Principium internum.
§ 13. BETEEKENIS VAN HET PRINCIPIUM INTERNUM.
1. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk besproken
werd, moet in den mensch zelf een principium internum beantwoorden.
Door Herbert Spencer, Principles of psychology § 120 wordt het leven
omschreven als the continuous adjustment of internal relations to
external relations; en inderdaad berust alle leven bij den mensch op
eene wederkeerige correspondentie van subject en object. De mensch
is in elk opzicht afhankelijk van de wereld buiten hem; hij is op geen
enkel gebied autonoom, hij leeft van gegeven d. i. van genade. Maar
wederkeerig is hij op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat
door allerlei relatiën met haar in verband. Zijn lichaam is uit het
stof der aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere
lichamen, en daarom aan de physische wereld verwant. Zijn vegetatief
leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en kleeding wordt hem
door de natuur geschonken; licht en lucht, wisseling van dag en nacht
heeft hij noodig voor zijn lichamelijk leven; hij is een mikrokosmos,
aardsch uit de aarde. Als anima sensitiva ontving hij in de zintuigen
organen, waardoor hij de wereld buiten zich in hare verschillende
verhoudingen gewaarworden en zich voorstellen kan. Door den logos,
die in hem is, verheft hij zich tot de wereld der intelligibile dingen
en spoort hij den logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft.
En evenzoo staat de mensch religieus en ethisch met eene waarachtige
wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij eene
facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en te kennen.
Het onderzoek naar het wezen der religie leidde ons vroeger reeds bl.
177, 212, tot een zekeren godsdienstigen aanleg in den mensch, tot
eene vatbaarheid van zijne natuur, om het goddelijke gewaar te worden.
De Schrift drukt dit alzoo uit, dat de mensch naar Gods beeld is
geschapen, dat hij zijn geslacht is en dat hij in den νους een orgaan
bezit, om Gods openbaring in zijne schepping op te merken. Religie
onderstelt, dat de mensch Gode verwant is.
Maar deze religieuse vatbaarheid moge eigen zijn aan de menschelijke
natuur, zij is toch eene abstractie en komt in de werkelijkheid nooit
zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke aanleg er voor wetenschap
of kunst ook in een kind verscholen moge zijn, het wordt toch in
een toestand van hulpeloosheid geboren. Het hangt af van de genade
zijner omgeving. Spijze en drank, deksel en kleeding, voorstellingen
en begrippen, gewaarwordingen en begeerten ontvangen wij van den
kring, waarin wij geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons
ingeprent door onze ouders en verzorgers. Het is met den godsdienst
als met de taal. Het spraakvermogen brengen we bij de geboorte mede;
maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken, wordt
ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer, Die Welt als Wille und
Vorstellung, 6e Aufl. II 181, maakt daarom de juiste opmerking, dat de
godsdiensten boven de wijsgeerige stelsels een groot voorrecht genieten,
wijl zij den kinderen van der jeugd aan ingeprent worden. De religie
groeit van kindsbeen af samen met het innigste en teederste leven en
is mede daarom schier onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in
den godsdienst, in welken hij geboren werd. De Mohammedaan, de Christen,
de Roomsche, de Protestant blijven gemeenlijk tot hun dood toe aan den
godsdienst hunner jeugd en hunner ouders getrouw. Behalve in tijden van
godsdienstige krisis, zooals bij de opkomst van het Christendom, het
Mohammedanisme, de Reformatie, zijn bekeeringen zeldzaam; verandering
van godsdienst is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de
meeste menschen, zonder ooit door ernstigen twijfel in hun godsdienstig
geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze gelooven aan de waarheid
der godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed zijn, komt in de
gedachte niet op. Zij gelooven, vinden meer of minder bevrediging in
hun geloof en denken over de gronden, waarop hun overtuiging rust,
niet na. Als het geloof krachtig is, is er voor zulk een onderzoek
naar de gronden des geloofs geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt
niet eerst naar de wijze, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet
wordt. Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil
tusschen het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar
van armoede des godsdienstigen levens, als aan de formeele kwestiën
de meeste aandacht wordt gewijd. Als de philosophische denkkracht
uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis der philosophie. Als
men niet meer leeft in de belijdenis der kerk, wordt haar oorsprong en
geschiedenis onderzocht. En als het geloof zijn kracht en vertrouwen
verliest, wordt een onderzoek ingesteld naar de gronden, waarop het
rust.
2. Toch heeft zoodanig onderzoek zijne goede en nuttige zijde. Kant heeft
heel de philosophie omgekeerd in eene kritiek van het kenvermogen. En
niemand zal de onderzoekingen minachten, die sedert aan den aard en de
zekerheid onzer kennis zijn gewijd. Maar toch wordt te hoog gespannen
verwachting hier altijd door teleurstelling gevolgd. De problemen zijn
hier zoo ingewikkeld, dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen,
om in deze vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door
ernstige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van verder
onderzoek afmanen, wijl het volkomen nutteloos is. Op de wetenschap
zelve hebben deze formeele kwestiën toch geen invloed. Of men idealist
of empirist, realist of nominalist zij, er is toch geen wetenschap
te verkrijgen dan langs den weg van waarneming en denken. Ook in de
theologie en de religie is er reden, om voor overdreven verwachtingen
te waarschuwen. De Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars
formalis van de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs
is het onderzoek naar de gronden des geloofs nog veel moeilijker dan dat
naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor de geloovigen in
het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijken zin zich rekenschap te
geven van de redenen, waarom zij gelooven. Hun leven uit het geloof is
voor hen zelf bewijs genoeg van de waarheid en waarde van dat geloof.
Wie honger heeft en eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht
van het brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddeelen
geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke theologen
een overdreven eisch, dat zij vooraf het wetenschappelijk recht moeten
bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij uitgaan, voordat zij een
aanvang mogen maken met den theologischen arbeid, A. Ritschl, Theologie
und Metaphysik 1881 S. 38. Een theoloog is toch geen philosoof. Al is
wijsgeerige vorming voor den godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet
eerst alle wijsgeerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer
hij als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer
mede en is wel van de philosophie maar niet van eenig philosophisch
stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van het onderzoek
hier zoo diep in het zieleleven verborgen en is zoo innig saamgeweven
met de fijnste en teederste roerselen van het menschelijk hart, dat het
schier geheel aan onze eigene en veel meer nog aan anderer waarneming
ontsnapt. De religie wortelt dieper in de menschelijke natuur dan
eenige andere kracht. Voor haar heeft de mensch alles over, zijn geld
en zijn goed, zijn vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven.
Alleen de religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende,
kan de mensch alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelven.
Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan van dit
leven, dat met het leven des menschen zelf één is, den wortel kunnen
naspeuren? Wie zal den grond kunnen blootleggen, waarop het gelooven
rust? Het geloof zelf is reeds zulk eene wondere en geheimzinnige
kracht. Wij omschrijven het door kennen, toestemmen, vertrouwen enz.
maar gevoelen terstond de zwakheid dezer bepaling, en hebben na lange
redeneering ten slotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe
en waarom weet ik, is zoo moeilijk, dat alle wijsgeerige denkkracht het
antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de vraag: hoe
en waarom geloof ik? Zij is voor onszelven een raadsel, want wij kunnen
niet afdalen in de diepten van ons eigen gemoed en niet doordringen
met onzen blik in het duister, dat achter ons bewustzijn ligt. En voor
anderen is zij nog grooter verborgenheid. Want voor onszelven gelden
als gronden des geloofs nog allerlei stemmingen en aandoeningen,
overleggingen en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons
onlosmakelijk vasthechten aan het voorwerp onzes geloofs. Maar aan
anderen kunnen wij deze niet meedeelen; ze zijn voor geen openbaring
bestemd en voor geen meedeeling vatbaar. Als wij het soms beproeven,
verliezen zij onder de meedeeling heur kracht en waardij; wij gevoelen
er onszelf het minst door bevredigd. En dikwerf is het einde, dat wat
als grond werd aangegeven, den toets niet kan doorstaan en blijkt geen
grond te zijn. Desniettemin houdt het geloof trots alle redeneering zich
staande en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij, amen.
3. Daarom baart het geen verwondering, dat de gronden voor het
godsdienstig en zoo ook voor het christelijk geloof zeer verschillend
worden opgegeven. Op de vraag: hoe iemand tot het geloof komt en waarom
hij gelooft, loopen de antwoorden zeer verre uiteen. Sommigen zijn van
oordeel, dat de mensch in zichzelf, in zijn eigen natuur, de genoegzame
gegevens bezit, om eene religieuse voorstelling, de openbaring, de
Schrift te onderkennen, te beoordeelen en aan te nemen. Het orgaan voor
de beoordeeling en aanneming der openbaring wordt beurtelings gezocht
in het verstand; het geloof rust dan op historisch-apologetische
gronden. Of de rede wordt als zulk een orgaan aangegeven; het geloof
wordt dan gebouwd op speculatieve redeneering. Of ook wordt het
geweten, het gemoed, het hart als orgaan voor het goddelijke beschouwd;
het geloof is dan gebaseerd op ethisch-practische motieven. Maar altijd
wordt bij deze richtingen een mensch ondersteld, die misschien wel op de
eene of andere wijze voor de openbaring is voorbereid, maar die toch nog
feitelijk buiten het geloof staat en voor wien nu de openbaring langs
verstandelijken of zedelijken weg moet worden gerechtvaardigd.
Het volgend onderzoek zal leeren, dat deze gronden onvoldoende zijn
en dat het standpunt, door deze richtingen ingenomen, niet aanvaard
kan worden. Maar reeds apriori laat zich het ongenoegzame van deze
verschillende methoden inzien. De religie toch is een zelfstandige
grootheid; zij is van wetenschap, kunst, zedelijkheid wezenlijk
onderscheiden. Zij heeft een eigen principium cognoscendi externum,
n.l. de openbaring, en eischt daarom ook een eigen principium
cognoscendi internum. Gelijk het oog beantwoordt aan het licht, het
oor aan de klank, de logos in ons aan den logos buiten ons, zoo moet
aan de objectieve openbaring een subjectief orgaan in den mensch
correspondeeren. De religieuse vatbaarheid in het algemeen, het semen
religionis, de νους kan daarvoor niet in aanmerking komen. Want
vooreerst komt deze nooit en nergens in zuiveren toestand en zonder
inhoud voor. Altijd is ze van het eerste ontwaken af in een historischen
godsdienst ingegroeid en daarnaar geaccommodeerd. Maar vervolgens gaat
de openbaring in de Schrift uit van de onderstelling, dat de mensch
ook in deze zijne religieuse gezindheid verdorven is en herschepping
behoeft. Zij zou daarom zichzelve vernietigen, als zij in den psychischen
mensch haar competenten rechter erkende. Zij plaatst zich tegenover
dezen in eene gansch andere verhouding. Zij stelt zich niet beneden hem
en onderwerpt zich niet aan zijn oordeel, maar staat hoog boven hem en
vraagt niets dan geloof en gehoorzaamheid. Zelfs verklaart de Schrift
uitdrukkelijk, dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods
niet verstaat, dat ze dwaasheid voor hem zijn, dat hij ze in vijandschap
verwerpt en miskent. De openbaring Gods in Christus vraagt geen steun,
geen rechtvaardiging bij menschen. Zij poneert en handhaaft zichzelve
in hooge majesteit. Haar auctoritas is normativa maar ook causativa.
Zij strijdt voor haar eigen triumf. Zij verovert zichzelve de harten. Zij
maakt zichzelve onwederstandelijk. Daarom valt de openbaring in twee
groote bedeelingen uiteen. Als de oeconomie des Zoons, der objectieve
openbaring, is geëindigd, treedt die des Geestes in. Ook van deze
subjectieve openbaring is God de auteur. Van Hem gaat de actie uit.
Hij is de eerste en de laatste. De mensch komt niet tot de openbaring
en zoekt God niet. God zoekt den mensch. Hij zoekt hem in den Zoon,
Hij zoekt hem ook in den Geest. Als God in de laatste dagen tot ons
gesproken heeft door den Zoon, dan komt de H. Geest, die het bij de
wereld voor Christus opneemt, zijn zaak bepleit, zijn woord verdedigt
en de harten der menschen tot gehoorzaamheid neigt. De H. Geest is
de groote, machtige Getuige van Christus, objectief in de Schrift,
subjectief in ’s menschen eigen geest. In dien Geest ontvangt de mensch
een adaequaat orgaan voor de uitwendige openbaring. God kan alleen door
God worden gekend; in zijn licht kan alleen het licht worden gezien.
Niemand kent den Vader, dan wien het de Zoon wil openbaren, en niemand
kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door den H. Geest. God is dus het
principium essendi van religie en theologie; de objectieve openbaring
in Christus, neergelegd in de Schrift, is haar principium cognoscendi
externum; en de H. Geest, die in de gemeente is uitgestort, haar
wederbaart en leidt in de waarheid, is haar principium cognoscendi
internum. In deze getuigenis des H. Geestes sluit de openbaring zich
af en bereikt zij haar doel. Want het is het welbehagen Gods, om de
menschheid te herscheppen naar zijn beeld en gelijkenis. Objectieve
openbaring is dus niet genoeg; deze moet zich voortzetten en voltooien
in de subjectieve openbaring. Ja, gene is slechts middel, deze is doel.
Het principium externum is instrumentale; het principium internum is
het principium formale en principale, bl. 143.
Daarom deed de christelijke kerk ten allen tijde belijdenis van het
testimonium Spiritus Sancti. God is de auteur der uitwendige
openbaring; maar Hij is het ook, die de gemeente verkiest, de kerk
sticht en in haar van Christus getuigt. De Schrift is zijn woord, de
gemeente is zijn tempel. In zoover is er eenstemmigheid in de belijdenis
van alle kerken aangaande het testimonium Spiritus Sancti. Niet de
natuurlijke maar alleen de geestelijke mensch weet de dingen, die hem
van God geschonken zijn, 1 Cor. 2:12 v. Maar overigens is er toch
groot verschil over deze getuigenis des H. Geestes, vooral tusschen
de Roomsche kerk en de kerken der Hervorming. Volgens Rome toch is
de Schrift gegeven aan de kerk, en wel aan de kerk als instituut, en
eerst door deze heen aan de geloovigen. De kerk ontvangt, bewaart,
authoriseert, verklaart de H. Schrift. Alle openbaring Gods aan de
geloovigen is door het instituut der kerk bemiddeld. Altijd staat de
kerk tusschen God en de geloovigen in. De kerk is middelares, medium
gratiae, principium externum. Zij is de tempel des H. Geestes. Het
testimonium Spiritus Sancti uit zich bij Rome alleen door de kerk als
instituut, door de ecclesia docens, door het magisterium, door den
paus. Maar volgens de Hervorming is de openbaring, de Schrift, gegeven,
ja ook aan de kerk, maar aan de kerk als organisme, aan de gemeente,
aan de geloovigen. Zij zijn de tempel des H. Geestes. Het testimonium
Spiritus Sancti is het eigendom van alle geloovigen. Waar twee of
drie in Jezus’ naam vergaderd zijn, is Hij in het midden. Bij Rome is
het instituut het wezen der kerk; volgens de Hervorming is dit een
tijdelijk hulpmiddel, maar het wezen der kerk ligt in de vergadering der
geloovigen. Deze is de woning Gods, het lichaam van Christus, de tempel
des H. Geestes.
§ 14. DE HISTORISCH-APOLOGETISCHE METHODE.
1. Nauwelijks was het Christendom in de Grieksch-romeinsche wereld
ingedrongen, of het zag zich geroepen tot een ernstigen strijd. Joden
en Heidenen vielen het aan en brachten er allerlei bezwaren tegen in.
Toen stonden in de 2e eeuw de Apologeten op, die deze aanvallen zochten
af te slaan en het Christendom trachtten te verdedigen. Justinus
Martyr, Dialogus c. Tryphone, Tertullianus, adv. Judaeos, en Eusebius,
Demonstratio evangelica schreven tegen de Joden. Veel grooter was het
aantal apologetische geschriften tegen de Heidenen. De voornaamste zijn
Justinus Martyr, Apologia maior en minor; Tatianus, Orat. adv. Graecos;
Athenagoras, Legatio sive supplicatio pro Christianis; Theophilus, ad
Autolycum; Clemens Alex., Coh. ad gentes; Origenes, contra Celsum;
Tertullianus, Apologeticus en Ad nationes; Arnobius, Disput. adv.
gentes; Minucius Felix, Octavius; Eusebius, Praeparatio evangelica;
Athanasius, Orat. adv. gentes; Cyrillus, adv. impium Julianum;
Augustinus, de civ. Dei. In deze werken worden voor de waarheid van het
Christendom de volgende argumenten aangevoerd: a) het is veiliger, van
twee onzekere dingen datgene te gelooven, quod aliquas spes ferat quam
omnino quod nullas, Arnobius, adv. gentes II 4; b) de overeenstemming
van het Christendom met het beste en schoonste, met de σπερματα
ἀληθειας, welke ook onder de Heidenen nog door de inwerking van den
Logos gevonden worden, Athenag. Leg. 6. Justinus, Apol. maior 20 sq.
Minucius, Octav. 19, 20; c) de voortreffelijkheid van het Christendom
boven de heidensche godsdiensten, zoodat iedere menschelijke ziel
daaraan onwilkeurig getuigenis moet geven, Justinus, Apol. min. 10.
Tertull. de testim. an. 1. Arnobius, adv. gentes II 2; d) de zedelijke
invloed van het Christendom op leer en leven, zoodat de gruwelijke
zonden van afgoderij, tooverij, haat, gierigheid, wreedheid enz. er door
verdwenen zijn, Epist. ad Diognetum 5. Justinus, Apol. maior 14. Athen.,
Leg. 11. Orig., c. Cels. I 26. Arnob., adv. gentes I 63. Lactant.,
Instit. div. III 16. Euseb., Praep. evang. I 4; e) de standvastigheid
der martelaars, Just. M., Apol. II 12, en de heiligheid der asceten,
Just., Apol. I 15. Athen., Leg. 33, 34. Euseb., Dem. Evang. III 6; f)
de voorspellingen en hare vervulling, Just., Dial. c. Tryph. 7, 8.
Just., Apol. I 31. Orig., c. Cels. I 2; g) de wonderen, niet alleen
in den vroegeren maar ook in den tegenwoordigen tijd, Just., Dial. c.
Tryph. 39, 82, 88. Iren., adv. haer. II 31, 32. Tertull., Apol. 23.
Orig., c. Cels. III 24; h) het heilig karakter en leven van Jezus en
de apostelen, Arnob., adv. gentes I 63. Euseb., Dem. evang. III 3,
5; i) het getuigenis der Schrift, de overeenstemming der Schriften
onderling, de eenvoudige taal, de goddelijke inhoud, die door geen
menschelijke rede kon worden voortgebracht, Just. M., Coh. ad Graec. 8.
Orig., de princ. IV 1, benevens de wonderbare oorsprong, bewaring en
verbreiding der Schrift, Tertull., Apol. 19; en eindelijk nog j) het
getuigenis der traditie en der kerk, Iren., adv. haer. I 10, III 3.
Tertull., de praescr. 20. Cypr., de unitate eccles. August., de civ.
dei enz. Cf. Münscher-v. Coelln, Lehrb. der christl. Dogm. Gesch. I
1832 S. 103 f. Hagenbach, Dogm. Gesch. § 29 f. Harnack, Dogm. Gesch.
I² 413 f. Deze argumenten hebben sedert in de christelijke theologie
algemeen burgerrecht verkregen. De inhoud der bovennatuurlijke waarheden
was voor de rede onbegrijpelijk, Thomas S. Theol. I qu. 32 art. 1, S. c.
Gent. I c. 9. Des te meer kwam het er dan op aan om te bewijzen, dat
God zich geopenbaard had. Al de bewijzen, die daarvoor konden worden
bijgebracht, werden onder den naam van rationes inductivae of motiva
credibilitatis samengevat, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 9 ad
3, art. 10. Duns Scotus, Prol. Sentent. qu. 2. Ludovicus Vives, de
veritate fidei christ. 1543. Cf. Frohschammer, Die Philosophie des
Thomas v. Aquino, Leipzig 1889 S. 130 f. Na de Hervorming werd vooral
het argument, ontleend aan de kerk, nader ontwikkeld. De kerk werd toen
bij Rome hoe langer hoe meer fundamentum et regula fidei. Augustinus
had al gezegd, dat hij door de kerk bewogen werd om aan de Schrift
te gelooven. De Roomschen na de Hervorming maakten de kerk tot den
sterksten grond voor het geloof aan de Schrift, aan de openbaring. De
motiva credibilitatis werden dikwerf in drie soorten verdeeld, Becanus,
Theol. Schol. Tom. II pars. II tract. 1 cap. 6. Mogunt. 1623 p. 93, in
zulke, die gelden tegenover Joden en Heidenen; in andere, die vooral
voor de Roomschen zelven beteekenis hebben; en in eene derde groep,
die tegenover de ketters van kracht zijn. Tot deze laatste behoort
nu vooral de kerk met hare 15 notae, gelijk ze door Bellarminus, de
Conciliis et Ecclesia, Lib. IV worden opgeteld. Wat de Hervormers
van de Schrift zeiden, wordt op de kerk toegepast. Zij is als de zon,
die hare stralen verspreidt en gemakkelijk bij haar eigen licht kan
worden gekend. Onder de bewijzen voor de openbaring neemt de kerk de
eerste en de hoogste plaats in; zij is van alle het krachtigste motief
tot geloof. Het Conc. Vatic. Sess. III cap. 3 de fide verklaarde: ad
solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem
fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt
disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem
propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis
foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabililatem, magnum
quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae
legationis testimonium irrefragabile. De waarde van al deze bewijzen,
ook van dat der kerk, bestaat daarin, dat zij de geloofwaardigheid der
openbaring kunnen aantoonen. Zij zijn in staat, om eene fides humana
voorttebrengen en de redelijkheid van het gelooven te bewijzen. Zij maken
de waarheid der openbaring in zulk eene mate en tot zulk eene hoogte
duidelijk, dat alle redelijke twijfel is uitgesloten. Als er van de zijde
des menschen geen zondige zelfzucht en geen vijandschap des harten in
het spel kwam, dan zouden die motieven krachtig genoeg zijn, om tot het
geloof aan de openbaring te bewegen. Zij maken de openbaring wel niet
evidenter veram, want als dat het geval ware, dan zou er geen geloof
meer noodig zijn en zou het geloof ook alle verdienste missen; maar toch
wel evidenter credibilem, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 4 ad 2, 4,
art. 5 ad 2, qu. 2 art. 1 ad 1. Bellarm., de Conc. et Eccl. IV cap. 3.
Billuart, Summa S. Thomae hodiernis acad. moribus accommodata, VIII p.
25 sq. P. Dens, Theologia ad usum seminariorum II 275 sq. De Roomsche
theologen nemen dan ook gewoonlijk al die argumenten der apologetiek
in de dogmatiek op en behandelen ze breedvoerig, Perrone, Prael.
Theol. I. Jansen, Prael. Theol. I 117 sq. Hake, Handbuch der allgem.
Religionswissenschaft, Freiburg 1887 II 1 f. Heinrich, Dogm. I 279 f.
Liebermann, Dogm. I p. 33 sq. enz. Zelfs gingen sommigen zoover, dat zij
deze bewijzen ook voor den ongeloovige voldoende achtten, Billuart, I
p. 28, 29. Dens, II 292. Maar de meesten erkenden, dat al deze bewijzen
toch maar motieven waren en dat zij niet den laatsten en diepsten
grond des geloofs uitmaakten. Dat kon alleen de autoriteit Gods zijn,
Thomas, S. Theol. II 2 qu. 2 art. 1 ad 3 en art. 10. S. c. Gent. I c.
9. Billuart VIII p. 1 sq. Becanus ib. p. 3-17. Dens, II 280 sq. Jansen,
Prael. Theol. I 701-706. En dat geloof aan de openbaring op grond van
Gods gezag komt niet tot stand door die bewijzen maar door een auxilium
dei, een instinctus interior, die den wil tot het geloof beweegt,
Thomas II 1 qu. 109 art, 6, qu. 112 art. 2 en 3, qu. 113 art. 4. Het
Conc. Vatic. sess. III cap. 3 de fide, erkende evenzoo eenerzijds,
dat het geloof was een virtus supernaturalis, qua Dei aspirante et
adjuvante gratia ab eo revelata vera esse credimus, non propter
intrinsecam rerum veritatem naturali rationis lumine perspectam,
sed propter auctoritatem ipsius Dei revelantis. Maar andererzijds
hechtte het toch groote waarde aan de apologetische argumenten en
voegde er daarom aanstonds bij: ut nihilominus fidei nostrae obsequium
rationi consentaneum esset, voluit Deus cum internis Spiritus Sancti
auxiliis externa jungi revelationis suae argumenta..... quae....
divinae revelationis signa sunt certissima et omnium intelligentiae
accommodata. Het veroordeelde zelfs in canon 3, 3 dengene, die zeide,
revelationem divinam externis signis credibilem fieri non posse,
ideoque sola interna cujusque experientia aut inspiratione privata
homines ad fidem moveri debere. Deze waardeering der apologetiek hangt
bij Rome weer met geheel het stelsel saam. De bovennatuurlijke openbaring
is opgetrokken op den grondslag der natuurlijke. Gene wordt alleen
successief en bij trappen bereikt. De mensch in puris naturalibus komt
eerst door bewijzen tot de theologia naturalis. Deze is praeambula
fidei. Hier is zelfs wetenschap mogelijk. De bewijzen zijn overtuigend.
Op zichzelf is hier nog van geen geloof sprake. Wie zoover gekomen is
en op den grondslag der theol. naturalis staat, kan nu verder door de
motiva credibilitatis, vooral door de signa en notae ecclesiae, de
geloofwaardigheid der openbaring inzien, en de redelijkheid van het
gelooven erkennen. En als zoo de fides humana verkregen is, en de
mensch door de actus praeparatorii zich voorbereid heeft, wordt hij door
de gratia infusa zelve in de bovennatuurlijke orde opgenomen en bereidt
hij zich door goede werken weer voor voor den hemel, voor de visio Dei.
De mensch gaat uit den natuurstaat bij trappen naar boven. Telkens komt
hij een graad hooger te staan. De pura naturalia, theol. naturalis,
motiva credibilitatis, actus praeparatorii, gratia infusa, bona opera,
visio Dei vormen de verschillende treden van de ladder, die staat op de
aarde en reikt in den hemel.
2. De Reformatie heeft nu wel in beginsel deze hierarchie van Rome
bestreden en een ander standpunt ingenomen. Zij nam haar positie niet
in de natuurlijke rede, om deze successief tot het geloof op te leiden,
maar in het christelijk geloof. En zij sprak zoo beslist mogelijk uit,
gelijk later zal worden aangetoond, dat dat geloof alleen steunde
op Gods gezag en alleen gewerkt werd door den H. Geest. Maar de
Protestantsche theologen hebben dit beginsel toch niet altijd streng
vastgehouden en zijn meermalen tot de leer der theologia naturalis
en van de historische bewijzen voor de waarheid der openbaring
teruggekeerd. Calvijn zegt, Inst. I, 7, 3, dat het hem gemakkelijk vallen
zou, de goddelijkheid der H. Schrift te bewijzen en voert in cap. 8
verschillende gronden daarvoor aan. En zoo spreken en doen ook Ursinus,
Tract. Theol. p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 335 sq. Polanus, Synt.
Theol. I c. 17 sq. c. 27, 28. Synopsis pur. theol. disp. 2, 10 sq.
Du Plessis-Mornay, Traité de la vérité de la religion chrétienne
contre les Athées etc. Anvers 1581. Abbadie, Traité de la vérité de la
religion chrét. 1684 enz. Cf. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 20-22.
Hase, Hutt. Rediv. § 37. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 32, 33. De
overtuiging, dat deze bewijzen genoegzaam waren om althans eene fides
humana te bewerken, heeft er onwillekeurig toe bijgedragen, om de rede
te emancipeeren van het geloof en de dogmata der theol. naturalis en
van de H. Schrift buiten de fides salvifica te plaatsen. Daarmede
begon dan ook het rationalisme in de Protest. kerken. Het Socinianisme
verwierp het testimonium Spiritus Sancti en grondde de waarheid van
het Christendom op historische bewijzen, Catech. Racov. qu. 5-30.
Fock, der Socin. 338 f. Het Remonstrantisme ging denzelfden weg op,
Episcopius, Instit. Theol. Lib. IV cap. 2. Limborch, Theol. Christ. I
c. 4. Id. De veritate relig. Christ. collatio cum erudito Iudaeo 1687.
Hugo Grotius, de veritate relig. christ. 1627. Cf. Wijnmalen, Hugo de
Groot als verdediger van het Christ. Utrecht 1869. Door Cartesius drong
het rationalisme ook in de Geref. kerken door. De theologia naturalis
kwam zelfstandig naast de theologia revelata te staan. En binnen deze
laatste werd aan de rede het recht tot onderzoek en verklaring van
de geloofsbrieven der openbaring toegekend, H. A. Roëll, Dissert.
de theol. naturali 1700 enz. Leibniz sprak de algemeen heerschende
opinie uit, als hij de openbaring tegenover de rede stelde, gelijk een
buitengewoon gezant tegenover eene bevoegde vergadering staat. Deze
onderzoekt zijne geloofsbrieven en gaat, als zij deze echt bevonden
heeft, eerbiedig naar hem luisteren. Discours sur la conformité de la
foi avec la raison § 29. Het deisme in Engeland en het rationalisme
in Duitschland leidde daaruit weldra af, dat de theologia naturalis
volkomen voldoende was. En het supranaturalisme, dat de emancipatie der
rede in de theol. naturalis en in het onderzoek naar de waarheid der
openbaring toegaf, kon voor die rede met geen andere dan historische
en rationeele bewijzen verschijnen. Op die wijze werd het Christendom
verdedigd en de dogmatiek bearbeid door een aantal mannen in Engeland,
Duitschland, Nederland, van wie we hier slechts de namen herinneren
van Butler, The analogy of religion natural and revealed 1736. Paley,
View of the evidences of christianity 1794. Id. Natural Theology
1802. Chalmers, The evidence and authority of the christ. revelation
1817. Id. Natural theology 1823; cf. Tholuck, Vermischte Schriften I
S. 163-224. Reinhard, Morus, Doederlein, Knapp, Storr e. a.; hier te
lande door Van Nuijs Klinkenberg, Muntinghe, Heringa, Vinke enz. en de
werken van het Haagsch Genootschap. En voorts vinden we ook later dit
standpunt nog terug bij Pareau en Hofstede de Groot, Compendium Dogm.
et Apolog. Christ. 3 ed. 1848 p. 179 sq.; Van Oosterzee, die eerst het
standpunt van Schleiermacher overnam Jaarb. v. wet. Theol. 1845 bl.
1-74, maar later heil zocht in eene apologetiek die aan de dogmatiek
voorafging, Jaarb. v. wet. Theol. V bl. 406. De Leer der Herv. Kerk
van J. H. Scholten beschouwd 1851 bl. 51, 53. Dogmatiek § 30-34, § 38
enz.; Doedes, die door onbevooroordeeld, zuiver historisch onderzoek
het Christendom wil leeren kennen, Het regt des Christ. tegenover de
wijsbeg. gehandhaafd 1847, Modern of Apost. Christ. 1860, De zoogen.
moderne Theol. eenigszins toegelicht 1862; in het buitenland bij Voigt,
Fundamentaldogmatik 1874 S. 184 f. 232 f. Gretillat, Exposé de theol.
systématique II 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinburgh, Clark 1892
p. 42. W. M. Mc. Pheeters, Apostolical sanction the test of canonicity,
Presb. and Ref. Rev. Jan. 1895. Ed. König, Der Glaubensact des
Christen, Erl. 1891, S. 143 f. en vele andere apologetische werken, cf.
Christlieb, Art. Apologetik in Herzog².
3. Maar dit standpunt is door de geschiedenis van het supranaturalisme
zelf en door de scherpe kritiek van Rousseau en Lessing, van Kant
en Schleiermacher onhoudbaar gebleken. De apologetiek heeft zonder
twijfel recht van bestaan; eene belangrijke taak is haar toebetrouwd.
Zij heeft de waarheid Gods te handhaven en te verdedigen tegenover
alle bestrijding zoowel van binnen als van buiten. Door verschillende
omstandigheden is zij ten onrechte in minachting gekomen. Vooreerst
verloor zij veler liefde door de zwakheid en subtiliteit der argumenten,
die zij tegen de ernstige en wetenschappelijke bestrijding van het
christelijk geloof te berde bracht. Vervolgens begon ze hoe langer hoe
meer afkeer in te boezemen door de onderstelling, waarvan zij dikwerf
uitging, dat het Christendom eene leer was, die verstandelijk kon
gedemonstreerd worden. Voorts heeft vrees voor de wetenschap, die
menigmaal op zoo hoogen toon sprak en zoo onfeilbaar hare dogmata
afkondigde, de geloovigen dikwerf van verdediging afgeschrikt. Men
bleef wel gelooven, maar trok zich angstig terug, en meed alle
aanraking met de wetenschap; soms nam men gretig tot het mysticisme of
het agnosticisme de toevlucht. Toch is er geen reden, om de apologetiek
te verachten. De apologeten der tweede eeuw, de kerkvaders, de
scholastieke theologen, de hervormers enz., zij stonden allen in het
vaste geloof, dat de waarheid Gods tegenover de bestrijding, waaraan zij
van alle zijden blootstond, verdedigd moest en kon worden. Zij lieten
de aanvallen niet onbeantwoord. Zij zochten den vijand op en rustten
niet, voordat zij hem overwonnen hadden. Dat geloof is reeds eene
kracht en bijna de halve overwinning. Twijfel en wantrouwen in de zaak
die wij voorstaan, maakt ons machteloos in den strijd. Maar daarmede is
vanzelf ook reeds het standpunt aangegeven, van waaruit alleen eene
goede verdediging der waarheid ondernomen kan worden. De apologetiek
kan niet aan het geloof voorafgaan en tracht niet de waarheid van de
openbaring apriori te betoogen. Zij onderstelt de waarheid en het geloof
aan de waarheid; zij staat op den grondslag der dogmatiek en beproeft nu
het dogma te handhaven en te verdedigen tegen de bestrijding, waaraan
het onderworpen wordt. Indien echter de christelijke openbaring, die
de duisternis en de dwaling van den psychischen mensch onderstelt,
zich vooraf aan zijne rede ter beoordeeling overgaf, zou zij daarmede
zichzelve weerspreken. Zij zou zich daarmede plaatsen voor eene
rechtbank, wier bevoegdheid zij eerst had ontkend. En eenmaal in de
principia het recht der rede erkennende, zou ze straks in de articuli
fidei dat recht niet meer kunnen bestrijden. Het supranaturalisme
moet altijd leiden tot rationalisme, wijl het in beginsel reeds
rationalistisch is. Maar afgedacht van dit principieele bezwaar,
de historisch-apologetische bewijsvoering voert ook niet tot het
gewenschte resultaat. Zij kon het nog een eind ver brengen in een tijd,
toen de echtheid der bijbelboeken en de historische waarheid van hun
inhoud nog vrij algemeen vaststond. Maar de wonderen en voorspellingen
der Schrift hebben thans zelf zooveel verdediging van noode, dat zij
onmogelijk meer als argumenten dienst kunnen doen. De apologetiek zou,
om iets te bewijzen, eerst heel de zoogenaamde inleidingswetenschap
moeten behandelen en tal van andere vakken in zich moeten opnemen,
eer zij met de uiteenzetting der waarheid een aanvang kon maken; aan
het geloof, aan de dogmatiek kwam het op deze wijze nooit toe; de pars
formalis zou zoo uitdijen, dat er voor de pars materialis geen tijd en
geen plaats meer overbleef. Deze lange weg zou dan nog ingeslagen
kunnen worden door iemand, die tijd en kracht en gave genoeg bezat om
zulk een onderzoek naar de waarheid van het christelijk geloof in te
stellen; maar hij zou geheel ontoegankelijk zijn voor den eenvoudige,
die toch ook even goed als de geleerde, en niet eerst morgen maar nu
reeds, op dit oogenblik, behoefte heeft aan den vrede en den troost
des geloofs, en die daarom voor de zaligheid zijner ziel afhankelijk zou
worden van een intellectueel en dies te ondragelijker clericalisme. En
stel al, dat dit nog geen overwegend bezwaar ware en dat historisch
onderzoek voor alle menschen de eenige weg tot de kennis der waarheid
ware; dan zou toch het resultaat, dat in de gunstigste omstandigheden
verkregen werd, geen ander zijn dan eene fides humana, welke morgen
aan den dag weer door andere en betere onderzoekingen geschokt en
omvergeworpen kon worden. De eeuwigheid kan inderdaad niet hangen aan
een spinrag. In de religie mag geen mensch en geen schepsel instaan
tusschen God en mijne ziel. Getroost en zalig te leven en te sterven is
niet mogelijk, zoolang ik rust in een menschelijk, feilbaar getuigenis.
In de religie is er geen mindere maar eene veel sterkere en vastere
zekerheid dan in de wetenschap van noode. Er is hier alleen ruste in
de getuigenis Gods. Ook de getuigenis der kerk is onvoldoende. Zij is
van groote waarde niet alleen bij het ontstaan maar ook bij den voortduur
van het christelijk geloof. Zij blijft een steun tot het einde des levens
toe. Zij is inderdaad een motivum perpetuum tot het geloof. Wij zijn in
heel ons leven aan eene gemeenschap gebonden. Een mensch is een ζωον
πολιτικον. De gemeenschap houdt ons staande, telkens als we dreigen te
struikelen. De wolke van getuigen, rondom ons heen liggende, moedigt
ons aan in den strijd. Er behoort een ongewone moed en geestkracht toe,
om pal te blijven, als allen ons verlaten en tegenover ons staan. Maar
gemeenschap sterkt de eigen overtuiging. Toch kan daarom de getuigenis
der kerk niet de laatste en diepste grond zijn van het geloof. Ook
Roomsche theologen erkennen dat zelf, gelijk later blijken zal. Zij zijn
bij het onderzoek naar de gronden des geloofs met hun onfeilbare kerk
in hoegenaamd geen betere conditie dan de Protestanten. Want ook zij
moeten de vraag stellen: waarop rust het geloof aan de kerk? Indien op
apologetische bewijzen, dan rijzen daartegen dezelfde bezwaren, die boven
zijn ingebracht. En indien op het testimonium Spiritus Sancti, dan is
deze leer de hoeksteen van het christelijk geloof.
§ 15. DE SPECULATIEVE METHODE.
1. Het supranaturalisme viel onder de slagen van Rousseau en Kant,
van Lessing en Schleiermacher. Er volgde een machtige omkeer. Het
klassicisme week op elk gebied voor de romantiek, de heerschappij en
autonomie van het subject. In den eersten tijd, bij het gevoel der
vrijheid, ging deze reactie zoo ver, dat ze al het objectieve wegcijferde
en het subject zichzelf voor genoegzaam hield. Het subject produceert
zoo niet de stof (Fichte), dan toch den vorm (Kant) der wereld. Het
niet-ik is een product van het Ik, de zedelijke wereldorde komt door
den mensch zelf tot stand, en de zedewet wordt vrij en koninklijk door
het genie op zij gezet. Ook Schleiermacher nam eerst dit standpunt
in. Maar dit absolute idealisme leidde tot allerlei schrikkelijke
gevolgen. De Fransche Revolutie toonde het gevaarlijke van deze
autonomie van den mensch. Er moest toch iets objectiefs zijn, dat
vaststond en gezag had. Zoo kwam de restauratie, d. i. de poging, om
met behoud van hetzelfde uitgangspunt, toch uit het subject weer tot
het objectieve te komen. Van die restauratie was Hegel de wijsgeerige
tolk. Hij verhief het subjectief, ethisch idealisme van Fichte tot een
objectief, logisch idealisme, en verving de idee van het zijn door die
van het worden. Heel de wereld werd een proces, eene ontwikkeling van
de logische idee. In deze evolutie heeft ook de religie haar plaats.
Maar die religie hult zich in vormen en symbolen, die alleen door de
speculatieve rede in hun diepe beteekenis kunnen begrepen worden. Het
rationalisme heeft daar niets van verstaan, en heeft de dogmata der
kerk eenvoudig terzijde gesteld, niet wetende wat er mede te doen. Maar
die dogmata zijn vol diepen, wijsgeerigen zin. Hegels geest wierp zich
op die dogmata, ontdeed ze van hun historische symbolische vormen, en
spoorde er de idee van op. De historie is maar de schaal, het omhulsel;
de kern zelve is diepe, ware philosophie. Niet de rationalistische
leerstukken God, deugd, onsterfelijkheid, maar de hoogste en diepste
dogmata van het Christendom, zooals de triniteit, de menschwording,
de voldoening, worden het voorwerp der stoute, wijsgeerige speculatie.
Buiten de Schrift en buiten eenige autoriteit om worden die dogmata als
noodwendig uit de rede afgeleid en als ten hoogste redelijk bewezen.
Theologie en philosophie werden schijnbaar verzoend, het geloof werd
door de speculatieve rede in absoluut weten omgezet. Deze speculatieve
methode werd overgenomen en op de dogmatiek toegepast, wel is waar
met zeer verschillende uitkomst, door Daub, Markeineke, Strauss,
Feuerbach, Vatke, Weisse, het laatst door Biedermann. Biedermann wijkt
op gewichtige punten van Hegel af en aanvaardt niet zijne apriorische
methode; maar uitgaande van de christelijke dogmata, tracht hij deze toch
op dezelfde manier als Hegel te ontleden in het religieus principe
dat er aan ten grondslag ligt en de historische uitdrukking die zij
hebben aangenomen, en dan voorts speculatief en practisch verder
te ontwikkelen, Christl. Dogm. 2e Aufl. I 15, 16. En evenzoo heeft
hier te lande Scholten beproefd, om in de Gereformeerde dogmata te
onderscheiden tusschen inkleeding en idee, en ze te interpreteeren in
monistischen en deterministischen zin.
2. Maar deze speculatieve methode heeft ook in de school van
Schleiermacher ingang gevonden. Schleiermacher had met Hegel het
subjectieve uitgangspunt gemeen, doch hij nam positie niet in de
rede maar in het gevoel. Religie is eene eigenaardige bepaaldheid
des gevoels of van het onmiddellijk zelfbewustzijn. Voorts vatte hij
dat gevoel niet individueel op, maar historisch, zooals het in
eene religieuse gemeenschap bestond en in de christelijke gemeente
bepaaldelijk door Jezus als den Erlöser gevormd was. En eindelijk zag hij
in de dogmatiek geene speculatieve ontwikkeling maar alleen beschrijving
van de vrome gemoedstoestanden of van het geloof der gemeente;
Schleiermacher bestreed in theorie alle vermenging van theologie en
philosophie. Maar ter andere zijde toonde Schleiermacher’s Glaubenslehre
toch, dat zijne eigene religieuse ervaring zeer sterk afweek van die
der christelijke gemeente en zeer zeker mede onder invloed van Spinoza
gevormd was; en in zijne Kurze Darstellung gaf hij de eerste plaats aan
de philosophische theologie, die tot taak kreeg, om het wezen van het
Christendom te bepalen. Feitelijk werd de theologie bij Schleiermacher
geheel van de philosophie afhankelijk, Kurze Darst. § 24, 32 f. cf.
Christl. Glaub. § 2 f. De Vermittelungstheologie nam met Schleiermacher
haar standpunt in het bewustzijn, in het geloof, de belijdenis der
gemeente, maar verbond daarmede de speculatieve methode van Hegel,
om daardoor het geloof tot weten te verheffen en de autoriteit te
doen wijken voor zelfstandig redelijk inzicht. Twesten streeft er
naar, om door middel van redeneering uit het vroom gevoel eene
orthodox-luthersche dogmatiek af te leiden, Vorles. I² 21 f. Müller
wil langs regressieven weg, door reflectie over zijn eigen ervaring,
uit de religieuse zekerheid des geloofs komen tot een objectief weten
van God, Dogm. Abhandlungen 1870 S. 1-42, en art. Dogmatik in Herzog¹.
Martensen draagt aan het wedergeboren bewustzijn de taak op, om uit
zijn eigen diepten de leer der Schrift en der kerk wetenschappelijk te
reproduceeren, Dogm. § 31 f. Bij Dorner is de Glaubenslehre niet enkel
beschrijvend, maar ook constructief en progressief; zij brengt het
religieuse weten tot systematische Begründung und Entfaltung en tracht
de christelijke Godsidee als noodwendig aantetoonen, door aan te wijzen
dat zij de aanvulling en voltooiïng van het Godsbegrip überhaupt is,
Glaub. I 155 f. Vooral in Rothe komt deze speculatieve methode der
Vermittelungstheologie duidelijk uit; het Godsbewustzijn is de idee,
waaruit hij met behulp der Hegelsche dialectiek heel de schepping,
natuur, geschiedenis, zonde, verlossing afleidt, Theol. Ethik § 7.
Onder de Vermittelungstheologen is overigens groote verscheidenheid,
maar zij hebben allen uitgangspunt en methode met elkander gemeen; zij
gaan uit niet van eene of andere autoriteit, maar van het christelijk
bewustzijn der gemeente, en zoeken het bewijs voor de waarheid des
geloofs niet in een beroep op een of ander gezag maar in de innerlijke
evidentie, in de denknoodwendigheid.
3. Zelfs buiten den kring dier theologen, die in engeren zin aan
Hegel en Schleiermacher zich aansluiten, heeft deze methode ingang
gevonden. Hofmann vat de dogmatiek wel niet op als beschrijving van
gemoedstoestanden, evenmin als reproductie van Schrift- of kerkleer
en ook niet als ontwikkeling der christelijke kennis uit een algemeen
principe, maar hij gaat toch evenals Schleiermacher van de christelijke
vroomheid uit. Dogmatiek is ontvouwing van dat, wat den Christen
tot Christen maakt, van de door Christus bemiddelde persoonlijke
gemeenschap Gods met den mensch. Die Erkenntniss und Aussage des
Christenthums ist vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage
des Christen, Schriftbeweis, 2e Aufl. I S. 5-16. Philippi, Kirchl.
Glaub. I 52 f. 108 f. Kahnis, Luther. Dogm. I 7, 8 hebben ditzelfde
subjectieve uitgangspunt. Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid
en noodwendigheid der Erlösungsthatsachen aan te toonen, door ze
op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld
Erlösungsbedürfniss, Dogm. § 52. enz. Vooral Frank heeft in zijn System
der Christl. Gewissheit, 2e Aufl. 1884 deze gedachte overgenomen
en uitgewerkt. Hofmann nam zijn standpunt in den Thatbestand der
gemeenschap Gods met den mensch. Deze rust en draagt de zekerheid
in zichzelve, en de Schrift geeft er getuigenis aan. Hier was dus
voor een systeem der christelijke zekerheid geen plaats. De Christen
is zichzelf bewust, en daarmede is alles gezegd. Maar Frank blijft
hierbij niet staan; hij tracht rekenschap te geven waarom de Christen
dat alles gelooft, wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert dus een
System der christlichen Gewissheit. De theologie, zoo zegt hij, moet
in onderscheiding van de philosophie I 26 f., zich niet buiten maar
midden in het christelijk bewustzijn plaatsen, en vandaar uit alles,
ook het natuurlijke, overzien en beoordeelen, S. 31, 32, 119, 137. De
christelijke zekerheid heeft immers haar grondslag en wezen niet in
allerlei uitwendige bewijzen, noch ook in eene externe autoriteit, maar
in den Christen zelf, in zijne zedelijke ervaring en zelfbepaling. Deze
bijzondere zedelijke ervaring is de wedergeboorte en bekeering, S. 113.
De Christen weet, dat er eene verandering met hem heeft plaats gehad
en nog voortdurend plaats heeft, zoo dat er nu tweeërlei richting,
tweeërlei ik in hem woont, S. 120 f.; en hij is daarvan even zeker
als een kranke, die genas, zich bewust is van zijne vroegere ziekte
en zijne tegenwoordige gezondheid, S. 129. Vanuit deze ervaring der
wedergeboorte poneert hij nu vanzelf en terstond heel den inhoud
der christelijke waarheid; hij doet zoo krachtens den aard van het
hem geschonken nieuwe leven en kan zich van deze geloofswaarheid
even weinig als van zichzelven ontdoen, S. 193. In drie kringen
groepeert die christelijke geloofswaarheid zich rondom de ervaring der
wedergeboorte heen. Eerst poneert de Christen krachtens zijn nieuw leven
die geloofswaarheden, welke met het feit der wedergeboorte rechtstreeks
en onmiddellijk gegeven zijn, n.l. de werkelijkheid der zonde, der
gerechtigheid en der toekomstige volmaking. Dit is het gebied der
centrale, immanente waarheden, die nog geheel tot het _zelf_bewustzijn
des Christens behooren. Daaromheen vormt zich een tweede kring van
waarheden; de geloovige kan n.l. dezen nieuwen toestand slechts
verklaren door de realiteit van den persoonlijken God, het bestaan van
God als Drieëenige, en de verzoening, verworven door den Godmensch.
Deze drie vormen samen de groep der transcendente waarheden, en wijzen
de factoren aan, welke die zedelijke verandering der wedergeboorte in
den Christen hebben teweeggebracht. En eindelijk vormt zich daarom
heen nog een derde kring van waarheden, n.l. de transeunte, welke de
middelen aanwijzen, waardoor de bovengenoemde transcendente factoren de
heilservaring bij den Christen bewerken; en dat zijn kerk, woord Gods,
Schrift, sacrament, wonderen, openbaring en inspiratie. Ten slotte
houdt de christelijke zekerheid ook nog in eene bepaalde verhouding van
den wedergeborene tot het natuurlijke leven, tot wereld en menschheid,
S. 191 f.
4. Deze speculatieve methode had belangrijke voordeelen boven de
apologetische van den rationalistischen tijd. De klaarheid, die
in de vorige eeuw voor den maatstaf der waarheid gehouden werd,
had de openbaring veranderd in eene leer, de kerk in eene school,
wedergeboorte in zedelijke verbetering, den gekruisten Christus in
den wijze van Nazareth. Het rationalisme had heel de christelijke
religie vervalscht. Met verachting keerden de beschaafden zich af
van openbaring en religie, van gemeente en geloof. Er behoorde moed
toe om, gelijk Schleiermacher en Hegel deden, tot de gemeente en hare
dogmata terug te gaan en daarin, zij het ook slechts in zekeren zin,
diepe religieuse waarheid te ontdekken. Het was een betoon van zedelijke
kracht, om te breken met den rationalistischen eisch der klaarheid, om
het op te nemen voor de verachte religie der gemeente en wederom het
recht en de waarde uit te spreken van het christelijk geloof. Meer nog,
er lag in het uitgangspunt van Hegel en Schleiermacher eene heerlijke
waarheid. Denken en zijn zijn ten innigste verwant en beantwoorden
aan elkaar. Het rationalisme trachtte de religie te rechtvaardigen
voor de onbevoegde rechtbank van het gezond verstand. Maar Hegel en
Schleiermacher zagen beiden in, dat de religie eene eigene plaats
inneemt in het menschelijk leven, dat zij eene zelfstandige grootheid
vormt en daarom ook een eigen correspondeerend orgaan eischt in de
menschelijke natuur. Hegel en Schleiermacher verschilden onderling in
de aanwijzing van dat orgaan, de een zocht het in de rede, de andere in
het gevoel. Maar beiden kwamen toch het vulgaire rationalisme te boven
en beiden wezen op de samenstemming van subject en object. Indien zij
met hun subjectief uitgangspunt niets anders hadden bedoeld, zou hunne
overwinning van het rationalisme slechts instemming hebben verdiend.
Het objectieve toch bestaat voor ons niet dan voorzoover het tot ons
bewustzijn komt. Het is op geen andere wijze te benaderen dan door het
bewustzijn heen. En de religie is daarom ook geene realiteit voor mij,
dan inzoover ik haar in gevoel of rede, of welk haar orgaan ook moge
zijn in den mensch, heb opgenomen. Maar Hegel en Schleiermacher hebben
zich niet vergenoegd met de stelling, dat denken en zijn aan elkander
beantwoorden; zij hebben beide geidentificeerd. Deze vereenzelviging van
denken en zijn is het πρωτον ψευδος der speculatieve philosophie. Plato
ging daarvan reeds uit, als hij de ideeën voor de waarachtige wereld
hield. Cartesius nam haar over in zijn cogito ergo sum. Spinoza sprak in
denzelfden zin van eene causa sui, cujus essentia involvit existentiam.
Fichte bracht ze tot heerschappij in de nieuwere philosophie. De groote
vraag daarbij is deze: denken wij iets, omdat het bestaat of bestaat
iets, wijl wij het noodzakelijk, logisch denken moeten? De speculatieve
wijsbegeerte zei het laatste. Maar tusschen denken en zijn moge nog
zoo groote overeenstemming bestaan; er is een niet minder wezenlijk
onderscheid. Uit het denken is geen conclusie tot het zijn, wijl het
zijn van alle schepselen geen emanatie is van het denken maar berust
op eene daad van macht. De essentie der dingen is aan het denken, de
existentie alleen aan het willen Gods te danken. Het menschelijk denken
onderstelt dus het zijn; het verheft zich eerst op den grondslag van
het geschapene; wij kunnen slechts nadenken, wat ons voorgedacht is en
door de wereld heen tot ons bewustzijn komt. Indien men echter met de
nieuwere philosophie alle stof verwerpt, die van buiten tot ons gekomen
is, en de zuivere rede of het abstracte gevoel tot zijn uitgangspunt
neemt, houdt men niets over of hoogstens een zoo algemeen, inhoudloos
en vaag principe, dat er niets, laat staan de gansche wereld, of heel
de christelijke openbaring en religie, uit af te leiden is, cf. boven
bl. 148 v.
De philosophie van Hegel was daarom niet zoo onschuldig, als zij
oorspronkelijk schijnen kon. Zij was de uitwerking en toepassing van
Fichte’s stelling, dat het ik het niet-ik poneert, dat het subject het
object schept. Schleiermacher ging in de theologie tot dit principe
terug, wijl alle autoriteit in de religie voor hem was weggevallen,
de rationeele en historische bewijzen voor het Christendom hem niet
voldeden, en God ook naar zijne meening voor de rede onkenbaar was.
Gelijk Kant door de practische rede herstellen wilde wat hij door de
kritiek der zuivere rede had verloren, zoo zag ook Schleiermacher geen
kans om de religie te redden dan door uit te gaan van het religieuse
subject, van het gevoel, van het bewustzijn. Daaruit volgde, dat de
dogmatiek niets anders kon zijn dan beschrijving van gemoedstoestanden en
dus eigenlijk thuis hoorde in de historische theologie. De theologie
werd anthropologie, pisteologie, ecclesiologie, en hield op wat zij
altijd beweerd had te zijn, kennisse Gods. Maar daarbij kon Schleiermacher
toch niet blijven staan; het is ons ook in de religie niet om
werkelijkheid maar om waarheid te doen. De rechtvaardiging van het
Christendom werd daarom in het eerste deel der encyclopaedie opgedragen
aan de philosophie. Wijl er geen andere grond meer is, waarop het
christelijk geloof rust, krijgt de wijsbegeerte de taak om den godsdienst
in zijn recht en waarde te handhaven. De Vermittelungstheologie nam het
subjectieve uitgangspunt van Schleiermacher over, volgde het spoor
door hem voor de verdediging der religieuse waarheid geteekend en kwam
zoo vanzelve tot een verbond met de dialectische, speculatieve methode
van Hegel. Zij kon zich met de empirische kennis van den inhoud van
het christelijk bewustzijn niet tevreden stellen. Zulk een kennis was
toch geen wetenschap. Niet het feit des geloofs alleen moest worden
geconstateerd, ook het recht en de waarheid des geloofs moest betoogd
worden. En wijl men geen ander bewijs had, werd de toevlucht genomen
tot de speculatie. De speculatieve theologie, die na Schleiermacher
opkwam, streefde naar eene hoogere kennis van het Christendom, dan
die steunde op autoriteit en verkregen werd door het geloof. Zij was
eene vernieuwing van de oude gnostiek. De christelijke dogmata, zooals
de triniteit, de menschwording, de voldoening moesten niet maar als
artikelen des geloofs beleden maar ook in hunne noodzakelijkheid
doorzien en verstaan worden. Het dat is niet voldoende; ook het hoe en
waarom moet begrepen worden. De speculatieve Vermittelungstheologie
zocht daarom aan het lagere standpunt van het gezag te ontkomen en
streefde ernaar om het Christendom als absolute waarheid in zichzelf te
doen rusten. Zij ging wel uit van het geloof maar stelde zich het weten
ten doel. Denknoodwendigheid was haar het bewijs der waarheid.
Dat deze methode noch in de philosophie noch in de theologie tot een
gewenscht resultaat zou leiden, was te voorzien en is door de historie
treffend bewezen. Weerlegging is schier overbodig. De speculatie heeft
reeds lang haar tijd gehad. De philosophie van Hegel leidde bij Feuerbach
en Strauss tot verwerping van heel het christelijk geloof. De wijsgeerige
bewerking der orthodoxe dogmatiek door Schweizer, Scholten, Biedermann
heeft de dogmatische armoede der moderne theologie slechts voor een
korten tijd bedekt. De meer rechtzinnige Vermittelungstheologie kan met
recht zich beroemen op de werken van Rothe, Dorner, Lange, Martensen,
Müller enz., die vol zijn van diepe en schoone gedachten; maar zij heeft
toch volstrekt niet beantwoord aan de verwachting, welke zij opgewekt
had. Het is haar niet gelukt, om de dwaasheid des kruises te veranderen
in eene wijsheid der wereld; zij slaagde er niet in, om door hare
diepzinnige beschouwingen de kinderen dezer eeuw wederom voor Christus
te winnen. Integendeel, de bemiddeling liep uit op eene nog radikalere
scheiding van gelooven en weten, van theologie en philosophie,
van gemeente en wereld. De speculatie, die door een deel der
Vermittelungstheologie werd nagestreefd, ging ook uit van de onjuiste
onderstelling, dat het Christendom een logisch gedachtensysteem was,
waarvan uit het eerste lid alle volgende door denken en redeneeren
konden worden afgeleid. Maar als het zijn der dingen in het algemeen
reeds niet op het denken maar op het willen berust; als de historie,
hoezeer uitvoering van een raad Gods, toch nog iets wezenlijk anders
is dan een rekenexempel; dan is nog veelmeer de christelijke religie
onderscheiden van een logisch gedachtenstelsel. Want het Christendom
is historie, het is eene historie van genade, en genade is iets anders
en iets meer dan eene logische conclusie. In de christelijke religie
komt daarom ook de diepste denker nooit het kinderlijk standpunt van het
gezag en het geloof te boven. Zie behalve de litteratuur, boven bl. 151
genoemd, de art. Specul. Theol. en Theosophie in Herzog¹. Pelt, Theol.
Encyklopädie 1843 S. 532 f. Rothe, Theol. Ethik, 2e Aufl. § 1 f. J.
Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde, 5te Aufl. I S. 1-31.
5. Afzonderlijke bespreking verdient de theologie van Dr. Fr. H. R.
Frank, hoogl. te Erlangen, † Febr. 1894. Frank bestrijdt zoo sterk
mogelijk de zoogenaamde prolegomena der dogmatiek, System der christl.
Gewissheit 2e Aufl. 1884 I 36 f. en geeft in plaats daarvan een System
der christlichen Gewissheit. Deze titel is echter niet bijzonder
duidelijk. Gewisheid, zekerheid is een toestand der ziel en sluit als
zoodanig systeem uit. Indien gewisheid hier echter genomen wordt voor
de objecten des geloofs, waarvan de Christen zeker is, dan is System
der christl. Gewissheit zooveel als System der christl. Wahrheit.
Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede
belangrijk werk juist dezen titel gegeven. In zijn System der christl.
Gewissheit I 48 verklaart hij zich nader en zegt, dat dit zijn systeem
tot object heeft de Gewissheit, voor zoover zij zich uitstrekt tot den
zu verbürgenden Wahrheitsgehalt, d. i. de zekerheid als psychologischen
toestand met al datgene, wat zij verzekert in zooverre als zij het
verzekert. Het systeem der christelijke gewisheid komt dientengevolge
neer op een formeel schema van de verschillende soorten en graden van
zekerheid, die uit het christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de
geloofsobjecten voortvloeien. Nu is het echter Franks bedoeling niet,
dat de objecten van het christelijk geloof niet vooraf zouden bestaan
en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het tegendeel, Gew.
I 313. Hij ontkent evenmin, dat de christelijke zekerheid ontstaan
zou door het woord, Dogmatische Studien, Erl. u. Leipz. 1892 S. 56.
Hij wil die objectieve waarheden niet afleiden uit het wedergeboren
subject, ib. S. 68, 69. Meer nog; als hij al datgene, wat uit het
christelijk zelfbewustzijn volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem
der christelijke zekerheid ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met
duidelijke woorden, dat er nu een omkeer volgt, en dat het laatste het
eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijne eigene zekerheid den
objectieven grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven rust, n.l.
de genade Gods in Christus, en vandaar uit bouwt hij nu het systeem der
christelijke waarheid op, Syst. der chr. Gew. II 281 f. De bedoeling van
Frank is alleen, om antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mensch
daartoe, om op die objectieve factoren des heils, God, Christus, de H.
Schrift, enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods woord
aan te nemen, S. der chr. Gew. II 285 f. Dogm. Stud. 56. In het systeem
der christelijke zekerheid ontwikkelt Frank dus niet zoozeer de gronden
des geloofs, als wel de wegen, waarlangs een mensch tot zekerheid komt
aangaande de christelijke geloofswaarheden. En in het algemeen zegt
Frank nu, dat een mensch deze zekerheid verkrijgt niet door historische
of rationeele bewijzen en evenmin door gezag, kerk, traditie, enz. maar
alleen door de ervaring der wedergeboorte, S. d. chr. Gew. I 314.
De vraag, welke Frank zich ter beantwoording heeft voorgesteld, is
dus allerbelangrijkst; zij is ook noodig en goed, want de christelijke
zekerheid spreekt niet vanzelve en is dikwerf aan twijfel onderhevig.
Ook het antwoord, dat Frank op die vraag geeft, is tot op zekere hoogte
juist. Gelijk het oog noodig is, om het licht te aanschouwen, zoo is
de wedergeboorte van noode, om het koninkrijk der hemelen te zien.
Maar er kan twijfel rijzen of het System der christlichen Gewissheit
van Frank aan deze zijne goede bedoeling beantwoordt. En voor dien
twijfel bestaat grond. Immers is heel het systeem als zoodanig met die
uitgesproken bedoeling in strijd. Als Frank niets had willen doen dan
beschrijven, hoe de geloovige tot zekerheid komt, dan had hij alleen den
oorsprong en den aard dier zekerheid in het licht gesteld en was hij
daarmede geëindigd. Evenals de Erkenntnisstheorie alleen de gronden
ontwikkelt waarop het geloof aan de buitenwereld rust, maar niet elk
voorwerp in die wereld uit deze zekerheid afleidt, zoo had het systeem
der christelijke zekerheid moeten volstaan met het aangeven van de
gronden der zekerheid maar niet haar inhoud moeten bespreken. Dan ware
er echter ook geen systeem in eigenlijken zin van de verschillende
objecten, waarop de zekerheid betrekking heeft, mogelijk geweest.
Frank doet echter veel meer; hij geeft een systeem. Hij leidt alle
geloofswaarheden successief, wel niet in temporeelen maar toch in
logischen, causalen zin, Gew. I 47, II 290 uit de wedergeboorte af. Hij
laat den Christen uit de ervaring der wedergeboorte allengs komen tot
alle christelijke dogmata, „alsof” hij er vroeger en langs anderen weg
niets van wist. Zoo doet Frank met alle dogmata, van zonde, schuld,
God, drieëenheid, menschwording, opstanding, enz. Wij krijgen den indruk,
alsof al deze waarheden buiten Schrift en kerk om door den Christen uit
zijne wedergeboorte kunnen worden afgeleid. Frank verwart onophoudelijk
met elkander de causa essendi en de causa cognoscendi, den objectieven
grond der geloofswaarheid en den subjectieven weg, waarlangs iemand
tot zekerheid daarvan komt. Hij verwisselt en vereenzelvigt objectieve
waarheid en subjectieve zekerheid. Meermalen drukt hij zich zoo uit,
alsof de wedergeborene de objectieve geloofswaarheden eenvoudig
krachtens zijne geestelijke ervaring als realiteiten poneert, Gew. I
94, 193. Hij spreekt van eene Autonomie des christlichen Subjektes als
Garanten der Wahrheit, I 151.
6. Dit alles wortelt bij Frank in eene eigenaardige Erkenntnisstheorie.
Hij gaat een goed eind mede met het idealisme der nieuwere philosophie,
I 58 f. Het object is als object, d. i. voor het subject slechts
aanwezig door die Setzung durch das Subject, ib. 61. Wel erkent Frank
de realiteit der objectieve wereld, zij het ook niet in empiristischen
en sensualistischen zin, ib. 59, 60. Maar onze kennis heeft het nooit
te doen met het Ding an und für sich, maar altijd met het Ding für
uns. Dat wij aan het object een bestaan op zichzelf toekennen, komt
daar vandaan, dat wij ons genoodzaakt zien, om het object zoo en niet
anders te poneeren. Beide richtingen, zoowel het empirisme als het
idealisme, doen dat; zij verschillen alleen in de wijze, waarop zij
het doen, ib. 61. Zekerheid is daarom altijd zekerheid aangaande een
object. Zij bestaat juist hierin, des Objectes inne zu sein als der
Wahrheit, ib. 63. Wij komen door deze redeneering niet verder, dan
dat onze geest zoo ingericht is, dat hij de objectieve realiteit der
voorwerpen, waarvan hij zeker is, moet aannemen; of de menschelijke geest
dit echter terecht doet en niet aan hallucinatie lijdt, is voor Frank
geen vraag. De noodwendigheid der Setzung is voor hem de laatste grond
der objectieve realiteit. De zekerheid is hem niet essentieel maar
erkenntnisstheoretisch de waarborg der waarheid. De realiteit is wel
zijnsgrond der zekerheid, maar deze is kengrond der realiteit.
Deze Erkenntnisstheorie past Frank ook toe op het christelijk geloof. De
objectieve waarheden en feiten van het Christendom gaan wel essentieel
en causaal aan het geloof vooraf, maar in erkenntnisstheoretischen zin
volgen zij er op. Evenals hij nu in de philosophie het zelfbewustzijn
van den mensch tot uitgangspunt neemt, zoo gaat hij in de theologie
uit van het zelfbewustzijn van den Christen, van de ervaring der
wedergeboorte. Maar tegen dit uitgangspunt en tegen deze methode zijn
vele bezwaren. a) Deze wedergeboorte van den Christen en evenzoo al
zijne andere geestelijke ervaringen, ingesloten zelfs zijne zekerheid,
zijn niet spontaan in den Christen ontstaan, maar staan van den beginne
af en bij den voortduur in verband met de objectieve factoren van
Schrift, kerk, enz. Frank erkent dat zelf meermalen, I 123, 124, 191,
enz.; maar ten onrechte maakt hij de geestelijke ervaring dan apriori
van die objectieve factoren los, om ze op zichzelve te stellen en
in zichzelve te doen rusten. Het uitgangspunt van Frank, n.l. de
zekerheid des Christens, is eene loutere abstractie; die zekerheid
rust van den aanvang af en altijd door op de objectieve, van buiten
tot den geloovige komende factoren des heils. b) Door, gelijk boven
werd opgemerkt, in het System der chr. Gew. II 281 f. te erkennen,
dat de orde nu omkeert, geeft Frank zelf toe, dat de wedergeboorte
geen genoegzame zekerheid biedt voor de objectieve waarheid van het
christelijk geloof. Want indien de objectieve, causale orde inderdaad
zoo is, als Frank die in zijn System der christlichen Wahrheit
aangeeft, n.l. zoo, dat het objectieve voorafgaat, dan moet deze ook
de orde zijn van heel het systeem. Het systeem moet afdruk zijn van de
zijnsorde, niet van de wijze, waarop iemand tot kennis en zekerheid
komt van de objectieve waarheid. Want deze wijze is zoo verschillend,
dat ze voor geen systematische beschrijving vatbaar is, cf. boven
bl. 50. c) De methode, waarnaar Frank de objectieve dogmata uit de
zekerheid des Christens construeert, is eene, die in de christelijke
religie en theologie niet past. Zij is ontleend aan de speculatieve
philosophie. Evenals deze haar uitgangspunt nam in een algemeen, van
alles geabstraheerd, vaag principe; zoo is het van alle objectieve
factoren losgemaakte zelfbewustzijn van den Christen, zijne zekerheid
an sich, het cogito ergo sum, het δος μοι που στω voor Frank. Daaruit
concludeert hij allereerst tot de immanente geloofswaarheden. Vervolgens
roept hij de methode der natuurwetenschap te hulp en besluit regressief
uit het gevolg tot de oorzaak en wil het nieuwe leven des Christens
geheel naar empirische methode verklaren, I 39. Zooals de natuurkundige
door de spectraalanalyse de chemische bestanddeelen van de zon tracht
te leeren kennen, zoo beproeft Frank het leven der wedergeboorte
door ontleding tot zijne objectieve factoren te herleiden, I 315. De
Christen, nadenkende over zijn geestelijk leven, kan het niet anders
verklaren dan door aan te nemen, dat God drieëenig is, dat Christus
mensch geworden is en voldaan heeft, enz. d) Deze methode is ook met
alle christelijke ervaring in strijd. Zoo kwam nooit eenig Christen tot
zekerheid aangaande de objectieve waarheid. Zij gaat geheel buiten
de werkelijkheid om. Bovendien is zij onpractisch, want in twijfel en
ongeloof mist de Christen juist die zekerheid, welke alleen volgens
Frank hem de objectieve waarheid van zijn geloof waarborgen kan. In
zulke tijden heeft hij juist een objectief woord, eene objectieve daad
van noode, welke hem staande houdt en waaraan hij zich vastklemmen
en uit de diepte des twijfels en der aanvechting wederom opheffen
kan. e) Eindelijk zijn er nog verschillende andere bedenkingen in te
brengen tegen het systeem van Frank. Zoo lijdt de overgang van het
natuurlijk tot het geestelijk weten en evenzoo het verband tusschen
beide bij Frank aan onduidelijkheid. De onderscheiding van een tweeërlei
ik in den wedergeborene is voor allerlei misverstand vatbaar; in de
wedergeboorte wordt geen nieuw ik in den mensch geschapen maar het ik
van den psychischen mensch vernieuwd. De splitsing van de dogmatiek
in een systeem der zekerheid en een systeem der waarheid is niet vol
te houden, wijl de zekerheid des Christens niet beschreven kan worden
zonder de waarheid, welke zij geldt. Maar het bovenstaande is genoeg,
om te doen zien, dat de beschuldiging van subjectivisme, al is ze ook
vaag, niet geheel ten onrechte tegen de theologie van Frank, evenals
tegen die van Ritschl ingebracht is. Cf. over Frank: Henri Bois,
De la certitude chrétienne. Essai sur la théologie de Frank, Paris
Fischbacher 1887. O. Flügel, Die spekulative Theol. der Gegenwart
2e Aufl. 1888 S. 188 f. Dr. A. Carlblom, Zur Lehre von der christl.
Gewissheit, Leipzig 1874. Dorner, Christl. Glaubenslehre I 1879 S.
37 f. Pfleiderer, Die Entwicklung der protest. Theol. usw. 1891 S.
183 f. Polstorff, Der Subjektivismus in der modernen Theologie und
sein Unrecht, Gütersloh 1893. Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g.
kirchl. Theol. 1890 S. 110 f. Ernst Haack, Ueber Wesen und Bedeutung
der christl. Erfahrung, Schwerin 1894.
§ 16. DE ETHISCH-PSYCHOLOGISCHE METHODE.
1. Naast de historische bewijzen en de speculatieve redeneering bestaat
er nog eene derde manier, waarop men het christelijk geloof heeft
zoeken te rechtvaardigen; en dat is de ethisch-psychologische methode.
Deze vat het Christendom niet op als eene leer, die gedemonstreerd,
of als een historisch feit, dat bewezen kan worden; maar als eene
religieus-ethische macht, die zich richt tot hart en geweten. Zij
meent daarom ook niet, dat het Christendom aan ieder mensch zonder
onderscheid en in alle omstandigheden aannemelijk kan worden gemaakt,
maar zij eischt in den mensch eene voorafgaande zedelijke gesteldheid,
een zin voor het goede, eene behoefte aan verlossing, een gevoel van
onvoldaanheid enz. En als het Christendom dan met zulk een mensch in
aanraking komt, beveelt het zichzelf zonder redeneering en bewijs aan
zijne conscientie als goddelijke waarheid aan. Want het bevredigt zijne
religieus-ethische behoeften, het beantwoordt aan zijne hoogere, edele
inspiratiën, het verzoent hem met zichzelf, het bevrijdt hem van de
schuld en den last der zonde, het schenkt hem vrede, troost, zaligheid,
en in dit alles bewijst het zich als de kracht en de wijsheid Gods.
Ook deze bewijsvoering voor de waarheid van het Christendom is reeds
zeer oud. Tertullianus beriep zich al op het getuigenis, dat de
ziel onwillekeurig voor Christus aflegt, de test. an. 1. cf. Apol.
c. 17. Arnobius, adv. gentes II, 2. Bij vele Apologeten vinden we de
gedachte, dat de heidensche philosophie en mythologie onbekwaam zijn,
om een bevredigend antwoord te geven op de vragen naar God, mensch
en wereld; om aan de religieuse behoeften te voldoen en een waarlijk
zedelijk leven te kweeken. Het Christendom daarentegen omvat al het
ware en goede, dat er verstrooid ook nog in de heidenwereld aanwezig
was; het geeft stof aan het denken, het vernieuwt het hart, het kweekt
allerlei deugden; het Christendom is de ware philosophie. Ὁσα οὐν παρα
πασι καλως εἰρηται, ἡμων των χριστιανων ἐστιν, Just. Mart. Apol. II
13. cf. Harnack, D. G. I 421 f. 436 f. Evenzoo wijst Duns Scotus in
den proloog voor zijne Sententiae op de redelijkheid van den inhoud der
openbaring, op hare zedelijke werking en op hare genoegzaamheid voor den
mensch, om zijne bestemming te bereiken. De argumenten, door Roomsche en
Protestantsche theologen voor de waarheid der openbaring aangevoerd,
waren niet alleen ontleend aan de wonderen en voorspellingen enz.;
maar ook aan de schoonheid en majesteit van den stijl der Schrift, aan
de onderlinge overeenstemming van al hare deelen, aan de verhevenheid
en goddelijkheid van haar inhoud, aan de werking en invloed, die er van
de christelijke religie uitgegaan was op het verstandelijk, zedelijk,
aesthetisch, sociaal en politiek leven van den enkele en van gezinnen
en volken, Bellarminus, de Conc. et Eccl. lib. 4. cap 11 sq. Perrone,
Praelect. Theol. I 129 sq. Jansen I 158 sq. 269 sq. Hake, Handbuch der
allgem. Religionswiss. 1887 II 228 f. Calv. Inst. I c. 8. Maresius,
Syst. theol. loc. I § 31. Synops. pur. theol. Disp. 2. § 17 sq. 25.
Vitringa, Doctr. christ. relig. cap. 2 § 26-29. Hoornbeek, Theol.
pract. I p. 48. Quenstedt, Theol. didact-pol. I cap. 3 sect. 2 qu. 16.
Glassius, Philol. Sacra I tract. 3. etc. Zelfs Rousseau kon in zijn
Emile aan het leven en de leer van Jezus zijn lof niet onthouden: oui,
si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de
Jesus sont d’un Dieu. Het supranaturalisme verdeelde de bewijzen voor
het Christendom in uit- en inwendige, en verstond onder de laatste
juist die, welke de overeenstemming van het Christendom met de redelijke
en zedelijke natuur des menschen aantoonden en vooral voor zijn hart en
geweten van kracht waren. Ook de theologen van deze richting zagen
in, dat de bewijzen toch niet voor ieder mensch zonder onderscheid
voldoende waren, dat zij geen mathematische maar moreele zekerheid
verschaften, en daarom ook eene zekere zedelijke gesteldheid van ’s
menschen zijde onderstelden, Knapp, Glaub. I S. 71 f. Bretschneider,
Dogm. I S. 281 f. Id., Entwicklung aller in der Dogm. vork. Begriffe,
4e Aufl. S. 219-230. Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. § 38. Vinke,
Theol. Christ. Dogm. Comp. p. 17 sq. Voigt, Fundamentaldogm. S. 269 f.
Oosterzee, Dogm. I bl. 199. 234 v. 252 v. Gretillat, Exposé de theol.
systém. II 163 s. 176 s. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb. 1892 p. 42.
Vooral echter is de ethisch-psychologische methode in eere gekomen door
Pascal en Vinet. Bij beiden stond ze echter nog niet met de historische
bewijsvoering in tegenstelling. De historische bewijzen vormen zelfs in
de apologie van Pascal een noodzakelijk element en werden door hem zelf
zeer hoog gewaardeerd, Wijnmalen, Pascal als bestrijder der Jezuiten
en verdediger des Christendoms 1865 bl. 164-188. Maar hij gaf toch
aan die historische bewijzen eene andere plaats en beteekenis. Zijne
apologie is anthropologisch, ze gaat uit van de ellende des menschen,
en wil bij hem eene behoefte naar verlossing wekken. En dan toont ze
aan, dat die behoefte niet in de heidensche godsdiensten en in de
wijsgeerige stelsels bevrediging vindt maar alleen in de door Israëls
godsdienst voorbereide christelijke religie. En ook Vinet versmaadde
de historische bewijzen niet, Discours sur quelques sujets religieux,
6e ed. Paris 1862 p. 29. Essais de philos. morale et relig. 1837 p. 36
s., maar hij acht ze toch onvoldoende en hecht grooter waarde aan het
inwendig bewijs. Hij wil, dat de apologeet den ethischen weg bewandele
en het Christendom van zijne ethische zijde, als de ware humaniteit,
aan het geweten des menschen aanbevele, cf. zijn l’Evangile compris
par le coeur in de Discours t. a. p. p. 29-41, en Le regard, in zijne
Etudes Evangéliques 1847, cf. Dr. J. Cramer, Alex. Vinet, Leiden,
Brill 1883 bl. 99 v. 117 v. Sedert is deze methode, met verwaarloozing
en soms zelfs met minachting van de historische bewijzen, overgenomen
en gehuldigd door Astié, De theol. des verstands en de theol. des
gewetens, uit het Fransch door D. Ch. de la Saussaye 1866. Pressensé,
Les Origines, Paris 1883 p. 114-128. Sécrétan, La civilisation et la
croyance, Paris, Alcan 1887, Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. bl.
55 v. 64 v.; en voorts vinden we deze zelfde bewijsvoering voor het
Christendom bij Delitzsch, System der christl. Apol. Leipzig 1869 S.
30, 34 f. Baumstark, Christl. Apol. auf anthropol. Grundlage I 1872 S.
34-36. Köstlin, Die Begründung unserer sittlich-relig. Ueberzeugung,
Berlin 1893 S. 58 f. enz.
2. Verwant aan deze methode is het moreel bewijs, gelijk het door
Kant is voorgedragen. Kant nam twee bronnen voor onze kennis aan,
de Sinnlichkeit voor de stof, en het verstand voor den vorm onzer
kennis. Maar daarboven staat nu nog de rede, de reine Vernunft, wier
apriorische synthetische Grundsatz deze is, dat zij uit het Bedingte
tot het Unbedingte opklimt, Kr. d. r. Vern. ed. Kirchmann 5te Aufl.
S. 300, cf. 310, 312, 319, 347. Krachtens deze eigenaardigheid vormt
de theoretische rede verschillende Grundsätze of ideeën, ib. 308, die
absoluut, unbedingt, transcendent zijn en door de rede niet willekeurig,
maar overeenkomstig hare natuur worden voortgebracht, ib. 312 f. Die
ideeën zijn vooral een drietal, God, vrijheid en onsterfelijkheid, ib.
317 f. Deze ideeën kunnen echter niet in hare objectieve waarheid
aangetoond, maar slechts subjectief uit de natuur der rede afgeleid
worden. De objecten dier ideeën zijn niet waarneembaar, en dus niet
kenbaar. Wij komen tot die ideeën alleen door een nothwendigen
Vernunftschluss, ib. 321. Ze zijn alle drie theoretisch onbewijsbaar. Zij
vermeerderen onze kennis niet, maar regelen en ordenen ze slechts, en
doen ons alles zoo aanzien en beschouwen, „alsob” die ideeën realiteit
hadden, ib. 337, 425, 512, 530, 535, 537, 539, 540 f. Dat ze realiteit
hebben en wat ze zijn, kan ons de theoretische rede niet leeren. Maar
nu is de rede niet alleen theoretisch maar ook practisch. Dat is: ze
draagt eene zedelijke wet, een kategorischen imperatief in zich en houdt
ons den plicht voor. En zij eischt, dat we dien plicht onvoorwaardelijk,
zonder bijbedoeling, alleen uit achting voor dien plicht als zoodanig
volbrengen zullen. Zij openbaart dus, dat de mensch nog tot eene andere
orde dan die der natuur behoort, n.l. tot eene zedelijke wereldorde;
dat hij naar een hoogste goed heeft te streven, hetwelk de zinnelijke
goederen des levens ver te boven gaat en in niets anders bestaat dan in
de eenheid van deugd en geluk. Indien dit gebod van den plicht nu geen
illusie maar uitvoerbaar is, en het hoogste goed, de eenheid van deugd
en geluk, werkelijk eens bereikt zal worden; indien m. a. w. de zedelijke
wereldorde in ons en buiten ons eenmaal zal triumfeeren over de orde
der natuur; dan moet God, de vrijheid, de onsterfelijkheid bestaan. Deze
drie zijn dus postulaten der practische rede, haar realiteit wordt door
de zedewet geëischt, de practische rede heeft haar bestaan noodig, Kr.
der prakt. Vernunft, ed. Kirchmann, 3e Aufl. 1882. S. 159 f.
Dat is in hoofdzaak de beroemde postulaatstheorie van Kant. Maar zij is
niet boven kritiek verheven. Ten eerste is het niet helder, wie deze
postulaten uit de practische rede afleidt. Kant schijnt te meenen, dat
de practische rede zelve dit doet. Maar dan komen er twee practische
reden, eene voorafgaande en eene volgende, eene die den plicht
voorhoudt en eene die daaruit door redeneering tot het bestaan der
ideeën besluit. De practische rede wordt dan zelve weer theoretisch,
Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 325, 328. Van meer gewicht is eene
andere bedenking, welke toch de grond zij, waarop de theoretische
of practische rede tot het bestaan dier ideeën besluit; wat is het
dringend motief voor die postulaten? Indien die grond, dat motief ligt
in de practische rede op zichzelve, in den kategorischen imperatief, in
het gebod van den plicht als zoodanig; dan kan ook de meest zedelooze
uit het verschijnsel van die practische rede tot de realiteit dezer
drie ideeën besluiten. Nu schijnt het soms, alsof Kant dit werkelijk
meent. Hij geeft meermalen den indruk, alsof de practische rede op
zichzelve, zonder meer, om zich te kunnen realiseeren, deze postulaten
stellen moet. Hij zegt niet alleen, dat ieder zedelijk ontwikkeld mensch
bevoegd is, om zoo te postuleeren, maar dat het voor elk redelijk wezen
onvermijdelijk is, om zoo te besluiten; dat de onderstellingen van het
bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid even noodwendig zijn als
de zedewet zelve, Kr. d. pr. V. 173 noot; en hij betoogt juist S. 146
f. 149 f. dat de zedewet, om uitvoerbaar te zijn, die drie ideeën als
bestaande moet aannemen. Maar, indien dit Kants meening is, dan hebben
we hier niet met psychologisch bemiddelde maar met objectief logische
postulaten te doen; en de vraag rijst, waarom is zulk een logisch
postulaat dan toch geen weten, geen element der theoretische rede?
Waarom noemt Kant dit weten alleen practisch? Er pleit daarom meer voor
om te denken, dat de grond en het motief voor deze postulaten niet ligt
in de practische rede op zichzelf, maar in de zedelijke gezindheid, in
den zedelijken wil van den mensch, die ernstig, zij het ook met zwakheid,
aan den plicht, welken de practische rede hem voorschrijft, tracht te
gehoorzamen. Daarom verklaart hij in de Kr. d. r. Vernunft S. 638 f.,
dat de moralische Glaube een voor waar houden is op psychologische,
moreele gronden; daarom zegt dit zedelijk geloof niet, het is zeker,
maar ik ben moreel zeker; daarom rust het op de Voraussetzung
moralischer Gesinnungen, ib. 639. En evenzoo zegt hij, Kr. d. pr. V. S.
172: der _Rechtschaffene_ darf sagen; ik wil dat er een God is, ik laat
mij dit geloof niet ontnemen, mijn zedelijk belang vordert het bestaan
van God; en S. 173: het moreele geloof is geen gebod, een geloof,
dat geboden wordt, is een onding; en S. 173-175: het plichtbesef is
objectief en evenzoo de mogelijkheid om zedelijk te handelen en gelukkig
te zijn; maar of dat verband tusschen deugd en geluk nu gelegd wordt
door een persoonlijk God of door den samenhang der natuur, weten wij
niet. Het zedelijke belang geeft hier den doorslag; het staat in unserer
Wahl, maar de practische Vernunft beslist voor het geloof aan een
wijzen Schepper der wereld. Inderdaad is er bij Kant een dubbel streven
merkbaar, eenerzijds om de redelijkheid en andererzijds om de vrijheid van
het geloof te handhaven. Het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid
is in zooverre objectief als het gepostuleerd wordt door de aan allen
eigene practische rede, maar hangt toch ook weer af van de zedelijke
gezindheid van den individueelen mensch. Cf. over de practische
Vernunft en de postulaatstheorie van Kant o. a. Schopenhauer, Die
Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. I 610-625. J. Gottschick,
Kants Beweis für das Dasein Grottes 1878. E. Katzer, Der moralische
Gottesbeweis nach Kant und Herbart, Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S.
482-532, 635-689. B. Pünjer, Gesch. der christl. Religionsphil. II S.
19-30. Fr. Paulsen, Was uns Kant sein kann, Separat-Abdruck aus der
Vierteljahrsschrift für wiss. Philos. V S. 57 f. Rauwenhoff, Wijsbeg. v.
d. godsd. 321 v. Leendertz, Het ethisch-evangelisch standpunt en het
christ.-godsd. geloof 1891 I 215 v.
3. De beteekenis van Kant voor de theologie bestond voornamelijk daarin,
dat hij scheiding maakte tusschen phaenomenon en noumenon, erklärbare
en erlebbare Wirklichkeit, wereld van ’t zijnde en van de Werthe, weten
en gelooven, wetenschap en religie, theoretische en practische rede.
De religie kwam naast en buiten de wetenschap te staan, en rustte op
een eigen grondslag, op dien van ’s menschen zedelijke natuur. Reeds
terstond was de invloed van Kants philosophie op de theologie merkbaar.
Het supranaturalisme betoogde op grond van de onkenbaarheid van het
bovenzinlijke de noodzakelijkheid der openbaring. Het rationalisme
sloot zich aan bij de rationeele moraal en de moralistische religie
van Kant. Schleiermacher nam Kant’s leer van de onkenbaarheid van het
bovennatuurlijke en zijne scheiding van religie en wetenschap over,
maar zocht voor de religie eene veilige schuilplaats in het gevoel.
Maar vooral nadat de ijdelheid der historisch-apologetische en der
speculatieve bewijsvoering gebleken was, gingen velen naar Kant terug.
Hier te lande geschiedde dit reeds door Hoekstra. Onbevredigd door het
intellectualisme en determinisme van Scholten, zocht hij den grondslag
van het godsdienstig geloof met Kant in de practische rede en hare
postulaten. Het geloof is volgens Hoekstra een zedelijke daad van den
wil, een postulaat van onzen inwendigen geestelijken mensch tegenover de
levenservaringen; het rust op het geloof aan de waarheid van ons eigen
innerlijk wezen. Die wereldbeschouwing is alleen de ware, welke aan
ons innerlijk wezen, aan onze zedelijke behoeften beantwoordt, Bronnen
en grondsl. van het godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 45 v. Later heeft
Hoekstra in een artikel in het Theol. Tijdschr. 1872 bl. 1 v. zijne
gedachte nader gepreciseerd, en het godsdienstig geloof gegrond niet op
onze behoeften, idealen, aspiratiën in het algemeen, maar bepaald op
het onvoorwaardelijk plichtbesef, ib. 32, cf. Wijsgeerige Godsdienstleer
I 220. In aansluiting aan Hoekstra laten Ph. R. Hugenholtz, Studien
op godsdienst- en zedekundig gebied, Amst. 1884-89, bv. II 142 v.
Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 335 v. Leendertz, Het ethisch-evang.
standpunt en het christ. godsd. geloof. Rott. 1891 I 7, 10, 57 v. en
anderen het godsdienstig geloof wortelen in het zedelijk zelfbewustzijn.
De ethische modernen zijn nog een stap verder gegaan; afziende van de
poging om tot een wijsgeerig stelsel te komen, hebben ze geloof en
wetenschap zoo scherp mogelijk gescheiden en de religie tot het gebied
van het zedelijke beperkt. Religie is zedelijk idealisme, toewijding aan
het zedelijk ideaal, geloof aan de macht van het goede, welke macht dan
volgens de meesten nog wel een objectief bestaan heeft, maar bij enkelen
niets is dan eene conceptie van den menschelijken geest. Cf. Rauwenhoff,
Wijsb. v. d. godsd. bl. 116 v., 366 v., die bl. 116 ook litt. aangeeft.
Voorts nog J. W. v. d. Linden, in de Gids, Dec. 1883 en Bijblad van de
Herv. 9 Sept. 1887. Dr. A. Bruining, Verschillende schakeeringen van
modernen, Bijblad v. d. Herv. 10 Febr. 1885. De Bussy, Ethisch idealisme
1875. Id. Over de waarde en den inhoud van godsd. voorstellingen 188O.
Id. De maatstaf van het zedelijk oordeel, enz. 1889. Id. Theol. Tijdsch.
Jan. 1895 bl. 1-14. Een soortgelijk dualisme wordt ook aangetroffen bij
Dr. J. H. Gunning, Overlevering en wetenschap 1879, Dr. J. W. Gunning,
in de inleiding voor Christendom en Natuurwetenschap, acht voordrachten
van Fred. Temple, Haarlem 1887, en eveneens bij Doedes, als hij scheiding
maakt tusschen het geloof, dat op gronden steunt en de wetenschap, die
op bewijzen rust, Inl. tot de Leer van God 1880 bl. 7 v.