boek over Kant und die Epigonen 1865 en F. A. Lange’s Geschichte des
Materialismus 1866. Cf. Hans Vaihinger, Hartmann, Dühring und Lange,
Iserlohn 1876 S. 18 f. 54 f. usw. Ed. von Hartmann, Neukantianismus,
Schopenhauerianismus und Hegelianismus, 2e Aufl. 1877 S. 1-118. In de
theologie werd het Kantianisme vernieuwd door Ritschl en Lipsius. De
principia der theologie van Ritschl en zijne school zijn deze: allereerst
moet er eene scheiding gemaakt worden tusschen metaphysica en religie
(theologie). Het metaphysisch begrip van het Absolute heeft niets te
maken met de religieuse Godsidee, Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881 S.
13. Rechtf. u. Vers. III² 201 f. 211 f. 221 f. Herrmann, Die Religion
im Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle 1879 trok
de scheiding nog verder door, en maakte onderscheid tusschen het object
der metaphysica en der religie, ib. S. 100, tusschen de erklärbare
en de erlebbare Wirklichkeit, S. 100, 107, tusschen de natuurlijke
en de zedelijke wereld, S. 269, 355. Cf. ook Kaftan, Das Wesen der
christl. Religion, Basel 1881 S. 200. Vervolgens heeft de theologie
haar standpunt niet te nemen vóór het geloof, in eene theologia
naturalis, die niet bestaat, maar in het geloof der gemeente. Van daar
moet ze uitgaan en alles beschouwen en waardeeren, Ritschl, Theol. u.
Metaph. S. 11 f. 61. Rechtf. u. Vers. I² 364 III 2-8, 13, 32, 162,
165, 198, 304, 356 f. De orthodoxie liet aan de fides salvifica, d.
i. de fiducia, nog wel de fides historica, den assensus voorafgaan,
maar dat was in strijd met de oorspronkelijke leer der Hervorming bij
Luther, Melanchton en Calvijn. Op die wijze zou het geloof altijd weer
afhangen van uitwendige bewijzen, bestaan in het aannemen van eenige
waarheden, en van alle vrijheid, zelfstandigheid en zekerheid worden
beroofd, Ritschl, Fides implicita, Bonn, 1890 S. 69. Gottschick, Die
Kirchlichkeit der sogenannten kirchl. Theol. Freiburg, 1890 S. 11-53,
69 f. Traub, Glaube u. Theol., Stud. u. Krit. 1893, 3tes Heft S.
568-588. Herrmann, Die Gewissheit des Glaubens und die Freiheit der
Theol., Freiburg 1887, 2e Aufl. 1889. Id. Der Verkehr des Christen
mit Gott, Stuttgart 1886 S. 18 f. 83 f. 92 f. 2e Aufl. 1892. Id. Der
evang. Glaube und die Theol. Albr. Ritschls 1890. Id. in Beweis des
Glaubens 1890. Kaftan, Brauchen wir ein neues Dogma, 1890, S. 37. Id.
Glaube u. Dogma. Zeits. f. Theol. u. Kirche v. Gottschick 1891 S. 478
f. cf. 1893 S. 427 f. Kattenbusch, Ueber religiösen Glauben im Sinne
des Christ. Giessen 1887. In de derde plaats tracht de theologie van
Ritschl het zaligmakend geloof te binden aan de historische openbaring
in den persoon van Christus. Het geloof is juist als fiducia niet
aannemen van eene leer maar vertrouwen op een persoon. Maar dan komt
het geloof natuurlijk niet vanzelf uit den mensch op, maar onderstelt
het een object en eenige voorafgaande kennis van dat object. Herrmann
erkent zelfs dat de notitia eene Vorbedingung des Glaubens is,
Verkehr des Christen mit Gott, 2e Aufl. S. 182. Zeits. f. Theol. u.
K. von Gottschick IV, 4tes Heft S. 273. Op welken grond staat nu dat
object, die historische openbaring in Christus, vast? Van waar komt de
zekerheid aangaande hare realiteit? Het antwoord, dat op die belangrijke
vraag door de Ritschlianen gegeven wordt, is zeer verschillend. Ritschl
zelf geeft eigenlijk geen antwoord. Hij verwijst den enkelen mensch naar
de gemeente, die de ervaring heeft van de vergeving der zonden en van
het kindschap Gods, maar zegt niet, wat den individueelen mensch nopen
moet om bij die gemeente zich aan te sluiten. Alleen grondt hij het
bestaan Gods en de redelijkheid der christelijke wereldbeschouwing op de
zelfwaardeering des geestes, Rechtf. u. Vers. III² 200 f. 209 f. 573
f. Zijne volgelingen slaan echter gewoonlijk andere wegen in en laten de
waarheid der openbaring in Christus rusten op de innerlijke ervaring. De
aanschouwing van Christus treft ons door zijne zedelijke grootheid; Hij
maakt op het onbevangen gemoed een diepen indruk, verootmoedigt maar
heft ook op tot het vertrouwen dat God onze Vader is, Herrmann, Der
Verkehr des Christen mit Gott 1886 S. 18 f. 26 f. Beweis des Glaubens
1890 S. 81 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit der sogen. kirchl. Theol.
1890 S. 222, 226. Traub, Stud. u. Krit. 1893, S. 577. cf. Köstlin, Die
Begründung unserer sittl. relig. Ueberzeugung 1893, S. 98 f. Frank,
Dogmatische Studien 1892, S. 46 f. Herrmann bestrijdt zoo sterk mogelijk,
dat historische bewijzen ons overtuigen kunnen van de waarheid van den
persoon van Christus; hij laat de historische kritiek ook volkomen vrij
en onttrekt haar niets, maar hij zegt toch dat de Christus extra nos de
grond is van zijn geloof, Zeits. f. Theol. u. K. 1894, IV 4tes Heft S.
281; hij spreekt van eene zweifellose Thatsache, S. 280; vindt dat de
grondtrekken van het beeld van Jezus geen twijfel aan de historische
werkelijkheid van Jezus toelaten, S. 285, en erkent deze objectieve
waarheid niet op grond van bewijzen, maar omdat hij de macht van het
leven van Jezus over zich gevoeld en doorleefd heeft, S. 288; omdat
Jezus’ leven de kracht heeft, sich unserm Gewissen als eine wirkliche
Thatsache zu bezeugen, S. 293. En alleen dat is inhoud des geloofs,
wat de kracht heeft sich dem Gewissen als wirkliche Thatsache zu
bezeugen, S. 293. Eene diepere ontleding van de waarheid en zekerheid
des geloofs wordt ons in de school van Ritschl niet gegeven; de indruk,
dien de persoon van Christus op ons maakt, de kracht die er van het
evangelie uitgaat in ons gemoed, de zedelijke ervaring van deemoed
en vreugde, de overeenstemming van de idee van het Godsrijk met onze
behoeften en eischen, Kaftan, Die Wahrheit der chr. Relig. Basel 1889
S. 537 f., schijnt voor de waarheid der openbaring in den persoon en het
leven van Christus in te staan. Eindelijk wordt de inhoud des geloofs in
de theologie van Ritschl tot een minimum gereduceerd. Ritschl zeide,
Rechtf. u. Vers. III² 369 cf. 191 f. alle Erkenntnisse religiöser Art
sind directe Werthurtheile. Ook de philosophie waardeert wel. Maar
daar zijn de Werthurtheile bijkomstig en begeleidend. In de religie zijn
ze zelfstandig; berusten ze op ’s menschen lust of onlust, op zijn wel
of wee; hebben ze betrekking op zijne verhouding tot de wereld, en zijn
onafhankelijk van de wetenschap. Als de wetenschap zich dus houdt op
haar terrein en geene wereldbeschouwing tracht op te bouwen, dan is er
geen strijd mogelijk, Ritschl, Theol. u. Metaph. 7, 9. Rechtf. u. Vers.
III² 189-197. Fides implicita S. 68, 70. Herrmann ging nog verder en
sprak zelfs uit, dat de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap
eene inbeelding was, Die Religion usw. S. 108, 112. Maar toch hebben
Ritschl en Herrmann de historische openbaring Gods in Christus als
grondslag en bron van het godsdienstig geloof vastgehouden en in
zoover de religie niet alleen in Werth- maar ook in Seinsurtheile
laten bestaan. Het was ook al te duidelijk, dat het religieuse kennen
evengoed de overtuiging insluit van de realiteit van zijn object als het
wetenschappelijk kennen. Werthurtheile zijn van Seinsurtheile afhankelijk
of anders niets dan inbeelding. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion
S. 35 f. 41 f. 55 f. erkent dan ook, dat de Werthurtheile de objectieve
waarheid onderstellen, al laat hij in erkenntnisstheoretischen zin
deze ook van gene afhangen. En Häring, Die Theol. und der Vorwurf der
doppelten Wahrheit 1886 zegt wel, dat practische, zedelijke gronden
ons bewegen tot het geloof, maar voegt er toch aan toe, dat het
christelijk geloof den waarborg voor de waarheid van het geloofde niet
in zichzelf draagt, want wenschen is geen bewijs voor de vervulling van
den wensch; maar dat het dien waarborg vindt in het historisch feit
van de openbaring Gods in Christus, cf. Häring ook Zur Lehre von der
h. Schrift, Stud. u. Krit. 1893, 1es Heft S. 177-212, vooral S. 199 f.
Vandaar, dat anderen er op wijzen, dat, al moge er nog zooveel in de
Schrift voor de kritiek bezwijken, er toch nog genoeg vast blijft staan.
Die ganze Erscheinung Christi kan toch niet onhistorisch zijn. Het
geloof is van de bovennatuurlijke geboorte van Christus, Harnack, Das
apost. Glaubensbekenntniss, Berlin, 1892, van de opstanding, Harnack,
Dogmengesch. I² 73 f. Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 90, van de
wonderen onafhankelijk. Eerst als het historisch-kritisch onderzoek ons
zou willen ontnemen, dat Christus onze Heer is, dan zou het christelijk
geloof daartegen in verzet komen, cf. Otto Ritschl, Der histor.
Christus, der christl. Glaube u. die theol. Wissenschaft, Zeits. f.
Theol. u. Kirche v. Gottschick III 4, 5tes Heft S. 371 f., Traub, Stud.
u. Krit. 1893, S. 577 f. Erich Haupt, Die Bedeutung der h. Schrift für
den evang. Christen, 1891. Max Reischle, Der Glaube an Jesus Christus
und die geschichtliche Erforschung seines Lebens, Leipzig 1893. Van
de rijke litt. over de theologie van Ritschl en zijne school zij alleen
genoemd Stählin, Kant, Lotze, Albr. Ritschl 1888. Pfleiderer, Die
Ritschl’sche Theol., Jahrb. f. prot. Theol. April 1889 S. 162 f., ook
afzonderlijk uitgeg. te Braunschweig bij Schwetske. Id. over Herrmann,
Kaftan en Bender, Jahrb. f. prot. Theol. 1891 S. 321-383. Id. Entw. der
prot. Theol. 1891 S. 228 f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart
1888 S. 230 f. Frank, Die Theol. A. Ritschl’s 3e Aufl. Erl. 1891.
Flügel, Ritschl’s philos. und theol. Ansichten, 2e Aufl. 1892. G.
Mielke, Das System A. Ritschl’s dargestellt, nicht kritisirt, Bonn
Marcus 1894. Saussaye over Ritschl, Theol. Stud. van Dr. Daubanton 1884
bl. 259 v. en mijn art. aldaar 1888 bl. 369 v.
5. Een zelfde standpunt wordt eindelijk ook ingenomen door R. A.
Lipsius, Lehrbuch der ev. prot. Dogm. 1876, 2e Aufl. 1879, 3e
Aufl. 1893. Dogmatische Beiträge, Jahrb. f. prot. Theol. 1878, ook
afzonderlijk uitgegeven Leipzig, Barth, 1878. Neue Beiträge, Jahrb.
f. prot. Theol. 1885, en afzonderlijk uitgegeven onder den titel
Philosophie und Religion, Leipzig 1885. Die Hauptpunkte der christ.
Glaubenslehre, Jahrb. f. prot. Theol. 1889 S. 1-41, en afzonderlijk
uitgegeven Braunschw. 1889, 2e Aufl. 1891. Ook Lipsius beperkt de
wetenschap tot het gebied der in- en uitwendige ervaring, Lehrb. der
ev. prot. Dogm. § 1. Jahrb. f. prot. Theol. 1885 S. 181 f. 1889 S. 1 f.
Maar nu erkent Lipsius toch, in onderscheiding van Ritschl en Herrmann,
nog eenig recht der metaphysica. Onze rede gevoelt behoefte en drang
om uit de ervaringswereld op te klimmen tot een unbedingten Grund, en
vormt zoo de begrippen van het Absolute, de ziel enz., Jahrb. 1885 S.
200, 278 f. 372, 395, ib. 1889 S. 3. Onze geest streeft naar eenheid,
Jahrb. 1885 S. 283. Maar dit metaphysisch of philosophisch denken is
geen eigenlijke wetenschap meer, het produceert geen positieven inhoud,
het vermeerdert ons waarheidsbezit niet, gelijk Biedermann meent; het
levert slechts Formbestimmingen, Grundbegriffe, regulative Prinzipien,
Jahrb. 1885 S. 275-283. Wanneer wij er toch eenigen inhoud in willen
leggen en er transcendente kennis door willen verkrijgen, dan dragen
wij er zinnelijke vormen op over, en wikkelen we ons in eene antinomie.
De logische en de symbolische opvatting van het metaphysische strijden
met elkaar, Jahrb. 1885 S. 281-283, ib. 1889 S. 4. Langs dezen weg is
er dus geen kennis van het bovenzinlijke te bekomen. Maar er is nog
een andere weg, die der praktische, sittliche Nöthigungen. De mensch
is n.l. een denkend maar ook een willend en handelend wezen, en hij
gevoelt zich gedrongen, om zich als zoodanig tegenover de wereld te
handhaven. Uit den Widerspruch tusschen ’s menschen geest en de natuur
wordt bij hem de religie geboren. Deze is eene practische aangelegenheid
des geestes, en ontstaat niet allereerst uit theoretische maar uit
practische behoeften. De practische, ethische drang, om zich in zijn
bestaan te handhaven, dringt den mensch tot het geloof aan God, tot
het postuleeren van eene bovenzinnelijke wereld. Het geloof begint
dus, waar de wetenschap ophoudt, Jahrb. 1885 S. 377 f. 557 f. Dit
geloof brengt eene eigen zekerheid mede, geen wetenschappelijke maar
moreele zekerheid, een zekerheid van ervaring, berustend op de erlebte
Gewissheit van mijn eigen persoon, Jahrb. 1885 S. 385 f. 438 f. Voor
een ander is deze zekerheid misschien niets dan inbeelding, maar voor
het subject zelf is ze gewis, ib. 387 f. Zoodanige ervaring is ook
het eenig criterium voor de waarheid der christelijke religie, der
openbaring in Christus. De toeëigening der historische openbaring tot
persoonlijk bezit is het eenige directe bewijs voor de waarheid der
christelijke religie. De persoonlijke ervaring der geloovigen bevestigt
de historische openbaring, gelijk deze gene wekt en versterkt, Jahrb.
1885 S. 600 f. En de Christen, alzoo geloovende, doet dan belijdenis
van bovenzinlijke realiteiten; in de dogmata geeft hij niet maar eene
beschrijving van gemoedstoestanden en Werthurtheile, maar Seinsurtheile
over de verhouding van den mensch tot God en van God tot mensch en
wereld. Deze religiöse Aussagen zijn objectief waar, indien ze in
onverbrekelijk, denknoodwendig verband staan met de verwezenlijking van
onze hoogste levensbestemming. Niet toevallige, maar wel noodwendige
Werthurtheile bewijzen de objectieve waarheid der religieuse uitspraken,
Jahrb. 1885 S. 440, 445. Voor den geloovige zelven zijn deze bewijzen
voldoende; en tegenover niet-geloovigen heeft hij nog altijd een indirect
apologetisch bewijs daarin, dat practische Nöthigungen den mensch tot
religie dwingen; de religie is geen dwang, geen natuurmacht, maar is
practisch, psychisch noodzakelijk, en is in zoover in ’s menschen wezen
gegrond, Jahrb. 1885 S. 627 f. 639 f. Dogmatisch heeft de geloovige
bovendien nog de taak, om den geloofsinhoud met al zijne kennis van de
wereld saam te voegen tot één geheel. Herrmann heeft gelooven en weten
zoo streng mogelijk en ten einde toe gescheiden gehouden. Maar Lipsius
laat beider inhoud wel opkomen uit eene eigen bron, maar wil dien
dan toch ten slotte saamvatten in eene einheitliche Weltanschauung.
De dogmatiek kan den geloofsinhoud wel niet bewijzen en het gelooven
niet tot weten verheffen, maar ze kan en moet de christelijke, de
teleologische wereldbeschouwing in verband brengen met de causale
wereldbeschouwing, met de van elders verkregen kennis der wereld, en ze
heeft dan aan te toonen dat er geen strijd is, dat het conflict slechts
schijnbaar is, dat er inderdaad eenheid is. Al behelzen de dogmata
geen wetenschappelijke waarheid, geen theoretische Erkenntnisse; al
zijn ze alle bildlich en anthropomorphistisch; ze mogen toch niet in
strijd zijn met de vaste resultaten der wetenschap. De eenheid van onzen
geest verbiedt het aannemen van eene dubbele waarheid. De religieuse
Godsidee en het begrip van het Absolute, vrijheid en noodwendigheid,
teleologische en causale wereldbeschouwing enz. moeten vereenigbaar
zijn, Jahrb. 1885 S. 648 f. 658 f. 662 f. ib. 1889 S. 6. Dogm. § 3. Cf.
over Lipsius o. a. Ed. von Hartmann, Die Krisis des Christ. in der mod.
Theol. Berlin 1880 S. 69 f. Biedermann, Christl. Dogm. 1884 I 58 f. 160
f. Flügel, Die spekul. Theol. der Gegenwart 1888 S. 95 f. Pfleiderer,
Entw. der prot. Theol. 1891, S. 241 f. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov.
1894 enz.
6. Deze ethische, practische methode tot rechtvaardiging van religie
en Christendom verdient zeker verre de voorkeur boven de historische
en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie niet enkel op als
leer, die voor het verstand moet gerechtvaardigd worden, noch als een
toestand van het subject, die denkend ontleed moet worden. Maar ze ziet
in de religie eene historische, objectieve macht, die aan de zedelijke
gesteldheid van den mensch beantwoordt en daarin haar bewijs en hare
rechtvaardiging vindt. Maar toch is ook deze methode aan ernstige
bedenkingen onderhevig. In de eerste plaats is de overeenstemming
van eene religie met de zedelijke behoeften des menschen zeer zeker
van groote beteekenis. De bevrediging van hart en geweten is het
zegel en de kroon der religie. Een godsdienst, die niet troosten kan
in rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet
zijn. Van andere wetenschappen, logika, mathesis, natuurkunde, enz.
verwachten we niet, dat zij troost zullen bieden aan de schuldige
conscientie en het bedroefde gemoed. Maar eene religie, die aan
krank- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende niet bevestigen
en het nedergebogene niet oprichten kan, is dien naam niet waard,
Gottschick, Die Kirchlichkeit usw. S. 4 f. De zoo dikwerf gemaakte
tegenstelling tusschen waarheid en troost hoort in de religie niet
thuis. Eene waarheid, die geen troost bevat, die niet samenhangt met
het religieus-ethische leven van den mensch, houdt daardoor ook op
eene religieuse waarheid te zijn. Gelijk de medische wetenschap in al
hare onderdeelen beheerscht wordt door de genezing van het kranke, zoo
is het in de religie den mensch om vrede en zaligheid te doen. Maar
hoe hoog deze troost in de religie ook moge geschat worden en hoezeer
hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis in
aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf gesteld, als
bewijs onvoldoende. Immers, eenige troost en bevrediging is er te vinden
in alle religies; de ervaringen van ellende en schuld, van twijfel en
vertrouwen, van lijdzaamheid en hope zijn niet alleen bij de Christenen,
maar ook in meerdere of mindere mate bij Mohammedanen, Buddhisten, enz.
aanwezig. Eene religie, die geen troost biedt en geen bevrediging
schenkt aan de zedelijke behoeften van den mensch, is zeker valsch; maar
omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de mensch zijn troost
en zijne bevrediging zoekt. Voorts zijn de behoeften van hart en geweten,
waaraan eene of andere religie voldoet, of zelve onder den invloed
dier religie gewekt, en dan is hare bevrediging vrij natuurlijk en een
weinig krachtig bewijs; of ze zijn buiten die religie om, onder andere
invloeden en onder de werking van een anderen godsdienst, ontstaan, en
dan is juist die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt,
niet aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van eene onbewuste
aspiratie der ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid
schier niets gevonden. Van eene rijpheid der volken voor het Evangelie
leert de geschiedenis der zending bitter weinig. Het Evangelie is niet
naar den mensch, niet naar de behoeften, gelijk de mensch die zelf
zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook de mensch zichzelven
niet. De menigmaal herhaalde bewering, dat het Christendom aan ’s
menschen behoeften beantwoordt, brengt het ernstig gevaar met zich,
dat de waarheid pasklaar gemaakt wordt voor de menschelijke natuur.
De stelling, dat de waarheid echt menschelijk is omdat ze goddelijk
is, slaat zoo licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is
omdat ze menschelijk is. De prediking naar den mond in plaats van naar
het hart van Jeruzalem is ook op christelijke kansels niet ongewoon.
Vervolgens is de ervaring, in welke het bewijs voor de waarheid der
religie gezocht wordt, een zeer zwevend begrip. Wat is er dan toch in
eene historische religie, dat werkelijk inhoud van ervaring kan zijn?
Ervaren worden eenige religieus-ethische aandoeningen van schuld,
berouw, vergiffenis, dankbaarheid, vreugde, enz. Maar al het andere,
dat in eene historische religie voorkomt, valt buiten de ervaring. Voor
geen enkel der twaalf geloofsartikelen kan het: ik geloof door het: ik
ervaar vervangen worden. Dat God Schepper is van hemel en aarde, dat
Christus is Gods eengeboren Zoon, ontvangen van den H. Geest, geboren
uit Maria, enz., enz., is uitteraard voor geen ervaring vatbaar. Op den
grondslag der religieus-ethische ervaring kan nimmer de waarheid van
het historische Christendom worden gebouwd. Gevolg van deze verheffing
van de ervaring tot principium cognoscendi is dan ook alleen, dat
de inhoud van geloof en dogmatiek hoe langer hoe meer van al het
historische wordt losgemaakt en tot het zoogenaamd religieus-ethische
beperkt wordt. Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de
reeds meermalen te vergeefs beproefde scheiding tusschen idee en feit
in het Christendom. De vrucht kan echter niet langer geplukt worden,
als de boom wordt omgehouwen; en het frissche, heldere water stroomt
niet meer, wanneer de bron wordt gestopt.
7. In plaats van in de bevrediging van hart en geweten, hebben anderen
in zoogenaamde Werthurtheile den inhoud en het bewijs der christelijke
religie gezocht. Toch is dit slechts een andere naam voor dezelfde
zaak. Indien daarmede nu niets anders bedoeld werd, dan dat een dogma
altijd eene religieus-ethische waarde bevatten moest, zou niemand tegen
deze Werthurtheile eenig bezwaar kunnen inbrengen. In elk dogma moet
men gelijk vroeger reeds gezegd werd, het hart der religie hooren slaan.
Maar in de theologie van Ritschl kregen deze Werthurtheile eene geheele
andere beteekenis. Van al het metaphysische losgemaakt, werden ze de
grondslag en de inhoud der dogmatiek. En dat is onmogelijk. Religie
sluit de overtuiging in van de realiteit van haar object. Religieuse
en ethische waardeering onderstelt de waarheid van den persoon of
de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile zijn daarom van
Seinsurtheile afhankelijk; zij staan en vallen met deze. Indien de
waardeering van een voorwerp niet in zijne realiteit is gegrond, wordt
zij niets dan eene inbeelding, eene schepping der phantasie of eene
ideaalvorming in den zin van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet
aan, om te zeggen: laten de feiten zoo of anders zijn, de waardeering
beslist; want met de feiten verandert ook deze. Indien Israels volk
en godsdienst zich zoo ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het
voorstelt, moet de waardeering van het Oude Testament principieel
worden gewijzigd. Eene moderne historiebeschouwing en eene orthodoxe
waardeering passen slecht bij elkaar. Indien Christus niet waarachtig
God is, dan kan hij ook voor den Christen niet de waarde van God hebben.
En zoo is het met alle dogmata. Religieuse waardeering staat met
de objectieve waarheid in het nauwste verband. Er zouden heel wat
nevelen verdwijnen, als naar Biedermann’s wensch het Modestichwort:
Werthurtheile gebannen werd. Cf. ook Scheibe, Die Bedeutung der
Werthurtheile für das relig. Erkennen, Halle 1893. O. Ritschl, Ueber
Werthurtheile, Freiburg Mohr 1895. Langzamerhand wint de overtuiging
veld, dat religieus-ethische ervaring en waardeering, van hoe groot
gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object kunnen waarborgen
noch ook de maatstaf kunnen zijn voor den inhoud der dogmatiek. Ook
psychologisch is deze voorstelling niet te rechtvaardigen. Want de
beslissing over de realiteit der dingen komt niet toe aan wil of
gevoel, aan hart of geweten, maar aan het bewustzijn. Eerst als de
realiteit van een ding voor het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere
vermogens der ziel daarmede werkzaam worden. Het wenschen, gevoelen,
ervaren, verbeelden sluit in geenen deele in de realiteit van hunne
objecten. De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd.
Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het ervarings-
en waardeeringsbewijs, er nog iets van trachten te redden door middel
van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan wel toe, dat de
zedelijke natuur des menschen niet mag doen besluiten tot de realiteit
van allerlei godsdienstige voorstellingen of ook tot de waarheid der
christelijke religie; maar toch wordt aan haar het recht ontleend,
om het werkelijk bestaan te postuleeren van al datgene, wat met die
zedelijke natuur noodwendig samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd
en vernietigd wordt. Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven;
de gevoelens loopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene
bepalen, wat met de zedelijke natuur des menschen onmiddellijk en
rechtstreeks gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend
naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert
juist zooveel, als waaraan hij voor zijne religie genoeg heeft. Kant
leidde uit de practische rede datgene af, wat den inhoud uitmaakte
van zijne moralische Vernunftreligion, het bestaan van God, vrijheid
en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke wereldorde. En
Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf noodwendig postuleert het
geloof aan eene zoodanige gesteldheid van de wereld, dat de wet van het
plichtbesef daarin heerschen kan, Wijsb. v. d. godsd. bl. 343. Waarin
deze gesteldheid bestaat, wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke
wereldorde, door Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het
goede in ons, bl. 536 v. Maar daarmede komen we geen stap verder. Want
deze macht van het goede is ook thans reeds in den mensch aanwezig en
valt geheel saam met die zedelijke natuur, op welke juist het postulaat
was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer insluit, bijv. dat het goede
triumfeeren zal, dat eens alle menschen het zullen kunnen en willen
volbrengen, daarover wordt het zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht
dezen triumf van het goede, maar op welken grond, zegt hij niet. Indien
echter de tegenwoordige gesteldheid der wereld bestaanbaar is met de
heerschappij der zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet kunnen
zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur van den mensch,
om aan het eind de volkomen zegepraal van het goede, de harmonie
van deugd en geluk, de overeenstemming van natuurlijke en zedelijke
wereldorde te eischen? Bij Rauwenhoff is de postulaatstheorie daarmee
geeindigd, dat zij tot het punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan
het eind niet meer dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van
hare povere resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is,
waarop het postulaat wordt gebouwd? Voor den modernen godsdienstwijsgeer
is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie wil hij van
eene oorspronkelijke religieuse natuur des menschen niet weten. Dat
ware met eene wetenschappelijke verklaring in strijd. De religie moet
afgeleid worden uit factoren, die elk op zichzelf nog niet religieus
zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke natuur van den mensch, schijnt hij
den eisch zijner wetenschappelijke verklaring geheel te vergeten. Zonder
zich te bekommeren om de bezwaren, van de zijde der materialistische
wetenschap ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur des menschen als
van eene vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap uit
en bouwt daarop de realiteit eener zedelijke wereldorde of zelfs van
eene geheele metaphysische wereld. Het recht daartoe had ten minste
moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek vooraf ware ingesteld, zou
misschien gebleken zijn, dat de zedelijke natuur van den mensch zelve
reeds de religie onderstelt. In erkenntnisstheoretischen zin moge men
evenals bij het moreel bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke
opklimmen tot het religieuse; logisch en reëel gaat toch de religie
aan het ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metaphysica. De idee
van plicht involveert die van eene absolute macht, die bindt in de
conscientie. Over Rauwenhoff’s Wijsb. v. d. godsd. wordt litt. opgegeven
door Kuenen in zijn Levensbericht van R., Maatsch. v. Ned. Lett. 1889
bl. 126, en daarbij de Bussy, Gids Oct. 1889. Cannegieter, De godsdienst
uit plichtsbesef enz. Leiden 1890.
8. Een laatste bezwaar tegen de bovengenoemde richting bestaat daarin,
dat zij altijd komen moet tot een zeker dualisme van gelooven en weten.
Sommigen hebben dit zeer kras uitgesproken. De scholastiek eindigde
in de Middeleeuwen bij enkele theologen met de stelling, dat iets in
de theologie waar en in de philosophie valsch kon zijn. Jacobi beleed
een heiden met het verstand maar een christen met het hart te zijn.
Herrmann noemde de werkelijkheid des geloofs voor de wetenschap eene
inbeelding. De ethische modernen eischten eene volledige scheiding
tusschen wijsbegeerte en godsdienstig leven. De meesten durven echter
zoover niet gaan en zien de onmogelijkheid in, om als wijsgeeren neen en
als godsdienstige menschen ja te zeggen. Zij erkennen, dat er aan het
eind toch samenstemming moet bestaan tusschen de uitspraken des geloofs
en de resultaten der wetenschap. De wijsbegeerte moge de godsdienstige
voorstellingen niet kunnen rechtvaardigen; zij moet er toch ook niet
de onwaarheid van kunnen aantoonen. Beide, de uitkomsten van het
wetenschappelijk onderzoek en de uitspraken van het godsdienstig geloof
moeten tot één geheel verbonden kunnen worden of althans zonder strijd
en vijandschap naast elkander kunnen bestaan. Deze overeenstemming aan
’t eind, in de resultaten, tracht men dan daardoor te verkrijgen, dat
men eenerzijds de wetenschap in betrekking tot het bovenzinlijke en
bovennatuurlijke agnostisch maakt, en aan de andere zijde de uitspraken
van het godsdienstig geloof strikt tot het religieus-ethische beperkt.
Maar al tracht men op die wijze het dualisme in het resultaat te
vermijden, feitelijk blijft men het toch huldigen in het orgaan, waardoor
en den weg of de methode, waarlangs men tot kennis der waarheid komt.
Het hart is op zijn terrein evengoed een orgaan voor de waarheid als
het hoofd. Godsdienstig-zedelijke ervaring waarborgt de realiteit der
onzienlijke dingen even sterk als de zinnelijke waarneming die der
zichtbare wereld. Het geloof met zijn gronden heeft evenveel recht als
de wetenschap met hare bewijzen. Maar het is moeilijk in te zien, hoe
men aan het dualisme, dat men bij den aanvang, in principe aanvaardt, in
het eind bij het resultaat ontkomen kan. Indien hoofd en hart een eigen
leven hebben, in dien zin, dat zij elk een zelfstandig orgaan vormen
tot kennis der waarheid, dan is ook de eenheid van de waarheid, van de
wereld, ja van God zelven, niet meer te handhaven. Gelijk subjectief de
mensch in tweeën uiteenvalt, en eenerzijds een godsdienstloos wezen is,
ingesloten in het natuurverband, en andererzijds een religieus-ethisch
wezen, burger van eene zedelijke wereldorde; zoo staan objectief
wetenschap en religie, erklärbare en erlebbare Wirklichkeit, de wereld
van het zijn en van de waardeering, de zienlijke en de onzienlijke dingen,
de absolute natuurmacht en de religieuse Godsidee gescheiden naast en
straks vijandig tegenover elkaar.
Nu ligt er ongetwijfeld in dit dualisme eene zekere waarheid, die
niet miskend worden mag. Er is n.l. behalve eene logische, ook nog
eene zekerheid des geloofs. Maar deze onderscheiding is, gelijk later
blijken zal, eene gansch andere dan de scheiding, welke door het boven
omschreven dualisme wordt voorgesteld. Deze tweeërlei zekerheid toch
deelt noch den mensch noch de wereld in twee helften, maar maakt in
den kring der wetenschap zelven onderscheid tusschen datgene wat
onmiddellijk en wat door middel van bewijzen tot onze kennis komt.
Maar het dualisme, dat in de nieuwere philosophie tot heerschappij is
gekomen, laat al het geschapene in twee geheel gescheiden kringen
uiteenvallen, en is daardoor in strijd met de eenheid van ’s menschen
geest, met de eenheid der wetenschap en der waarheid, met de eenheid
der wereld, met de eenheid van het goddelijk Wezen zelf. Daarom
is het ook niet in staat, om gelooven en weten met elkander te
verzoenen; veeleer doet het den strijd tusschen beide nog toenemen.
Het geloof immers kan met die scheiding niet tevreden zijn, wijl het
al het historische en metaphysische, waar het altijd in meerdere of
mindere mate mede samenhangt, zich ontnomen ziet, en daarom of van
de wetenschap geheel afhankelijk wordt of in het vage, mysterieuse
gevoel zich terugtrekken moet. En de wetenschap kan er geen vrede bij
hebben, omdat de beslissing over de realiteit der dingen opgedragen
wordt aan eene faculteit, die daartoe ten eenenmale het recht en de
bevoegdheid mist. Beide, geloof en wetenschap, laten zich niet op die
wijze beperken. Zij grijpen ieder oogenblik op elkander in. Het kan ook
geen goede eisch zijn, dat de religieuse mensch ophoude God te dienen,
als hij aan de wetenschap zich wijdt, of de man van wetenschap zijn denken
het zwijgen oplegge, als hij het terrein der religie betreedt, cf. boven
bl. 29, 155 v.
§ 17. HET GELOOF.
1. Uit het voorafgaand onderzoek is ons duidelijk geworden, dat het
principium internum der christelijke religie en theologie niet gelegen
kan zijn in het verstand, de rede of het hart van den psychischen
mensch. Noch bewijzen noch redeneeringen noch ook overeenstemming
met ’s menschen behoeften zijn in staat, om ons te overtuigen van de
diviniteit der religieuse waarheid. Op ieder terrein, en zoo ook in de
religie behoort het principium internum aan het principium externum te
beantwoorden; het moet daarmede van gelijke natuur zijn. Gelijk het licht
alleen waar te nemen is door het oog, zoo kan de goddelijke waarheid
alleen erkend worden door hem, die Gode verwant en zijn beeld is.
Alle bovengenoemde richtingen hebben dit in meerdere of mindere mate
beseft. Zelfs zij, die de waarheid der christelijke religie verstandelijk
wilden bewijzen, oordeelden toch, dat er van ’s menschen zijde eene
zekere zedelijke gesteldheid noodig was, om de kracht dier bewijzen
te gevoelen. Pascal beproefde in het eerste deel zijner apologie den
mensch tot kennis zijner ellende te brengen en de behoefte bij hem op
te wekken naar verlossing en vrede. Door en na Schleiermacher zijn de
meeste theologen tot het inzicht gekomen, dat de religie van eene
eigene natuur is en daarom ook door een eigen orgaan in den mensch
moet worden gekend. De poging, om dat orgaan te vinden in de rede, het
geweten, het hart, het gevoel was reeds eene schrede op den goeden weg,
en verdiende verre de voorkeur boven het rationalistisch streven, om de
godsdienstige waarheid te betoogen voor het nuchter verstand. Maar toch
was daarmede nog niet genoeg gedaan. Indien er geen zonde ware, zou de
mensch in zichzelf het vermogen bezitten, om de waarheid van de leugen
te onderkennen even helder als het oog het licht onderscheidt van de
duisternis. Maar niemand kan beweren, dat dit het geval is. De zonde
heeft den mensch verduisterd in het verstand en bedorven in den wil.
De onreine van hart kan God niet zien. Daarom is noodig, dat objectief
de waarheid ons zuiver te gemoet trede en dat subjectief ons oog voor
die waarheid worde geopend. De Schrift gaat hiervan uit. Zij onderwerpt
zich niet aan het oordeel van den natuurlijken mensch; want alleen de
geestelijke mensch, de wedergeborene, kan de dingen des Geestes Gods en
van het koninkrijk der hemelen onderscheiden. Daarom behoudt de Schrift
zelve het recht en de macht zich voor, om den mensch tot erkenning
harer waarheid te brengen. Ze doet dat op geestelijke wijze, niet door
bewijzen en redeneeringen maar in den weg eener geestelijke ervaring,
door de onderwijzing des H. Geestes. Er is daarom niet alleen eene
openbaring Gods in Christus buiten ons, maar ook eene verlichting des
H. Geestes in ons; nadat God door den Zoon tot ons heeft gesproken,
is de H. Geest gekomen om ons te leiden in de waarheid. God gaf niet
alleen eene Schrift, die de objectieve openbaring volkomen bevat, maar
stichtte ook eene kerk, welke het woord Gods verstaat en als waarheid
belijdt. Het is om die reden ook met het wezen der christelijke religie
in strijd, om haar waarheid te laten afhangen van het onderzoek en de
uitspraak van den zondigen mensch. De dogmaticus heeft zijn standpunt te
nemen niet vóór of buiten, maar midden in het geloof. De methodische
twijfel van Bacon en Cartesius is noch in de philosophie noch in de
theologie op zijne plaats. Twijfel moge hoogstens aanleiding zijn om de
waarheid te gaan zoeken, het geloof alleen doet ze vinden; geloof
is altijd de diepste grond van den arbeid der wetenschap, Snellen,
Bijblad v. d. Herv. 26 Febr. 1895 bl. 5. Voetius trok daarom terecht
te velde tegen de theologia dubitans van Cartesius, Disp. Sel. III
825-870. A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek 1861 bl. 192 v.
Het is eene verkeerde methode, als de wijsgeer van zijne natuurlijke
zekerheid en de dogmaticus van zijn geloof zich ontdoet, eer hij met
den wetenschappelijken arbeid een aanvang maakt. Zulk eene methode is
niet alleen onpractisch maar laadt op den man van wetenschap ook den
schijn, alsof zijne overtuiging en zijn geloof werkelijk op die gronden
rust, die zijn denken hem achterna vinden doet. Cartesius vond een vast
uitgangspunt in het cogito ergo sum. Maar niemand zal meenen, dat hij
daarmede den laatsten en diepsten grond van het geloof aan zijn eigen
bestaan heeft genoemd. Ook al werd de onjuistheid van deze thesis hem
aangetoond, hij zou toch even vast aan zijn eigen bestaan blijven gelooven
als vóór dien tijd. Evenmin als de wijsbegeerte de natuurlijke zekerheid
ter zijde mag stellen, kan de dogmaticus zijne positie nemen buiten
het geloof, waarin hij menigmaal al van der jeugd aan is opgevoed. De
wetenschap heeft haar object niet te scheppen, maar te verklaren. De
christelijke theologie heeft daarom een subjectief uitgangspunt. Zij
neemt haar standpunt in de gemeente, die de waarheid Gods gelooft en
belijdt. Een ander standpunt is er niet. Rome zoekt er wel naar maar kan
het niet vinden. De Reformatie heeft ook het zoeken ernaar nagelaten;
zij ging uit van het geloovig subject. En toen de theologie van het
rationalisme en het supranaturalisme dit standpunt had prijsgegeven,
is de nieuwere theologie door en na Schleiermacher schier in al hare
richtingen tot dit reformatorisch beginsel teruggekeerd. Heel de
theologie is ethisch geworden, in dien zin dat ze ernst heeft gemaakt
met de stelling, dat alleen de wedergeborene het koninkrijk Gods ziet
en dat alleen, wie Gods wil wil doen, erkennen kan of Jezus’ leer uit
God is. Schier alle theologen nemen thans hun standpunt in het geloovig
bewustzijn, in de wedergeboorte, in de religieuse ervaring. Er is in
dit alles eene merkwaardige overeenstemming. De beschuldiging van
subjectivisme tegen dit standpunt is geheel misplaatst. Er is nergens,
in geen enkele wetenschap, een ander uitgangspunt. Het licht onderstelt
het oog, de klank is alleen waarneembaar voor het oor. Al het
objectieve bestaat voor ons slechts door bemiddeling van het subjectief
bewustzijn. Zonder bewustzijn is de gansche wereld dood voor mij. Eene
objectiviteit te begeeren, die niet subjectief bemiddeld ware, is een
onmogelijke eisch. Tusschen het zijn der dingen en ons eigen zijn blijft
altijd de waarneming instaan. Het subjectieve uitgangspunt heeft dus de
theologie met alle wetenschap, ja met alle verhoudingen, die er bestaan
tusschen mensch en wereld, gemeen. De beschuldiging van subjectivisme
krijgt dan eerst recht van bestaan, wanneer het subjectief orgaan, dat
onmisbaar is tot waarneming van het objectief bestaande, tot principium
der kennis verheven wordt. Het oog moge onontbeerlijk orgaan wezen voor
de waarneming van het licht, het is er toch niet de bron van. Het is
juist de fout van het idealistisch rationalisme, dat het het orgaan
met de bron der kennis vereenzelvigt, boven bl. 149. Het denken is
niet de bron van het gedachte, de voorstelling niet de oorzaak van
het ding, het ik niet de schepper van het niet-ik; en zoo kan ook het
geloof, de wedergeboorte, de ervaring niet de bron onzer religieuse
kennis en niet het beginsel onzer theologie zijn. Hoezeer de nieuwere
theologie dus terecht haar standpunt neemt in het subject, ze dwaalt,
als zij daarom onder invloed der idealistische wijsbegeerte de theologie
in anthropologie, ecclesiologie, godsdienstwetenschap verandert. In
zooverre heeft Ritschl te recht de bewustzijnstheologie, die algemeen
na Schleiermacher was opgekomen, teruggeroepen naar de objectieve,
historische openbaring in Christus.
2. Meestentijds wordt in de Schrift, althans in het N. Testament,
dit principium internum aangeduid met den naam van geloof. Ook
wedergeboorte, reinheid des harten, liefde tot Gods wil, de Geest Gods
worden in de Schrift als principium internum voorgesteld, Mt. 5:8;
Joh. 3:3, 5, 7:17; 1 Cor. 2:12 enz. Toch verdient de naam van geloof
ter aanduiding van dit principium de voorkeur. Niet alleen, omdat het
geloof in de Schrift het meest als zoodanig op den voorgrond treedt.
Maar vooral ook, omdat het begrip geloof ons plaatst op het terrein van
het bewustzijn en daarbij den samenhang bewaart met de wijze, waarop we
op ander gebied tot kennis komen. Vroeger zagen we, dat de menschelijke
rede nooit en nergens bron is der kennis. Aangeboren begrippen zijn er
niet. De mensch is physisch en evenzoo intellectueel geheel afhankelijk
van de wereld buiten hem. Alle kennis komt van buiten. Maar al die
kennis is van ’s menschen zijde bemiddeld door zijn bewustzijn. Niet het
gevoel of het hart, maar het hoofd, het bewustzijn in zijn ganschen
omvang (gewaarwording, besef, waarneming, verstand, rede, geweten) is
het subjectieve orgaan der waarheid. Als de Schrift het geloof nu het
principium internum noemt, dan huldigt ze daarmede dezelfde opvatting,
en erkent dat ook de openbaring Gods alleen tot onze kennis komen kan
door het bewustzijn heen. Niet alsof wedergeboorte, liefde, reinheid
des harten, daarbij niet van de grootste beteekenis zouden zijn; het
tegendeel zal later blijken. Maar het eigenlijk orgaan, waardoor de
openbaring Gods gekend wordt, is een akte van het bewustzijn, n.l. het
geloof. De openbaring Gods is een systeem van woorden en daden Gods,
welke buiten en onafhankelijk van ons bestaan. Hoe zouden deze ooit tot
onze kennis kunnen komen dan door het bewustzijn heen? De openbaring
Gods is evangelie, is belofte, belofte van vergeving en zaligheid; maar
aan eene belofte kan onzerzijds niets dan geloof beantwoorden. Alleen
door geloof wordt eene belofte ons eigendom. Het geloof is daarom het
principium internum cognoscendi van de openbaring, en alzoo ook van de
religie en de theologie, Hartmann, Religionsphilos. II 65 f.
Maar ook om nog eene andere reden verdient het de voorkeur, om het
principium internum aan te duiden met den naam van geloof. Want
daardoor wordt de samenhang bewaard van het religieuse kennen met
alle andere kennen van den mensch. Er is zeker onderscheid, maar
allereerst dient toch op de overeenstemming te worden gelet. Wij komen
in religie en theologie op geen andere wijze tot kennis dan in de andere
wetenschappen. Het geloof is geen nieuw orgaan, dat in den mensch wordt
ingeplant, geen zesde zintuig, geen donum superadditum. Hoezeer het
strijde met den „natuurlijken” mensch, het is toch volkomen natuurlijk,
normaal, menschelijk. De openbaring sluit objectief en subjectief bij
de natuur, de herschepping bij de schepping zich aan. Gelooven in het
algemeen is een zeer gewone weg, om tot kennis en zekerheid te komen.
Wij beginnen op ieder gebied met gelooven. Onze natuurlijke geneigdheid
is te gelooven. Alleen verworven kennis en ervaring leeren ons
ongeloovigheid, Hoekstra, Bronnen en grondslagen van het godsd. geloof
1864 bl. 383. Geloof is de grondslag der maatschappij en het fundament
der wetenschap. Alle zekerheid rust ten slotte in geloof. Wel wordt
het woord gelooven ook in eene zwakkere beteekenis gebruikt, als wij
iets niet zeker weten maar toch op voor onszelven voldoende gronden
voor waarschijnlijk houden. Gelooven vormt dan eene tegenstelling met
weten en is aan meenen verwant. Zoo komt het voor in de uitdrukking:
ik weet het niet, maar geloof het wel. Maar in deze beteekenis gaat
het gebruik van het woord lang niet op. Reeds de etymologie wijst aan,
dat er in het geloof nog eene andere diepere beteekenis schuilt. Het
woord geloof is met loven, verloven, beloven, veroorloven, oorlof,
lof, gelofte afkomstig van denzelfden stam; het is met lieven verwant,
en drukt uit een met heel zijn persoon vertrouwen op, eene liefdevolle
overgave en toewijding aan iemand, Kahnis, Luth. Dogm. 2e Ausg. I
106. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 82 v. cf. Woordenboek der Ned. Taal s.
v. Ook in andere talen heeft het woord geloof deze oorspronkelijke
beteekenis van toewijding, vertrouwen, zekerheid, zooals האמין, אמונה;
πειθω, πιστις; fido, fides; foi; faith naast belief enz. Gelooven
wordt dan ook dikwerf gebezigd voor al zulke zekere kennis, welke
niet op bewijzen maar op onmiddellijk, rechtstreeksch inzicht steunt.
Plato onderscheidde ἐπιστημη, διανοια, πιστις en εἰκασια en verstond
onder πιστις de zekerheid aangaande de zinnelijke wereld op grond van
de waarneming, de Rep. VI p. 511, VII p. 534, cf. Zeller, Philos. der
Griechen, 4e Aufl. II 591, 593. Siebeck, Gesch. der Psych. S. 209.
Daarom zegt hij Tim. p. 29 c.: ὁ τι γαρ προς γενεσιν οὐσια, τουτο προς
πιστιν ἀληθεια. Aristoteles maakte onderscheid tusschen kennis, welke
langs demonstratieven weg werd verkregen, en kennis der principia,
die uit den νους zelven werd afgeleid. Nu noemt hij deze laatste wel
niet met den naam van geloof, maar toch zegt hij, Eth. Nicom. VI 3:
ὁταν γαρ πως πιστευῃ και γνωριμοι αὐτῳ ὠσιν αἱ ἀρχαι, ἐπισταται. Toen
daarna in het Christendom het woord geloof zulk eene diepe religieuse
beteekenis kreeg, wezen vele kerkvaders met voorliefde op de belangrijke
plaats, welke het gelooven in leven en wetenschap inneemt. Clemens
Alexandrinus verstaat onder πιστις menigmaal alle onmiddellijke kennis
en zekerheid, en zegt dan, dat er geen wetenschap is zonder geloof, dat
de eerste principia, waaronder bijv. ook het bestaan Gods, niet bewezen
maar geloofd worden, Strom. II n. 4, 6, cf. Denzinger, Vier Bücher von
der relig. Erk. II 470. Strauss, Glaub. I 301 f. Vooral Augustinus
heeft deze beteekenis van het geloof voor maatschappij en wetenschap
in het licht gesteld. Wie niet gelooft, komt nimmer tot weten; nisi
credideritis, non intelligetis, de trin. 15, 2 en passim. Het geloof is
grondslag en band van heel de menschelijke samenleving. Als de stelling
doorging, quod non video, credere non debeo, zouden alle banden des
bloeds, der vriendschap en der liefde verbroken worden. Si ergo non
credentibus nobis quae videre non possumus, ipsa humana societas,
concordia pereunte, non stabit; quanto magis fides, quamvis quae non
videntur, rebus est adhibenda divinis? de fide rerum invisibilium cap.
3, cf. de util. cred. c. 10 sq. Conf. 6, 5, cf. Ritter, Gesch. der
christl. Philos. II 252 f. Gangauf Metaph. Psych. des Aug. 1852 S.
52 f. Sedert keeren deze zelfde gedachten bij de christelijke theologen
telkens terug, bijv. in den nieuweren tijd bij Dorner, Glaub. I 3.
Lange, Dogm. I 342 f. Oosterzee, voor Kerk en Theol. I 94. Kuyper,
Encycl. II 71 v. enz. De naam van geloof is dan gegeven geworden aan
de onmiddellijke kennis der principia; aan het vertrouwen op onszelf,
op onze waarneming en ons denken; aan de erkenning van het objectief
bestaan der buitenwereld; aan het onderling vertrouwen, waarop heel de
menschelijke samenleving is gebouwd; aan al datgene, wat door intuitie
geweten en gedaan wordt. In zulk een geloof zag Schiller den waarborg
van het bestaan dier nieuwe wereld, welke Columbus zocht: Wär’ sie noch
nicht, sie stieg’ jetzt aus den Fluthen empor.
Niemand, die doordenkt, zal deze diepe beteekenis der πιστις voor
leven, kunst en wetenschap loochenen. Tegenover hen, die meenen, dat
niets voor waar gehouden mag worden, wat niet zinnelijk waar te nemen
of mathematisch te bewijzen is, staat het boven allen twijfel vast, dat
verreweg het meeste en het belangrijkste, dat wij weten, niet op bewijzen
steunt, maar op onmiddellijke zekerheid. Het gebied dezer laatste is
veel grooter dan dat der demonstratieve zekerheid. En deze laatste is
altijd weer op de eerste gebouwd, en staat en valt met deze. De weg,
om op eene andere wijze dan door mathematische en logische bewijzen tot
kennis en zekerheid te komen, is dus niets vreemds aan de menschelijke
natuur. Geloof in algemeenen, ruimen zin is een onmisbaar element in
de samenleving, en een normale weg tot wetenschap. Het is niet eerst
door de zonde noodzakelijk geworden; buiten de zonde zou de intuitieve
kennis en de onmiddellijke zekerheid nog breeder plaats hebben
ingenomen in het menschelijk leven. Nog is in die mate ’s menschen
oorspronkelijkheid grooter, als hij niet uit de reflectie maar uit de
intuitie leeft. Als analogieën van het religieuse geloof kunnen alle
bovengenoemde voorbeelden dus uitnemenden dienst bewijzen. Zij hebben met
het godsdienstig geloof dit gemeen, dat de kennis onmiddellijk, niet
door nadenken wordt verkregen, en dat ze in zekerheid niets onderdoet
voor die, welke op bewijzen rust. Zij houden bovendien het verband
vast, dat er bestaat tusschen den gewonen weg, waarop wij menschen tot
kennis komen, en den weg des geloofs, die op religieus terrein tot
zekerheid leidt. Zij toonen, dat gelooven op zichzelf zoo weinig met
de menschelijke natuur en met den eisch der wetenschap in strijd is, dat
er zonder dat van een normaal mensch en eene normale wetenschap geen
sprake kan zijn.
3. Maar om deze overeenstemming mag toch het verschil niet over
het hoofd worden gezien, dat er bestaat tusschen het geloof als
onmiddellijke zekerheid en het geloof in godsdienstigen zin. In de
religie, bepaaldelijk in de christelijke, krijgt πιστις eene eigene
waarde. Ook de Grieken bezigden het woord in religieusen zin, van
het geloof aan de goden, Cremer, Wörterbuch der neut. Gräcität s.
v.; maar ook dan heeft het toch zelf geen religieuse beteekenis,
evenmin als wanneer wij spreken van geloof aan God, aan de ziel en hare
onsterfelijkheid enz. Gelooven is hier nog het gewone geloof, dat we
dagelijks oefenen, maar toegepast op godsdienstige voorstellingen. In
het N. Test. wordt πιστις echter geheel en al religieus bepaald, in
voorwerp, grond en oorsprong; het duidt zelf eene religieuse verhouding
aan van den mensch tot God. In Hebr. 11:1 worden ἐλπιζομενα, πραγματα
οὐ βλεπομενα het algemeene voorwerp van het christelijk geloof genoemd.
Reeds hierdoor is het geloof in religieusen zin onderscheiden van de
kennis, die we door onmiddellijke zekerheid bezitten. Het geloof aan
de buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, enz. berust
op eigen inwendige waarneming. Wij hebben van al deze zaken een
onmiddellijk besef. Maar het voorwerp van het christelijk geloof is
onzienlijk en voor geen waarneming vatbaar. Als iets onmiddellijk door
onszelf wordt waargenomen, is geloof overbodig; het geloof staat tegen
aanschouwen over, Rom. 8:24; 2 Cor. 5:7. Daarmede is niet in strijd,
dat de openbaring toch plaats had in ruimte en tijd, dat de persoon van
Christus aanschouwd en getast kon worden. Want als voorwerp des geloofs
is heel deze openbaring toch niet waarneembaar. Velen zagen Jezus en
geloofden toch niet in Hem; alleen zijne discipelen aanschouwden in Hem
eene δοξα ὡς μονογενους παρα πατρος, Joh. 1:14. Object van het geloof
zijn woorden en daden alleen sub ratione Dei. Maar in de Schrift krijgt
πιστις als fides salvifica eene nog praegnanter beteekenis; het heeft
tot voorwerp niet allerlei woorden en daden Gods op zichzelf, maar de
genade Gods in Christus, de beloften des evangelies, Mk. 1:15; Joh.
3:16, 17:3; Rom. 3:22; Gal. 2:20, 3:26 enz. Dit speciale object komt
voor het geloof nog onder eene andere kategorie in aanmerking dan
onder die van waar tegenover valsch. En de algemeene natuur van het
geloof wordt er zoo door gewijzigd, dat het in een vast en zeker weten,
in een objectief voor waar houden niet opgaat, maar ook insluit een
hartelijk vertrouwen op, eene algeheele overgave aan, eene persoonlijke
toeëigening van de beloften Gods, in het evangelie geschonken.
Vervolgens is het geloof in religieusen zin van de onmiddellijke
zekerheid daarin onderscheiden, dat de laatste op eigen, maar het
eerste op anderer inzicht steunt. Reeds dit is opmerkelijk, dat het
woord geloof voor al die gevallen, waarin kennis op onmiddellijke
waarneming rust, niet algemeen in gebruik is. Het geloof aan de
buitenwereld, aan de zintuigen, aan de denkwetten, aan de prima
principia wordt gewoonlijk als onmiddellijk weten aangeduid. En inderdaad
berust deze onmiddellijke kennis evenals de demonstratieve op eigen
waarneming en inzicht. In zoover kan zij dan ook een weten worden
genoemd in onderscheiding van gelooven. Doch bij de fides salvifica is
het een ander geval. Deze heeft zeer zeker de genade Gods in Christus
tot object. Maar van die genade Gods zouden we niet de minste kennis
dragen, indien zij niet door het getuigenis van anderen tot ons gekomen
ware, indien zij ons niet verzekerd wierd in de H. Schrift. Tusschen
den persoon van Christus en ons geloof komt dus het getuigenis van
de apostelen in te staan. Het woord Gods is medium gratiae. Wel komt
nu die Schrift voor het geloof alleen als Gods woord in aanmerking,
1 Thess. 2:13. Want het religieus geloof kan niet rusten dan in eene
getuigenis Gods, Joh. 3:33; Rom. 10:14 v.; 1 Joh. 5:9-11. Maar toch
is het geloof aan die Schrift verbonden. Het heeft de genade Gods tot
object maar gelijk ze betuigd wordt in de H. Schrift; of, gelijk Calvijn
Inst. III, 2, 6 het uitdrukt, het heeft tot voorwerp Christum evangelio
suo vestitum. Daarom strekt het geloof als in één akte èn naar den
persoon van Christus èn naar de Schrift zich uit. Het omhelst Christus
als Zaligmaker en de Schrift als Gods woord. En daarom is ook beide
waar: door Christus tot de Schrift en door de Schrift tot Christus.
De Schrift leidt tot Christus henen en richt ’s menschen gedachten en
genegenheden op Hem, die thans leeft in den hemel. Zelfs zij, die alle
notitia en assensus uit de fides salvifica wegnemen en ze geheel en al
in fiducia willen laten opgaan, kunnen er niet buiten, om deze fiducia
te laten ontstaan uit een indruk, door het beeld van Christus op de
ziel gemaakt. Ook het piëtisme is aan uitwendige middelen gebonden. Het
moge die middelen beperken en niets willen weten van een catechismus of
dogmatiek; het tracht toch de kinderen tot bekeering te leiden door tot
hen te spreken van den lieven Jezus, Pierson, Eene levensbeschouwing
bl. 13. Er is ook geen andere weg tot het hart des menschen dan door
zijn hoofd en zijn bewustzijn heen. Gods Geest alleen kan onmiddellijk
werken in het hart; wij zijn aan de middelen gebonden. De Schrift is en
blijft medium gratiae. Maar omgekeerd werkt het geloof in Christus ook
weer terug op het geloof aan de Schrift; het bindt en legt ons vast aan
die Schrift en doet er ons op vertrouwen in nood en dood. Onze ziel
moge dus aan Christus, den levenden Heer in de hemelen, onverbreekbaar
gebonden zijn door de unio mystica des H. Geestes; voor ons bewustzijn
is Christus, is heel de wereld der ἐλπιζομενα er slechts door het
getuigenis Gods in zijn woord. En daarom sluit de fides salvifica ook
altijd een kennen in. Wel is deze kennis van het zaligmakend geloof
wezenlijk onderscheiden van de kennis der fides historica. Zelfs als
deze laatste voorafgaat, wordt zij toch later op de fides salvifica
nieuw ingeënt en verandert van karakter. Zij is geen bloot voor waar
houden maar eene vaste en zekere kennis in den zin der H. Schrift.
De bijbelsche idee van kennen is eene gansch andere en veel diepere
dan die van het gewone spraakgebruik. Maar desniettemin is de kennis,
welke de geloovige bezit, niet onmiddellijk en niet door eigen inzicht
verkregen; zij is gebonden aan de H. Schrift; zij rust op het getuigenis
van apostelen en profeten als op het woord Gods.
Eindelijk is het christelijk geloof van de onmiddellijke zekerheid nog
daardoor onderscheiden, dat het niet vanzelf opkomt uit de menschelijke
natuur. Aan de buitenwereld, aan de principia, aan de waarneming, aan
de denkwetten enz. gelooft ieder mensch vanzelf, zonder bevel, op grond
van eigen inzicht. Maar alzoo is het niet met het christelijk geloof.
Het geloof is niet aller, 2 Thess. 3:2. Hoezeer het volkomen menschelijk
is, geen donum superadditum, maar de herstelling van den mensch; toch
staat de psychische mensch vijandig tegen het gelooven over. Want
geloof in christelijken zin onderstelt zelfverloochening, kruisiging
van eigen gedachten en wil, wantrouwen in onszelf, en daartegenover
vertrouwen op Gods genade in Christus. Daarom, gelijk de fides salvifica
God zelven tot voorwerp heeft en op zijne getuigenis steunt; zoo heeft
het Hem ook tot auteur. Hij zelf is het, die door den H. Geest den
mensch tot het geloof beweegt en al zijne gedachten gevangen leidt tot
de gehoorzaamheid van Christus, Mt. 16:17; Joh. 6:44; 1 Cor. 12:3; 2
Cor. 10:5; 1 Thess. 2:13; 2 Thess. 3:2; Ef. 1:15, 16; Col. 1:13; Phil.
1:29. Daardoor is het christelijk geloof geheel en al religieus bepaald.
Voorwerp, grond en oorsprong liggen geheel en alleen in God. Door dit
religieus karakter is de fides salvifica wezenlijk onderscheiden van
de onmiddellijke zekerheid, die soms met den naam van geloof wordt
bestempeld en ook van de πιστις, waarvan de Grieken soms spraken in
godsdienstigen zin. Het christelijk geloof is louter religie, religio
subjectiva. Die mensch is waarlijk religieus, die alzoo gelooft; hij is
beeld, kind, erfgenaam Gods.
4. In de christelijke kerk is echter spoedig die opvatting de
heerschende geworden, welke in het geloof zag eene toestemming des
verstands aan de geopenbaarde waarheid. Zeer gewoon is de omschrijving
van het geloof als ἑκουσιος της ψυχης συγκαταθεσις, als ὑπερ τας
λογικας μεθοδους την ψυχην εἰς συγκαταθεσιν ἑλκουσα, cf. Suicerus,
Thes. Eccl. s. v. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II 467
f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 246 f. Augustinus geeft
dezelfde definitie: credere est cum assensione cogitare, de praed.
sanct. c. 2. Quid est credere, nisi consentire, verum esse quod
dicitur, de spir. et litt. c. 31. Fides est virtus, qua creduntur,
quae non videntur, Enchir. c. 8. Tract. 40 in Joh. n. 9. de trin. 13,
1. De scholastieke theologie begon het onderzoek naar de natuur des
geloofs gewoonlijk met de omschrijving in Hebr. 11:1 en de laatstgenoemde
definitie van Augustinus, Lombardus, Sent. 3, 23 e. a. Thomas handelt
over het geloof in zijne Summa Theol. II 2 qu. 1 sq. en zegt, dat het
object des geloofs God is en andere dingen nisi secundum quod habent
aliquem ordinem ad Deum, qu. 1 art. 1. De grond des geloofs ligt alleen
daarin, dat aliquid est a Deo revelatum, ib. en de auteur ervan is God
alleen, ib. qu. 6 art. 1 en 2. Het Vaticanum omschreef het geloof als
eene virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et adjuvante gratia, ab
eo revelata vera esse credimus, non propter intrinsecam rerum veritatem
naturali rationis lumine perspectam sed propter auctoritatem ipsius Dei
revelantis, qui nec falli nec fallere potest, sess. 3, Const. dogm. de
fide cap. 3. Het geloof is bij Rome een assensus firmus ac certus aan
de waarheden der openbaring op grond van het gezag Gods in Schrift en
kerk, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1. qu. 4 art. 2. Bellarminus,
de justific. I c. 5, 6. Becanus, Theol. schol. tom. II pars 2 tract. 1
cap. 1 sq. Perrone, Praelect theol. V 1840 p. 251 sq. Jansen, Praelect.
theol. I 684. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, IV 205 f. Denzinger, Vier
Bücher von der rel. Erk. II 426 f.
In de practijk had deze opvatting van het geloof zeer schadelijke
gevolgen. Vooreerst werd het geloof feitelijk niets anders dan eene
verstandelijke toestemming aan eene de rede ver te boven gaande,
mysterieuse leer, hetzij explicite aan al hare verschillende of
implicite aan sommige noodzakelijke dogmata. De onderscheiding tusschen
dit geloof en de door de Protestanten aangenomene fides historica is bij
deze opvatting niet mogelijk en werd dan ook door de Roomsche theologie
beslist verworpen. Rome heeft niet anders dan eene fides historica.
Daaruit vloeide verder voort, dat dit geloof, indien het niets anders
was dan eene verstandelijke toestemming, onmogelijk voldoende ter
zaligheid kon zijn. Het moest aangevuld worden door eene andere deugd
in den wil, n.l. de liefde, en wordt dan fides formata. Het geloof
verliest daardoor zijne centrale plaats in het christelijk leven, het
wordt verlaagd tot ééne der zeven praeparationes voor de gratia infusa
der justificatio; en het zwaartepunt komt geheel te liggen in de
liefde, d. i. in de goede werken. En eindelijk was het moeilijk vol te
houden, dat het geloof in bovengenoemden zin eene vrucht was van de
gratia interna, gelijk Augustinus die verstond. De belijdenis, dat het
geloof eene gave Gods was, werd verzwakt. De assistentie en inspiratie,
waar het Vaticanum van spreekt, wordt dikwerf in de Roomsche theologie
beperkt tot de gave eener algemeene genade of ook zelfs tot de gave der
natuurlijke krachten. Het gelooven was te verdienstelijker naarmate het
meer ’s menschen eigen vrije daad was en meer bestond in het aannemen
van onbegrijpelijke mysteria fidei, in een sacrificium intellectus.
De Reformatie heeft deze Roomsche opvatting van het geloof in alle
opzichten gewijzigd. Zij heeft de religieuse natuur van de πιστις
hersteld. Ten eerste maakte zij een principieel onderscheid tusschen
de fides historica en de fides salvifica. Historisch geloof mocht in
sommige gevallen voorafgaan en op zichzelf van groote waarde zijn;
het was en bleef essentieel verschillend van het zaligmakend geloof.
Alle Hervormers waren eenstemmig van oordeel, dat het zaligmakend
geloof, indien niet alleen dan toch zeker ook, in kennis bestond.
Ze hebben geen van allen het geloof in eene onbewuste aandoening of
stemming des gemoeds laten opgaan. Maar de kennis, die element was van
het zaligmakend geloof, was toch eene gansch andere dan die van het
historisch geloof. Deze laatste mocht later aan de fides salvifica
ten goede komen; zij veranderde daarmede toch zelve van karakter en
ging leven uit een nieuw beginsel. De fides kreeg bij de Hervormers
daarom weer eene eigene, geestelijke, religieuse natuur, niet gradueel
maar essentieel onderscheiden van alle ander geloof in het leven en
de wetenschap, ja zelfs van het historisch geloof. Natuurlijk kon
zulk een geloof dan ook niet voortvloeien uit hetzelfde beginsel,
als waaruit alle andere geloof bij den mensch opkomt. De Reformatie
was eenparig in de belijdenis, dat de fides salvifica eene gave Gods
was. Zij was geen vrucht van de natuurlijke krachten van den mensch
noch ook van de algemeene genade. Zij was eene vrucht van de bijzondere
genade des H. Geestes, eene werkzaamheid van den nieuwen, wedergeboren
mensch, en daarom ook volkomen genoegzaam tot zaligheid. Bij Rome neemt
het geloof slechts eene praeparatoire plaats in; en terecht, want
het is in den grond niets anders dan historisch geloof. Maar bij de
Hervorming kreeg het wederom de centrale plaats, welke het bekleedt
in het N. Test.; het behoeft niet aangevuld te worden door de liefde,
het is genoegzaam om deel te krijgen aan alle goederen des heils. Wie
alzoo gelooft, staat niet in het voorportaal maar in het heiligdom
der christelijke waarheid; hij is Christus ingelijfd, al zijne weldaden
deelachtig, een erfgenaam der eeuwige zaligheid. Moeilijk was het echter
bij deze diepe opvatting van de fides salvifica, om hare natuur juist
te omschrijven en in duidelijke woorden weer te geven. De theologie van
de Hervorming heeft er ten allen tijde mede geworsteld. Ten aanzien
van de vraag, waarin de eigenlijke akte van het geloof gelegen is,
loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Het is door kennen, toestemmen,
vertrouwen, toevluchtnemen, enz., of door één van deze of door alle te
zamen omschreven geworden. Eerst later kan bij de leer des geloofs dit
alles nader worden onderzocht. Maar zooveel staat vast, dat het geloof
in de theologie der Hervorming geen weten was van eenige leerstellige
waarheden, maar dat het een band der ziel was aan den persoon van
Christus naar de Schriften en aan de Schrift als het woord van
Christus. De fides salvifica was wederom door en door religieus. Gods
genade in Christus was haar voorwerp, de getuigenis Gods in zijn woord
was haar grond, de H. Geest was haar auteur. Zij was in ieder opzicht
religieus bepaald.
5. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid mede. Het is
een ὑποστασις en ἐλεγχος van de gehoopte en ongeziene dingen, Hebr.
11:1; niet omdat het in zichzelf zoo hecht en vast is, maar wijl het
op Gods getuigenis en belofte steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11
duidelijk leert. Het maakt de onzienlijke goederen des heils zoo zeker
voor ons, ja veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk
bewijs dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift
sprake van de παρρησια, Hebr. 4:16; πεποιθησις, Ef. 3:12; πληροφορια,
Hebr. 6:11, 12, 10:22 des geloofs; en wordt er θαρσος, Mt. 9:2;
καυχησις, Rom. 5:12; χαρα, 1 Petr. 1:8, enz. aan toegeschreven. Het
staat tegenover twijfel, zorg, vrees, wantrouwen, Mt. 6:31, 8:26, 10:31,
14:31, 21:21; Mk. 4:40; Luk. 8:25; Joh. 14:1; Rom. 4:20; Jak. 1:16.
Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk des geloofs. Zelfs
te midden van de zwaarste aanvechtingen, als alles tegen is, op hope
tegen hope, houdt de geloovige zich staande als ziende den Onzienlijke,
Job 19:25; Ps. 23, 32, 51; Rom. 4:20, 21, 5:1, 8:38; Hebr. 11, enz. Eer
geeft de geloovige alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets
is hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed, noch
zijn eer noch zijn leven. Het geloof is ἡ νικη ἡ νικησασα τον κοσμον,
1 Joh. 5:4.
Deze zekerheid des geloofs was aan de wetenschap onbekend. Zij deed met
het Christendom haar intrede in de wereld, Janet et Séailles, Histoire
de la philosophie, Paris 1887 p. 668. De Grieksche philosophie erkende
twee soorten van zekerheid, ééne, die uit de zinlijke waarneming, en
eene andere, welke door het denken werd verkregen. Gemeenlijk werd
de eerste verre beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming
gaf slechts δοξα, maar het denken leidde tot ἐπιστημη. Aristoteles
onderscheidde in de laatste wederom tusschen die, welke op bewijzen,
en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap dus drie
wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming, de argumentatie
en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg burgerrecht in de
wijsbegeerte, met dien verstande, dat de empiristen de zekerheid
voornamelijk zochten in de waarneming en de rationalisten in het denken.
Naast deze wetenschappelijke zekerheid plaatste het Christendom de
zekerheid des geloofs. Concreet en practisch werd deze zekerheid aan
de skeptische wereld vertoond in de geloovige gemeente, vooral in
hare martelaars en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken
en ontwikkeld in de christelijke theologie. Er is in de leer van de
zekerheid des geloofs een belangrijk verschil tusschen Rome en de
Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei ook insluit
de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van eigen zaligheid.
Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis door de Roomsche
kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome beweert, dat volstrekte
verzekerdheid der zaligheid slechts het deel is van enkele geloovigen,
die haar door eene bijzondere openbaring ontvangen hebben, maar
volstrekt niet voortvloeit uit de natuur des geloofs. Gewone geloovigen
hebben ten aanzien van hunne zaligheid slechts eene certitudo moralis,
conjecturalis, maar geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in
het Roomsche stelsel geen plaats, wijl zij alleen bestaanbaar is bij de
belijdenis van Gods verkiezende liefde, en de leeken onafhankelijk maken
zou van kerk en priester. Cf. Augustinus, de bono persev. c. 8, 13, 22,
de civ. Dei c. 12. Epist, 107, etc. G. J. Vossius, Historia pelagiana
1655 p. 578 sq. Comment. op Sent. I dist. 17. Thomas, S. Theol. II 1
qu. 112 art. 5. Bellarminus, de Justif. I c. 10. III c. 2 sq. Conc.
Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13, 14, en later bij de leer des geloofs.
Wel erkennen echter de Roomsche godgeleerden de certitudo fidei ten
opzichte van de objectieve waarheden der openbaring. Facilius, zeide
Augustinus, Conf. 7, 10, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem,
quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus
Magnus maakte onderscheid tusschen geloof in de philosophie en in de
theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen weg
tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam faciens
adhaesionem et assensum.... et ideo est via et medium ad scientiam
veritatis divinorum, bij Stöckl, Philos. der M. A. II 365, cf. verder
Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus, de Justif. III c.
2. Billuart, Summa S. Thomae VIII p. 86 sq. Dens, Theol. II 241 sq.
Daelman, Theol. I p. 12 sq. En daarmede stemmen over het algemeen de
Protestantsche theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze
zekerheid des geloofs uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem
certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio,
cordis fiducia et securitas, enz. Inst. I, 7, 5; II, 2, 8; III, 2, 14
v., 14, 8; 24, 4, enz. Zoowel bij Luthersche als Gereformeerde theologen
is het geloof een firmus assensus, eene certa cognitio, die allen
twijfel en alle onzekerheid buitensluit, Schmid, Dogm. der ev. luth. K.
S. 299 f. Hase, Hutt. Rediv. § 108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm.
der ev. ref. K. S. 384 f.
6. Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte, is aan deze
geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht gewijd. Eerst
Kant heeft ze in gewijzigden zin opgenomen en erkend. Kant nam in
hoofdzaak drie soorten van zekerheid aan. De eerste is de empirische,
problematische zekerheid, welke berust op eigen of anderer waarneming
en bestaat in een meenen, in een theoretisch of practisch gelooven.
Vervolgens is er eene logische, wetenschappelijke, apodictische
zekerheid, die weer tweeledig is en of een intuitief, zooals in de
mathesis, of, gelijk in de philosophie, een discursief karakter draagt.
Dit zijn dezelfde soorten van zekerheid, die ook reeds in de grieksche
philosophie werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog eene
plaats in voor de moreele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke en
het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar. God heeft de kennis
daarvan met opzet ons onthouden, opdat wij de bestemming van den mensch
niet in het weten zouden stellen maar in het handelen, in de vervulling
zijner zedelijke roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt
de mensch de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke hij
deze ethische taak niet vervullen kan. Zoo gelooft hij op practische,
psychologische gronden aan het bestaan van God, de ziel en de
onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid, welke de mensch
door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch van aard, maar practisch,
moreel. Zij doet hem zeggen, niet: ik ben zeker; noch ook: het is moreel
zeker; maar: ik ben moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid,
eene empirische, logische en moreele, uitgedrukt en weergegeven door
de woorden meenen, weten en gelooven, Kritik der reinen Vernunft,
Methodenlehre II 3, ed. Kirchmann S. 632 f. De wijsbegeerte na Kant
heeft deze leer der zekerheid van Kant wel ten deele overgenomen, maar
er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Cf. Dr. Franz Grung, Das
Problem der Gewissheit, Heidelb. 1886.
Daarentegen heeft Kants leer van de moreele zekerheid op de theologie
grooten invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift en kerk was
ondermijnd, heeft men in haar het fundament van religie en theologie
gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door Kant zelven reeds aangewend,
Rel. innerhalb der Gr. usw. ed. Rosenkranz S. 135, is het uitgangspunt
van deze richting geworden. Inderdaad ligt er in deze moreele zekerheid
eene diepe waarheid, en dankbaar mag erkend, dat Kant haar eene plaats
heeft ingeruimd in zijne philosophie. Van de onzienlijke dingen hebben we
eene gansch andere zekerheid dan van die, welke wij met onze zintuigen
kunnen waarnemen of met ons denken kunnen bewijzen. Het geloof aan
de dingen, die men hoopt en niet ziet, gaat ook niet om buiten den
wil, buiten de zedelijke gesteldheid en de geestelijke ervaring. Maar
toch verdient het geen aanbeveling, om de geloofszekerheid van de H.
Schrift, van de gemeente en van de christelijke theologie in te wisselen
voor de moreele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet
overbodig, dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn. De
menschelijke geest kan ten aanzien van eene vraag of eene stelling in
een verschillenden toestand verkeeren; hij kan er tegenover staan in een
toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden, meening, enz. maar ook in
een toestand van volstrekte zekerheid. Zekerheid is de rust van het
menschelijk bewustzijn in de gevonden en erkende waarheid. Het verstand
streeft n.l. naar kennis, naar waarheid. Dat is de aard en de natuur
van het verstand; het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van
zijne behoefte. Wanneer het die waarheid vindt is het daarom bevredigd;
het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust,
vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de normale
toestand van den menschelijken geest, evenals de gezondheid die van het
lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is onrust, onvrede, ellende.
Strikt genomen is dus niet de zekerheid zelve moreel; zij heet alleen
zoo, wijl de gronden, waarop de waarheid bij haar rust, van moreelen
aard zijn. Maar vervolgens zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke
en de moreele waarheid rust, niet alzoo als theoretisch en practisch
van elkander te scheiden en tegenover elkander te stellen. Er bestaat
in de werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijne tweeërlei
zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief zijn
de zienlijke en onzienlijke dingen niet alzoo in tweeën te deelen. Het
hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek. De πιστις in
ruimen zin neemt ook daar eene groote plaats in. Veel van wat in de
wetenschap voor vast en zeker doorgaat, rust op moreele of immoreele
gronden. En omgekeerd is het toch het bewustzijn, dat ook bij de moreele
zekerheid de zedelijke gronden weegt en beoordeelt, waarop eene of
andere stelling als waar wordt erkend en aangenomen. De wil moge het
verstand tot het aannemen van eene of andere waarheid bewegen; dat
aannemen zelf is toch eene daad des verstands; en het verstand kan
dit alleen doen, wijl het zelf in meerdere of mindere mate de waarheid
erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot stand door
theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit. Eindelijk zijn
er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie van Kant verschillende
bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd worden met deze vragen:
komt het overeen met de natuur der ware zedelijkheid, die toch ook
in ootmoed, nederigheid enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke
natuur en bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid
te postuleeren? blijft de moreele zekerheid ook dan nog haar kracht
behouden, als de zedelijke mensch in zonden valt, in aanvechting en
bestrijding verkeert, en door den twijfel heen en weer wordt geslingerd?
zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de bestrijding der
wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan, het bewustzijn der
vergeving, de hope der zaligheid te bouwen? Maar al ware de moreele
zekerheid ook genoegzaam voor den wijsgeer, zij is onbruikbaar voor
den Christen. Want al kon de Vernunftreligion van Kant op haar als op
een vasten grondslag rusten; zij is niet in staat, om de waarheid der
christelijke religie te dragen.
Om al deze redenen kan de moreele zekerheid van Kant de christelijke
geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede wordt dit nog bewezen
door het onderscheid, dat Kant maakt tusschen meenen, gelooven en
weten. Meenen was volgens hem een voor waar houden op onvoldoende,
gelooven op subjectief voldoende en weten op objectief voldoende
gronden, Kritik der reinen Vern. ed. Kirchmann S. 632 f. Nu is dit
onderscheid juist ten aanzien van het gelooven in het dagelijksch leven
en met betrekking van zulke dingen, die geweten kunnen worden. Dan
is inderdaad gelooven een mindere en zwakkere graad van het weten.
Maar in de religie is geloof de zekerheid zelve. Juister werd het
onderscheid reeds door Augustinus bepaald. Hij zegt: tria sunt item
velut finitima sibimet in animis hominum distinctione dignissima:
intelligere, credere, opinari. Quae si per se ipsa considerentur,
primum semper sine vitio est, secundum aliquando cum vitio, tertium
nunquam sive vitio, de util. cred. c. 11. Inter credere autem atque
opinari hoc distat, quod aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare
quod credit, quamvis de re, quam se ignorare novit, omnino non
dubitet, sic enim firme credit; qui autem opinatur, putat se scire,
quod nescit, de mendac. c. 3. Thomas omschrijft het onderscheid aldus:
de ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius
oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero scientiae
est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva; habet
enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum. Fides autem
medio modo se habet; excedit enim opinionem in hoc quod habet firmam
inhaesionem; deficit vero a scientia in eo quod non habet visionem, S.
Theol. II 1 qu. 67 art. 3. In gelijken zin gaf Zanchius deze definitie:
opinio is eene cognitio neque certa neque evidens, fides is eene
cognitio certa sed non evidens, scientia is eene cognitio aeque certa
ac evidens, Op. II 196. Gelooven en weten zijn dus niet in zekerheid
onderscheiden. Het geloof brengt eene even sterke zekerheid mede als
het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de intensief sterkste;
zij is schier onwankelbaar en onuitroeibaar. Voor het geloof heeft
iemand zijn leven en alles veil. Galilei zwoer tot driemalen toe zijn
geloof af aan het Kopernikaansche stelsel. Kepler hield zich tegen zijne
overtuiging te Graz bezig met de astrologie om in zijn onderhoud te
voorzien; de behoeftige moeder (astronomie) moest leven van de dwaze
dochter (astrologie). Wie geeft voor eene wetenschappelijke thesis,
bijv. dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de religie
kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve kracht de
wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura maakt echter in
de zekerheid terecht onderscheid tusschen de certitudo adhaesionis
en de certitudo speculationis, Sent. III dist. 23 art. 1 qu. 4, cf.
Stöckl. Philos. des M. A. II 883. De eerste is bij de geloofszekerheid
grooter dan bij de wetenschappelijke zekerheid, want dikwerf zijn geen
argumenten, geen vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn
geloof aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan
het voorwerp des geloofs zich vast. Maar de certitudo speculationis
behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn in de wetenschap
dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte, die Augustinus uitsprak:
weten is altijd sine vitio, maar gelooven geschiedt aliquando cum vitio.
Het gelooven zelf is geen bewijs voor de waarheid van het geloofde. Er
is groot verschil tusschen subjectieve verzekerdheid en objectieve
waarheid. Alles hangt bij het geloof van de gronden af, waarop het rust.
§ 18. DE GROND DES GELOOFS.
1. Zoodra de christelijke theologie ernstig ging nadenken over den
laatsten en diepsten grond des geloofs, kwam zij tot de erkentenis,
dat geen enkel verstandelijk of historisch bewijs, voor de waarheid der
openbaring aangevoerd, ten slotte daarvoor gelden kon. De apologeten
der 2e eeuw hechtten aan die bewijzen groote waarde, boven bl. 423,
en legden er tegenover het heidensch naturalisme nadruk op, dat het
geloof eene redelijke, vrije daad was van den mensch, Just. M. Dial. c.
88. 102. 131. Theophilus, ad Autol. II 27. Irenaeus, adv. haer. IV 37,
5, enz. Maar toch vinden wij ook bij hen reeds het besef, dat al die
bewijzen onmachtig zijn, om iemand metterdaad te bewegen tot het geloof.
Daartoe is nog iets anders en meer van noode, n.l. de goddelijke genade,
Just. M. Dial. c. 119. Apol. 1, 10. 2, 10. Iren. adv. haer. IV 39,
2. Orig. de princ. I 10, 14, 19. Irenaeus vergelijkt haar bij den dauw
en den regen, die den akker vruchtbaar maakt, ib. III 17, 2, 3. Maar
Augustinus was de eerste, die de noodzakelijkheid der gratia interna
duidelijk inzag en beleed. Hij schrijft elders groote waarde toe aan de
kerk als motief des geloofs; maar zijne leer van de gratia interna
bewijst, dat deze voor hem niet was de laatste en diepste oorzaak van
zijn geloof. Dat was God alleen. Operatur Deus fidem nostram miro
modo agens in cordibus nostris, ut credamus, de praed. sanct. 2, 6.
Immers, gelooven is altijd vrijwillig, nemo credit nisi volens. En God
buigt daarom door zijne genade den wil en doet ons gelooven met het
verstand, Conf. 13, 1. de div. quaest. 1 qu. 2 n. 21, de praed. sanct.
19, de dono persev. 16, enz. Ook de latere theologen hebben groote
kracht aan de praeambula fidei en de motiva credibilitatis toegekend;
en onder deze nam de kerk hoe langer hoe voornamer plaats in. Maar
allen geven toe, dat die motiva de openbaring non evidenter veram maar
slechts evidenter credibilem maken. Zij sluiten redelijken twijfel uit,
en toonen dat het niet onredelijk is, om te gelooven en wel onredelijk,
om het tegendeel aan te nemen, Thomas S. Theol. II 2 qu. 1 art. 5 ad.
2. S. c. Gent. I c. 9. Maar afdoende zijn ze niet. Ja, Thomas zegt
uitdrukkelijk bij gelegenheid dat hij handelt over de philosophische
bewijzen voor de triniteit: qui autem probare nititur trinitatem
personarum naturali ratione, fidei derogat, S. Theol. I qu. 32 art.
1. Tegenover tegenstanders baten bewijzen weinig, quia ipsa rationum
insufficientia eos magis in suo errore confirmaret, dum aestimarent nos
propter tam debiles rationes veritati fidei consentire, S. c. Gent. I
c. 9. De openbaring moge door de bewijzen nog zoo geloofwaardig gemaakt
worden, ze is en blijft toch eene geloofswaarheid, Bellarm. de Conc.
et Eccl. IV 3. Ze moet dat bij Rome ook nog om deze reden blijven, wijl
anders de vrijwilligheid en daardoor de verdienstelijkheid des geloofs te
loor zou gaan, Thomas S. Theol. II 2. qu. 2 art. 9 en 10. Het geloof
neemt dus de waarheid aan niet op grond van eigen inzicht, maar van
goddelijke autoriteit. Non enim fides assentit alicui, nisi quia est a
Deo revelatum, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I c. 9.
Becanus, II 2. p. 3-17. Billuart, II 2. Tom. 1 de fide p. 1 sq. Dens,
II 280 sq. Jansen I 701-711. En om die autoriteit Gods te erkennen,
moet er in den mensch eene verandering van den wil voorafgaan. Gelooven
is wel eene daad des verstands, Thomas S. Theol. II 2. qu. 4 art.
2, maar het onderstelt eene buiging van den wil door de genade. Het
verstand moet tot het geloof door den wil gedetermineerd worden, S.
Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad. 3. De assensus fidei is dus alleen a Deo,
interius movente per gratiam, ib. I qu. 62 art. 2 ad 3. II 1 qu. 109
art. 6. qu. 112 art. 2. II 2 qu. 6 art. 1. Gregorius XVI veroordeelde
in de breve van 26 September 1835 het gevoelen van Hermes, dat de
motiva credibilitatis de eigenlijke grond des geloofs aan de openbaring
waren. En het Vaticaansch Concilie stelde vast in sess. 3, Const. dogm.
de fide cap. 3, dat de motieven de goddelijke openbaring wel credibilis
konden maken, nemo tamen evangelicae praedicationi consentire potest,
sicut oportet ad salutem consequendam absque illuminatione et
inspiratione Spiritus Sancti.
2. Feitelijk neemt Rome daarmede hetzelfde subjectieve standpunt in
als de kerken der Hervorming. De motieven, hoe sterk ook, kunnen niet
metterdaad bewegen tot het geloof. Het is Gods Geest alleen, die iemand
inwendig vast en zeker overtuigen kan van de waarheid der goddelijke
openbaring. De diepste grond voor het geloof is ook bij Rome niet de
Schrift of de kerk, maar het lumen interius. Verschillende theologen
hebben dit ook erkend. Duidelijkshalve moge de akte des geloofs voor
een oogenblik in een syllogisme worden ontleed. De maior luidt dan:
God is waarachtig; indien Hij zich openbaart, moet zijne openbaring in
geloof worden aangenomen; de minor heet: deze feiten, b. v. de kerk,
de Schrift zijn openbaringen Gods; en dan volgt de conclusie: dus
moeten deze ook geloofd worden. Over den major is er geen verschil.
Deze staat vast krachtens de idee Gods en wordt door allen erkend.
Niemand ontkent, dat, =indien= God zich openbaart, Hij ook als de
waarachtige geloof verdient. Des te meer komt alles aan op den minor.
Het verschil loopt juist hierover, of en waar God zich geopenbaard
heeft. De geloovige Christen zegt: in de Schrift of ook in de kerk.
Maar hoe en waarom worden deze als openbaring Gods erkend? Indien op
grond van bewijzen, van de motiva credibilitatis; dan is die grond
menschelijk, feilbaar, en het geloof niet zuiver religieus en zeker.
De openbaring Gods kan in religieusen zin alleen worden geloofd op
grond van Gods autoriteit. Maar die autoriteit Gods laat zich alleen
hooren, òf buiten mij, in de Schrift of de kerk, naar wier laatsten
geloofsgrond ik juist onderzoek doe; òf binnen in mij, in de genade die
mij tot het geloof beweegt, in het lumen interius, het testimonium Sp.
S. Wie de autoriteit Gods als laatsten grond des geloofs en dus het
geloof in zijn religieuse natuur handhaven wil, moet een van deze beide
standpunten innemen. Nu zei Canus zonder aarzelen, dat de laatste grond
lag in de genade, die hem inwendig tot het geloof bewoog. Ik geloof,
sprak hij, dat God drieëenig is, wijl God het heeft geopenbaard; huic
autem: Deus revelavit, immediate credo, a Deo motus per instinctum
specialem, Loc. Theol. l. 2 c. 8 ad 4. Bij Canus lag dus de laatste
grond voor zijn geloof objectief in de getuigenis Gods; maar dat hij deze
getuigenis als goddelijk erkende, was te danken aan de genade, die zijn
wil en verstand tot het gelooven bewoog. Dit gevoelen van Canus werd
wel door enkele andere Roomsche godgeleerden, zooals Arragon, Gonet,
enz. overgenomen; Prof. Hayd, Philos. Jahrbuch von Gutberlet III 1890
S. 27 sprak zelfs van een onmiddellijk getuigenis Gods in ons, dat ons
de goddelijkheid van Jezus’ persoon en leer verzekert. Maar er werd
toch door velen deze bedenking tegen ingebracht, dat Canus eigenlijk
geen antwoord geeft op de vraag, op welken grond hij de getuigenis
Gods in de Schrift en de kerk als goddelijk aanneemt. Hij zegt alleen,
dat God het hem alzoo inwendig door zijne genade te gelooven geeft,
maar legt er geen verdere rekenschap van af. Bovendien beval zich dit
gevoelen van Canus ook daarom niet aan, wijl het, gelijk Suarez reeds
opmerkte, zooveel overeenkomst had met en zoo licht verleiden kon tot
de leer van Calvijn over het testimonium Spiritus Sancti. Daarom waren
de Roomsche theologen erop bedacht, om den laatsten grond des geloofs
elders te zoeken dan in het lumen interius. Suarez was van oordeel,
dat niet alleen het voorwerp, maar ook de grond des geloofs zelf weer
eene zaak des geloofs is. Wij gelooven niet alleen dat de Schrift waar
is, wijl God zich daarin heeft geopenbaard; maar ook het feit, dat God
zich daarin heeft geopenbaard, gelooven wij, omdat God zelf het in de
Schrift getuigt. De openbaring is tegelijk het quo en het quod creditur.
Unus enim et idem actus credit Deum et Deo. Gelijk het oog de kleuren
en tevens het licht, waardoor die kleuren zichtbaar worden, waarneemt;
gelijk de rede de afgeleide waarheden kent en tevens de principia,
waardoor ze kenbaar zijn; zoo ook kent het geloof zoowel de geopenbaarde
waarheden, als de getuigenis, waarop ze rusten, als goddelijk. Zeer
vele theologen, ook in den nieuweren tijd, hebben met dit gevoelen van
Suarez hun instemming betuigd, maar het bevredigde niet allen. De
cirkelredeneering was toch duidelijk: de Schrift wordt geloofd, wijl ze
geopenbaard is, en dat ze geopenbaard is, wordt wederom geloofd, wijl
de Schrift het getuigt. Het leidt ook tot een progressus in infinitum:
ik geloof eene openbaring, omdat eene andere openbaring het getuigt
enz. Wel antwoordt Suarez op deze bedenking, dat de openbaring om
zichzelve moet geloofd worden; dat God, zich openbarend, ook daarin
tegelijk openbaart, dat _Hij_ het is, die zich openbaart. Maar altijd
blijft toch de vraag nog open, waarom gelooven wij het getuigenis, waarbij
God verklaart, dat Hij het is, die zich heeft geopenbaard. Lugo leerde
daarom, dat het aannemen van het feit, dat God zich in de Schrift
geopenbaard heeft, wel bovennatuurlijk was, maar dat het toch niet in
eigenlijken zin geloof kon worden genoemd. Gelooven toch is altijd iets
voor waar aannemen op grond van een getuigenis. Indien nu het aannemen
van het feit, dat God zich geopenbaard heeft, een gelooven ware in
eigenlijken zin, dan onderstelde dit wederom een goddelijk getuigenis, en
zoo in infinitum. Lugo nam daarom aan, dat het erkennen van het feit
der openbaring niet rustte op het getuigenis Gods, maar daarop, dat
de geloovige de openbaring zelve met haar wonderen, profetieën enz.
onmiddellijk en rechtstreeks als openbaring inzag, evenals de rede de
waarheid der principia onmiddellijk erkent. De openbaring kondigt zich
zelve door haar inhoud als goddelijk aan, evenals naar het beeld van
Thomas, S. Theol. III qu. 43 art. 1 een gezant zich door den inhoud
zijner boodschap, bv. door geheimen, die alleen zijn lastgever weten kan,
verifieert. Maar deze voorstelling stuit weder op het bezwaar, dat deze
erkenning der openbaring òf werkelijk onmiddellijk is, in welk geval zij
eene nieuwe openbaring wordt in het subject, eene aanschouwing van
het goddelijke, die we hier op aarde, als wandelende in het geloof,
niet deelachtig worden; òf dat ze feitelijk middellijk is, maar dan
ook voortvloeit uit de indicia en criteria der openbaring, en alzoo
wederom komt te rusten op de bewijzen voor de openbaring, op de motiva
credibilitatis. Ook deze oplossing is dus onbevredigend. Daarom hebben
wederom anderen gezegd: het getuigenis Gods is de laatste grond des
geloofs. Op de vraag: waarom gelooft gij? antwoordt de Christen: omdat
God gesproken heeft. Deus dixit. Een anderen, dieperen grond kan hij
in dezen niet aangeven. Als hem verder wordt gevraagd: maar waarom
gelooft gij, dat God gesproken heeft, bijv. in de Schrift? dan kan hij
alleen nog ten antwoord geven, dat God hem inwendig alzoo bewerkt,
dat hij die Schrift als Gods woord erkent. Maar daarmede heeft hij ook
alles gezegd. Het getuigenis Gods is de grond, maar de genade, de wil
is de oorzaak des geloofs. De bewijzen mogen motiva credibilitatis
zijn, de wil is ten slotte het motivum credendi. Boven kritiek is ook
dit standpunt niet verheven. Want er kan gevraagd worden en er is ook
werkelijk gevraagd, welken grond het _verstand_ heeft, om de Schrift
als woord Gods aan te nemen. Het antwoord, dat de wil of de genade het
verstand daartoe beweegt, is onvoldoende. De wil kan het verstand toch
niet bewegen, om iets voor waar aan te nemen zonder grond, waarvan
het zelf het geloofwaardige niet inziet. Het verstand moet immers
zelf erkennen, dat iets goddelijk is en daarom geloof verdient. Anders
is het geloof onredelijk en maakt de geloovige met een sic volo, sic
jubeo, stat pro ratione voluntas van de moeilijkheid zich af. Ook de
Roomsche godgeleerden hebben daarom op de vraag naar den diepsten
grond des geloofs geen allen bevredigend antwoord weten te geven. Zeer
velen onthouden zich eenvoudig van eene beslissing en laten de keuze
tusschen de verschillende bovengenoemde gevoelens vrij. Genoeg, om te
doen zien, dat ook Rome met zijne onfeilbare kerk en zijn onfeilbaren
paus niets vóór heeft boven de kerken der Hervorming. De diepste grond
van het geloof ligt ook bij Rome, evengoed als bij het Protestantisme, in
het subject. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der rel. Erk. II 486-500.
Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. IV 473-532. Von Schäzler,
Neue Untersuchungen über das Dogma von der Gnade und das Wesen des
Glaubens, Mainz 1867 S. 513-537. Al. Schmid, Untersuchungen über den
letzten Gewissheitsgrund des Offenbarungsglaubens, München, 1879.
Jansen, Praelect. Theol. I 711-724.
3. De Reformatie nam welbewust en vrij haar standpunt in het religieuse
subject, in het geloof van den Christen, in het getuigenis des H.
Geestes. Wel is waar komen er bij Luther, Zwingli en Melanchton slechts
enkele uitspraken voor over het testimonium Spiritus Sancti, Köstlin,
Luthers Theol. I 279, II 254 f. Scholten, L. H. K. I 186 v. Maar
Calvijn heeft deze leer breedvoerig ontwikkeld en haar in verband
gebracht niet alleen met den inhoud maar ook met den vorm en het gezag
der Schrift. Dat de Schrift Gods woord is, zegt Calvijn, staat niet
vast door de kerk, maar stond vast vóór haar besluit, want de kerk
is gegrond op het fundament van apostelen en profeten. De Schrift
brengt haar eigen gezag mede, zij rust in zichzelve, zij is αὐτοπιστος.
Evenals het licht van de duisternis, de witte van de zwarte kleur,
het zoet van het bitter onderscheiden is, zoo wordt de Schrift door
haar eigen waarheid onderkend. Maar zekerheid bij ons krijgt die Schrift
als Gods woord alleen door het getuigenis des H. Geestes. Bewijzen en
redeneeringen zijn wel veel waard, maar dit getuigenis gaat ze alle in
waarde verre te boven, het is omni ratione praestantius. Gelijk God
alleen van zichzelf getuigen kan in zijn woord, zoo vindt zijn woord
niet eerder geloof in het hart der menschen, dan nadat het door het
inwendig getuigenis des Geestes bezegeld wordt. Dezelfde Geest, die
door den mond der profeten sprak, moet in onze harten werken en ons
overtuigen, dat zij getrouw hebben overgeleverd hetgeen hun van God
bevolen was. De H. Geest is daarom zegel en bevestiging van het geloof
der vromen. Indien we dat getuigenis in ons hebben, rusten we niet in
eenig menschelijk oordeel, maar stellen ontwijfelbaar vast, alsof we
God zelf in haar aanschouwden, dat de Schrift uit Gods mond door den
dienst van menschen is voortgekomen. Wij onderwerpen ons aan haar ut rei
extra aestimandi aleam positae. Maar dat moet niet zoo worden verstaan,
alsof we ons blindelings onderwierpen aan eene zaak, die ons onbekend
is. Neen, wij zijn ons bewust, dat wij in die Schrift de onoverwinbare
waarheid bezitten en voelen non dubiam vim numinis illic, vigere ac
spirare, waardoor wij, willens en wetens en toch levendig en krachtig
tot gehoorzaamheid gedrongen worden, Inst. I c. 7. Comm. in 2 Tim.
3:16. Calvijn wist in deze leer van het testimonium Sp. S. geen private
openbaring, maar de ervaring aller geloovigen te beschrijven, Inst. I,
7, 5. Dit getuigenis des H. G. was bij hem ook niet geïsoleerd van, maar
stond in het nauwste verband met heel de werkzaamheid des H. G. in het
hart der geloovigen; door haar alleen ontstaat en bestaat de gansche
kerk; heel de toepassing des heils is een werk van den H. Geest; en het
getuigen aangaande de Schrift is maar eene van de vele werkzaamheden
des H. G. in de gemeente der geloovigen. Het testimonium Sp. S. geeft
ook geen nieuwe openbaringen, maar maakt den geloovige vast ten aanzien
van de waarheid Gods, die volledig in de Schrift is vervat; het maakt
dat het geloof eene cognitio certa is en allen twijfel buitensluit. En
het vindt ten slotte zijne analogie in het getuigenis, dat ons geweten
geeft aan de wet Gods, en in de zekerheid, die we hebben aangaande Gods
bestaan. Cf. Klaiber, Die Lehre der altprot. Dogm. von dem test. Sp.
S., Jahrb. f. deutsche Theol. 1857 S. 1-54. Aug. Benezeh, Théorie de
Calvin sur l’Ecriture Sainte, Paris 1890. Jacq. Pannier, Le témoignage
du Saint-Esprit, Paris 1893. Deze leer van het testim. Sp. S. werd
opgenomen in de Fransche, Nederl. en Westminstersche geloofsbelijdenis
en in Calvijns geest ontwikkeld door Ursinus, Tract. Theol. p. 12,
13. Zanchius, Op. VIII col. 332 sq. Polanus, Synt. Theol. I cap. 16.
Trigland, Antapologia p. 42 sq. Maccovius, Loci Comm. p. 28. Alsted,
Theol. schol. didact. 1618 p. 10 sq. 29 sq. Maresius, Syst. Theol.
I § 33 e. a. Ook buiten de Geref. theologie vond ze ingang bij de
Lutherschen, nog niet bij Chemniz, Heerbrand enz. maar wel bij Hutter,
Hunnius, Gerhard, Loc. Theol. loc. 1 cap. 3 § 39. Quenstedt, Hollaz,
cf. Hase, Hutterus Rediv. § 37, 45. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e
Aufl. S. 31. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 1-54. Dorner, Gesch.
der Prot. Theol. S. 539-549.
Maar deze leer vond bestrijding van den kant van het Socinianisme, Fock,
der Socinianismus 336 f.; van het Remonstrantisme, Episcopius, Instit.
Theol. Lib. 4 Sect. 1 cap. 5 § 2. Limborch, Theol. Christ. I c. 4 § 17,
en van het Romanisme, Bellarminus, de verbo Dei IV 4; cf. Pannier, Le
témoignage du S. Esprit p. 140 s. Langzamerhand begon het testimonium
internum ook in de Geref. theologie zijne eereplaats te verliezen. Bij
Turretinus, Theol. El. II qu. 6 § 11 sq. en Decas disput. miscell. p.
30-70, Amyraldus, Syntagma thesium theol. in acad. Salmur. 1665 p.
117-143, Molinaeus, Juge des controverses, chap. 16, 17 e. a. wordt
het reeds verzwakt, en vereenzelvigd met zoodanige verlichting des H.
Geestes, waardoor het verstand in staat wordt gesteld, om de notae en
criteria van de goddelijkheid der H. Schrift op te merken. Het geloof
sluit zich niet rechtstreeks en onmiddellijk meer aan de Schrift aan,
maar vloeit uit het inzicht in de veritatis et divinitatis notae voort.
Tusschen de Schrift en het geloof worden de kenmerken van de waarheid
der Schrift ingeschoven. Eerst nog in dien zin, dat het opmerken en
onderkennen van die criteria aan eene verlichting des verstands door
den H. Geest wordt toegeschreven. Maar het rationalisme achtte spoedig
ook deze onnoodig, droeg het onderzoek van de waarheid der openbaring
op aan de rede, en grondde het gezag der Schrift op historische
bewijzen. Zelfs rechtzinnige theologen durfden nauwelijks meer spreken
van het testimonium internum, Brakel, Red. godsd. 2:7. Marck, Merch der
Godg. 2:6. Als het getuigenis des H. G. nog ter bevestiging van het
gezag der Schrift ter sprake wordt gebracht, komt het geheel achteraan,
en wordt het in een ervaringsbewijs veranderd, Reinhard, Dogm. 5te Aufl.
S. 69. Bretschneider, Dogm. 1838 I 283 en de daar aangeh. litt. Hase,
Hutterus Rediv. § 37, noot 4. Vinke, Theol. Christ. dogm. Comp. p.
21, 22 enz. Michaelis, Dogm. 2e Aufl. Gött. 1784 S. 92, verklaarde,
dat hij nooit zulk een getuigenis des H. G. in zijn hart vernomen had
en ook in de Schrift niet vond. En Strauss, Gl. I 136, beweerde, dat
het testimonium Sp. S. tot fanatisme of tot rationalisme leidde en de
Achilleshiel was van het Protestantsche systeem.
Verschillende oorzaken hebben er echter toe medegewerkt, om deze
leer van het testimonium internum toch weer eenigermate in hare eer
te herstellen. De kritiek van het rationalisme door Kant; het bewijs
des Geistes und der Kraft, waarop Lessing zich beriep; de romantiek
van Jacobi en Schleiermacher, en de onvruchtbaarheid der apologetiek
hebben de overtuiging doen geboren worden, dat de rechtvaardiging
van de christelijke religie uitgaan moet van het geloof der gemeente.
Religieuse waarheid moet op andere wijze bewezen worden dan eene
stelling uit de mathesis. Aan de openbaring die het principium
externum der religie is, moet een correspondeerend orgaan in den
mensch zelf beantwoorden. Wel verschilt dit alles nog zeer veel
van het testimonium Sp. S., gelijk het door Calvijn ontwikkeld werd.
Dikwerf wordt dit getuigenis door de nieuwere theologen van heel
zijn bovennatuurlijk karakter beroofd. Gewoonlijk wordt het in verband
gebracht niet met den vorm, maar alleen met den inhoud, en soms
alleen met den religieus-ethischen inhoud der Schrift. Maar evenals
de Roomsche, zoo moeten ook de Protestantsche theologen erkennen,
dat de laatste en diepste grond des geloofs niet buiten ons liggen
kan in bewijzen en redeneeringen, in kerk en traditie, maar alleen
gevonden kan worden in den mensch zelf, in het religieuse subject.
En die overtuiging komt aan de leer van het testimonium Sp. S. ten
goede. Een enkele moge het nog voor de historische bewijzen opnemen en
het testimonium Sp. S. bestrijden, zooals König, Der Glaubensakt des
Christen 1891 S. 92-99. Id. Die letzte Instanz des bibl. Glaubens 1892
S. 23 f. De meeste theologen nemen het weer op in de dogmatiek, en
ruimen er eene grootere of kleinere plaats voor in, Oosterzee, Jaarb.
v. wet. Theol. 1845. Dogm. I 242. Scholten L. H. K. I 115-233. Twesten
I 433-7. Klaiber, Jahrb. f. d. Theol. 1857. Lange I § 84. Kahnis,
Luth. Dogm. I 291. Philippi, Kirchl. Dogm. 3e Aufl. I 135 f. Cremer
in Herzog² 6, 746. Frank, Syst. der chr. Gewissheit I 139. Id. Dogm.
Studiën 38-57. Thomasius, Christi Person u. Werk 3e Aufl. II 268 f.
Dorner, Gesammelte Schriften, Berlin 1883 S. 131 f. Lipsius, Jahrb.
f. prot. Theol. 1885 S. 614. Hodge, Syst. Theol. III 69. Pannier, Le
témoignage du S. Esprit p. 193 s. Kuyper, Encycl. II 501-511. John de
Witt, The testimony of the Holy Spirit to the Bible, Presb. and Ref.
Rev. Jan. 1895 p. 69-85.