IV.

De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,

die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd

zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar

ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze

niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat

missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren

open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,

c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun

kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.

Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n

tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den

kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje

met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een

taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar

lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje

is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar

't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt

haar zachtjes, maar zegt niet veel.

In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een

vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt

zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i

zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te

veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.

Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te

warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze

aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste

van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't

met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar

bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt

met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en

't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en

verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief

met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een

sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,

om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den

buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't

eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden

en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan

het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't

kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt

ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar

kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten

rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen

en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't

kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:

"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent

je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet

je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken

voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,

haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen

en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit

de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel

draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens

aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je

helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in

't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft

't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe

je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel

en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot

't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is

te lang getrouwd.

Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik

moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de

kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,

ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen

van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou

vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel

dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een

hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een

oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."

Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer

in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al

die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,

"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die

vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij

is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn

lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 9 / 43 题