C. De noodzakelijkheid der Schrift.

8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming

tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende

eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van wege de

verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk, de necessitas

S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de kerk αὐτοπιστος,

zelfgenoegzaam, levende uit en door den H. Geest; zij heeft de waarheid

en bewaart ze trouw en zuiver door het onfeilbaar leerambt van den

paus. De Schrift daarentegen, voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en

goed zijn als norma, maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet

noodzakelijk ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift,

maar wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz.

de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan ontleend,

dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke gemeente geen Schrift

had, en dat vele geloovigen onder het O. en ook nog onder het N. Test.

de Schrift nooit bezeten en gelezen hebben maar enkel en alleen leefden

van de traditie, Bellarminus, de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I

735 f. Liebermann, Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb.

der kath. Dogm. 4e Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S.

221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz.

Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid der H.

Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de beteekenis der

Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend. Het Gnosticisme

verwierp niet alleen het O. T. maar paste op het N. T. de allegorische

methode toe en trachtte daardoor zijn systeem met de Schrift in

overeenstemming te brengen. De zinnelijke vormen en historische feiten

hebben slechts symbolische beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die

voor menschen van lager standpunt noodig is, maar voor de hooger

ontwikkelden, de πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der

waarheid, maar slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis

zich op te heffen, Herzog² 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het

Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het N. T.

aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn gematigden vorm

bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws zijn en de autoriteit

der Schrift ten volle handhaven; en toch begroette het in Montanus

een profeet, in wien de door Jezus beloofde Paracleet, de laatste

en hoogste openbaring verschenen was. De Schrift moest op die wijze

wel wijken voor de nieuwe profetie, welke door Montanus verkondigd

werd, Harnack, D. G. I 353 f. Herzog² 10, 258 f. De kerk veroordeelde

deze richtingen wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme.

Augustinus schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina

christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen, vooral de

monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop en liefde konden

worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift konden missen en

zonder haar in de eenzaamheid konden leven, de doctr. christ. I c. 39.

Het spiritualisme kwam telkens weer op, en reageerde tegen de knellende

macht van kerk en traditie. Verschillende secten, de Katharen, Amalrik

van Bena, Joachim v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes

en later de Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en

des Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door

den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet meer

behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 108, 116. Reuter, Gesch.

der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog² 2, 677. 6, 786. 8,

652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M. A. II 420 f. III 72 f. Gieseler,

Kirchengeschichte, II, 2, 1826 S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch.

in Vorlesungen II 1886 S. 480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen

in Frankrijk en Duitschland bloeide, zocht door middel van askese,

meditatie en contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke

de Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder noodig

om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig, als de eenheid

met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog¹ 12, 427 f. Harnack, D. G.

III 374 f. Vooral de Wederdoopers verhieven het inwendig woord ten

koste van het uitwendige. Reeds in 1521 werd de tegenstelling gemaakt

tusschen Schrift en Geest, en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk

van het Anabaptisme geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift

is niet het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en

beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H. Geest

in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een boek met letters;

Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het geloof in de harten niet

werken, alleen de Geest leert ons het ware woord. En als die Geest ons

onderwijst, dan kunnen wij ook de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk

hulpmiddel maar voor den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler,

Geist u. Schrift bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier,

Het inwendig woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la

critique rationaliste, 3e ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde

dat inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele

tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift in

het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster, dat de

H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar natuur en geest

moest leven, Herz.² 10, 362. Het mysticisme sloeg in rationalisme

om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij de anabaptistische en

independentische sekten in Engeland, ten tijde van Cromwell, bij de

kwakers en bij het piëtisme. De verheffing van het inwendig boven het

uitwendig woord leidde altijd tot vereenzelviging van de onderwijzing

des Geestes met het natuurlijk licht van rede en geweten, en zoo tot

algeheele verwerping van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook

scherper de noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in

zijne Axiomata tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter

en geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken

godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste

onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie was er

immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er, eer evangelisten

en apostelen schreven. De godsdienst, door hen geleerd, kan

voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren. De godsdienst

is niet waar, omdat evangelisten en apostelen hem leerden, maar zij

leerden hem, omdat hij waar is. Hunne geschriften mogen en moeten dus

naar de inwendige waarheid der religie worden verklaard. Een aanval op

den Bijbel is nog geen aanval op de religie. Luther heeft ons verlost

van het juk der traditie, wie verlost ons van het nog veel ondragelijker

juk der letter?

9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift zijn in de

nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher. In zijne

Glaubenslehre § 128, 129 zegt hij dat het geloof aan Christus niet rust

op het gezag der Schrift, maar aan het geloof der Schrift voorafgaat

en juist aan die Schrift ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij

de eerste Christenen ontstond het geloof aan Christus niet uit de

H. Schrift, en zoo kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want

bij hen en ons moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift

is dus geen bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid

in de rij der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de

bron, d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om

onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften

der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke

geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist der

christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift, maar de

Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher zijn deze

gedachten tot het gemeen goed der nieuwere theologie geworden. Zij

schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf te spreken, dat er aan geen

twijfel of kritiek wordt gedacht. Bij schier alle theologen kan men de

voorstelling vinden, dat de kerk bestond voor de Schrift en dus ook

onafhankelijk van haar kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft

uit zichzelve, d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift,

in den aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen, is

wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende Christus,

die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving van het leven,

explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente, en heeft daarbij

tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der gemeente het eerst en het

duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is dus eigenlijk de Verfasserin der

Bibel, en de Bijbel is de Reflex der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. §

77. Rothe, Zur Dogm. 333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f.

Philippi, Kirchl. Glaub. I³ 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg.

71 v. 97 v. Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la

Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz.

Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme, het

rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn onderling ten

nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door zijne omkeering van

de verhouding tusschen Schrift en kerk aan Rome een krachtigen steun

geboden. Allen komen daarin overeen, dat de Schrift niet noodzakelijk

maar hoogstens nuttig is en dat de kerk ook uit en door zichzelve kan

bestaan. Het verschil ligt alleen hierin, dat Rome den grond en de

mogelijkheid voor dit voortbestaan van de christelijke religie zoekt in

de geïnstitueerde kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher

c. s. in de gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap,

en het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen

zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes, in

de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar orgaan in

den paus, bij Schleiermacher in het organisme der gemeente, bij het

anabaptisme in elken geloovige hoofd voor hoofd. Het is gemakkelijk in

te zien, dat Rome hierbij de sterkste positie inneemt. Want zeker, er

is eene leiding des H. Geestes in de gemeente, Christus is opgestaan

uit de dooden, leeft in den hemel en woont en werkt in zijne kerk op

aarde. Er is eene mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam.

Het woord alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook

een principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed

en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk voor het

_bewuste_ leven der religie aan het woord, aan de Schrift gebonden was

al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak van het hart,

het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd. Ook met het verstand

moet God gediend en bemind worden. Voor het bewuste leven moet dus

de kerk een bron hebben waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met

zijn onfeilbaren paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De

onfeilbaarheid der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het

Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut noch

in het organisme noch in de individueele leden der gemeente. Wanneer

het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent, verzwakt het zichzelf,

sterkt Rome en verliest de waarheid, die een onmisbaar element der

religie is. Daarom stond de Hervorming zoo sterk op de noodzakelijkheid

der H. Schrift. De Schrift was het δος μοι που στω van de Reformatie.

Zij slaagde, omdat zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus

de autoriteit kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der

Hervorming verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome. Want indien

niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot kennis der religieuse

waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk medium gratiae. Het woord

verliest zijne centrale plaats en behoudt slechts eene praeparatoire,

paedagogische beteekenis. De Schrift moge nuttig en goed zijn, noodig is

zij niet, noch voor de kerk in haar geheel noch voor de geloovigen in

het bijzonder.

10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht zocht in de

Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch ontkende zij daarmede

niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang zonder Schrift had bestaan.

Ook is het waar, dat de kerk des N. T. door de prediking der apostelen

werd gesticht en langen tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen

kanon. Voorts wordt de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld

geplant door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en N.

T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de boekdrukkunst

in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn in vroeger en later

tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben gelezen en onderzocht,

en nog zoekt het religieuse leven bevrediging voor zijne behoeften niet

alleen in de Schrift maar minstens evenzeer in allerlei stichtelijke

lectuur. Dit alles kan volmondig worden erkend, zonder dat daarmee

aan de noodzakelijkheid der Schrift ook maar eenigszins wordt te kort

gedaan. Zelfs had God, indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker

nog op eene andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel

van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet

absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.

Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen twijfel

verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd hij het woord,

dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het woord Gods is van den

beginne af aan het zaad der kerk geweest. Zeer zeker bestond de kerk

voor Mozes zonder Schrift. Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat

het ἐγγραφον werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in

zichzelve gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook

niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar

bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover hen,

die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in instorting van

goddelijke krachten, in opwekking van religieuse aandoeningen. De kerk

moge dus ouder zijn dan het geschreven, zij is toch jonger dan het

gesproken woord, Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. theol. I c.

15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Gerhard, Loci theol. I cap. 1 § 5

sq. De gewone bewering, dat de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift

bestond, moet ook goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der

N. T. geschriften eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen

werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den aanvang af

het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door het gesproken woord

der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele gemeenten in het bezit van

apostolische geschriften, die ook aan andere werden ter lezing gegeven,

weldra dienden tot voorlezing in de kerken en zeer spoedig werden

verbreid. Het spreekt vanzelf, dat er, zoolang de apostelen leefden en

de gemeenten bezochten, nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen

hun gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het

ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de afstand

van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der apostelen in

beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg toe. Inderdaad is de

necessitas S. Scripturae ook geen stabiele maar eene steeds groeiende

eigenschap. De Schrift was niet altijd in haar geheel voor de gansche

kerk noodzakelijk. De Schrift is langzamerhand ontstaan en voltooid.

Naarmate de openbaring voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen.

Elke periode der kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen

bestond, evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was

geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch geheel,

dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem was de vrucht

begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden gelijken tred met den

staat der kerk en omgekeerd. Daarom kan er uit de vroegere toestanden

der kerk ook geen conclusie worden getrokken voor het heden. Laat

de kerk voor Mozes zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de

voltooiing der openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche

Schrift; daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij

leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid.

Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, maar ook

beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.

11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken woord

onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle menschen te maken.

Vox audita perit, littera scripta manet. De kortheid van het leven, de

ontrouw van het geheugen, de arglistigheid van het hart en allerlei

andere gevaren, die de zuiverheid der overlevering bedreigen, maken

opteekening van het gesproken woord tot bewaring en verbreiding

volstrekt noodzakelijk. Bij het woord der openbaring geldt dit nog in

verhoogde mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat

lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als goddelijke

waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de openbaring niet voor

één geslacht en voor één tijd, maar voor alle volken en eeuwen bestemd.

Het moet zijn loop volbrengen door de gansche menschheid heen en tot

aan het einde der tijden. De waarheid is één, het Christendom is

Universalreligion. Hoe zal deze bestemming van het woord der openbaring

anders kunnen bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven

wordt? De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens

wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift

verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis.

Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de vergadering

der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook de vergadering der

bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring van den paus

is een bewijs voor de reformatorische stelling van de onbetrouwbaarheid

der traditie, van de feilbaarheid der kerk, en zelfs van de

noodzakelijkheid der Schrift. Want deze onfeilbaarverklaring houdt in,

dat de waarheid van het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan

worden door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog

aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is uit eene

bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar Roomsch beweren

de paus deelt. Rome en de Hervorming komen dus daarin overeen, dat

het woord der openbaring in en voor de kerk alleen zuiver bewaard kan

blijven door de instelling van het apostolaat, d. i. door de inspiratie.

En het geschil loopt alleen hierover, of dat apostolaat heeft

opgehouden dan wel in den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de

bewering der Vermittelungstheologie geheel onhoudbaar, dat de Schrift

uit de kerk is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der

Bibel is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der

profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte

vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt.

Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een bijzondere

akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten en apostelen,

waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht aan de kerk aller

eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift is dus niet uit de kerk

voortgekomen, maar door een bijzondere werkzaamheid des H. Geestes

in de profeten en apostelen aan de kerk gegeven. De Schrift behoort

mede tot de openbaring, welke door God aan zijn volk is geschonken.

Hierin zijn Rome en de Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt

tegenover Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes

thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer bestaat

en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben hunne

getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in de H. Schriften

neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring Gods tot eigendom der

menschheid gemaakt. De Schrift is het volkomen in de wereld ingegane

woord Gods. Zij maakt dat woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de

dwaling en leugen, aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate

de menschheid grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de

wetenschap uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester

wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint het

schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een reuzenstap

ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang deelt de H.

Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe duidelijker aan het

licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen eigendom gemaakt gelijk nimmer

te voren. In honderden talen wordt zij overgezet. Zij komt onder aller

oog en in ieders hand. Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te

zijn, om de waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast

de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft

voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid der

H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks of

zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt het water

uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, dat ons nu nog iets van

christelijke waarheid zou toekomen buiten en zonder de H. Schrift. In

de eerste eeuw was zoo iets mogelijk, maar thans zijn de stroomen van

traditie en Schrift reeds lang samengevloeid en de eerste reeds lang

in de tweede opgenomen. Rome kan dit alleen staande houden door zijne

leer van de voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van

den paus. Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk

karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden betoogd, dat

zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift. Er is geen kennis

van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap met Hem dan door

gemeenschap aan het woord der apostelen. Cf. Ursinus, Tract. theol.

p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15.

Synopsis pur. theol., disp. 2. Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3.

Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 25, 26 enz.

12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er kan toch

nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid. Zelfs wie

van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft gehad, stemt dikwerf

gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote beteekenis is geweest voor

de opvoeding van menschen en volken. Maar op allerlei wijze is de duur

dier noodzakelijkheid beperkt geworden. Het gnosticisme erkende hare

noodzakelijkheid voor de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι.

De mystiek achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie

en meditatie, maar niet meer op dat der contemplatie en visio Dei.

Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, de

Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische plaats in, opdat

daardoor de heerschappij der Vernunftreligion werd voorbereid. Evenzoo

oordeelde Hegel, dat de vorm der aanschouwing in den godsdienst voor

het volk noodzakelijk was, maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan

geen behoefte meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de

godsdienst goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar dat de

ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn.

Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke waarheid.

De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke religie draagt

inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch karakter. Gelijk de

Oudtestamentische oeconomie van het foedus gratiae voorbij is gegaan,

zoo zal ook deze bedeeling van het genadeverbond, waarin wij leven, eens

tot het verleden behooren. Als Christus zijne gemeente vergaderd en als

eene reine bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het

koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, van

openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie en philosophie

niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de religie bestaat toch

daarin, dat wij God dienen zonder dwang en zonder vreeze, uit liefde

alleen, naar de uitspraak onzer eigen natuur. Het is God zelf in zijne

openbaring er om te doen, om menschen te vormen in wien zijn beeld weer

ten volle is hersteld. Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook

den H. Geest, opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou

schrijven en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte,

het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de bewijzen, dat

God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een liefdedienst, die

nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde voorstellingen eene

anticipatie van het toekomstig ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch

desniettemin van eene zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van

eene verwarring tusschen de bedeeling van het heden en die van het

hiernamaals. Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer

behoeven zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat wij

eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof in deze

bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende kerk

één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand en leven. De

grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot het hemelsche leven

brengen wij het hier op aarde nooit. Wij wandelen door geloof en niet

door aanschouwen. Wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede;

eerst hiernamaals zullen we zien van aangezicht tot aangezicht en

kennen, gelijk we gekend zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd.

Zelfstandig, onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven

gebonden aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des gezags kan

hier op aarde nooit overwonnen worden.

Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid der

Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische

menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen de wijsgeeren

en het volk. En zulk eene klove heeft in geen enkel opzicht recht van

bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, dan zouden de geleerden een

voorrecht genieten boven de onontwikkelden. Maar religieus zijn alle

menschen gelijk; zij hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen

onderscheid van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen

één, hoe verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling,

enz. want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die

rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men onder

menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen die tweeërlei

soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken hoogmoed,

welke zelf met het wezen der christelijke religie, met den ootmoed, de

nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten strijd is. De tollenaren

gaan voor de Phariseën, en de minste is in het koninkrijk der hemelen de

meeste.

Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, als het

rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan Vernunftwahrheiten

bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon voorloopig uit de openbaring

gekend, later door het denken uit de rede zelve kunnen worden afgeleid.

Maar de openbaring heeft een gansch anderen inhoud dan eene rationeele

leer. Zij is historie, heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus

tot middelpunt, de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan

nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden afgeleid.

Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift ten allen tijde

noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan ieder mensch hoofd voor

hoofd zou niet kunnen schenken, wat nu de openbaring in Christus

door de Schrift aan alle menschen biedt. Het historisch karakter der

openbaring, het feit en de idee der vleeschwording en de organische

beschouwing van het menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin

de openbaring Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. blz.

299). Daarom kan nu ook worden beslist, wat op bl. 143 nog in het

midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk mensch

komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven. Gelijk ééne zon

met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo is Christus de opgang

uit de hoogte, die verschijnt aan degenen die gezeten zijn in duisternis

en schaduw des doods, en zoo is de eene en zelfde Schrift het licht

op aller pad en de lamp voor aller voet. Zij is het woord Gods tot de

gansche menschheid. De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid

der Schrift een krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme

is telkens omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het

enthusiastisch spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme

geeindigd. De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk

bewezen uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de

kerken, die haar belijden.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 23 / 28 题