Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat
van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes
altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven
één gedicht, wat ook vervelend wordt.
In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en
onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen
had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November
tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een
jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in
haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant
van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,
afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,
klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt
lijn 2, Museumkwartier.
't Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen
't leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter
haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed
op z'n grijzend, kort geknipt haar.
Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de
zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en
zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze
waren ongetwijfeld getrouwd.
't Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen
om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar
man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,
dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele
hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet
mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende
haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i
niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier
geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk
Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen
haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten
van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n
gedicht zonder eind.
Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De
huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je
dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de
peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,
want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n
eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont
en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij
met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn
was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling
heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren
geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen
en groentenwinkel.
Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik
wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even
wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't
Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,
moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn
gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd
en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels
gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan
mijn gedachten door mijn oogen."
En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare
in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit
den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar
zagen ze.
Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste
vrouw kan dat meedichten.
Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
't mooie.
Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct
ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar
man door de tram, correct en statig en zag niemand.
Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor
den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna
gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't
Museumkwartier en keek.
"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn
lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een
somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
's middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm
voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel
schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij
zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens
in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er
om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't
zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En
hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende
struik noemde hij "Clara".
Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem
en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?