D. De duidelijkheid der Schrift.

13. Eene andere belangrijke eigenschap, die de Hervorming tegenover

Rome aan de Schrift toekende, was de perspicuitas. Volgens Rome is de

Schrift duister, Ps. 119:34, 68; Luk. 24:27; Hd. 8:30; 2 Petr. 3:16.

Ook in die zaken, welke op geloof en leven betrekking hebben, is ze

niet zoo helder, dat zij uitlegging missen kan. Ze handelt immers over

de diepste verborgenheden, over God, de drieëenheid, de vleeschwording,

de voorbeschikking enz., en is zelfs in de zedelijke voorschriften

bv. Mt. 5:34, 40, 10:27; Luk. 12:33, 14:33 menigmaal zoo onduidelijk,

dat misverstand en misvatting ieder oogenblik in de christ. kerk is

voorgekomen. Tot recht verstand der Schrift is ook allerlei kennis

noodig van historie, geographie, chronologie, archaeologie, talen enz.,

welke voor de leeken onbereikbaar is. De Protestanten schrijven dan ook

zelven tallooze commentaren en wijken bij de belangrijkste teksten in

exegese van elkander af. Daarom is er eene uitlegging der H. Schrift

noodig. Deze kan niet door de Schrift zelve worden gegeven, de Schrift

kan niet haar eigen uitlegster zijn. Reeds Plato, Phaedrus p. 274 zei,

dat de letter mishandeld wordt en zichzelve niet helpen kan, en dat zij

de hulp van haar vader behoeft. Zij is stom en kan in een geschil geen

beslissing geven. Zij is gelijk aan de wet, waarnaar de rechter uitspraak

doet, maar zij is niet wet en rechter tegelijk. De geleerde Jezuit

Jakob Gretser maakte op het religiegesprek te Regensburg 1601 diepen

indruk, toen hij aldus sprak: Sumus in conspectu sacrae Scripturae et

Spiritus Sancti. Pronuntiet sententiam. Et si dicat: tu Gretsere male

sentis, cecidisti causa tua, tu Jacobe Heilbrunnere vicisti; tunc ego

statim transibo ad vestrum scamnum. Adsit, adsit, adsit et condemnet

me! Er moet dus een uitlegger en een rechter zijn, die naar de Schrift

beslissing geeft. Indien er zulk een rechter niet is, dan wordt de

uitlegging geheel subjectief, ieder oordeelt naar zijn goedvinden en

houdt zijne eigene individueele opvatting voor onfeilbaar. Ieder ketter

heeft zijn letter. Ieder zoekt naar het bekende distichon van Werenfels,

in de Schrift juist zijne dogmata. De Schrift wordt overgeleverd

aan allerlei willekeur. Individualisme, enthusiasme, rationalisme,

eindelooze verdeeldheid is het slot. En wat het ergste is, indien

er geen onfeilbare uitlegging is, dan is er ook geen volstrekte

geloofszekerheid; de grondslag, waar de hope des Christens op rust,

is dan vrome meening, wetenschappelijk inzicht, maar geen goddelijke,

onfeilbare getuigenis. En zoo ver is het er van af, dat iemand uit de

H. Schrift zich een eigen overtuiging of leer kan vormen, dat ook de

Protestanten feitelijk even goed als de Roomschen, van traditie leven en

afgaan op het gezag van kerk, synodes, vaders, schrijvers enz.

Zulk eene onfeilbare, goddelijke uitlegging van de Schrift is echter

door God in zijne kerk geschonken. Niet de doode, onbegrepene, duistere

en aan zichzelve overgelatene Schrift, maar de kerk, de levende,

steeds tegenwoordige, altijd door den Geest zich vernieuwende kerk

is de middelares der waarheid en de onfeilbare uitlegster der H.

Schrift. Immers, elk is de beste uitlegger van zijn eigen woord. De ware

interpreet van de Schrift is dus de H. Geest, die haar auteur is. En

deze heeft zijn onfeilbaar orgaan in de kerk, of beter nog, in den paus.

De kerk is door de traditie in het bezit der waarheid; zij wordt geleid

door dienzelfden Geest welke de Schrift deed ontstaan; zij is aan haar

verwant; zij alleen kan haar zin verstaan; zij is de pilaar en vastigheid

der waarheid. Zoo is ook altijd de praktijk geweest. Mozes, de priesters,

Christus, de apostelen verklaarden en beslisten voor de gemeente, Ex.

18; Deut. 17:9 v.; 2 Chr. 19:9 v.; Pred. 12:12; Hagg. 2:2; Mal. 2:7;

Mt. 16:19, 18:17, 23:2; Luk. 22:32; Joh. 21:15 v.; Hd. 15:28; Gal. 2:2;

1 Cor. 12:8 v.; 2 Petr. 1:19; 1 Joh. 4:1, en pausen en conciliën hebben

dat voorbeeld gevolgd. Daarom stelde het Trentsch concilie in sess.

4 vast, dat niemand de H. Schrift mag uitleggen contra eum sensum,

quem tenuit et tenet sancta mater ecclesiae, cujus est judicare de

vero sensu et interpretatione Scripturarum Sanctarum, aut etiam contra

unanimem consensum Patrum, en bond daarmede de exegese niet alleen

negatief, gelijk sommige Roomschen het pogen op te vatten, maar zeer

beslist ook positief. Niemand mag eene andere exegese geven, dan die

welke de kerk door hare patres, concilies of pausen gegeven heeft. De

professio fidei van Pius IV, bij Denzinger, Enchir. symb. et defin. n.

864 en het Vaticanum sess. 3 cap. 2 alin. 4 laten dienaangaande geen

twijfel over. Maar niet alleen is door deze leer van de duisterheid der

Schrift de wetenschappelijke exegese aan den paus onderworpen. Nog meer

afhankelijk en gebonden is daardoor de leek. De Schrift is van wege haar

duisterheid geen geschikte lectuur voor de leeken. Zonder uitlegging

is ze voor het volk onverstaanbaar. Daarom werd het overzetten der

Schrift in de volkstaal en het lezen van den Bijbel door het volk sedert

het misbruik, dat er in de Middeleeuwen en later van gemaakt werd,

door Rome hoe langer hoe meer beperkt. Lezing der Schrift is aan de

leeken niet geoorloofd dan met toestemming der kerkelijke overheid. De

Protestantsche Bijbelgenootschappen zijn herhaaldelijk door de Pausen

veroordeeld, en in de Encycliek van 8 Dec. 1864 met de socialistische

en communistische vereenigingen op ééne lijn gesteld, Denzinger, Enchir.

n. 1566. En wel beveelt de tegenwoordige paus in zijne Encycliek de

studiis Sacrae Scripturae de Schriftstudie aan, maar niet aan de

leeken, Vincentius Lerinensis, Commonitorium cap. 3. Bellarminus, de

verbo Dei, lib. III. M. Canus, Loci Theol. II cap. 6 sq. Perrone,

Praelect. theol. IX 98 sq. Heinrich, Dogm. I 794 f. Möhler, Symbolik §

38 f. Jansen, Prael. theol. I 771 s. Herzog² art. Bibellesen.

14. De leer van de perspicuitas S. Scr. is meermalen, zoowel door

Protestanten als Roomschen misverstaan en onjuist voorgesteld. Ze houdt

niet in, dat de zaken en onderwerpen, waarover de Schrift handelt, geen

verborgenheden zijn, die het menschelijk verstand verre te boven gaan.

Ook beweert ze niet, dat de H. Schrift duidelijk is in al haar deelen,

zoodat er geene wetenschappelijke exegese noodig zou wezen. En evenmin

bedoelt ze, dat de H. Schrift, ook in de leer der zaligheid, klaar en

duidelijk is voor ieder mensch zonder onderscheid. Maar ze sluit alleen

in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid noodig is,

niet op elke bladzijde der H. Schrift even klaar, maar toch door heel de

Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken vorm wordt voorgesteld,

dat iemand, wien het om de zaligheid zijner ziel te doen is, gemakkelijk

door eigen lezen en onderzoek uit de Schrift die waarheid kan leeren

kennen, zonder hulp en leiding van kerk en priester. De weg der

zaligheid is er, niet wat de zaak maar wat den modus tradendi betreft,

klaar in neergelegd voor den heilbegeerigen lezer. Het πως moge hij

niet verstaan, het ὁτι is toch duidelijk, Zwingli, De claritate et

certitudine verbi Dei, Op. ed. Schuler et Schulthess I 65 sq. Luther bij

Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 58 f. Zanchius, de Scr. Sacra,

Op. Omnia VIII 407 sq. Chamier, Panstratia catholica 1626 Loc. 1 Lib. I

cap. 13-32. Amesius, Bellarminus Enervatus. Amst. 1630, lib. 1 cap. 4

en 5. Turretinus, Theol. El. loc. 2 qu. 17. Trigland, Antapologia cap.

3. Synopsis pur. Theol. disp. 5. Gerhard, Loci Theol. Loc. 1 cap. 20

sq. Glassius, Philologia Sacra 1691 p. 186 sq.

Zoo verstaan, is de perspicuitas eene eigenschap, welke de H. Schrift

herhaaldelijk van zichzelve praediceert. De thora is door God aan

gansch Israel gegeven, en Mozes brengt al de woorden des Heeren over

aan heel het volk. De wet en het woord des Heeren is niet ver van een

iegelijk hunner, maar is een licht op het pad en een lamp voor den

voet, Deut. 30:11; Ps. 19:8, 9, 119:105, 130; Spr. 6:23. De profeten

richten zich sprekende en schrijvende tot heel het volk, Jes. 1:10 v.,

5:3 v., 9:1, 40:1 v.; Jer. 2:4, 4:1, 10:1; Ezech. 3:1. Jezus spreekt

vrijuit tot al de scharen, Mt. 5:1, 13:1, 2, 26:55, enz. en de apostelen

schrijven aan al de geroepen heiligen, Rom. 1:7; 1 Cor. 1:2; 2 Cor.

1:1 enz., en zorgen zelf voor de verbreiding hunner brieven, Col.

4:16. Het geschreven woord wordt allen ten onderzoek aanbevolen, Joh.

5:39; Hd. 17:11 en is juist geschreven om geloof, lijdzaamheid, hope,

vertroosting, leering enz. te schenken, Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim.

3:16; 1 Joh. 1:1 v. Van eene onthouding der Schrift aan de leeken is

nergens sprake. De geloovigen zijn zelven mondig en in staat om te

oordeelen, 1 Cor. 2:15, 10:15; 1 Joh. 2:20; 1 Petr. 2:9. Hun worden

de woorden Gods toebetrouwd, Rom. 3:2. De kerkvaders weten dan ook

niets van de duisterheid der Schrift in den lateren Roomschen zin. Wel

spreken ze dikwerf over de diepten en verborgenheden der H. Schrift,

cf. plaatsen bij Bellarm. de verbo Dei III c. 1.; maar ze roemen even

dikwerf haar klaarheid en eenvoud. Zoo zegt Chrysostomus, hom. 3 de

Lazaro, als hij de geschriften der profeten en apostelen met die der

wijsgeeren vergelijkt: Οἱ δε ἀποστολοι και οἱ προφηται τοὐναντιον ἁπαν

ἐποιησαν· σαφη γαρ και δηλα τα παρ’ αὐτων κατεστησαν ἁπασιν, ἁτε

κοινοι της οἰκουμενης ὀντες διδασκαλοι, ἱνα ἑκαστος και δι’ ἑαυτου

μανθανειν δυνηται ἐκ της ἀναγνωσεως μονης τα λεγομενα. En elders,

hom. 3 in 2 Thess. zegt hij: παντα σαφη και εὐθεα τα παρα ταις θειαις

γραφαις, παντα τα ἀναγκαια δηλα. Evenzoo lezen we bij Augustinus,

de doctr. chr. 2, 6: nihil de illis obscuritatibus eruitur, quod

non plenissime dictum alibi reperiatur, en ibid. 9: in iis quae

clare in scripturis tradita sunt, inveniuntur omnia, quae continent

fidem moresque vivendi. Bekend is ook het woord van Gregorius I,

waarin hij de Schrift vergelijkt bij een fluvius planus et altus, in

quo et agnus ambulet et elephas natet. Zelfs nu nog moeten Roomsche

theologen erkennen, dat veel in de H. Schrift zoo duidelijk is, dat

de geloovige niet alleen het verstaan kan, maar ook de ongeloovige,

den duidelijken zin verwerpend, onontschuldigbaar is, Heinrich, Dogm.

I 819. De kerkvaders dachten er dan ook niet aan, om de lezing der

Schrift aan de leeken te verbieden. Integendeel, zij dringen telkens

op onderzoek der H. Schriften aan, en verhalen van den zegen, dien zij

zelven uit de lezing ontvingen, Vigouroux, Les livres saints et la

critique rationaliste, 3 ed. I 280 s. Gregorius I beval het lezen der

Schrift nog aan alle leeken aan, Herzog² 2, 376. De beperking van het

Bijbellezen kwam eerst op, toen sedert de twaalfde eeuw verschillende

secten tegen de kerk op de Schrift zich gingen beroepen. De meening

vond toen ingang, dat het bijbellezen der leeken de voornaamste bron der

ketterij was. Ter zelfverdediging heeft Rome toen hoe langer hoe meer

de duisterheid der Schrift geleerd en haar lectuur aan toestemming der

kerkelijke overheid gebonden.

15. Inderdaad hebben de kerken der Hervorming tegenover Rome geen

machtiger wapen dan de Schrift. Zij brengt aan de kerkelijke traditie

en hierarchie de doodelijkste slagen toe. De leer van de perspicuitas

S. Scr. is een van de hechtste bolwerken van de Reformatie. Ze

brengt zeer zeker haar ernstige gevaren mede. Het Protestantisme is

er hopeloos door verdeeld. Het individualisme heeft zich ten koste

van het gemeenschapsgevoel ontwikkeld. Het vrije lezen en onderzoeken

der Schrift is en wordt door allerlei partijen en richtingen op de

schromelijkste wijze misbruikt. Maar toch wegen de nadeelen tegen de

voordeelen niet op. Want de loochening van de duidelijkheid der Schrift

brengt mede de onderwerping van den leek aan den priester, van het

geweten aan de kerk. Met de perspicuitas S. Scr. valt de vrijheid van

godsdienst en geweten, van kerk en theologie. Zij alleen is in staat,

om te handhaven de vrijheid van den Christenmensch; zij is oorsprong en

waarborg van de religieuse en ook van de politieke vrijheden, Stahl, Der

Protest. als polit. Princip. 2e Aufl. 1853. Saussaye, Het Protest. als

politiek beginsel, Rott. 1871. Kuyper, Het Calvinisme, oorsprong en

waarborg onzer constitutioneele vrijheden, Amst. 1874. En eene vrijheid

die niet anders verkregen en bezeten kan worden dan met het gevaar

der losbandigheid en willekeur, is altijd nog te verkiezen boven eene

tirannie, die alle vrijheid onderdrukt. God zelf heeft bij de schepping

van den mensch dezen weg der vrijheid, die het gevaar en werkelijk

ook het feit der zonde meebracht, verkoren boven dien van gedwongen

onderwerping. En nog altijd volgt Hij in het bestuur van wereld en kerk

dezen koninklijken weg der vrijheid. Dat is juist zijne eere, dat Hij toch

door de vrijheid heen zijn doel bereikt, uit de wanorde de orde, uit de

duisternis het licht, uit den chaos den kosmos schept. Beide, Rome

en de Hervorming, stemmen hierin overeen, dat de H. Geest alleen de

ware uitlegger is van het woord, Mt. 7:15, 16:17; Joh. 6:44, 10:3; 1

Cor. 2:12, 15, 10:15; Phil. 1:10, 3:13; Hebr. 5:14; 1 Joh. 4:1. Maar

Rome meent, dat de H. Geest alleen onfeilbaar leert door den paus;

de Hervorming gelooft, dat de H. Geest woont in het hart van ieder

geloovige; ieder kind van God heeft de zalving van den Heilige. Zij

geeft daarom de Schrift in aller hand, vertaalt en verspreidt ze en

gebruikt in de kerk geen andere dan de volkstaal. Rome roemt op hare

eenheid, maar deze eenheid schijnt grooter dan ze is. De splitsing der

Reformatie in eene Luthersche en Gereformeerde heeft haar analogie in

de scheuring der Grieksche en Latijnsche kerk. Onder den schijn eener

uitwendige eenheid verbergt zich bij Rome eene schier even groote

innerlijke verdeeldheid. Het aantal ongeloovigen en onverschilligen is

in Roomsche landen niet geringer dan in Protestantsche. Rome heeft

den stroom van het ongeloof evenmin kunnen keeren als de kerken der

Hervorming. Reeds voor de Reformatie had het ongeloof zich in wijde

kringen, b.v. in Italië, verbreid. De Hervorming heeft dit niet te

voorschijn geroepen, maar juist gestuit en Rome zelf tot waakzaamheid

en bestrijding opgewekt. Cartesius, de vader van het rationalisme,

was Roomsch. De Duitsche rationalisten worden opgewogen door de

Fransche materialisten; Rousseau door Voltaire, Strauss door Renan.

De Revolutie heeft in Roomsche landen haar diepste wortelen geschoten

en haar wrangste vruchten gedragen. Voorts staat het te bezien, of

het aantal partijen, richtingen en sekten, die er telkens optreden,

in Rome niet even groot zou zijn als in het Protestantisme, als Rome

niet de macht en den moed had, om iedere richting door censuur, ban,

interdict, desnoods door het zwaard te onderdrukken. Het is waarlijk

niet aan Rome te danken, dat er zoovele bloeiende christelijke kerken

naast haar zijn opgetreden. Welke schaduwzijden de verdeeldheid van het

Protestantisme ook heeft, zij bewijst toch ook, dat het religieuse leven

hier eene macht is, die telkens nieuwe vormen zich schept en bij alle

verscheidenheid toch ook weer eene diepere eenheid openbaart. En in

elk geval, het Protestantisme met zijn verdeeldheid is te verkiezen

boven het schrikkelijk bijgeloof, waarin het volk in de Grieksche en in

de Roomsche kerk hoe langer hoe meer wordt verstrikt. Mariadienst,

reliquienvereering, beeldendienst, heiligenaanbidding verdringen steeds

meer den dienst van den eenigen, waarachtigen God. Cf. Trede, Das

Heidenthum in der römischen Kirche, Gotha, Perthes, 4 Theile 1889-92.

16. Vanwege deze perspicuitas heeft de Schrift ook de facultas se

ipsam interpretandi en is se supremus judex controversiarum, Synopsis

pur. theol. disp. 5 § 20 sq. Polanus, Synt. Theol. Lib. I c. 45.

Turret. Theol. El. Loc. II qu. 20. Amesius, Bellarm. enervatus Lib.

I c. 5. Cloppenburg, De Canone Theol. disp. 11-15. Op. II 64 sq.

Moor, Comm. in Markii Comp. I 429 sq. Gerhard, Loci Theol. Loc. I c.

21, 22. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. 6e Aufl. S. 42 f. De Schrift

legt zichzelve uit, de duistere plaatsen worden verklaard door de

duidelijke, en de grondgedachten van de Schrift als geheel dienen

ter opheldering van de deelen. Dat was de interpretatio secundum

analogiam fidei, welke ook door de Hervormden werd voorgestaan. Ook

de Hervormers zijn niet voraussetzungslos tot de Schrift gekomen. Ze

hebben de leer der Schrift, de apostolische geloofsbelijdenis, de

besluiten der eerste conciliën schier zonder kritiek overgenomen. Ze

waren niet revolutionair en wilden niet van voren afaan beginnen, maar

protesteerden alleen tegen de ingeslopene dwalingen. De Hervorming was

niet de vrijmaking van den natuurlijken, maar van den Christenmensch.

Er was dus van den aanvang af bij de Hervormers eene analogia fidei,

waarin zij zelven stonden, en waarnaar zij de Schrift uitlegden. Onder

die analogia fidei verstonden zij oorspronkelijk den uit de duidelijke

plaatsen der H. Schrift zelve afgeleiden zin, die dan later in de

confessies neergelegd werd, Voetius Disp. V 9 sq. 419 sq. Moor, Comm.

in Marckii Comp. I 436. VI praefatio. Turret., Theol. El. I qu.

19. Philippi, Kirchl. Gl. I 217 f. Zöckler, Handbuch I 663 f. Luz,

Hermeneutik 154-176. In verband daarmede had ook de kerk eene roeping

in betrekking tot de uitlegging der H. Schrift. Krachtens de potestas

doctrinae, haar door Christus verleend, en de gave der uitlegging, door

den H. Geest haar geschonken, 1 Cor. 14:3, 29; Rom. 12:6; Ef. 4:11 v.

heeft de kerk den plicht, om de Schrift te bewaren niet alleen, maar

ook om ze uit te leggen en te verdedigen, en om de waarheid in haar

confessie te formuleeren en de dwalingen te ontdekken en tegen te

staan. Ook de kerk is dus binnen haar kring en op haar terrein judex

controversiarum, en heeft alle meening te toetsen aan en te beoordeelen

naar de H. Schrift. Onfeilbaar behoeft ze daartoe niet te zijn, want ook

de rechter in den staat is wel gebonden aan de wet, maar is feilbaar

in zijne uitspraken. En zoo is het ook in de kerk. De Schrift is norma,

de kerk is richteres. Maar ook hier is er een hooger beroep. Rome

ontkent dit en zegt dat de uitspraak der kerk de laatste en hoogste

is. Van haar is zelfs een beroep op het goddelijk oordeel niet mogelijk

meer. Zij bindt in de conscientie. Maar de Hervorming beweerde dat eene

kerk, hoe eerbiedwaardig ook, toch dwalen kon. Haar uitlegging is niet

magisterialis, maar ministerialis. Ze kan alleen in de conscientie

binden, voorzoover iemand haar als goddelijk en onfeilbaar erkent. Of

ze inderdaad met Gods woord overeenstemt, kan geen aardsche macht,

maar kan elk alleen voor zichzelf uitmaken, Synopsis pur. theol. 5, 25

sq. De kerk kan dan iemand als ketter uitwerpen, maar hij staat en valt

ten slotte zijn eigen heer. De eenvoudigste geloovige kan en mag met de

Schrift in de hand desnoods tegen heel eene kerk zich verzetten, gelijk

Luther deed tegen Rome. Zoo alleen is de vrijheid van den Christen, en

tegelijk de souvereiniteit Gods gehandhaafd. Van de Schrift is er geen

hooger appel. Zij is de hoogste rechtbank. Geen macht of uitspraak staat

boven haar. Zij is het, die ten laatste, voor ieder in zijn conscientie,

beslist. En daarom is zij judex supremus controversiarum.

E. De genoegzaamheid der Schrift.

17. Ten laatste werd door de Hervorming ook nog beleden de perfectio

of sufficientia S. Scripturae. De Roomsche kerk meent, dat de Schrift

onvolkomen is in partibus en door de traditie moet worden aangevuld. Zij

verklaarde te Trente, sess. 4, dat zij traditiones ipsas, tum ad fidem

tum ad mores pertinentes, tanquam vel ore tenus a Christo vel a Sp. S°.

dictatas et continua successione in Ecclesia Catholica conservatas,

pari pietatis affectu et reverentia suscipit et veneratur, en sprak

in het Vatic. sess. 3 cap. 2 uit, dat de bovennatuurlijke openbaring

vervat is in libris scriptis et sine scripto traditionibus, quae ipsius

Christi ore ab Apostolis acceptae, aut ab ipsis Apostolis Spiritu

Sancto dictante quasi per manus traditae ad nos usque pervenerant.

De gronden, welke Rome voor deze leer der traditie aanvoert, zijn

verschillende. Eerst wordt er op gewezen, dat de kerk voor Mozes

geheel en al zonder Schrift was en dat ook na dien tijd tot heden toe

vele geloovigen leven en sterven, zonder ooit de Schrift te lezen

of te onderzoeken. Verreweg de meeste kinderen Gods leven uit de

traditie en weten van de Schrift weinig of niets. Het zou ook vreemd

zijn, dat dit op religieus en kerkelijk terrein anders ware dan op elk

ander gebied. Immers, in recht en zede, in kunst en wetenschap, in

gezin en maatschappij is de traditie de draagster en de voedster van

ons leven. Door haar zijn we aan de voorgeslachten verbonden, nemen

hun schatten over en laten ze ook weer aan onze kinderen achter. De

analogie eischt reeds, dat er ook in de kerk eene traditie zij; maar

deze moet hier zooveel heerlijker en zekerder wezen dan elders, wijl

Christus aan zijne kerk den H. Geest heeft gegeven en door dezen zijne

gemeente onfeilbaar in alle waarheid leidt, Mt. 16:18, 28:20; Joh.

14:16. Daarbij komen nog vele uitspraken der Schrift, die het recht en

de waarde der traditie erkennen, Joh. 16:12, 20:30, 21:25; Hd. 1:3;

1 Cor. 11:2, 23; 2 Thess. 2:14; 1 Tim. 6:20; 2 Joh. 12; 3 Joh. 13,

14. Jezus heeft mondeling en door zijn Geest aan zijne discipelen nog

vele dingen geleerd, die niet door hen zijn beschreven maar van mond

tot mond zijn voortgeplant. Kerkvaders, conciliën, pausen hebben zulk

eene apostolische traditie ook van den aanvang af erkend. Feitelijk

leeft de kerk nog altijd van en uit deze mondelinge, levende traditie.

De Schrift alleen is onvoldoende. Want behalve dat lang niet alles is

opgeteekend, verschillende geschriften van profeten en apostelen zijn

ook verloren gegaan. De apostelen kregen wel een bevel om te getuigen,

maar niet om dat schrijvende te doen. Ze kwamen tot schrijven alleen

door de omstandigheden, necessitate quadam coacti; hun geschriften zijn

daarom ook meest gelegenheidsschriften, en bevatten lang niet alles,

wat tot de leer en het leven der kerk van noode is. Zoo vinden we in de

Schrift weinig of niets van den doop der vrouwen, de Zondagsviering,

het episcopaat, het zevental sacramenten, het vagevuur, de onbevlekte

ontvangenis van Maria, de zaligheid van vele Heidenen in de dagen des

O. T., de inspiratie en kanoniciteit der verschillende Bijbelboeken

enz.; ja zelfs dogmata als van de triniteit, de eeuwige generatie,

den uitgang des H. G., den kinderdoop enz. zijn niet letterlijk en met

zooveel woorden in de Schrift te vinden. In één woord: de Schrift

is nuttig, maar de traditie is noodzakelijk, Bellarminus, de Verbo

Dei, lib. IV. Melchior Canus, Loci theol. lib. 3. Perrone, Praelect.

Theol. IX 228 sq. Klee, Dogm. I 277 f. Heinrich, Dogm. Theol. II S.

1 f. Jansen, Praelect. theol. dogm. I 788 sq. Möhler, Symbolik § 38

f. Kleutgen, Theol. der Vorzeit 2e Aufl. I 72 f. Dieringer, Dogm. §

126. Liebermann, Instit. theol. I p. 448 sq. Voor de Grieksche kerk,

Kattenbusch, Confessionskunde I 292.

18. Tegenover deze Roomsche leer van de traditie plaatste de Hervorming

die van de volmaaktheid en genoegzaamheid der H. Schriftuur. Het

goed recht van deze bestrijding van Rome is door de ontwikkeling van

het begrip der traditie zelve in een helder licht gesteld. De eerste

christelijke gemeenten werden, evenals nu nog de gemeenten onder de

Heidenen, gesticht door het gepredikte woord. De leer en gebruiken, die

zij van de apostelen of hunne medgezellen ontvangen hadden, plantte zich

geruimen tijd van mond tot mond en van geslacht tot geslacht voort. Dit

begrip der traditie was duidelijk; ze duidde aan de leer en gebruiken,

welke van de apostelen ontvangen waren en in de kerken werden bewaard

en voortgeplant. Maar naar mate de afstand grooter werd, die de

kerken scheidde van den apostolischen tijd, werd het hoe langer hoe

moeilijker om uit te maken of iets werkelijk van apostolische herkomst

was. De Afrikaansche kerk protesteerde daarom tegen de overdreven

waarde, welke vooral in de tweede helft tegen het Gnosticisme aan deze

traditie werd gehecht. Tertullianus, de virg. vel. c. 1 zei: Dominus

noster veritatem se, non consuetudinem cognominavit. Evenzoo stelde

Cyprianus, Epist. 74 tegenover de traditie, waarop de bisschop van Rome

zich beriep, de teksten Jes. 29:13; Mt. 15:9; 1 Tim. 6:3-5 en zei:

consuetudo sine veritate vetustas erroris est. Christus heeft zich niet

de gewoonte maar de waarheid genoemd. Gene moet voor deze wijken. Daarom

werd het noodig, om de traditie nader te bepalen en hare kenmerken

op te geven. Vincentius Lerinensis vond in zijn Commonitorium cap. 2

de criteria van eene apostolische traditie daarin, dat iets ubique,

semper et ab omnibus creditum est. Hoc est etenim vere proprieque

catholicum. Eerst bestond ’t kenmerk der traditie dus hierin, dat ze

was van apostolische herkomst. Nu wordt er aan toegevoegd, dat iets

in dat geval van apostolische herkomst mag geacht worden te zijn, als

het waarlijk algemeen, katholiek is. De apostolicitas wordt kenbaar

aan de universitas, antiquitas en consensio. Het Tridentinum, het

Vaticanum en ook de theologen sluiten zich bij de bepaling der traditie

aan deze criteria van Vincentius aan. Maar zakelijk is er afwijking;

de consequentie leidde verder. Het was niet vol te houden, dat iets

dan alleen apostolisch was, wanneer het werkelijk altijd, overal en

door allen was geloofd. Van welke leer of van welk gebruik kon zulk

eene volstrekte katholiciteit worden aangetoond? De drie criteria

zijn dus allengs verzwakt. De kerk mag wel niet iets nieuws tot dogma

verklaren en moet zich houden aan de overlevering, maar de bewaring

van die traditie is niet mechanisch te denken als van een schat in den

akker, maar organisch zooals Maria de woorden der herders bewaarde en

overlegde in haar hart, Heinrich, II 12. Eene waarheid kan dus zeer

goed vroeger niet of niet algemeen geloofd zijn; zij is toch onfeilbare

apostolische traditie, wanneer ze nu maar algemeen wordt geloofd. De

beide criteria antiquitas en universitas zijn dus geen copulatieve

maar distributieve kenmerken der traditie; zij zijn niet beide saam

en tegelijk noodig, één van beide is genoeg. Feitelijk is daarmede de

antiquitas opgeofferd aan de universitas. Maar ook deze laatste is

weer beperkt. De vraag kwam op, wie het orgaan ter bewaring en ter

erkenning der traditie was. De kerk in het algemeen kon dit niet zijn.

Möhler, Symbolik, 6e Aufl. 357, identificeerde de traditie nog wel met

das fortwährend in den Herzen der Gläubigen lebende Wort, maar dit

antwoord was veel meer protestantsch dan roomsch gedacht. De taak, om

de leer te bewaren en vasttestellen, kon en mocht niet aan de kerk in

het algemeen, d. i. aan de leeken worden opgedragen. In de kerk is te

onderscheiden tusschen de ecclesia audiens en docens. Beide behooren

wel bij elkaar, en zijn onvergankelijk, maar de eerste bezit slechts eene

infallibilitas passiva, d. i. zij is alleen in haar gelooven onfeilbaar,

doordat zij en zoolang zij in verbinding blijft met de ecclesia docens.

Maar ook deze laatste is nog weer niet het eigenlijk orgaan der leer.

Het Gallikanisme, de Oudbisschoppelijke klerezie en de Oudkatholieken

zijn hier blijven staan, en schrijven de onfeilbaarheid toe aan de

gezamenlijke bisschoppen. Maar dit standpunt is onhoudbaar. Wanneer zijn

die bisschoppen onfeilbaar? Buiten of alleen in het concilie? Indien

het laatste, zijn ze alleen onfeilbaar als ze eenstemmig zijn, of is

alleen de meerderheid onfeilbaar? Hoe groot moet deze zijn? Is ééne stem

meerderheid voldoende? Is het concilie zonder, en zelfs tegenover, of

alleen in overeenstemming met den paus onfeilbaar? Altemaal vragen,

waarmede het Gallikanisme in ernstige verlegenheid verkeerde. Het

papale systeem ging daarom een stap verder en schreef de onfeilbaarheid

toe aan den paus. Dit primaat van den paus is het product van eene

eeuwenlange ontwikkeling, de consequentie van eene geestesrichting,

die reeds zeer vroeg in de kerk aanwezig was. Langzamerhand is de paus

beschouwd geworden als het onfeilbaar orgaan van de goddelijke waarheid

en dus ook van de traditie. Bellarminus, de Verbo Dei, lib. 4 c. 9

nam onder de kenmerken der traditie ook dezen regel op: id sine dubio

credendum esse, ex apostolica traditione descendere, quod pro tali

habetur in illis ecclesiis, ubi est integra et continuata successio

ab Apostolis. Nu waren er, zegt hij verder, in de oudheid vele zulke

kerken behalve Rome. Thans echter is ze alleen in Rome over. En daarom

ex testimonio hujus solius ecclesiae sumi potest certum argumentum ad

probandas Apostolicas traditiones. De kerk van Rome bepaalt en maakt

uit, wat apostolische traditie is. Latere theologen, vooral onder de

Jesuiten, hebben dit verder ontwikkeld. En den 18den Juli 1870 werd

in de vierde zitting van het Vaticaansch concilie de onfeilbaarheid

openlijk als dogma afgekondigd. Nu is het wel zeker, dat de paus in deze

zijne onfeilbaarheid niet losgedacht is van de kerk, vooral niet van de

ecclesia docens. Voorts zijn de symbolen, decreten, liturgieën, patres,

doctores en heel de historie der kerk zoovele monumenten der traditie,

waaraan de paus bij de vaststelling van een dogma zich aansluit en waar

hij rekening mede te houden heeft. Maar toch is de traditie formeel

niet met den inhoud van al die monumenten identisch. De traditie is

onfeilbaar; maar wat traditie is, wordt ter laatste instantie alleen

uitgemaakt door den paus, met, zonder of desnoods tegen de kerk en de

concilies in. De beoordeeling of en in hoeverre iets semper, ubique

et ab omnibus is geloofd, kan niet staan aan de kerk, noch aan de

ecclesia audiens noch aan de ecclesia docens, maar staat vanzelf alleen

aan den onfeilbaren paus. Als de paus een dogma afkondigt, dan is het

eo ipso apostolische traditie. Het criterium van de traditie is dus

achtereenvolgens gezocht, in de apostoliciteit, in de katholiciteit,

in de episcopale successie, in de papale beslissing. Daarmede is het

einde bereikt. De onfeilbare paus is het principium formale van het

Romanisme. Roma locuta, res finita. Paus en kerk, paus en Christendom

zijn één. Ubi Papa, ibi ecclesia, ibi religio Christiana, ibi Spiritus.

Van den paus is er geen hooger beroep, zelfs niet op God. Door den paus

spreekt God zelf tot de menschheid, Perrone I 229, IX 279. Jansen I

804, 822 s. 829. Heinrich I 726 noot, II 148 f. 537. Maistre, du Pape,

Oeuvres Choisies de Joseph de Maistre III, Paris z. j. 71.

Deze uitkomst van den ontwikkelingsgang der traditie toont de

valschheid van het principe aan, dat er van den beginne af in werkzaam

was. De onfeilbaarheid van den paus kan eerst later, in de leer der

kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar het is duidelijk, dat het goede

en ware element, waarom het in de eerste eeuwen bij de handhaving der

traditie te doen was, geheel te loor is gegaan. Toen was het te doen

om bewaring van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de

gemeenten geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat

men toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid

en noodzakelijkheid der apostolische geschriften nog niet inzag. Maar

het kenmerk der apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de traditie

eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van den apostolischen

tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid der traditie naast

de Schrift verdween hoe langer zoo meer. De stroomen van Schrift en

traditie vloeiden ineen. En spoedig na den dood van de apostelen en

hunne tijdgenooten werd het onmogelijk, om iets als van apostolische

herkomst aan te toonen anders dan door een beroep op de apostolische

geschriften. Van geen enkel dogma, dat de Roomsche kerk buiten en

zonder de Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen.

De traditieleer bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van

de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariavereering,

het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat zijn

de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter kwader ure is

de apostolische overlevering met de kerkelijke gewoonten en met de

pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De traditie is bij Rome die

gemeine Superstition, das Heidenthum, Harnack D. G. III 559 noot.

19. Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift van

heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomschen praediceeren van

beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid, maar erkennen,

dat er tusschen beide toch een groot onderscheid bestaat. Bij beide

wordt wel de oorzaak der onfeilbaarheid gezocht in eene bijzondere,

bovennatuurlijke werking des H. Geestes; want Rome begrijpt zeer goed,

dat de onfeilbaarheid der traditie niet afgeleid kan worden uit de

geloovigen als zoodanig, uit de kracht en den geest des Christendoms,

die in de geloovigen woont en werkt. Er komen immers in de kerk

en onder de geloovigen vele dwalingen voor, die dikwerf langen

tijd heerschen en velen vervoeren. De onfeilbaarheid van den paus

wordt daarom even goed als die van de Schrift, verklaard uit eene

buitengewone werking des H. Geestes op grond van Mt. 16:18, 28:20;

Joh. 14:16 v., 15:26, 16:12 v. Concil. Vatic. sess. 3. Maar er is toch

onderscheid. De werkzaamheid des H. Geestes in de apostelen bestond

in revelatie en inspiratie: die in den paus bestaat in assistentie.

Het Vaticanum cap. 4 zegt: neque enim Petri successoribus Spiritus

Sanctus promissus est, ut eo _revelante_ novam doctrinam patefacerent,

sed ut eo _assistente_, traditam per Apostolos revelationem seu fidei

depositum sancte custodirent et fideliter exponerent. De Schrift is

daarom woord Gods in eigenlijken zin, geïnspireerd, althans volgens

vele theologen, tot de singula verba toe; de besluiten van concilies

en pausen zijn woorden der kerk, die de waarheid Gods zuiver weergeven.

De Schrift _is_ het woord Gods, de traditie _bevat_ het woord Gods. De

Schrift bewaart de woorden der apostelen in hun oorspronkelijken vorm,

de traditie geeft de leer der apostelen alleen weer wat de substantie

betreft. De boeken der profeten en apostelen zijn dikwerf geschreven

zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia

divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam,

onderzoeken, overwegen, oordeelen, beslissen. Bij de inspiratie was

de werkzaamheid des Geestes in strikten zin supranatureel, maar bij

de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex van zorgen der

Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling wordt behoed. En eindelijk

strekt de inspiratie in de Schrift zich tot alle zaken uit, ook van

historie, chronologie enz., maar door de assistentie des H. G. is de

paus alleen onfeilbaar als hij ex cathedra spreekt, d. i. als Pastor en

Doctor der Christenheid, en als hij doctrinam de fide vel moribus ab

universa ecclesia tenendam definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog

enkele praerogatieven boven de traditie, Bellarminus, de Conciliis et

Ecclesia, lib. 2 c. 12. Heinrich, I 726 f. II 220-245. Jansen, I 616.

Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift groote afbreuk. Vooreerst

bepaalt Trente, dat Schrift en traditie _pari_ pietatis affectu et

reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt de inspiratie der H.

Schrift door de meeste Roomsche theologen als eene inspiratio realis

opgevat, zoodat niet de singula verba maar de zaken zijn ingegeven.

Verder is de onfeilbaarheid quoad formam en quoad substantiam zoo nauw

de eene met de andere verbonden, dat de grenslijn tusschen beide niet

te trekken is. Voorts is de paus in strikten zin alleen onfeilbaar in

zaken van geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook

zijn in het oordeel over de bronnen des geloofs en in de uitlegging, d.

i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in de bepaling van

het gezag der kerkvaders, der conciliën enz.; in het oordeel over de

dwalingen en ketterijen en zelfs van de facta dogmatica, in het verbod

van boeken, in zaken van tucht, in approbatie van orden, in canonisatie

van heiligen enz. Heinrich, II 557 f. En al is de paus niet in al het

andere in strikten zin onfeilbaar, zijne macht en autoriteit strekt zich

toch ook uit over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae

pertinent, en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit over

alle pastores en fideles, Conc. Vatic. cap. 3. Zelfs wordt door vele

Roomschen geëischt, dat de paus, om deze geestelijke souvereiniteit te

kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn; en beweerd dat hij, indien

niet direct, dan toch indirect bezit de summa potestas disponendi de

rebus temporalibus omnium christianorum, Bellarm. de Romano Pontifice

lib. 5. de Maistre, du Pape, livre 2. Jansen. I 651 sq. De macht en

autoriteit van den paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij

staat boven haar, oordeelt over haar inhoud en haar beteekenis en stelt

auctoritate sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift moge het

voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de hedendaagsche

leer en traditie met de leer der apostelen aan te wijzen; zij moge veel

bevatten, wat anders niet zoo goed geweten zou worden; ze moge eene

goddelijke onderwijzing der leer zijn, welke alle andere overtreft,

Heinrich, I 732 f.; zij is toch altijd voor Rome slechts een hulpmiddel,

dat nuttig maar niet noodig is. De kerk bestond voor de Schrift, en

de kerk bevat niet een deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat

echter slechts een gedeelte der leer. De Schrift heeft wel de traditie,

de bevestiging van den paus, van noode, maar de traditie niet de H.

Schrift. De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift

is eene aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende,

maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust op de kerk,

maar de kerk rust in zichzelve, Heinrich, I 730 f.

20. De ontwikkeling der traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid en

de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie der Schrift bewijzen

op zichzelf reeds het goed recht der Reformatie, om tegen de traditie

op te komen. Zij liet het echter niet alleen bij aanval, maar stelde

tegenover de leer van Rome die van de perfectio of sufficientia

Scripturae, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. 2e Ausg. 1883 II 56

f. 246 f. Gerhard, Loci theol. loc. I c. 18. 19. Schmid, Dogm. der

ev. luth. K. § 9. Calv. Inst. IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I

c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII col. 369 sq. Ursinus, Tract. Theol.

1584 p. 8 sq. 22 sq. Chamier, Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9.

Amesius, Bellarminus enervatus, Lib. I c. 6. Turret., Theol. El. loc.

2 qu. 16. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. p. 11 f. Holtzmann, Kanon und

Tradition, Ludwigsb. 1859. A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition,

Rostock 1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u.

h. Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik gegen

die röm. Kirche, Gotha 1885 § 23 f. Id. art. Tradition in Herzog².

Hase, Protest. Polemik, 5te Aufl. Leipzig 1891 S. 77 f. Harnack,

Dogm. Gesch. III 593 f. 623 f. Hodge, Syst. Theol. I 104 etc. Ook

deze eigenschap der H. Schrift moet goed worden verstaan. Er wordt

daarmede niet beweerd, dat al wat door de profeten, door Christus en

de apostelen, gesproken of geschreven is, in de Schrift is opgenomen;

er zijn immers vele profetische en apostolische geschriften verloren

gegaan, Num. 21:14; Jos. 10:13; 1 Kon. 4:33; 1 Chron. 29:29; 2 Chron.

9:29, 12:15; 1 Cor. 5:9; Col. 4:16; Phil. 3:1, en Jezus en de apostelen

hebben zeker veel meer woorden gesproken en teekenen gedaan, dan

beschreven zijn, Joh. 20:30; 1 Cor. 11:2, 14; 2 Thess. 2:5, 15, 3:6,

10; 2 Joh. 12; 3 Joh. 14 enz. Ook houdt deze eigenschap niet in, dat

de H. Schrift alle gebruiken, ceremoniën, bepalingen en reglementen

bevat, welke de kerk voor hare organisatie behoeft; maar alleen, dat

zij de fidei articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem.

En dan sluit deze eigenschap der Schrift ook nog niet in, dat deze

articuli fidei letterlijk en met zooveel woorden, αὐτολεξει en totidem

verbis in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite hetzij

implicite zoo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp van

een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door nadenken

eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze perfectio S.

Scr. niet zoo te verstaan, alsof de H. Schrift altijd dezelfde quoad

gradum is geweest. In de verschillende tijden der kerk was de Schrift

tot op hare voltooiing toe ongelijk van omvang. Maar in elken tijd was

dat woord Gods, hetwelk onbeschreven of beschreven bestond, ook voor

dien tijd voldoende. Ook de Reformatie maakte onderscheid tusschen een

verbum ἀγραφον en ἐγγραφον, Ned. geloofsbel. art. 3. Maar Rome neemt

beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus; de

Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts één zelfde woord Gods,

dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna opgeteekend

werd. Het geschil tusschen Rome en de Reformatie loopt dus alleen

hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een ander woord

Gods in onbeschreven vorm daarnaast bestaat, m. a. w. of het beschreven

woord Gods explicite of implicite al datgene bevat, wat wij tot onze

zaligheid te kennen noodig hebben, en dus regula totalis et adaequata

fidei et morum is, dan wel of er daarnaast in religie en theologie

nog een ander principium cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zoo

gesteld, schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer

vatbaar te zijn. Ook de Roomsche kerk erkent, dat de Schrift voltooid

is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de kanon gesloten is. Hoe

hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het toch in theorie nog

niet gewaagd, om de besluiten der kerk op ééne lijn te stellen met

de Schrift. Zij maakt nog onderscheid tusschen verbum Dei en verbum

ecclesiae. Maar hoe kan ooit, zoolang men met het verbum Dei ernst

maakt, de ongenoegzaamheid der Schrift worden geleerd? Kerkvaders

dachten er niet aan en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid

der H. Schrift uit. Irenaeus, adv. haer. III praef. en cap. 1 zegt,

dat wij de waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium

pervenit ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei

voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam

fidei nostrae futuram. Tertullianus, adv. Hermog. c. 22, de carne Chr.

c. 8 bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt alles quod extra

Scripturam is. Augustinus, Sermo de Past. c. 11 getuigt: quidquid inde

audieritis, hoc vobis bene sapiat; quidquid extra est respuite. En

evenzoo spreken vele anderen, cf. de plaatsen verzameld door Chamier,

Panstratia Cathol. Loc. I lib. 8 cap. 10. Daarnaast erkennen ze zeer

zeker ook de traditie, maar ze nemen daarin juist een element op,

dat hunne overtuiging van de genoegzaamheid der Schrift ondermijnt en

in de latere Roomsche leer van de insufficientia S. Scr. en van de

sufficientia traditionis geeindigd is. Beide, Schrift en traditie,

zijn naast elkaar niet te handhaven; wat aan de eene onthouden wordt,

wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen, als

en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd, dat Rome

eenerzijds de Schrift voor voltooid en den kanon voor gesloten houdt,

ja zelfs de Schrift voor het woord Gods erkent; en toch die Schrift als

onvoldoende beschouwt en aanvult met de traditie. Terecht zeggen vele

Roomsche theologen tegenwoordig, dat de Schrift de niet noodzakelijke

maar hoogstens nuttige aanvulling van de traditie is.

21. Maar deze leer is met de Schrift zelve in lijnrechten strijd. Nooit

wordt de gemeente in O. en N. T. naar iets anders verwezen dan naar

het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of ongeschreven, woord

Gods. Daarbij alleen kan de mensch geestelijk leven. In de telkens

aanwezige Schrift vindt de gemeente al wat ze behoeft. De volgende

Schriften onderstellen de voorafgaande, sluiten er zich bij aan en

zijn er op gebouwd. De profeten en psalmisten onderstellen de thora.

Jesaia roept cap. 8:20 allen tot de wet en de getuigenis. Het N. T.

beschouwt zich als vervulling van het Oude, en wijst naar niets anders

dan naar de bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat

al wat buiten de Schrift ligt, zoo beslist mogelijk uitgesloten wordt.

Tradities worden als inzettingen van menschen verworpen, Jes. 29:13;

Mt. 15:4, 9; 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de dagen des O. Test.

opkwam, heeft de Joden tot verwerping van den Christus geleid. Jezus

stelt tegen haar zijn Ik zeg u over, Mt. 5 en sluit zich juist wederom

tegen de Phariseën en Schriftgeleerden bij de wet en de profeten aan.

De apostelen beroepen zich alleen op de O. T. Schrift en verwijzen de

gemeenten nooit naar iets anders dan het woord Gods, dat door hen

verkondigd is. In zoover de traditie in den eersten tijd niets anders

wilde wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen

was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk karakter.

Maar daarvan is de Roomsche traditie ten eenenmale ontaard. Het is

onbewijsbaar, dat er nog eenige leer of eenig gebruik van de apostelen

afkomstig is, dan voor zoover dit uit hunne schriften kan worden

aangetoond. De traditie bij Rome, waaruit de mis, de Mariolatrie, de

pauselijke onfeilbaarheid enz. is voortgekomen, is niets dan de sanctie

van den feitelijken toestand der Roomsche kerk, de rechtvaardiging van

de superstitie, die er binnen gedrongen is.

De sufficientia der H. Schrift vloeit verder ook voort uit den aard

der N. T. bedeeling. Christus is vleesch geworden en heeft al het

werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring Gods. Hij heeft

ons den Vader verklaard, Joh. 1:18, 17:4, 6. Door Hem heeft God in de

laatste dagen tot ons gesproken, Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de eenige

profeet. Zelfs het Vatic. Concilie cap. 4 erkent, dat de assistentia

divina, aan den paus geschonken, niet bestond in revelatie en in

openbaring van eene nieuwe leer. En Rome tracht zijne dogmata, hoe nieuw

ook, toch altijd nog zooveel mogelijk uit de H. Schrift te betoogen, en

voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem in de

Schrift voorhanden is, Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas S. Theol.

II 2 qu. 1 art. 7. qu. 174 art. 6. Schwane, Dogmengeschichte I 2e Aufl.

1892 S. 7 f. Heinrich II 23 f. Maar het wikkelt zich daardoor in geen

geringe moeilijkheid. Want of de dogmata zijn alle in denzelfden zin als

bv. de triniteit, de twee naturen van Christus enz. explicatie van

momenten, die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie

onnoodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe dogmata,

die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de assistentia divina

van den paus wel wezenlijk eene revelatie en openbaring van nieuwe leer.

Dit laatste moge theoretisch dan nog ontkend worden, practisch wordt

het toch aanvaard. Daarom zijn de Roomsche theologen na de Hervorming

over het algemeen vrijgeviger dan voor dien tijd in de erkentenis, dat

sommige dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden er

thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger niet of

althans niet in dien zin en in die mate werden gebezigd. Nu wordt de

onvoldoendheid der Schrift en het recht der traditie daaruit bewezen,

dat er profetische en apostolische geschriften zijn verloren gegaan, dat

Christus niet alles aan zijne apostelen heeft geleerd, dat de apostelen

ook mondeling veel aan de gemeenten hebben bevolen enz. Maar dat er

geschriften zijn verloren gegaan, en of ze geinspireerd (Bellarm.

de verbo Dei IV c. 4) waren of niet (August. de civ. 18, 38), doet

niets ter zake. Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al

datgene bevat, wat tot onze zaligheid te weten noodig is; en niet, of

ze bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus

zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften

van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift

geen dienst meer kunnen doen. En zoo staat het ook met het onderwijs

van Jezus en de apostelen. Ze hebben meer gesproken en gedaan, dan

ons beschreven is. Kennis daarvan ware historisch belangrijk; maar

is religieus onnoodig. Wij hebben voor onze zaligheid aan de Schrift

genoeg, en hebben geen enkel ander geschrift, al was het van Jezus zelf

afkomstig, meer noodig. Dat was de leer der Hervorming. Quantitatief is

de openbaring veel rijker en grooter geweest, dan de Schrift ons bewaard

heeft, maar qualitatief, substantieel is de H. Schrift voor onze

zaligheid volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata

noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van den paus en

dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie zijn opgekomen;

maar al die, welke betrekking hebben op God, den mensch, Christus, de

zaligheid enz. zijn ook volgens Rome in de Schrift zelve te vinden. Wat

hebben we dan nog getuigen van noode. De Roomsche traditie dient alleen

om de specifiek Roomsche dogmata te bewijzen, maar de christelijke, de

katholieke dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond.

Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de aard

der N. T. bedeeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en eischt.

Christus heeft alles ten volle of persoonlijk en mondeling of ook door

zijnen Geest aan de apostelen geopenbaard. Door hun woord gelooven we

in Christus en hebben we gemeenschap met God, Joh. 17:20; 1 Joh. 1:3.

De H. Geest openbaart geen nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit

Christus, Joh. 16:14. In Christus is de openbaring Gods voltooid. En

evenzoo is het woord der zaligheid in de Schrift volkomen begrepen.

Zij vormt één geheel, zij maakt zelve den indruk van een organisme, dat

zijn vollen wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze is

een cirkel, die in zichzelven wederkeert. Ze begint met de schepping,

ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde. De kanon van O. en

N. T. werd eerst gesloten, toen alle nieuwe Ansätze der heilshistorie

aanwezig waren, Hofmann, Weissagung u. Erfüllung I 47. De H. Geest

heeft geen andere taak in deze bedeeling, dan om het werk van Christus

toe te passen en evenzoo het woord van Christus uit te leggen. Hij

voegt aan beide niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet

aangevuld te worden door de goede werken der geloovigen; het woord

van Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie der

kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te worden

door den paus. De Roomsche leer van de traditie is de loochening van

de volkomene vleeschwording Gods in Christus, van de algenoegzaamheid

zijner offerande, van de volmaaktheid van zijn woord. De geschiedenis

der Roomsche kerk toont ons het langzaam voortgaand proces, hoe een

valsch beginsel zich indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord

zich stelt, dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft,

om te eindigen in eene volledige remplaceering van de Schrift door

de traditie, van Christus door den paus, van de gemeente door het

instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt

eene anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift, kerk,

concilie, traditie zich verhief, door feilbare menschen, al zijn zij ook

kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die zelf onfeilbaar

is, zijn opvolger aanwijzen? Zoo is het best mogelijk, dat de pauselijke

souvereiniteit in de toekomst zal blijken onvereenigbaar te zijn met de

macht der kardinalen. In elk geval is de weg van de deificatie van den

mensch door Rome nog niet ten einde toe afgeloopen.

22. Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend, dat in de

leer der traditie ligt opgesloten. Het woord traditie heeft nog een

ruimer zin, dan die er door Rome aan gegeven wordt. Rome verstaat

er onder eene leer, die door de apostelen is overgeleverd, door de

bisschoppen, bepaaldelijk door den paus wordt bewaard en door dezen

wordt vastgesteld en afgekondigd; maar deze opvatting bleek onhoudbaar.

Traditie kan echter ook verstaan worden van heel dat religieuse leven,

denken, gevoelen, handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap

wordt aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken,

religieuse taal en litteratuur, confessie en liturgie enz. zijne uiting

vindt. In dezen zin is er traditie in elken godsdienst. Zelfs kan het

begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige

banden, die de volgende geslachten verbinden aan de voorafgaande. In

dezen zin is er geen gezin, geen geslacht, geen maatschappij, geen

volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder traditie bestaanbaar.

De traditie is het middel, waardoor alle schatten en goederen van de

voorgeslachten naar het heden en de toekomst worden overgebracht.

Tegenover het individualisme en atomisme der vroegere eeuw hebben de

Bonald, Lamennais e. a. en Bilderdijk ten onzent de beteekenis van de

gemeenschap, de autoriteit, de taal, de traditie enz. wederom in het

helderste licht geplaatst. Zulk eene traditie is er zeer zeker ook

in de religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat

wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie

vinden we niet alleen in de Roomsche kerk maar ook bij de Joden, de

Mohammedanen, de Buddhisten enz. In de hoogere godsdiensten komt

er nog eene reden bij voor de noodzakelijkheid der traditie. Zij zijn

alle gebonden aan eene heilige schrift, die in een bepaalden tijd is

ontstaan en in dien zin hoe langer hoe verder komt af te staan van het

thans levend geslacht. Ook de Bijbel is een boek, in lang vervlogen

eeuwen en onder allerlei historische omstandigheden geschreven. De

verschillende boeken des Bijbels dragen het karakter van den tijd, waarin

zij ontstonden. Hoe duidelijk de Schrift dan ook moge zijn in de leer der

zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, cf. boven bl. 305,

zij vereischt tot recht verstand toch menigmaal allerlei historische,

archaeologische, geographische kennis. De tijden zijn veranderd, en

met de tijden de menschen, hun leven en denken en gevoelen. Daarom

is er eene traditie noodig, om den samenhang te bewaren tusschen de

Schrift en het religieuse leven van dezen tijd. Traditie in goeden zin

is de vertolking en toepassing van de eeuwige waarheid in de sprake

en het leven van het tegenwoordig geslacht. Eene Schrift zonder zulk

eene traditie is onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd

hebben dit wel beproefd. Zij wilden van niets weten dan de woorden en

letters der Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die

niet in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding

en wetenschap af, en kwamen er soms toe om letterlijke toepassing te

eischen van de burgerlijke wetten onder Israel en van de voorschriften

der bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden daarmede zichzelve

tot een wissen ondergang of althans tot een kwijnend leven. Ze plaatsen

zich buiten de maatschappij en derven allen invloed op haar volk en haar

eeuw. De Schrift is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat

te worden maar om in het volle rijke menschenleven integaan en het te

vormen, te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op ieder

terrein. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander standpunt.

Zij verwierp niet alle traditie als zoodanig, zij was reformatie, geen

revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen, maar wel alles

van dwaling en misbruik te reinigen naar den regel van Gods woord.

Daarom bleef ze staan op den breeden christelijken grondslag van het

apostolisch symbool en de eerste conciliën. Daarom was ze voor eene

theologische wetenschap, die de waarheid der Schrift denkend vertolkte

in de taal van het heden. Het verschil in de opvatting der traditie

tusschen Rome en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil eene traditie,

die zelfstandig loopt naast de Schrift, eene traditio juxta Scripturam

of liever nog eene Scriptura juxta traditionem. De Hervorming erkent

alleen zulk eene traditie, die gegrond is op en voortvloeit uit de

Schrift, traditio e Scriptura fluens, Moor, Comm. in Marckii Comp.

I 351. De Schrift was naar de gedachte der Reformatie een organisch

beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in prediking, belijdenis,

liturgie, cultus, theologie, religieuse litteratuur enz. uit opwast en

gevoed wordt; eene zuivere bron van levend water, waar alle beekjes

en kanalen van het religieuse leven uit gevoed en onderhouden worden.

Zulk eene traditie is in de Schrift zelve gegrond. Als Jezus zijn werk

heeft volbracht, zendt Hij den H. Geest, die wel niets nieuws aan de

openbaring toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh.

16 vs. 12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot de

eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods, Ef. 3 vs. 18,

19, 4:13. In dezen zin is er eene goede, ware, heerlijke traditie. Zij

is de weg, waarlangs de H. Geest de waarheid der Schrift doet overgaan

in het bewustzijn en leven der gemeente. De Schrift is immers maar

middel, geen doel. Doel is, dat de kerk, onderwezen uit de Schrift,

vrij en zelfstandig de deugden verkondige Desgenen, die haar geroepen

heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum

is instrument, het verbum internum is doel. De Schrift heeft hare

bestemming bereikt, als allen door den Heere geleerd en met den H.

Geest vervuld zullen zijn.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 24 / 28 题