II.

't Dichtertje was nooit gevallen.

Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over

dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De

wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een

dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.

't Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,

natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,

toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar

kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in

't beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting

kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een

roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.

En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon

bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat

i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog

niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd

langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,

de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook

giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag

hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze

allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar

schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en

hield haar hoofd achterover.

En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek

i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en

's morgens half negen. En hij dichtte.

Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar

Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":

"Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".

"Die Kreuzfahrer":

"Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".

Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom

hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.

"Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"

En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over

negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En

van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu

is de wereld een groot zomerland".

"God gooide de poorten des hemels open,

Mijn zoete lief zat op een gouden troon".

Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti

buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu

nog praten over dien mallen kerel.

Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje

datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze

kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze

hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,

"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar

geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij

zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,

zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat

ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat

op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je

kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder

wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,

zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger

bij Nijmegen.

En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun

ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,

heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een

vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten

woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over

kwam, dan moest je thuis blijven.

Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij

had maar twee dagen vrij.

Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti

bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een

grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar

bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een

nette jongen".

's Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar

was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene

hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst

voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.

"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,

van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met

een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te

zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo

één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er

niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God

de poorten des hemels open gooide? Wat raar.

Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet

op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in

den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar

teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van

'm houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.

Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i

getrouwd was.

En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van

vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had

een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam

een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren

ten naaste bij gelukkig.

Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is

voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,

dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een

heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar

man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend

nachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan

en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan

blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 7 / 43 题