van schrikte.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 12 / 43 题