Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door
m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal
niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam
doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had
een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,
in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat
't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten
te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De
situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,
toch ga ik door.
Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende
asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed
op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n
boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind
van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij
weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer
op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en
verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar
ik nooit kom.
Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
klagelijk loeit.
En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
een meisje, zoolang de genade duurt.
En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,
ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich
zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't
koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge
garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was
ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met
duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk
afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag
je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,
die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen
zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren
Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar
lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op
haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,
dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,
als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,
die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet
ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan
keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie
der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,
die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs
zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die
een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en
glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn
Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer
toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien
boven z'n rechten sterken neus.
Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar
zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch
haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter
dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge
liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds
aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een
grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,
waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap
viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel
week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en
zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng
van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken
en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat
opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in
haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet
ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde
en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den
kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,
't water hield nog wat licht.
Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen
wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den
Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo
keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,
voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk
wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde
gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen
stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen
warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,
zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,
en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte
waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,
't water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,
de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de
avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich
daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,
die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water
was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van
den zwaren wagen over den grindweg.
"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals
sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben
je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."