Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed
en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor
't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood
en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend
bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan
heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel
wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk
vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't
God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen
opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een
van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst
boven mocht komen.
Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang
gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer
dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje
met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't
land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu
loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden
over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen
smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit
hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje
met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't
Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend
in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor
't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
't Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van
't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een
bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode
bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er
van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en
de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden
wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen
en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan
den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van
den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,
stond alom de groene rog manshoog.
Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij
viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
"Dag Dora, ken je me niet meer?"
Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en
de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was
pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar
zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf
naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende
'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die
bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n
schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de
kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis
binnen. "Daar is Ee."
De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij
raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de
hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op
de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar
zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en
stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,
nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten
groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen
en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's
en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de
rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw
en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht
was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't
licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om
haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich
heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En
ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol
licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij
te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging
op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als
vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader
over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet
doen, hij zei enkel:
"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op
te tillen."
En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat
ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug
naar de keuken om 't stel uit te draaien.