onderzoek naar den diepsten grond des geloofs uitgekomen bij het
religieuse subject en moet hare positie nemen in het geloof der
gemeente. Elke andere weg, tot bewijs der religieuse waarheid
ingeslagen, is gebleken eene impasse te zijn. Schijnbaar is dit eene
teleurstelling; en zoo wordt ze ook gevoeld door elk, die het eigenlijk
wezen van openbaring en godsdienst miskent en ze verandert in eene
verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk is deze uitkomst voor de
theologie eene winst. Want zij bewijst, dat de theologie tot het inzicht
gekomen is van de eigensoortigheid der religie en dat zij in dezelfde
conditie verkeert als alle andere wetenschappen. Het subjectieve
uitgangspunt is toch volstrekt niet alleen aan de theologie eigen. Al
het objectieve is slechts van uit het subject te benaderen; het Ding
an sich is onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld der klanken
heeft slechts realiteit voor den hoorenden, de wereld der gedachten
alleen voor den denkenden geest. Het is vergeefsche moeite, aan den
blinde het objectief bestaan der kleuren te willen bewijzen. Alle
leven en kennen berust op eene samenstemming van subject en object.
En de mensch is daarom zoo rijk, wijl hij door de verschillendste en
de veelvuldigste relatiën aan de objectieve wereld verbonden is. Hij
is aan de gansche wereld verwant; physisch, vegetatief, sensitief,
intellectueel, ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie;
hij is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al deze relatiën
van den mensch tot de wereld religieus op te vatten en theïstisch te
verklaren. De mensch heeft zich niet zelf in deze verhouding tot den
kosmos gesteld. Hij is van huis uit op die wereld aangelegd, en deze
wederkeerig op hem. Wijl hij beeld Gods is, is hij ook heer der aarde.
En niet alleen is het God, die deze banden eenmaal tusschen mensch en
wereld gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van oogenblik
tot oogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde Logos,
waardoor alle dingen in en buiten den mensch zijn gemaakt. Hij is vóór
alle dingen en deze bestaan nog altijd te zamen door Hem, Joh. 1:3;
Col. 1:15. Nog nader doet de Schrift ons den Geest van God kennen
als principe en auteur van alle leven in mensch en wereld, Gen. 1:2;
Ps. 33:6, 104:30, 139:7; Job 26:13, 33:4, bepaaldelijk ook van het
intellectueele, ethische en religieuse leven, Job 32:8; Jes. 11:2.
Natuurlijk is de werking van dien Geest verschillend, overeenkomstig de
verhoudingen, waarin de mensch tot de wereld staat. Physisch bestaat
ze nog slechts in de aandrift, die mensch en dier hunne spijze van God
doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze is dan nog gelijk aan het instinct, dat
onbewust de handeling leidt. Maar hooger vorm neemt deze werking van
Gods Geest aan in het intellectueele, ethische en religieuse leven van
den mensch. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis,
welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door inwerking
van verwante verschijnselen uit de buitenwereld tot actie overgaan. En
deze actie kan nu den naam van getuigenis dragen, door den menschelijken
geest gegeven aan de correspondeerende verschijnselen buiten hem.
Onze geest doet niets anders dan altijd door getuigenis geven aan de
waarheid, die van buiten tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet
denkende en redeneerende uit zichzelven voort; hij produceert en
schept ze niet, hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid
bestaat vóór en onafhankelijk van den menschelijken geest; zij rust in
zichzelve, in den Logos, waarin alles bestand heeft. Van ’s menschen
zijde is alleen noodig, dat hij de waarheid inzie en in zich opneme;
dat hij er zijn getuigenis aan geve en ze denkend en kennend verzegele.
Zoo getuigde Jezus hetgeen hij gezien en gehoord had, Joh. 3:32; Hij
gaf der waarheid getuigenis, Joh. 18:37; en zoo waren de apostelen
getuigen van het woord des levens, dat zij in Christus aanschouwd en
getast hadden, Joh. 15:27; 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan
de waarheid is voor den menschelijken geest rust, vreugde, zaligheid.
De afstand tusschen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij heeft
ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking. Zij maakt
ons door zichzelve tot hare getuigen. Alle waarheid maakt van hem,
die haar kent, een getuige, een verkondiger, een profeet. Ingaande
in onzen geest, brengt zij hare eigene getuigenis mede; zij brengt die
zelve in ons voort. Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door
onzen geest heen aan den Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is
eenzelfde Geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en ze
subjectief in onzen geest tot zekerheid verheft. Het is zijn getuigenis,
dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten, welke God in de
schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de religie is dit getuigenis
des H. Geestes aan de waarheid duidelijk. God laat zich niet onbetuigd.
Hij openbaart zijne δυναμις en θειοτης in de schepselen, en geeft
zelf daaraan in onzen νους door zijnen Geest getuigenis. Alle kennen
der waarheid is wezenlijk een getuigenis, dat de geest des menschen
aangaande haar aflegt, en in den diepsten grond een getuigenis van den
Geest Gods aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt.
5. Dit getuigenis van des menschen geest aan de waarheid is
onderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het testimonium
Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op deze overeenkomst,
Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. theol. I § 33. Alsted, Theol. schol.
did. p. 31. Maar analogie is geen identiteit. De christelijke religie
heeft tot principium externum niet de algemeene openbaring Gods in de
natuur, maar eene bijzondere openbaring Gods in Christus. Daarmede moet
het principium internum overeenstemmen. De νους van den psychischen
mensch is onvoldoende, om de dingen des Geestes Gods te onderscheiden.
God kan alleen door God worden gekend. Ὁ ὠν ἐκ του θεου τα ρηματα του
θεου ἀκουει, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v., 18:37. Niemand kan over
God spreken, dan die uit en door Hem spreekt. Daarom kan ook alleen
diezelfde Geest, die door profeten en apostelen heeft gesproken, in
onze harten aan de waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven
allen twijfel verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een
getuigenis des H. Geestes in de harten der geloovigen wordt in de
Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d. i. in
den persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt alles
besloten, wat de mensch tot de kennis en den dienst Gods van noode
heeft. De openbaring Gods is in Christus voltooid en in de Schrift
volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring in Christus en
in zijn woord is middel, geen doel. Doel is de schepping eener nieuwe
menschheid, die het beeld Gods ten volle ontvouwt. Daarom moet heel
de openbaring overgeleid worden uit Christus in de gemeente, uit de
Schrift in het bewustzijn; God zoekt eene woning in den mensch. Dit
groote, goddelijke werk van de toepassing des heils, van de leiding in
alle waarheid is opgedragen aan den Heiligen Geest. Reeds in de dagen
des O. Verbonds was Hij de auteur van alle religieus-ethische kennis
en leven, Ps. 51:13, 143:10; Jes. 63:10. Maar Israel verkeerde in een
staat van onmondigheid en was onder de verzorging der wet gesteld,
Gal. 4:1 v. De H. Geest was nog niet, overmits Christus nog niet was
verheerlijkt, Joh. 7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit
naar de dagen des N. Verbonds, waarin allen door den Heere geleerd en
allen door den H. Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34; Ezech. 36:25
v.; Joel 2:28 v. Naar de belofte wordt deze Geest uitgestort op den
Pinksterdag. Heel zijne werkzaamheid wordt door Jezus een getuigen, een
verheerlijken van Hemzelven genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De H. Geest
is de waarachtige en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de
wereld staat vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem
op. Maar de H. Geest treedt bij die wereld als de paracleet, als de
verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift; deze
is het getuigenis, de pleitrede des H. Geestes voor Christus, die Hij
uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium Spiritus
Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten grondslag aan het
getuigenis, dat de H. Geest aflegt in de harten der geloovigen. Gelijk
de gedachten Gods objectief in de wereld belichaamd zijn en daaruit
door den menschelijken geest worden afgeleid, zoo is ook het woord der
openbaring eerst volkomen beschreven in de H. Schriftuur, om daarna
verzegeld te worden in onze harten door het getuigenis des H. Geestes.
Ook hier bestaat de werkzaamheid van den geest des menschen in niets
anders dan om getuigenis te geven aan de waarheid, en na te denken
wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in de geloovigen
blijkt hier alreede geen nieuwe openbaring of meedeeling van onbekende
waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden van profetie en
inspiratie; het doet alleen de waarheid, die buiten en onafhankelijk
van ons bestaat, als waarheid verstaan en verzekert en verzegelt ze
mitsdien in het menschelijk bewustzijn. De verhouding van het getuigenis
des H. Geestes in de harten der geloovigen tot de waarheid der
openbaring in de H. Schrift is m. m. geene andere dan die van den
menschelijken geest tot het voorwerp van zijne kennis. Het subject schept
de waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts.
Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van het
menschelijk weten zijn alle αὐτοπιστα, ze rusten in zichzelve, hun
bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen in strikten
zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van afgeleide stellingen, en
bestaan dan daaruit, dat deze tot algemeene stellingen worden herleid.
Bewijzen is: het onbekende terugleiden tot het bekende, het bijzondere
tot het algemeene, het onzekere tot het vaststaande. Misschien is
het nog juister te zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van
onzekere en betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen
als vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar alle
bewijzen ten slotte op rusten, zijn zelve voor geen bewijs vatbaar; zij
staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen zijn daarom alleen
van kracht voor hem, die in deze principia met ons overeenstemt.
Contra principia negantem non est disputandum. Zoo kan in de moraal
het stelen als ongeoorloofd worden bewezen aan hem, die het gezag der
zedewet erkent, maar elk bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag
loochent. De zedewet zelve is αὐτοπιστος, zij rust in zichzelve, zij is
als de zon die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van
geen bewijs en redeneering af; zij is machtig doordat zij er is, zichzelve
poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag, in de goddelijke
majesteit, waarmede zij haar: gij zult, in onze conscientie hooren doet.
De zedewet zou zichzelve verzwakken, als zij met ons ging redeneeren en
zich onderwierp aan ons oordeel. Zij treedt kategorisch op, en wil van
geen exceptiën, van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom
onderwerpt gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk: omdat
zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom
gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er geen afdoend antwoord
meer te geven. Wie dan toch antwoorden wil, slaat een zijweg in en
beroept zich op allerlei notae en criteria, waarin die goddelijkheid
der zedewet zich aan hem kenbaar maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit
niet. En zoo is het gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelve
en staan alleen vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het
zich in de theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van
de afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden aan
hem, die het gezag der Schrift erkent. Maar de autoriteit der Schrift
rust in zichzelve en is voor geen bewijs vatbaar. De H. Schrift is
αὐτοπιστος en daarom de laatste grond des geloofs. Een diepere grond
is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom gelooft gij de Schrift? is
het eenige antwoord, wijl zij Gods woord is. Maar als dan verder gevraagd
wordt: waarom gelooft gij, dat de H. Schrift Gods woord is? moet de
Christen het antwoord schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep
doen op de notae en criteria der Schrift, op de majesteit van haar
stijl, de verhevenheid van haar inhoud, de diepte harer gedachten, het
zegenrijke harer vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden van
zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken, die later door
het geloovig denken in de Schrift worden ontdekt, evenals de bewijzen
voor Gods bestaan niet aan het geloof voorafgaan en dit schragen, maar
eruit voortvloeien en erdoor uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het
geloof aan de Schrift, ontleend aan hare notae en criteria, toonen
ten duidelijkste aan, dat er geen diepere grond kan aangegeven worden.
Het Deus dixit is het primum principium, waartoe alle dogmata, ook
dat aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band der ziel aan
de Schrift als het woord Gods ligt achter het bewustzijn, en onder de
bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof aan de principia in
de verschillende wetenschappen.
6. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende zijden de
bedenking ingebracht, dat alzoo het gelooven geheel willekeurig
wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom de Schrift als woord
Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat God het alzoo te gelooven
geeft. Daarmede kan de Mohammedaan zijn geloof aan den Koran, en ieder
bijgeloovige zijne superstitie bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt
de plaats in van reden en bewijs. Cf. bijv. Scholten tegen Saussaye,
Leer der Herv. Kerk, 3e druk, voorrede. Hiertegen worde echter in de
eerste plaats opgemerkt, dat de geloovige wel is waar geen dieperen
grond voor de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit,
welke hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat in
het midden te brengen tegenover den bestrijder dier openbaring. Het
is zoo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan den tegenstander niet
bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging minstens evenveel
te zeggen als gene tot aanval. Ook het ongeloof rust ten slotte niet
op bewijzen en redeneeringen maar wortelt in het hart. Geloovigen en
ongeloovigen staan in dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging
hangt met heel hun persoonlijkheid saam en wordt eerst aposteriori
door bewijs en redeneering gesteund. En als nu beiden tegen elkander
met deze aposteriorische bewijzen en redeneeringen strijd voeren,
verkeeren de geloovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die niet
gelooven. God is kenbaar genoeg voor degenen die Hem zoeken, en ook
weder verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten. Il y a assez de
lumière pour ceux, qui ne désirent que de voir, et assez d’obscurité
pour ceux, qui ont une disposition contraire. Il y a assez de clarté
pour éclairer les élus, et assez d’obscurité pour les humilier. Il y
a assez d’obscurité pour aveugler les réprouvés, et assez de clarté,
pour les condamner et les rendre inexcusables, Pascal, Oeuvres, Paris,
Hachette 1869 I 345. Het staat met religie, theïsme, openbaring en
Schrift nog niet zoo hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft
willen doen gelooven. Theodor von Lerber schreef onlangs van de
wetenschap niet geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft
neben ihr gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut,
um noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir auf
meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir und starb,
bij A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh 1895 S. 34.
Historische en rationeele bewijzen zullen niemand bekeeren, maar zijn
toch tot verdediging van het geloof even krachtig, als de argumenten
der tegenpartij voor de rechtvaardiging van haar ongeloof. Voorts is
het getuigenis, dat door de geloovigen aan de christelijke openbaring,
aan de Schrift, gegeven wordt, wel niet algemeen menschelijk, maar toch
algemeen christelijk. De gansche Christenheid is in deze belijdenis
eenparig. Het testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van
een spiritus privatus, maar van den éénen en zelfden Geest, die in
alle geloovigen woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende,
niets te beschrijven dan wat de ervaring was van alle geloovigen, Inst.
I 7, 6. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk aller eeuwen
gegeven wordt aan de Schrift als het woord Gods. Over geen dogma
heerscht er zoo groote eenstemmigheid. Het is een feit, dat niet met
hallucinatie of willekeur op ééne lijn mag gesteld worden, en dat in elk
geval verklaring behoeft. Vervolgens kan de geloovige zeer zeker geen
dieperen grond voor zijn geloof aanwijzen dan de goddelijke autoriteit der
H. Schrift. Maar hij kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze,
waarop hij tot dit geloof is gekomen. Het is zoo, in den regel wordt
iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf, dat hij
met heel zijne ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht dan erover
na te denken en van dezen mystieken band zich rekenschap te geven. Maar
meermalen gebeurt het, dat iemand op lateren leeftijd tot bekeering
komt en tot het geloof aan de Schrift. En ook zij, die van der jeugd
aan uit dat geloof hebben geleefd, worden dikwerf geschokt en door de
kritiek heen en weer geslingerd; eerst allengs komen zij tot de vaste
verzekerdheid des geloofs. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof
aan de openbaring voor het eerst gewekt of later hersteld en versterkt
wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende geloovigen;
maar zij is toch altijd van religieus-ethischen, van geestelijken aard.
Wat ons werkelijk gelooven doet is niet het inzicht van ons verstand
noch een besluit van onzen wil; maar het is eene macht, die boven ons
staat, die onzen wil buigt, die ons verstand verlicht, die zonder
dwang en toch krachtdadig onze gedachten en overleggingen gevangen
leidt tot de gehoorzaamheid van Christus. Dat beleed Augustinus, als
hij het geloof toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas,
als hij zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per
gratiam. Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat
het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione
Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de Reformatie:
het geloof is eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Gelooven
is eene daad des verstands, is eene onmiddellijke, niet door bewijzen
bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn aan de openbaring. Maar dat
geloof onderstelt eene verandering in de relatie van den ganschen
mensch tot God, het onderstelt de wedergeboorte, de omzetting van
den wil. Nemo credit nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan eene
mathematische stelling ontkennen. Maar gelooven is vrij, het is de daad
der hoogste vrijheid, wijl de daad van de diepste zelfverloochening. Als
God de zaligheid niet aan het weten maar aan het gelooven verbindt,
dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet dwingen wil. De brief
aan Diognetus, cap. 7 zegt zoo schoon: βια γαρ οὐ προσεστι τῳ θεῳ.
Juist, wijl het geloof geen vrucht is van wetenschappelijke bewijzen,
komt het niet buiten het hart en den wil des menschen om tot stand.
Dat is de waarheid, die er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen
aangaande den moralischen Glauben. Het geloof is geen conclusie van een
syllogisme. Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit, geen
postulaat. Postuleeren doet de verloren zoon niet, als hij terugkeert
naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium voluntatis. Men kan
niet gelooven als men wil. De wil kan aan het bewustzijn niet bevelen,
om iets als waarheid aan te nemen, als het zelf hoegenaamd de waarheid
er niet van inziet. Gelooven is geen willekeur, maar het is ook niet
blind. Het onderstelt eene wilsverandering, operari sequitur esse; maar
het is eene vrije, spontane erkenning des verstands van het woord Gods.
Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd is,
zoo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods openbaring. Voor
den wedergeborene is het geloof aan de openbaring even natuurlijk als
voor den zedelijken mensch de erkenning der zedewet. Het is ingeschapen
in de natuur van het geestelijk leven; het wortelt in de geheimzinnige
diepten van het wedergeboren hart. De geloovige kan dit geloof even
weinig prijsgeven als zichzelven. Ja, zichzelf kan hij verloochenen,
zijn leven kan hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen.
Het geloof aan de openbaring is bij den Christen één met het geloof
aan zichzelven, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl. II 77.
De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap, aan de
vergeving zijner zonden, aan de waarachtigheid en de trouwe Gods moeten
prijsgeven, om in de openbaring niet het woord Gods te zien. Het geloof
aan de openbaring is één met het beste dat in hem is; in zijne beste
oogenblikken staat hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkome,
hij kan niet anders en mag niet anders. Eindelijk, er komt veel op tegen
dit zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen.
Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft in den
geloovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid des geloofs zich
verheft. Het geloof is, wijl het een bewijs is van zaken die men niet
ziet, een voortdurende strijd. Zonden van het hart en dwalingen van het
hoofd verzetten zich tegen het geloof; en ze hebben dikwerf den schijn
voor zich. Er blijft een dualisme in den geloovige, zoolang hij op aarde
is; een dualisme niet van hoofd en hart, maar van σαρξ en πνευμα, van
den παλαιος en den καινος ἀνθρωπος. Het geloof behoudt min of meer een
supranatureel karakter, inzoover het de natuur van den psychischen
mensch te boven gaat. Het is nog niet ten volle natuurlijk; zoodra het
dat wordt, houdt het zelf op en gaat het over in aanschouwen. Het
geloof is juist geloof, wijl het iets ziet, wat de psychische mensch
niet waarneemt. Maar dit dualisme, hoe pijnlijk ook, dient toch ter
andere zijde tot bevestiging van het geloof. Want als het geloof niet
opkomt uit de natuurlijke hebbelijkheden van den mensch, en noch een
conclusie van een syllogisme is noch een besluit van den wil; dan is
zijne aanwezigheid tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest
drijft ons niet van nature, om God onzen Vader te noemen en ons onder
zijne kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook gemakkelijk kenbaar
verschil tusschen het getuigenis des H. Geestes, als Hij tot onze ziele
zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van Satan als hij spreekt: Vrede,
vrede en geen gevaar. Potestne quis a diabolo impelli, ut Deum in
fide Abba, Patrem vocet? Heidegger, Corpus Theol. loc. 24 § 78. Het
christelijk geloof wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of
Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott’, God zelf is laatste grond
van mijn geloof in God (Beets).
7. Dit testimonium Spiritus Sancti is door Calvijn en de Geref.
theologen al te eenzijdig betrokken op de autoriteit der H. Schrift. Het
scheen, dat het geen anderen inhoud had dan de subjectieve verzekering
van de Schrift als het woord Gods. Daardoor kwam dit testimonium op
zichzelf te staan; het werd van het geloofsleven losgemaakt en scheen
eene buitengewone openbaring aan te duiden, waarvan Michaelis zoo
eerlijk was te erkennen, dat hij ze nimmer had ervaren. De Schrift leert
echter gansch anders. In het algemeen wordt de H. Geest door Jezus
beloofd als de Trooster, als de Geest der waarheid, die in de eerste
plaats de apostelen maar dan door hun woord ook alle geloovigen leidt
in de waarheid, bij hen van Christus getuigt en Hem verheerlijkt, Joh.
14:17, 15:26, 16:14. Daartoe overtuigt Hij van zonde, Joh. 16:8-11,
wederbaart, Joh. 3:3, en brengt tot de belijdenis van Christus als
Heer, 1 Cor. 12:3. En voorts verzekert Hij van het kindschap en van de
hemelsche erfenis, Rom. 8:14 v.; 2 Cor. 1:22, 5:5; Ef. 1:13, 4:30, doet
alle dingen kennen die den geloovigen van God geschonken zijn, 1 Cor.
2:12; 1 Joh. 2:20, 3:24, 4:6-13, en is in de gemeente de auteur van
alle christelijke deugden en van alle geestelijke gaven, Gal. 5:22; 1
Cor. 12:8-11. Duidelijk blijkt uit al deze plaatsen, dat het getuigenis
des H. G. van religieus-ethischen aard is en ten nauwste samenhangt
met het eigen geloofsleven. Het gaat niet buiten het geloof om, het is
geen stem uit den hemel, geen droom of visioen; het is een getuigenis,
dat de H. Geest in, met, door onzen eigen geest heen in het geloof
aflegt. Het wordt niet aan ongeloovigen geschonken maar is het deel
alleen der kinderen Gods. Episcopius, Instit. Theol. IV sect. 1 c. 5 §
2, maakte daarom de bedenking, dat het testimonium Sp. S. geen grond
des geloofs kan zijn, wijl het er eerst op volgt, Joh. 7:38, 14:17; Hd.
5:32; Gal. 3:2, 4:6. Maar het geloof is zelf van den eersten aanvang
af een werk des H. Geestes, 1 Cor. 12:3 en ontvangt in den Geest der
υἱοθεσια zijn zegel en bevestiging. Het gelooven zelf is een getuigen
des H. Geestes in onze harten en door onzen geest heen. Er is alleen
in zoover onderscheid tusschen den Geest Gods en onzen geest bij dit
getuigenis, als onze geest zich telkens nog daartegen verzet en
voortdurend tot gehoorzaamheid geleid moet worden. Daarom geeft het
getuigenis des H. Geestes geen verzekering van de objectieve waarheden
des heils buiten verband met den staat van het religieuse subject. Het
verzekert die waarheden, omdat ze in onlosmakelijk verband staan met
wedergeboorte en bekeering, vergeving en kindschap van den geloovige.
Het testimonium Spiritus Sancti is allereerst eene verzekering, dat
wij kinderen Gods zijn. Dat is de centrale waarheid, de kern en het
middelpunt van dit getuigenis. Maar in verband daarmede verzegelt het
ook de objectieve waarheden des heils, de transcendente en transeunte
waarheden, gelijk Frank ze noemde. Echter met deze nadere bepaling, dat
het testimonium Sp. S. ons geen van deze waarheden openbaart, noch ook
ons in staat stelt om ze door nadenken uit de natuur van ons geestelijk
leven af te leiden. De verlichting des H. Geestes is geen kenbron der
christelijke waarheid; zij doet ons geene materieele waarheden kennen,
die aan den natuurlijken mensch verborgen zijn; zij doet ons dezelfde
zaken alleen anders, dieper, geestelijk verstaan en opvatten. Paulus
zegt uitdrukkelijk, dat de Geest ons doet weten de dingen die ons
objectief door God in Christus geschonken zijn, 1 Cor. 2, cf. Hoekstra,
Grondslag, wezen en openbaring van het godsd. geloof 1861 bl. 165 v.
184. De Geest, dien de geloovigen ontvangen, is de Geest van Christus,
die alles uit Christus neemt en ontvangen wordt uit de prediking des
evangelies, Joh. 14:17; Gal. 3:2, 4:6; 1 Joh. 2:20, 24, 27. Maar de
waarheden zelve zijn van elders uit de Schrift ons bekend; zij worden
alleen subjectief verzegeld door het getuigenis des H. Geestes.
Daaruit volgt, dat het eigenlijk object, waaraan de H. Geest in de
harten der geloovigen getuigenis geeft, niets anders is dan de
divinitas der waarheid, in Christus ons geschonken. Historische,
chronologische, geographische data zijn nooit als zoodanig, op
zichzelve, object van het getuigenis des H. Geestes. Zelfs de feiten
des heils zijn niet als nuda facta, inhoud van dat getuigenis.
Geen enkel geloovige wordt door het getuigenis des H. Geestes in
wetenschappelijken zin verzekerd van de bovennatuurlijke ontvangenis en
de opstanding van Christus. Het eenige, waar het getuigenis des H.
Geestes betrekking op heeft, is de divinitas. Maar dan ook de divinitas
van al die waarheden, welke in de Schrift zijn geopenbaard en door
God in Christus ons geschonken zijn. Het is onjuist, het testimonium
Sp. S. alleen te laten slaan op datgene, wat in engeren zin alleen
religieus-ethisch is. Wel is de divinitas het eenige directe object van
dat getuigenis, maar deze divinitas is niet alleen eene eigenschap van
enkele godsdienstige en zedelijke uitspraken, maar evenzeer van feiten
en daden. Christus zelf is een historisch persoon, de verlossing is
door historische daden tot stand gebracht, en het testimonium Sp. S.
drukt ook op deze historie het merkteeken der divinitas. Daarom is dit
testimonium Sp. S. door Calvijn ook terecht in verband gebracht met
de Schrift als het woord Gods. Want niet alleen heeft deze Schrift
omnium consensu eene rijke religieus-ethische beteekenis voor het
christelijk leven, maar zij bevat ook eene leer over zichzelve. De
H. Geest openbaart aan den geloovige geen enkele waarheid, evenmin
aangaande den persoon van Christus als aangaande de H. Schrift. De
geloovige kan alleen belijden wat God in Christus hem geschonken heeft.
Maar de Schrift bevat ook eene leer over zichzelve evengoed als over
Christus. En het testimonium Sp. S. ten aanzien van de H. Schrift
bestaat daarin, niet dat de geloovige eene onmiddellijke, hemelsche
aanschouwing ontvangt van de goddelijkheid der Schrift; noch ook, dat
hij middellijk uit de notae en criteria tot hare goddelijkheid besluit;
evenmin dat hij uit de ervaring van de kracht die van haar uitgaat,
tot hare goddelijkheid opklimt; maar hierin dat hij vrij en spontaan het
gezag erkent, waarmede de H. Schrift allerwege optreedt en dat zij zelve
telkens uitdrukkelijk voor zichzelve vindiceert. Niet de authentie,
noch de canoniciteit, noch zelfs de inspiratie, maar de divinitas der
Schrift, hare goddelijke autoriteit is hierbij het eigenlijk object van
het getuigenis des H. Geestes. Het doet den geloovige zich onderwerpen
aan de Schrift en bindt hem in dezelfde mate en kracht aan deze als aan
den persoon van Christus zelven. Het verzekert hem, dat hij in nood en
dood, in leven en sterven op dat woord Gods zich verlaten en daarmede
zelfs zonder vreeze voor den Rechter van hemel en aarde verschijnen
kan. Historische kritiek der Schrift vindt daarom alleen in zooverre
bij de gemeente tegenstand, als zij afbreuk doet aan deze divinitas der
H. Schrift en daardoor het getuigenis van het kindschap Gods, de hope
der heerlijkheid, de zekerheid der zaligheid ondermijnt. In zekeren
zin schuilt er in dit testimonium Sp. S. eene cirkelredeneering. De
divinitas der Schrift wordt uit dit getuigenis en de divinitas van dit
getuigenis wederom uit de Schrift bewezen. Alleen komt het testimonium
Spiritus Sancti hier in tweeërlei opzicht voor. De geloovige voelt
zich eerst in zijne ziel aan het woord Gods gebonden en leert dan later
uit de H. Schrift verstaan, dat dat geloof aan de Schrift in zijn hart
gewerkt is door den H. Geest. Nauwkeurig gesproken is het getuigenis
des H. Geestes ook niet de laatste grond van zijn geloof, want de
Schrift is αὐτοπιστος; maar wel het middel, waardoor hij de goddelijkheid
der Schrift erkent. Schrift en getuigenis des H. Geestes verhouden zich
als objectieve waarheid en subjectieve verzekerdheid, als de prima
principia en hunne evidentie, als het licht en het oog. Eens in hare
goddelijkheid erkend, staat de Schrift voor het geloof der gemeente als
woord Gods onomstootelijk vast, zoodat zij principium en norma is van
geloof en van leven.
8. Dit getuigenis des H. Geestes wordt niet daardoor te niet gedaan,
dat het in de geloovigen schijnbaar zoo verschillend is. Bellarminus
bracht er reeds tegen in, dat Luther en Calvijn ondanks dit testimonium
Sp. S. een zeer afwijkend oordeel velden over den brief van Jakobus.
Maar de H. Geest getuigt in het hart der geloovigen niet alleen
aangaande de H. Schrift maar evenzeer in betrekking tot alle andere
waarheden des heils. Er is geen kerk, die in dezen zin niet een
getuigenis, eene verlichting des H. Geestes aanneemt. En toch wordt
daardoor verschil in de belijdenis der onderscheidene waarheden niet
uitgesloten. Wij gelooven ééne heilige algemeene christelijke kerk,
eene gemeenschap der heiligen; alle geloovigen belijden één Heer,
één geloof, één doop, en zijn gedrenkt tot éénen Geest; en toch is er
verdeeldheid en strijd tusschen de kerken onderling en in de voornaamste
artikelen des geloofs. De eenheid der christelijke kerk ten aanzien van
de Schrift is veel grooter dan in eenig ander dogma; zelfs dat van de
triniteit en de Godheid van Christus niet uitgenomen. Toch doet al dat
verschil ons niet twijfelen aan de eenheid des geloofs en der kennis,
aan de katholiciteit der kerk, aan de leiding des Geestes in alle
waarheid; want verschil zal er blijven, zoolang de kerk onvolmaakt,
het hart verdorven, het inzicht beperkt, het geloof klein en zwak
is. In den enkelen geloovige is het testimonium Spiritus Sancti niet
altijd even sterk en luide; wijl het ten nauwste met het geloof en
het geloofsleven samenhangt, gaat het op en neer en is aan twijfel
en bestrijding onderhevig. Als in den geloovige de zonde de overhand
neemt, wordt de bewustheid zijner vergeving verduisterd en verliest
het getuigenis des H. Geestes aan kracht. Ons geloof aan de Schrift
neemt af en toe met ons vertrouwen op Christus. De belijdenis van het
testimonium Spiritus Sancti is zoo hoog en ideaal, dat de werkelijkheid
van het christelijk leven er dikwerf verre beneden blijft.
Daarbij komt, dat de Schrift zeer zeker een boek is ook voor den
enkelen geloovige, maar toch in verband met de kerk aller eeuwen.
De Schrift is aan de gansche kerk geschonken, aan de geloovigen van
alle tijden en plaatsen. De enkele geloovige voedt zich altijd met een
klein gedeelte der Schrift. Er zijn gansche gedeelten der Schrift, die
voor de individueele geloovigen, ja voor geheele kerken en tijden, een
gesloten boek blijven. Maar de belijdenis der Schrift als Gods woord is
eene belijdenis der gansche kerk, waarmede de enkele geloovige instemt,
en die hij ook voor zijn persoon en naar de mate zijns geloofs steunt en
handhaaft, Hofmann, Weiss. und Erf. I 45 f. Het testimonium Spiritus
Sancti is niet eene particuliere opinie, maar het getuigenis van de
kerk aller eeuwen, van de gansche Christenheid, van heel de herborene
menschheid. Die kerk stond ook eenmaal in al hare leden, evenals de
wereld, vijandig tegenover het woord Gods. Maar de H. Geest heeft het
in en bij haar opgenomen voor de waarheid van Christus. Hij heeft haar
vijandschap gebroken, haar verstand verlicht, haar wil gebogen; en
bewaart haar bij de waarheid van eeuw tot eeuw en van dag tot dag. Heel
de belijdenis der gemeente is een testimonium Spiritus Sancti. Het is
het ja en amen, dat de gemeente uitspreekt op de waarheid Gods. Het
is het: Abba Vader, uw woord is de waarheid, dat uit de harten aller
geloovigen opstijgt. Zoo weinig is het testimonium Spiritus Sancti
de Achilleshiel van het Protestantisme, dat het veeleer verdient te
heeten de hoeksteen der christelijke belijdenis, de kroon en het zegel
van alle christelijke waarheid, de triumf des H. Geestes in de wereld.
Neem het getuigenis des H. Geestes weg, niet alleen in betrekking tot
de Schrift maar tot alle waarheden des heils, en er is geen kerk meer.
Want het getuigenis, dat de H. Geest aan de Schrift als het woord
Gods geeft, is maar een enkele toon in het lied, dat Hij op de lippen
der gemeente legt; het is maar een klein gedeelte van dat groote,
goddelijke werk, dat aan den H. Geest is opgedragen, om n.l. de volheid
van Christus te doen wonen in zijne gemeente. Maar alzoo beschouwd,
is dit getuigenis des H. Geestes ook tegenover tegenstanders niet
van alle waarde ontbloot. Wanneer het losgemaakt wordt van heel zijne
omgeving en afgesneden wordt van het geloofsleven, waarin het wortelt,
van de gemeenschap der heiligen, waarin het bloeit, van het geheel der
christelijke waarheid waarmede het samenhangt; zeer zeker, dan verliest
het tegenover bestrijders al zijne kracht, en is het ja van den een
niet sterker dan het neen van den ander. Maar opgevat als getuigenis,
door den H. Geest afgelegd in de harten aller kinderen Gods aangaande
de waarheid, welke daar is in Christus den Heer, laat het niet na
indruk te maken op het gemoed, ook van den hardnekkigsten bestrijder.
Ook dan komt het nog niet op ééne lijn te staan met eene logische
redeneering of een mathematisch bewijs. Het behoudt eene eigene kracht.
Maar ongelukkig ware de wetenschap eraan toe, als ze alleen rekenen
mocht met wat demonstrabel is. Heeft de conscientie geen macht, omdat
de onzedelijke mensch ieder oogenblik tegen haar getuigenis ingaat?
Verdienen de principia der wetenschap geen geloof, wijl de skepticus ze
weigert te erkennen? Is de H. Schrift machteloos, omdat haar waarheid
niet kan betoogd worden aan den psychischen mensch? De kracht van al
deze zedelijke grootheden is juist daarin gelegen, dat zij zichzelve
niet demonstreeren, maar in hooge majesteit zich plaatsen voor ieders
bewustzijn. Ze zijn machtig door het gezag, waarmede zij optreden. Een
vader bewijst zijn gezag aan zijne kinderen niet maar houdt het staande
met droit divin. En zoo doet de H. Schrift. Zij heeft haar gezag in
de gemeente van Christus gehandhaafd tot op dezen dag; zij heeft alle
geloovigen, en onder hen de grootste geesten en de edelste zielen, doen
buigen voor hare autoriteit. Welke macht ter wereld is met die der
Schrift te vergelijken? Het testimonium Spiritus Sancti is de zegepraal
van de dwaasheid des kruises over de wijsheid der wereld, de triumf
van de gedachten Gods over de overleggingen des menschen. In dezen
zin bezit het getuigenis des H. Geestes eene uitnemende apologetische
waarde. Dit toch is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons
geloof.
§ 19. GELOOF EN THEOLOGIE.
1. De christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden
gesteld, maar bijna van den beginne af aan naar kennis der religieuse
waarheid gestreefd en aan eene bijzondere wetenschap, de theologie,
het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden, dat deze drang
naar wetenschap in het geloof als zoodanig ligt opgesloten. Want het
geloof is zekerheid en sluit allen twijfel uit; het rust in het woord
Gods en heeft daaraan genoeg. Nobis curiositate opus non est post
Christum Jesum, nec inquisitione post evangelium. Cum credimus, nihil
desideramus ultra credere, Tertullianus, de praescr. haer. 8. Die
Frömmigkeit ist ihrer selbst unmittelbar gewiss, Rothe, Theol. Ethik.
§ 7. Het recht en de waarde der theologische wetenschap is daarom in
de christelijke kerk meermalen bestreden. Tijdens de monophysitische en
monotheletische twisten was er reeds eene partij der Gnosimachi, die
alle wetenschap voor de Christenen onnoodig achtten. Zij leerden, dat
God van den Christen niets verlangt dan goede werken en dat het beter
was, simplici rudique animo institutum suum persequi, quam multam curam
in cognoscendis decretis atque sententiis ponere, Johannes Damascenus,
de haeresibus, Opera Omnia, Basileae 1575 p. 585. Tegen het einde der
Middeleeuwen was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek
had alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten was
er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, practisch Christendom,
Harnack, D. G. III² 573. Het humanisme zag met minachting neer op
de scholastiek, Paulsen, Gesch. des gelehrten Unterrichts, Leipzig
1885 S. 1 f. En sedert heeft de oppositie tegen de scholastiek in de
Roomsche kerk schier nimmer gezwegen. Bajus, Jansenius, Launoy, vele
theologen in de vorige en in deze eeuw, o. a. Günther, hebben tegen de
scholastische theologie allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht,
Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV² 133 f. Denzinger, Vier Bücher von der
rel. Erk. II 566 f.
De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers oordeel
over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend. Köstlin, Luthers
Theol. I 106 f. Melanchton schreef in de eerste uitgave zijner loci:
hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus cognoscere, non quod isti
(scholastici) docent, ejus naturas, modos incarnationis intueri, ed.
Augusti 1821 p. 9. Zwingli zei, dat Christen te zijn niet bestond in
schwatzen von Christo, sunder wandeln wie er gewandlet hat, cf. mijne
Ethiek van Zwingli bl. 119 v. Calvijn legt evenzoo sterken nadruk op
deze practische zijde des geloofs, Inst. I, 2, 2. I, 5, 9. I, 12, 1.
Comm. op Rom. 1:19. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en
verwierpen alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Mt.
23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer onder
de boeren, Herzog² 7, 528. De Wederdoopers en de Mennonieten wilden
van eene wetenschappelijke opleiding tot de bediening des woords
niets weten, en gaven het recht tot „vermanen” aan alle geloovigen.
Menno Simons velde over de kerk en hare dienaren, over studie en
geleerdheid menigmaal een zeer streng oordeel, Alle de Godtgel.
Wercken, Amst. 1681 bl. 34 v. 59 v. 260. 270 enz. Eerst later kregen
de Mennonietische leeraars eene wetenschappelijke opleiding, Herzog² 9,
575. Sepp, Kerkhist. Studiën, Leiden 1885 bl. 84, 85. En toen later in
de protestantsche kerken de scholastische behandeling der theologie
veld won, kwam er van allen kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener
en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven door het
verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer des geloofs. Daartoe
moest men van de leer teruggaan tot het leven, van de belijdenis tot
de Schrift, van de theologie tot de religie. Zelfs het deisme en
het rationalisme waren aan dit streven verwant; het algemeene en
gemeenschappelijke zoekend, dat aan alle godsdiensten en belijdenissen
ten grondslag lag, beriepen zij zich van de christliche Religion op de
Religion Christi, van de statutarische Religion op de Vernunftreligion.
Door de agnostische richting der philosophie, de gevoelstheologie
van Schleiermacher, de historische kritiek der Schrift en andere
invloeden is dit streven nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek
is thans algemeen. Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord,
een nieuw dogma, verlangen eene religie zonder theologie, een leven
zonder leer, en ijveren voor een practisch, ondogmatisch Christendom
(Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte heeft dit
streven zijne wetenschappelijke verdediging gevonden in de school van
Ritschl. Zij trad op met den eisch, dat de theologie geheel en al van
de metaphysica moest worden verlost, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881,
cf. ook zijne studiën over de leer van God, Jahrb. für deutsche Theol.
1865, 1868. Harnack in zijne Dogmengeschichte, en E. Hatch in zijn werk,
The influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, London
1890, duitsche vertaling van E. Preuschen, Griechenthum und Christ.
Freiburg 1882, cf. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion
1889, pasten dit beginsel toe op de historie der dogmata, en trachtten
aan te toonen, dat de theologie eene vrucht is van het ter kwader uur
gesloten huwelijk tusschen het oorspronkelijk Christendom en de grieksche
philosophie. De beschuldigingen, door al deze richtingen tegen de
theologie, bepaaldelijk tegen de dogmatiek ingebracht, komen hierop
neer, dat zij de zuiverheid en den eenvoud der christelijke religie
vervalscht; de religie verandert in eene leer, die verstandelijk moet
bewezen en aangenomen worden; het religieuse leven doodt, eene koude
dorre orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt;
en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in conflict
brengt, en de ontwikkelde standen van het christelijk geloof vervreemdt.
Cf. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma, 3e Aufl. 1889.
2. Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in deze
klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel voorbijgestreefd
en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwerf vergeten, dat ons
kennen op aarde een kennen ten deele en een zien in eene duistere rede
is. Soms scheen zij van de gedachte uittegaan, dat ze alle mogelijke
vragen beantwoorden en alle kwesties oplossen kon. Bescheidenheid,
teederheid, eenvoud hebben haar dikwerf ontbroken. Dat was te erger,
omdat de theologie te doen heeft met de diepste problemen en in
aanraking komt met de fijnste roerselen van het menschelijk hart. Meer
dan eenige andere wetenschap past haar de vermaning, μη ὑπερφρονειν
παρ’ ὁ δει φρονειν. Beter een eerlijk non liquet dan eene gewaagde
gissing. Nescire velle, quae Magister optimus docere non vult, erudita
inscitia est. Maar daarmede is toch de theologie nog niet in beginsel
veroordeeld. Immers, indien de openbaring alleen bestond in meedeeling
van leven en de religie alleen in stemmingen des gemoeds, er zou
voor eene eigenlijke theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring
is een systeem van woorden en daden Gods; zij bevat eene wereld van
gedachten; zij heeft haar centrum in de vleeschwording van den Logos.
En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is ook
geloof, een bewust leven, een dienen Gods met hart en hoofd te zamen.
En daarom kan die openbaring Gods worden ingedacht, opdat zij te
beter inga in het menschelijk bewustzijn. Zelfs kan het der theologie
daarbij niet euvel geduid worden, als zij op helderheid in het denken,
klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid in de uitdrukking zich
toelegt. In alle wetenschappen wordt zulk eene praecisitas nagestreefd
en op prijs gesteld; in de theologie is zij evenzeer op hare plaats.
Het gevaar, dat zij daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en
haarkloverijen, bestaat in de andere wetenschappen bijv. van het recht,
van de letteren evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht dier
wetenschappen betwisten. Ook de theologie heeft hare perioden van
bloei en verval; maar het gaat niet aan, haarzelve te veroordeelen
om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non tollit usum.
Vervolgens is ons reeds vroeger gebleken, dat de scheiding tusschen
de christelijke religie ter eener en de metaphysica enz. ter anderer
zijde evenmin zuiver gedacht als practisch uitvoerbaar is. De historie
heeft dit reeds herhaalde malen bewezen en toont het heden ten dage
opnieuw. Om toch zulk eene scheiding eenigszins mogelijk te maken,
zijn alle bovengenoemde richtingen gedwongen, zich van het evangelie
van Christus eene eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen.
Schier nimmer gaan zij terug tot de gansche Schrift, maar altijd tot
een gedeelte; tot het N. Testament alleen, of tot de evangeliën, of
tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus van Assisi
bijv. richtte heel zijn leven in naar Mt. 10:9, 10, Reuter, Gesch. der
rel. Aufklärung im M. A. II 184, 186. Paul Sabatier, Leben des h. Fr.
v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895 S. 53. Tolstoi vindt de kern van
het evangelie in Mt. 5:38, 39, Worin besteht mein Glaube, Leipzig,
Duncker 1885 S. 12. Drummond zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het
summum bonum. Ritschl verandert de dogmata in religieus-ethische
waardeeringsoordeelen. Harnack D. G. I² 54 komt in de opvatting van het
oorspronkelijk evangelie met Ritschl overeen. En velen vragen thans,
waarom de christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn
geweest. Wat het wezen des Christendoms is, waarin de openbaring of
het woord Gods bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt niet
door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf naar zijne
eigene inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze richtingen niet
alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar ook de apostelen tegen
Jezus en tegen het oorspronkelijk evangelie moeten overstellen. Harnack
bijv. D. G. I 53 f. erkent, dat ook de apostolisch-katholieke leer in
het N. Test. het evangelie van Jezus niet zuiver meer reproduceert.
De invloed is er al in merkbaar van het judaisme, het hellenisme en
de grieksch-romeinsche Religionsphilosophie. Reeds de apostelen,
inzonderheid Paulus en Johannes, hebben het evangelie vervalscht. Ernst
von Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität, Leipzig Brockhaus
1893 betoogt, dat Paulus het evangelie van Jezus heeft veranderd in
eene speculatieve theologie. En als dan een feit zooals de opstanding
van Christus toch niet uit het oorspronkelijk evangelie kan weggenomen
worden, wordt het van zijne religieuse waarde beroofd, Harnack D. G. I
74. Al verder vloeit uit deze beschouwing voort, dat de historie van
het dogma niet tot haar recht kan komen. Zij wordt ééne groote aberratie
van den menschelijken, van den christelijken geest. De belofte van den
Geest, die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De
mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk ontnomen,
wijl reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben geleid. De leer
van den logos, van de triniteit, van den eersten en den tweeden Adam,
enz., altemaal dogmata, die de inmenging van de grieksche philosophie
moeten bewijzen, wordt wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in
de Schrift gevonden. In één woord, de geschiedenis der dogmata is
evenals bij Strauss de geschiedenis hunner kritiek. Niet de kerk heeft
de wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk dreigt
bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk evangelie nog het
gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de kerk aller eeuwen en
daardoor met den tijd, in welken men leeft. Dat is het oordeel van alle
secten geweest. Afgesneden van de kerken en de theologie verachtende,
hebben ze den invloed op hare eeuw en den band met de cultuur verloren.
Gemeente en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen
dualistisch uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke
roeping, om deze beide met elkander in verband te houden; om eenerzijds
het christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke krankheden van
mysticisme en separatisme, en andererzijds het wetenschappelijk denken
van de dwaling en leugen te bevrijden door de waarheid van Christus. Het
recht der theologie is in het wezen der christelijke religie gegrond. De
openbaring richt zich tot den ganschen mensch, en heeft heel de wereld
tot haar object. Op alle terrein bindt zij den strijd tegen de leugen
aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk
terrein de kennisse Gods naast en in organisch verband met die van
mensch en wereld. Over de dogmenhistorische beschouwingen van Harnack
en Hatch kunnen geraadpleegd worden Pfleiderer, Entw. der prot. Theol.
S. 369 f. Kuenen, Theol. Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol.
Studiën 1891 bl. 365 v., 437 v. Dr. W. Schmidt, Der alte Glaube und die
Wahrheit des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogme grec,
Paris, Fischbacher 1892.
3. Al is echter het christelijk dogma niet uit de grieksche philosophie
te verklaren, toch is het niet zonder deze ontstaan. In de Schrift
is er nog geen dogma en geen theologie in eigenlijken zin. Zoolang de
openbaring zelve nog voortging, kon ze niet het voorwerp worden van
wetenschappelijk nadenken. De inspiratie moest afgeloopen zijn eer de
reflectie aan het woord kon komen. Het spraakgebruik van Mozaische,
Paulinische, Bijbelsche theologie en dogmatiek enz., verdient daarom
geen aanbeveling; het woord theologie komt trouwens in de Schrift ook
niet voor en heeft eerst langzamerhand zijne tegenwoordige beteekenis
gekregen, Kuyper, Encycl. II 117 v. Theologie is in de gemeente van
Christus eerst opgekomen, toen de kinderlijke naïeveteit voorbij en het
denkend bewustzijn ontwaakt was. Langzamerhand kwam de behoefte op om
de gedachten der openbaring in te denken, met het overige weten in
verband te brengen en tegen allerlei aanval te verdedigen. Daartoe
had men de philosophie van noode. De wetenschappelijke theologie is
met hare hulp ontstaan. Maar dat is niet toevallig geschied. De kerk
is niet het slachtoffer van misleiding geweest. De kerkvaders hebben
bij de vorming en ontwikkeling der dogmata een ruim gebruik van de
philosophie gemaakt. Maar zij deden dat met volle bewustheid, met een
helder inzicht in de gevaren die eraan verbonden waren, met klare
rekenschap van de gronden, waarop zij het deden, en met uitdrukkelijke
erkenning van het woord der apostelen als eenigen regel van geloof
en leven. Daarom bedienden zij zich ook niet van de gansche grieksche
philosophie; zij deden eene keuze; zij gebruikten alleen die philosophie,
welke het meest geschikt was om de waarheid Gods in te denken en
te verdedigen; zij gingen eclectisch te werk en hebben geen enkel
wijsgeerig stelsel, hetzij van Plato of van Aristoteles overgenomen,
maar met behulp van de grieksche philosophie eene eigene, christelijke
philosophie voortgebracht. Voorts gebruikten zij die philosophie alleen
als hulpmiddel. Gelijk Hagar dienstbaar was aan Sara, gelijk de schatten
van Egypte door de Israëlieten werden aangewend tot versiering van den
tabernakel, gelijk de wijzen uit het Oosten hun geschenken neerlegden
aan de voeten van het kindeke in Bethlehem; zoo was naar het oordeel
der kerkvaders de philosophie ondergeschikt aan de theologie. Er
spreekt uit dit alles duidelijk, dat het gebruik van de philosophie
in de theologie niet op eene vergissing, maar op eene vaste en klare
overtuiging rustte. De kerkvaders wisten wat ze deden. Daardoor is
nu wel niet uitgesloten, dat de invloed der philosophie op sommige
punten hun te sterk is geweest. Maar dan dient daarbij toch terstond
onderscheiden te worden tusschen de theologie der patres en de dogmata
der kerk. De kerk heeft ten allen tijde gewaakt tegen het misbruik der
philosophie; zij heeft niet alleen het Gnosticisme verworpen maar ook
het Origenisme veroordeeld. En het is tot dusver niet gelukt, om de
dogmata materieel uit de philosophie te verklaren; hoe dikwerf het
ook is beproefd, altijd is toch ten slotte de schriftmatigheid der
orthodoxie gerechtvaardigd. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV 143 f.
Denzinger, Vier Bücher usw. II 572 f.
De Hervorming nam in den beginne eene vijandige houding aan tegen
de scholastiek en de philosophie. Maar zij kwam daarvan spoedig
terug; omdat zij geen secte was of wilde zijn, kon zij niet buiten eene
theologie. Luther en Melanchton zijn daarom reeds tot het gebruik der
philosophie teruggekeerd en hebben het nut daarvan erkend, cf. Ritter,
Gesch. der neuern Philos. I 495 f. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der
Philos. III 5te Aufl. 1880 S. 17 f. en voor de latere luth. theologen,
Hase, Hutterus Rediv. § 30. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 5. Calvijn
nam van den aanvang af dit hooge standpunt in, Inst. II, 2, 12 sq. en
zag in de philosophie een praeclarum Dei donum, Opera, ed. Amst. IX
B. 50. En zoo oordeelden alle Gereformeerde theologen, Hyperius, de
theologo seu de ratione studii theol. 1556 lib. I. Zanchius, Opera III
223 sq. VIII 653 sq. Alsted, Praecognita theol. p. 174 sq. Voetius,
Disp. III 741 sq. 751 sq. Owen, Theologumena p. 509 sq. Moor, Comm. in
Marckii Comp. I 71 sq. Nu loopt de vraag niet hierover, of de theologie
zich van een bepaald wijsgeerig stelsel bedienen moet. De christelijke
theologie heeft nooit eenig wijsgeerig systeem zonder kritiek
overgenomen en als waarheid geijkt. Noch de philosophie van Plato noch
die van Aristoteles is door eenig theoloog voor de ware gehouden. Dat
nogtans aan deze beide wijsgeerige stelsels de voorkeur gegeven werd,
had zijn oorzaak hierin, dat deze het best zich leenden, om de waarheid
te ontwikkelen en te verdedigen. Er lag ook de gedachte in, dat de
Grieken en Romeinen eene eigenaardige roeping en gave hadden ontvangen
voor het leven der cultuur. Feitelijk is heel onze beschaving nog heden
ten dage op die van Griekenland en Rome gebouwd. En het Christendom
heeft deze niet vernietigd maar gekerstend en alzoo geheiligd. Maar
toch is niet eene bepaalde philosophie voor de theologie van noode. Wat
zij behoeft is philosophie in het algemeen. M. a. w. het komt tot geen
wetenschappelijke theologie dan door het denken. Het eigenlijk principium
cognoscendi internum der theologie is dus niet het geloof als zoodanig,
maar het geloovig denken, de ratio christiana. Het geloof is zichzelf
bewust en zeker. Het rust in de openbaring. Het sluit een kennen in,
maar dat kennen is geheel en al van practischen aard, een γιγνωσκειν in
den zin der H. Schrift. Theologie komt dus niet uit de geloovigen als
zoodanig op; zij is geen vrucht van de kerk als ecclesia instituta; zij
heeft haar oorsprong niet in het ambt, dat Christus aan zijne gemeente
geschonken heeft. Maar de geloovigen hebben nog een ander, rijker leven,
dan in de ecclesia instituta tot uiting komt. Zij leven als Christenen
ook in gezin, staat, maatschappij en beoefenen wetenschap en kunst. Nog
veel meer gaven dan die werken door het ambt worden hun geschonken,
gaven van kennis en wijsheid en profetie. Onder hen zijn er ook, die een
sterken drang tot onderzoek en kennis in zich voelen, die gaven hebben
ontvangen, om de waarheid Gods in te denken en in systeem te brengen.
En zoo komt de theologie op in de kerk van Christus; zij heeft tot
subject niet de geinstitueerde kerk maar de kerk als organisme, als het
lichaam van Christus; zij is eene vrucht van het denken der Christenheid.
4. Geloof en theologie zijn dus inderdaad onderscheiden. Min of meer was
men zich daarvan ook ten allen tijde bewust. De scherpe tegenstelling,
die het Gnosticisme maakte tusschen πιστις en γνωσις, werd verworpen;
en ook de verhouding, door de Alexandrijnsche school tusschen beide
aangenomen, werd niet in alle opzichten goedgekeurd en gebillijkt, cf.
boven 60. Maar toch werd het onderscheid nadrukkelijk gehandhaafd en
tegelijk het innig verband van beide vastgehouden en erkend. Augustinus
verhief de spreuk: per fidem ad intellectum tot beginsel der theologie;
hij nam tusschenbeide eene verhouding aan als tusschen ontvangenis en
geboorte, werk en loon. Fidei fructus est intellectus, tract. 22 in Ev.
Joh. n. 2. Intellectus merces est fidei, tract. 29 in Ev. Joh. n. 6. Hij
wekt er toe op, ut ea, quae fidei firmitate jam tenes, etiam rationis
luce conspicias. God veracht de rede niet. Absit namque, ut hoc in
nobis Deus oderit, in quo nos reliquis animantibus excellentiores
creavit, Ep. 120 ad Consent, n. 2-4. En dit was het beginsel en
de grondgedachte van heel de scholastiek. Geloof en theologie
waren onderscheiden als habitus en actus, als theologia infusa en
acquisita. Het geloof is toestemming aan, de theologie is kennis van
de geopenbaarde waarheden. Het geloof sluit ook wel eenige kennis
in aangaande God en goddelijke zaken, maar deze kennis geldt meer de
existentia dan de rationes van die waarheden; de theoloog echter dringt
door tot de idee, spoort het verband der waarheden op en leidt denkend
er andere uit af, Liebermann, Instit. Theol. ed. 8. Moguntiae 1857 cap.
1 § 1. Dat men zich het onderscheid van religie en theologie bewust
was, blijkt ook nog uit de leer der fides implicita. Als het geloof
volgens Rome bestond in toestemming aan geopenbaarde waarheden, moest
vroeg of laat de vraag wel opkomen, welke en hoevele van die waarheden
men minstens kennen en aannemen moest, om de zaligheid deelachtig te
worden. Die vraag kon oprijzen met het oog op de Heidenen, met het
oog op de geloovigen des O. T. en ook met het oog op de onkundige en
onontwikkelde geloovigen in de dagen des N. Test. Augustinus had al
gezegd: turbam non intelligendi vivacitas, sed credendi simplicitas
tutissimam facit, c. Epist. fundamenti cap. 4. Maar Lombardus stelde
deze vraag in zijne Sententiae lib. III dist. 25 eerst duidelijk aan de
orde. Sedert werd ze in de theologie breedvoerig behandeld; in de 17e
eeuw gaf ze zelfs in Frankrijk aanleiding tot een ernstigen strijd, die
door Innocentius XI niet opgelost maar toch beëindigd werd. Gewoonlijk
wordt de leer van de fides implicita in de Roomsche theologie op deze
wijze voorgedragen. De fides carbonaria wordt uitdrukkelijk verworpen;
alle Roomsche godgeleerden houden staande, dat er tot het zaligmakend
geloof eenige, zij het ook geringe, kennis behoort; geheel impliciet
kan en mag het geloof dus nooit zijn. Maar die kennis verschilt in de
verschillende bedeelingen der genade. In de dagen des O. T. van Adam
af tot den val van Jeruzalem toe, toen de eigenlijke mysteriën van het
Christendom, zooals de triniteit en de vleeschwording nog niet waren
gepromulgeerd, waren necessitate medii alleen deze twee artikelen
noodig te gelooven, dat God is en dat Hij een belooner is, Hebr. 11:6.
Daarmede wordt niet gezegd, dat vele geloovigen onder het O. T. geen
meerdere en diepere kennis hadden van de waarheid; Adam bijv. kende ook
wel de triniteit en de vleeschwording, Gen. 1:26, 2:23, 24, 3:15. Maar
de eenvoudige geloovigen konden met die twee artikelen volstaan. Want
implicite geloofden ze dan toch ook aan de eigenlijke mysteriën van het
Christendom, de triniteit en de incarnatie. In de existentie en de
eenheid Gods ligt implicite de triniteit, en daarin dat Hij remunerator
is, ligt implicite de vleeschwording opgesloten. Nu zagen anderen,
zooals Wiggers, Daelman enz. dit laatste nog niet zoo duidelijk in, en
zeiden daarom, dat de O. T. geloovigen vier artikelen hadden aan te
nemen, n.l. behalve de bovengenoemde twee ook nog de onsterfelijkheid
der ziel en het zondebederf (infectio animarum), in welke dan de beide
hoofddogmata des Christendoms implicite waren begrepen. De meest gewone
voorstelling was echter, dat de twee genoemde artikelen voor de O.
T. geloovigen voldoende waren. Maar na den val van Jeruzalem zijn die
twee hoofdwaarheden des Christendoms duidelijk geopenbaard en bekend
gemaakt; en nu is het dus necessitate medii noodzakelijk voor ieder
die zalig wil worden, dat hij aanneme deze vier artikelen: Deus, isque
remunerator, sanctissima trinitas, mediator. Anderen voegen er nog
andere artikelen aan toe, zooals Deus Creator, Dei gratia ad salutem
necessaria, immortalitas; en sommigen noemen zelfs de aanneming der 12
artikelen, quoad substantiam, noodzakelijk. Maar de voorstanders van de
vier artikelen drukken toch het meest gewone gevoelen uit. Heel deze
leer van de fides implicita wordt dan gesteund met een beroep op Job
1:14: de runderen, d. i. de ontwikkelde geloovigen, waren ploegende,
en de ezelinnen, d. i. de eenvoudige leeken, weidende aan hunne zijde.
Deze exegese komt al voor bij Gregorius M. Moral. lib. II cap. 25 en
wordt dan door Lombardus, Thomas, Bellarminus enz. overgenomen. Cf.
Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 5-8.
Bellarminus, de Justific. I cap. 7. Billuart, Summa S. Thomae sive
Cursus Theol. VII p. 46 sq. Daelman, Theol. seu Observ. theol. in
Summam D. Thomae IV p. 44 sq. Dens, Theologia in usum semin. II 278
sq. M. Becanus, Theol. Scholastica, Tom. II Pars II tract. 1 p. 22 sq.
Jansen, Praelect. Theol. I 699 sq. Albr. Ritschl, Fides implicita,
Bonn 1890. De kwestie zelve, die aan deze leer der fides implicita
ten grondslag ligt, is ernstig en belangrijk genoeg; zij betreft toch
niets minder dan het wezen van het Christendom zelf, de beteekenis van
Israel, de mogelijkheid van progressie der openbaring bij het absoluut
karakter der waarheid. Maar de intellectualistische opvatting van
het geloof leidde er toe, om deze kwestie zuiver quantitatief op te
lossen; het aannemen van vier geloofsartikelen maakt den Christen;
in de praktijk bleek de legende van de fides carbonaria maar al te
veel waarheid te bevatten. In elk geval echter bewijst de leer van de
fides implicita duidelijk, dat de Roomsche theologen tusschen geloof en
theologie in inhoud en omvang onderscheid maken.
5. Ook de Reformatie bleef zich van dit verschil bewust. Luthersche en
Gereformeerde theologen namen de onderscheiding over van habitus en
actus der theologie, van theologia infusa en acquisita. De eerste is
het deel van alle geloovigen; in beginsel kennen zij totam theologiam,
hebben zij de ware en zuivere kennisse Gods. Maar als acquisita is
ze alleen het deel van hen, die de kennisse Gods wetenschappelijk
beoefenen. Dan toch is ze eene notitia conclusionum ex principiis
theologicis per discursum theologicum collectarum, et certo ordine
dispositarum, atque animo impressarum diuturno labore ac exercitio,
Alsted, Methodus sacrosanctae theologiae 1623 p. 117, 126, 175. Owen,
Theologoumena p. 465 sq. Calovius, Isagoge ad S. Theol. p. 17, 18.
Wel werden religio en theologia telkens met elkaar verwisseld, cf.
bv. Cloppenburg, Op. I 699. Mastricht, Theor.-pract. Theol. I cap.
2 § 3, wat te lichter kon geschieden, omdat theologie en dogmatiek
ongeveer hetzelfde waren. Maar ook in den bloeitijd der orthodoxie ging
het onderscheid tusschen geloof en theologie niet geheel te loor,
gelijk door de leer van de articuli fundamentales et non fundamentales
bewezen wordt. De Hervorming verwierp beslist de Roomsche leer van de
fides implicita, Calv., Inst. III. 2 § 2-6. Chamier, Panstr. Cath.
T. III lib. 12 cap. 5. Polanus, Synt. Theol. p. 592. Maresius, Synt.
Theol. loc. 11 § 29, enz. Cf. Ritschl, Fides implicita S. 56 f. Zij
moest dit wel doen, omdat zij het zaligmakend geloof niet liet bestaan
in het voor waar houden van eenige onbegrepen artikelen, maar in een
persoonlijk vertrouwen op de genade Gods in Christus. Maar daarvoor
kwam nu spoedig in de plaats de onderscheiding tusschen fundamenteele
en niet-fundamenteele artikelen. Calvijn zeide al, dat men om minder
wezenlijke punten niet van de kerk scheiden moest, Instit. IV, 1 § 12,
13. IV, 2 § 1. Non enim unius sunt formae omnia verae doctrinae capita.
Sunt quaedam ita necessaria cognitu, ut fixa esse et indubitata omnibus
oporteat ceu propria religionis placita, qualia sunt: unum esse Deum,
Christum Deum esse ac Dei filium, in Dei misericordia salutem nobis
consistere et similia. Sunt alia, quae inter ecclesias controversa,
fidei tamen unitatem non dirimant, IV cap. 1 § 12. De in de beschrijving
des geloofs gebezigde juxtapositie van eene zekere kennis, waardoor ik
het al voor waarachtig houde wat God in zijn woord heeft geopenbaard en
van een vertrouwen, dat mij al mijne zonden om Christus’ wil vergeven
zijn, kon aanleiding geven, om het zwaartepunt of in de fides generalis
of in de fides specialis te zoeken. Het groote aantal van kerken,
die successief uit de Reformatie voortkwamen en in verschillende
artikelen van elkander afweken, bevorderde de onderscheiding tusschen
wezenlijke en bijkomstige elementen in de openbaring. Het allengs
opkomende syncretisme en indifferentisme, dat van het bijzondere tot het
gemeenschappelijke terugging, maakte aanwijzing noodzakelijk van wat tot
de fundamenten der christelijke religie behoorde. Zoo ontstond de leer
van de articuli fundamentales. Nic. Hunnius schijnt de uitdrukking het
eerst gebruikt te hebben in zijne Διασκεψις de fundamentali dissensu
doctrinae Lutheranae et Calvinianae 1626. Quenstedt sprak van articuli
primarii et secundarii. Anderen volgden, beide in de Luthersche en
in de Gereformeerde kerken, cf. Voetius, Disp. Sel. II 511-538. H.
Alting, Theol. probl. nova I 9. Spanheim fil., Opera III col. 1289
sq. Heidegger, Theol. I § 51 sq. Turret. Theol. El. I qu. 14. Moor,
Comm. in Marckii Comp. I 481 sq. Witsius, Exercit. in Symb. II § 2.
Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4te
Aufl. 1841 S. 103 f. Tholuck, Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs
1852 S. 252 f. De orthodoxie was natuurlijk niet geneigd, om de articuli
fundamentales tot een klein getal te beperken; maar toch is het streven
merkbaar, om deze artikelen centraal op te vatten en ze te groepeeren
rondom den persoon van Christus. De Roomschen verwierpen echter deze
onderscheiding, al had ze schijnbaar nog zooveel overeenkomst met de
fides implicita. Ze brachten de Geref. en Luth. godgeleerden in geen
geringe verlegenheid. Ze vraagden, waar God in zijn woord tusschen
wezenlijke en bijkomstige waarheden onderscheid had gemaakt; waar men het
recht aan ontleende, om in de goddelijke openbaring het fundamenteele
van het niet-fundamenteele te scheiden; welke waarheden dan tot de
fundamenteele moesten gerekend worden; wie dat bepalen moest; en
hoe op zulk standpunt het rationalisme en het indifferentisme was te
vermijden? Het geloof heeft toch, naar ze beweerden, niet alleen tot
object de divina misericordia, Conc. Trid. sess. VI can. 12, maar
omnia quae Deus revelavit, Bellarminus, de Justif. I c. 8. Volgens
de Jezuiten op het religiegesprek te Regensburg 1601 was het ook een
articulus fidei, quod canis Tobiae caudam moverit. Cf. Denzinger, Vier
Bücher usw. II 277 f. Heinrich, Dogm. II 658 f. Jansen, Prael. Theol. I
449 sq. Lamennais, Essai sur l’indifférence I ch. 6, 7, enz. Tegenover
al deze bedenkingen beriepen de Protestantsche theologen zich wel op de
Schrift, Mt. 16:16; 1 Cor. 2:2, 3:11 v.; Ef. 2:20; Gal. 6:14; 1 Petr.
2:6, enz. en maakten ze wel allerlei onderscheidingen, Spanheim. t.
a. p. col. 1308 sq. Maar zij ontveinsden zich de moeilijkheden niet; ze
waren bevreesd om in excessu en in defectu te dwalen; en zij eindigden
met de verklaring, dat zij het minimum van kennis niet konden bepalen,
waarmede een oprecht geloof gepaard moest gaan, Voetius, Disp. II
537, 781. Spanheim t. a. p. col. 1291. Witsius, Exerc. in Symb. II §
2 en 15. Hoornbeek, Conf. Socin. I p. 209. De orthodoxie liep uit op
rationalisme ter eener en piëtisme ter anderer zijde. Leer en leven
vielen hoe langer hoe verder uit elkaar. Hoofd en hart streden om den
voorrang. Theologie en religie kwamen tegenover elkander te staan. Wij
zijn de tegenstelling nog niet te boven. Jaren lang is er geroepen:
godsdienst is geen leer maar leven; het komt er niet op aan, wat ge
gelooft, maar alleen hoe ge leeft. Langzamerhand echter gaan de oogen
ook voor de eenzijdigheid van deze richting open en wordt de waarde der
godsdienstige voorstellingen voor het religieuse leven beter erkend,
cf. bijv. Dr. Bruining in verschillende geschriften, Gids Juni 1884.
Moderne mystiek 1885. Het bestaan van God 1892. Theol. Tijdschr. Nov.
1894.
6. Bij het onderzoek naar de verhouding van geloof en theologie dient de
vraag zuiver te worden gesteld. Zij luidt niet, welke waarheden iemand
minstens kennen en voor waar houden moet, om zalig te worden. Die
vraag zij aan Rome overgelaten; en de Roomsche theologie make uit, of
daartoe twee of vier of meer artikelen van noode zijn. De Protestantsche
theologie heeft in de leer van de articuli fundamentales wel den
schijn op zich geladen, alsof zij een dergelijken weg bewandelen wilde.
Maar zij is geëindigd met de erkentenis, dat zij de grootte van Gods
barmhartigheid niet wist en daarom de mate van kennis niet bepalen kon,
die noodzakelijk eigen is aan een oprecht geloof. En bovendien is er
tusschen de leer der fides implicita en die der articuli fundamentales,
bij alle schijnbare overeenstemming, een belangrijk verschil. Bij Rome werd
die leer ontwikkeld met het oog op de eenvoudige leeken, de asinae van
Job 1:14. Maar in de theologie der Reformatie had ze haar oorsprong
in het feit, dat er verschillende kerken naast elkaar optraden met
eene op vele punten onderling afwijkende belijdenis; ze was dus eigenlijk
een onderzoek naar het wezen des Christendoms. Bij Rome is het geloof
toestemming aan allerlei geopenbaarde waarheden, die artikelsgewijze
kunnen opgeteld worden en in den loop der tijden in aantal zijn
toegenomen. Maar de Reformatie vatte het geloof op als fides specialis,
met een bijzonder centraal object, de genade Gods in Christus; hier
was eene optelsom van artikelen, wier kennis en toestemming ter
zaligheid noodig was, niet mogelijk meer. Het geloof is eene persoonlijke
verhouding des menschen tot Christus; het is organisch en heeft de
additie, de quantiteit afgelegd. Rome moest daarom een minimum bepalen,
zonder hetwelk van geen zaligheid sprake kan zijn; bij de Reformatie is
het geloof een vertrouwen op de genade Gods en dus voor geen berekening
meer vatbaar. Ieder geloovige zoo in het O. als in het N. Test. bezit
in kiem diezelfde kennis, welke in de theologie dieper en breeder
ontwikkeld wordt. Van dit standpunt uit is ook de verhouding van geloof
en theologie nader in het licht te stellen.
Allereerst is er tusschen beide eene sterke overeenkomst. Zij hebben het
principium: het woord Gods, het voorwerp: de kennisse Gods, het doel:
de eere Gods met elkander gemeen. Ook de theologie als wetenschap staat
op den grondslag des geloofs. De plaats, die in de andere wetenschappen
toekomt aan de waarneming, wordt hier ingenomen door het geloof. Het
geloof verschaft aan de theologie de stof voor het denken. In de
mundane wetenschap heet het: sensus praecedit intellectum, nihil est in
intellectu quod non prius fuerit in sensu; in de theologie is de leuze:
fides praecedit intellectum, nihil est in intellectu quod non prius
fuerit in fide, Rothe, Theol. Ethik § 267 II S. 180 noot. Leibniz
vergeleek daarom la foi met l’expérience, Discours sur la conformité
de la foi avec la raison, ch. 1. Begriffe ohne Anschauungen sind leer,
zeide Kant; en zoo heeft ook de theologie geen inhoud dan uit en
door het geloof. Zoodra zij het geloof laat varen, houdt zij zelve als
theologie op te bestaan. En ook komt zij door het denken dit standpunt
des geloofs nimmer te boven. Op allerlei wijze is dit wel beproefd,
maar het is ijdel gebleken. Het geloof is het begin en ook het einde
der theologie; zij brengt het nooit tot een weten in eigenlijken zin, d.
i. tot een kennen op grond van eigen waarneming en inzicht. Daardoor
wordt de theologie niet van haar vrijheid beroofd. Het geloof legt
en handhaaft eenvoudig die relatie, welke er op dit gebied tusschen
subject en object behoort te bestaan. Het plaatst den theoloog niet
buiten en tegenover en boven, maar onder en in de waarheid, welke hij
te onderzoeken heeft. Het doet niets anders, dan de theologie binden
aan haar eigen object, op geen andere wijze als elke andere wetenschap
gebonden is en blijft aan de waarneming en door haar in relatie staat
met haar object. De theologie is even vrij en even afhankelijk als iedere
andere wetenschap. Zij is vrij van alle banden, die strijden met hare
natuur; maar zij is geheel en al bepaald door het voorwerp, dat zij zoekt
te kennen, en dit heeft zij met alle wetenschappen gemeen. Naarmate zij
zich strenger bindt aan haar object, loopt zij te minder gevaar om te
ontaarden in dorre scholastiek en ijdele rhetoriek. Door het geloof
blijft de theologie eene wetenschap der religie, eene Theologie der
Thatsachen, die niet over begrippen maar over zaken denkt en niet in
ijle abstracties zich verliest maar met beide voeten staat in die wereld
der realiteiten, welke de Schrift ons openbaart, Vilmar, Die Theologie
der Thatsachen wider die Theologie der Rhetorik, 4e Aufl. 1876.
Maar aan de andere zijde is er tusschen geloof en theologie een
aanmerkelijk verschil. In vroeger tijd konden beide licht met elkander
verwisseld worden, omdat theologie en dogmatiek met ethiek vrij wel
identische begrippen waren. Maar theologie is thans de naam geworden
voor een ganschen cyclus van vakken. Het onderscheid springt daarom
thans een ieder terstond in het oog. Theologie omvat tegenwoordig eene
menigte van wetenschappen, welke de eenvoudige geloovige zelfs niet
bij name kent. Maar al wordt theologie in den ouden zin genomen, toch
blijft het onderscheid groot. Op elk gebied is er verschil tusschen het
gewone, alledaagsche, empirische weten, en het eigenlijke, hoogere,
wetenschappelijk weten. Ieder mensch heeft eenige empirische kennis van
zon, maan, sterren enz., maar deze kennis verschilt hemelsbreed van
de wetenschappelijke kennis van den astronoom. De eerste kent alleen
de facta, deze de rationes. De man van wetenschap veracht het gewone,
empirische weten niet; hij werpt de natuurlijke zekerheid niet omver;
maar hij heeft toch de roeping om dat gewone weten te verhelderen,
uit te breiden en des noodig ook te zuiveren en te verbeteren. Niet
anders is het in de theologie. Het geloof blijft bij de feiten staan, de
theologie zoekt door te dringen tot de idee. Het geloof heeft genoeg
aan het dat, de theologie vraagt naar het waarom en het hoe. Het geloof
is altijd persoonlijk, het stelt het voorwerp altijd in betrekking tot
den mensch zelf, het heeft rechtstreeksch belang bij het religieus
gehalte der dogmata; de theologie maakt in zekeren zin het object
gegenständlich, zij tracht de waarheid te bezien gelijk zij objectief in
zichzelve bestaat, zij speurt haar eenheid en haar innerlijk verband
na, en zoekt te komen tot een systeem. Het geloof richt zich op het
centrale object, de theologie breidt het onderzoek naar heel den omtrek
van den cirkel uit. Maar hoe ook verschillend, zij kunnen elkander
niet missen. Het geloof bewaart de theologie voor secularisatie, de
theologie bewaart het geloof voor separatisme. Daarom zijn ook kerk
en school (seminarie, theol. faculteit) wel twee, maar behooren zij
toch in nauw verband te staan. Ook hierdoor wordt aan de vrijheid en
onafhankelijkheid der theologie in niets te kort gedaan. Elke faculteit
beoefent de wetenschap niet alleen om haar zelfs wil, maar leidt ook
mannen op voor verschillende betrekkingen in de maatschappij. Iedere
wetenschap heeft feitelijk te rekenen met de eischen van het leven.
En zoo ook staat de theologie niet hoog boven, maar midden in het
werkelijke leven, in het leven der gemeente. De wanverhouding, die er
thans schier allerwege tusschen kerk en theologie bestaat, is eene ramp
voor beide.
7. Indien de theologie alzoo niet in het geloof als zoodanig maar in
het geloovig denken haar principium internum heeft, dient de taak der
rede in de theologische wetenschap nog nader omschreven te worden.
Daarbij moet dan allereerst principieel die voorstelling worden
afgewezen, welke in geloof en rede twee zelfstandige machten ziet,
die met elkaar worstelen op leven en dood. Op die wijze maakt men eene
tegenstelling, die op christelijk terrein niet thuis behoort. Het geloof
is dan altijd supra of ook zelfs contra rationem. Aan den eenen kant
dreigt het rationalisme en aan de andere zijde het supranaturalisme.
Het geloof, de fides qua creditur, is geen orgaan of vermogen naast
en boven de rede, maar eene gezindheid, eene hebbelijkheid van de rede
zelve. De rede, of wil men liever, het denken is zeker geen bron
der theologie, geen principium quo seu per quod aut ex quo seu cur
credamus, Voetius, Disp. I p. 3; bron is de rede voor geen enkele
wetenschap of hoogstens alleen voor de formeele wetenschappen, logika
en mathesis. Maar de rede is toch subjectum fidei recipiens, fidei
capax; het geloof is een akte van het bewustzijn, van het menschelijk
bewustzijn; een dier is niet tot gelooven in staat. En voorts is het
geloof geen dwang, maar eene vrije daad van den mensch. De Christen
gelooft niet op bevel, uit vreeze, door geweld. Gelooven is de
natuurlijke habitus van zijn verstand geworden. Natuurlijk niet in dien
zin, alsof er niet telkens veel in zijne ziel tegen dat gelooven zich
verzet. Maar toch wel zoo, dat hij, ofschoon dikwerf doende wat hij
niet wil, toch een vermaak heeft in de wet Gods naar den inwendigen
mensch. Gelooven is de natuurlijke ademtocht van het kind Gods. Zijne
onderwerping aan het woord Gods is geen slavernij maar vrijheid. Het
geloof is in dezen zin geen sacrificium intellectus maar sanitas
mentis. Het geloof ontslaat den Christen daarom niet van onderzoek en
nadenken; eerder spoort het hem daartoe aan. De natuur wordt door de
wedergeboorte niet vernietigd maar hersteld.
Vooraf heeft daarom de geloovige, die aan de theologie zich wijden wil,
zijn denken te praepareeren voor de taak die hem wacht. Er is geen
ingang in den tempel der theologie dan door de facultas artium heen.
Philosophische, historische en linguistische propraedeuse is voor
den beoefenaar der godgeleerde wetenschap onmisbaar. De philosophie,
zeide Clemens Alexandrinus, προκατασκευαζει την ὁδον τῃ βασιλικωτατῃ
διδασκαλιᾳ. Keizer Julianus wist wat hij deed, als hij de heidensche
wetenschap aan de Christenen ontnam; hij vreesde, met zijne eigene
wapenen verslagen te worden. Dit alzoo gepraepareerde en geoefende
denken heeft dan in de theologie in hoofdzaak eene drievoudige taak.
Allereerst verleent het zijn dienst bij de vinding der stof. De Schrift
is het beginsel der theologie. Maar die Schrift is geen wetboek;
zij is een organisch geheel. De stof voor de theologie, bepaaldelijk
voor de dogmatiek, ligt door heel de Schrift heen verspreid. Gelijk
het goud uit de mijn, zoo moet de waarheid des geloofs met inspanning
aller geestelijke kracht uit de Schrift worden opgedolven. Met eenige
loca probantia is niets gedaan. Niet op enkele losse teksten maar op
de Schrift in haar geheel moet het dogma worden gebouwd; het moet
organisch opkomen uit de principia, die er allerwege in de Schrift
voor aanwezig zijn. De leer van God, van den mensch, van de zonde, van
Christus enz. is immers niet slechts in enkele uitspraken te vinden,
maar is verspreid door heel de Schrift heen en is niet enkel in
sommige bewijsplaatsen maar ook in allerlei beelden en gelijkenissen,
ceremoniën en geschiedenissen vervat. Er mag geen deel der Schrift
verwaarloosd worden. De gansche Schrift bewijze het gansche systeem,
Hofmann, Der Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 1-32. Ook in de theologie
dient het separatisme vermeden te worden. Het is een kenmerk van vele
secten, dat zij uitgaan van een klein gedeelte der Schrift en haar
overigens geheel verwaarloozen. Het ergst en meest verspreid is de
verwerping of veronachtzaming van het Oude Testament. Het Marcionitisme
is telkens in de christelijke kerk teruggekeerd en speelt ook in de
nieuwere theologie eene groote rol, cf. Diestel, Gesch. des Alten Test.
in der christl. Kirche, Jena 1869. H. Schmidt, Der Marcionitismus in
der neueren Theologie, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1893, en later
bij de leer der verbonden. Al dit willekeurig gebruik der H. Schrift
leidt tot eenzijdigheid en dwaling in de theologie en tot krankheid
in het religieuse leven. Het volle rijke beeld der waarheid komt dan
niet aan het licht. De persoon en het werk des Vaders of des Zoons of
des H. Geestes worden miskend. Aan Christus wordt te kort gedaan in
zijn profetisch, of in zijn priesterlijk, of in zijn koninklijk ambt. De
christelijke religie boet haar katholiek karakter in. Hoofd, hart en
hand des Christens worden niet harmonisch door de waarheid gevormd
en geleid. Eerst de volle, gansche Schrift bewaart voor al deze
eenzijdigheden. Maar daarom heeft ook het denken bij deze opsporing van
de theologische stof eene belangrijke taak. Vervolgens heeft de theoloog
deze alzoo verkregen stof ook denkend te bearbeiden. De dogmata staan
niet totidem verbis, κατα ρητον maar κατα διανοιαν in de Schrift; zij
zijn conclusiones fidei. De leer van de triniteit, van de twee naturen
van Christus, van de voldoening, van de sacramenten enz. is niet op
ééne enkele uitspraak der Schrift gebaseerd, maar is opgebouwd uit
vele gegevens, die door heel de Schrift heen verspreid liggen. Dogmata
zijn de korte samenvatting in onze taal van alwat de Schrift over
de desbetreffende onderwerpen leert. De Roomsche en Protestantsche
godgeleerden hebben daarom tegenover allerlei richtingen, die bij de
letterlijke uitdrukkingen der Schrift wilden blijven staan, het recht
van de dogmatische terminologie verdedigd. Zij deden dat, niet omdat
zij minder, maar omdat zij meer en beter Schriftuurlijk wilden zijn dan
deze. Dan juist kwam naar hunne gedachte de Schrift tot haar volle
eere, als niet één enkele tekst letterlijk werd aangehaald maar als
de gansche waarheid, in vele teksten begrepen, saamgevat en in het
dogma weergegeven werd. De theologie is daarom niet slechts eene
noëtische, maar ook eene dianoëtische, geen apprehensieve maar eene
discursieve wetenschap. Zij denkt na, vergelijkt, beoordeelt, vat
samen, leidt andere waarheden uit de verkregene af, enz. Ook Jezus en
de apostelen deden alzoo, Mt. 22:32, 44 v.; Joh. 10:34 v.; Hd. 15:9
v., 18:28; 1 Cor. 15, enz.; en kerkvaders, scholastici, Roomsche en
Protestantsche godgeleerden hebben dat voorbeeld gevolgd. God heeft
ons niet geroepen om letterlijk na te zeggen maar om na te denken, wat
Hij in zijne openbaring ons voorgedacht heeft. En eindelijk heeft het
denken in de theologie nog tot taak, om alle waarheid saam te vatten
in één systeem. Een systeem is het hoogste, wat in de wetenschap te
begeeren valt. Ook de theologie rust niet, voordat zij de eenheid heeft
ontdekt, die in de openbaring verscholen ligt. Zij mag dat systeem niet
van buiten opdringen, en de waarheid niet persen in een wijsgeerig
stelsel, dat aan haar wezen vreemd is. Maar zij zoekt toch zoolang,
totdat in het menschelijk bewustzijn het systeem zich afspiegele, dat in
het object zelf aanwezig is. In dit alles gaat de theologie evenals
andere wetenschappen te werk. Zij arbeidt op dezelfde manier. Zij is
evenals deze gebonden aan haar object. Zij is bij het denken onderworpen
aan de wetten, die voor dat denken gelden; straffeloos kan ook zij
niet zondigen tegen de logika, Alsted, Praecognita 186. Het hoogste is
ook voor haar de eenheid der waarheid, het systeem der kennisse Gods.
Hoezeer de theologie dan ook van de andere wetenschappen verschille,
in beginsel, voorwerp en doel; zij komt formeel met haar overeen en
mag terecht op den naam van wetenschap aanspraak maken. En wijl de
openbaring niet met de menschelijke rede strijdt per se, maar alleen
per accidens corruptionis et pravae dispositionis, daarom kan de
theologie zelfs in zekeren zin naturalis en rationalis heeten, Voetius,
Disp. I 3. De christelijke religie is eene λογικη λατρεια, Rom. 12:1.
De litteratuur over het gebruik der rede en der philosophie in de
theologie is verbazend rijk. Zie voor de kerkvaders Kleutgen, Theol.
der Vorzeit IV 143 f. Denzinger, Vier Bücher usw. II 574 f., en voorts
Voetius, Disp. Sel. I p. 1-11. Turretinus, Theol. El. loc. 1 qu. 8-13.
Witsius, Misc. Sacra II 584 sq. en verdere litt. bij M. Vitringa’s
uitgave van C. Vitringa, Doctrina christ. relig. I p. 32-34.
8. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen brengt zij
het niet. Tusschen weten, kennen en begrijpen is een groot onderscheid.
Wel worden deze woorden dikwerf door elkander gebruikt; maar er is
toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. Weten geldt de existentie, het
dat; kennen de qualiteit, het wat; begrijpen de innerlijke mogelijkheid,
het hoe van een ding. Begrijpen doen we zeer weinig, eigenlijk alleen
datgene, wat geheel in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen.
Eene machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze
werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit
verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, wat,
zooals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. Dikwerf
houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. Wat vanzelf
sprak, blijkt gansch ongewoon en wonderlijk te zijn. Hoe verder eene
wetenschap doordringt in haar object, naar die mate nadert zij het
mysterie. Al ontmoette zij geen ander op haren weg, dan zou zij toch ten
slotte altijd stuiten op het mysterie des zijns. Waar echter het begrijpen
ophoudt, blijft er toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zoo is
het ook in de theologie. In de openbaring is het μυστηριον εὐσεβειας
ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het treedt
ons als eene realiteit in de geschiedenis en in het eigen leven te
gemoet; maar wij doorgronden het niet. In dezen zin heeft de christelijke
theologie het altijd met mysteriën te doen, die zij wel kennen en
bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden kan.
Dikwerf is echter het mysterie in de christelijke theologie in gansch
anderen zin verstaan. Het woord μυστηριον, van μυστης, μυω, zich
sluiten, dichtgaan, van oogen, lippen, wonden; is in het gewoon
grieksch de naam voor de religieus-politieke geheimleer die in
sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace enz. alleen aan de
ingewijden meegedeeld en voor alle anderen verborgen werd, Foucart,
des associations religieuses chez les Grecs, Paris 1873. Edwin Hatch,
Griechentum u. Christenthum, deutsch v. Preuschen 1892 S. 210 f. Gustav
Anrich, Das antike Mysteriënwesen in seinem Einfluss auf das Christ.
Göttingen 1894. In het N. Test. heeft het woord altijd religieuse
beteekenis en duidt eene zaak aan van het koninkrijk Gods, welke of van
wege den duisteren, raadselachtigen vorm, waarin ze wordt voorgedragen,
Mt. 13:11; Mk. 4:11; Luk. 8:10; Op. 1:20, 17:5, 7, of ook van wege haar
inhoud verborgen is. Vooral heet zoo het universeele, ook de Heidenen
omvattende raadbesluit Gods aangaande de verlossing in Christus, Rom.
16:25; Ef. 1:9, 3:3, 6:19; Col. 1:26, 27, 2:2, 4:3, benevens de wijze,
waarop dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25; 1 Cor. 15:51; 2 Thess. 2 vs.
7; Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zoo, niet omdat het nu nog
verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. Thans is het juist
door het evangelie van Christus openbaar gemaakt; wordt het door de
apostelen als οἰκονομοι μυστηριων θεου verkondigd, Rom. 16:25, 26; Col.
1:26; 1 Cor. 2:14; Mt. 13:11; 1 Cor. 4:1; en treedt het ook voortaan
in de historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51, 52; 2 Thess.
2:7. Het N. T. μυστηριον duidt dus geen voor het denkend verstand
onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar eene zaak, die
eerst bij God verborgen was, daarna in het evangelie is bekend gemaakt
en nu door de geloovigen wordt verstaan, Cremer, Wörterbuch der
neutest. Gräcität s. v. Maar het kerkelijke spraakgebruik verstond er al
spoedig eene zaak onder, die onbegrijpelijk was en ook het verstand van
den geloovige verre te boven ging, zooals de vleeschwording, de unio
mystica, de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door
de rede niet konden bewezen worden, Suicerus, Thes. Eccles. s. v. Ook
zoo bleef er nog een groot onderscheid tusschen het heidensch en het
christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan eene geheimleer, die
voor oningewijden verborgen moest gehouden worden; maar in de christ.
kerk heeft er nooit eene eigenlijke disciplina arcana bestaan, al
werd er ook eene zekere orde betracht in de meedeeling der waarheid.
Zezschwitz, art. Arkandisciplin in Herzog². Hatch, Griechenthum u.
Christ. 217 f. Kattenbusch, Vergleichende Konfessionskunde I 393
f. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. δογμα. Maar toch waren de dogmata
onbegrepen en onbegrijpelijke waarheden des geloofs, wel niet contra
maar toch hoog supra rationem, Thomas, S. Theol. I qu. 32. art. I S.
c. Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo I 3. II 6. Heinrich
II 772 f. Denzinger, Vier Bücher v. d. rel. Erk. II 80-150. Kleutgen,
Theol. der Vorzeit V 164 f. In de veroordeeling van Erigena, Raimundus
Lullus, Hermes, Günther, Frohschammer sprak Rome hare afkeuring
uit over iedere poging, om de mysteriën des geloofs uit de rede te
bewijzen. En het Conc. Vatic. sprak uit: divina mysteria suapte natura
intellectum creatum sic excedunt, ut etiam revelatione tradita et
fide suscepta, ipsius tamen fidei velamine contecta et quadam quasi
caligine obvoluta maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur
a Domino; per fidem enim ambulamus, et non per speciem, sess. 3
cap. 4. De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter der
openbaring maar bracht toch feitelijk eene groote verandering aan. Bij
Rome zijn de mysteriën in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, omdat
ze behooren tot eene andere, hoogere, bovennatuurlijke orde, die het
verstand van den mensch als zoodanig verre overtreft. Het moet daarom
allen nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid der mysteriën en deze in
bescherming nemen en handhaven. Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf
een bewijs voor de waarheid te zijn. Credibile est, quia ineptum est....
Certum, quia impossibile, Tertull. de carne Chr. 5. Maar de Reformatie
verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke orde door
die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het mysterie niet
daarin, dat het voor den mensch op zichzelf, maar voor het verstand
van den psychischen mensch onbegrijpelijk was, Calv. Inst. II, 2, 20.
Voetius, Disp. I 3. Zonder twijfel is deze opvatting veel meer met het
N. Testamentisch spraakgebruik in overeenstemming. Nergens staat daar
het abstract-bovennatuurlijke en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke
van het mysterie op den voorgrond. Maar terwijl het eene dwaasheid is
in de oogen van den natuurlijken mensch, hoe wijs hij ook zij; het wordt
geopenbaard aan de geloovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in
zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17; Rom. 11:33; 1 Cor. 1:30. Natuurlijk wil
de Schrift nu daarmede ook niet te kennen geven, dat de geloovige die
mysteriën in wetenschappelijken zin begrijpt en verstaat. Wij wandelen
immers door geloof, kennen ten deele en zien door een spiegel in eene
duistere rede, Rom. 11:34; 1 Cor. 13:12; 2 Cor. 5:7. Maar de geloovige
kent die mysteriën toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis meer;
hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Het komt daarom niet in
hem op, dat ze zijne rede te boven gaan, dat zij supra rationem zijn; hij
voelt ze niet als een drukkenden last maar als eene bevrijding voor zijn
denken. Zijn geloof gaat in bewondering over, zijne kennis eindigt in
aanbidding, en zijne belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van
dien aard is ook de kennisse Gods, welke in de theologie wordt beoogd.
Zij is geen weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter
en heerlijker, zij is eene kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh.
17:3. Cf. over de μυστηρια, behalve de reeds genoemde litt., ook nog
Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe I 168. J.
Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. Scholten, L. H. K. I 223.
Oosterzee, Dogm. I 168. Philippi Comm. op Rom. 11:25. Gretillat, Exposé
de théol. syst. I 182 s. II 183.
* * * * *