De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze
niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat
missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren
open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,
c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun
kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n
tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den
kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje
met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een
taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar
lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje
is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar
't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt
haar zachtjes, maar zegt niet veel.
In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een
vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt
zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i
zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te
veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.
Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te
warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze
aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste
van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't
met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar
bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt
met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en
't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en
verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief
met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een
sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,
om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den
buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't
eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden
en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan
het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't
kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt
ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar
kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten
rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen
en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't
kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:
"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent
je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken
voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,
haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen
en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit
de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel
draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens
aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je
helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in
't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft
't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe
je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel
en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot
't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is
te lang getrouwd.
Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik
moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de
kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,
ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen
van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou
vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel
dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een
hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een
oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer
in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al
die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,
"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die
vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij
is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.