V.

Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed

en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor

't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood

en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend

bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan

heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel

wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk

vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.

Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't

God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen

opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een

van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst

boven mocht komen.

Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang

gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer

dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een

licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje

met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de

Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal

neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't

land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een

weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een

kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu

loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden

over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen

smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit

hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje

met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't

Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend

in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor

't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.

't Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van

't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een

bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode

bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er

van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en

de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden

wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen

en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan

den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van

den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,

stond alom de groene rog manshoog.

Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij

viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.

"Dag Dora, ken je me niet meer?"

Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en

de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was

pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar

zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf

naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende

'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die

bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.

"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.

"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n

schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de

kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis

binnen. "Daar is Ee."

De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij

raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de

hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op

de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,

vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar

zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en

stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,

nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten

groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen

en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de

gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's

en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de

rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw

en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht

was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't

licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om

haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich

heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En

ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.

Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol

licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij

te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging

op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als

vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader

over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet

doen, hij zei enkel:

"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op

te tillen."

En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat

ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."

"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug

naar de keuken om 't stel uit te draaien.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 10 / 43 题