8. In de autoriteit der Schrift is er groote overeenstemming
tusschen de christelijke kerken, maar in de drie andere, nu volgende
eigenschappen is er belangrijk verschil. Rome kan van wege de
verhouding, die het aanneemt tusschen Schrift en kerk, de necessitas
S. Scripturae inzien noch erkennen. Bij Rome is de kerk αὐτοπιστος,
zelfgenoegzaam, levende uit en door den H. Geest; zij heeft de waarheid
en bewaart ze trouw en zuiver door het onfeilbaar leerambt van den
paus. De Schrift daarentegen, voortgekomen uit de kerk, moge nuttig en
goed zijn als norma, maar principium der waarheid is zij niet. Zij is niet
noodzakelijk ad esse ecclesiae. De kerk heeft eigenlijk niet de Schrift,
maar wel heeft de Schrift voor haar gezag, aanvulling, uitlegging enz.
de kerk van noode. De gronden voor deze leer worden daaraan ontleend,
dat de kerk vóór Mozes en de eerste christelijke gemeente geen Schrift
had, en dat vele geloovigen onder het O. en ook nog onder het N. Test.
de Schrift nooit bezeten en gelezen hebben maar enkel en alleen leefden
van de traditie, Bellarminus, de verbo Dei IV c. 4. Heinrich, Dogm. I
735 f. Liebermann, Instit. theol. 1857 I p. 449 sq. Dieringer, Lehrb.
der kath. Dogm. 4e Aufl. 633. Gutberlet, Lehrb. der Apol. III 1894 S.
221 f. Jansen. Prael. theol. I 786 sq. enz.
Maar niet alleen Rome bestrijdt op die wijze de noodzakelijkheid der H.
Schrift; ook allerlei mystieke richtingen hebben de beteekenis der
Schrift voor kerk en theologie verzwakt en miskend. Het Gnosticisme
verwierp niet alleen het O. T. maar paste op het N. T. de allegorische
methode toe en trachtte daardoor zijn systeem met de Schrift in
overeenstemming te brengen. De zinnelijke vormen en historische feiten
hebben slechts symbolische beteekenis; zij zijn eene inkleeding, die
voor menschen van lager standpunt noodig is, maar voor de hooger
ontwikkelden, de πνευματικοι, wegvalt. De Schrift is geen bron der
waarheid, maar slechts middel om tot het hooger standpunt der gnosis
zich op te heffen, Herzog² 5, 209 f. Harnack, D. G. I 214 f. In het
Montanisme trad eene nieuwe openbaring op, welke die in het N. T.
aanvulde en verbeterde. Het Montanisme, vooral in zijn gematigden vorm
bij Tertullianus, wilde eenerzijds niets nieuws zijn en de autoriteit
der Schrift ten volle handhaven; en toch begroette het in Montanus
een profeet, in wien de door Jezus beloofde Paracleet, de laatste
en hoogste openbaring verschenen was. De Schrift moest op die wijze
wel wijken voor de nieuwe profetie, welke door Montanus verkondigd
werd, Harnack, D. G. I 353 f. Herzog² 10, 258 f. De kerk veroordeelde
deze richtingen wel, en de kerkvaders bestreden dit spiritualisme.
Augustinus schreef er tegen in den proloog voor zijn boek de doctrina
christiana; maar toch nam ook Augustinus aan, dat de vromen, vooral de
monniken, met eene zoo groote mate van geloof, hoop en liefde konden
worden toegerust, dat ze voor zichzelf de Schrift konden missen en
zonder haar in de eenzaamheid konden leven, de doctr. christ. I c. 39.
Het spiritualisme kwam telkens weer op, en reageerde tegen de knellende
macht van kerk en traditie. Verschillende secten, de Katharen, Amalrik
van Bena, Joachim v. Floris, de broeders en zusters des vrijen geestes
en later de Libertijnen in Genève, achtten na het tijdperk des Vaders en
des Zoons dat des H. Geestes aangebroken, waarin allen leefden door
den Geest en de uitwendige middelen van Schrift en kerk niet meer
behoefden, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 108, 116. Reuter, Gesch.
der relig. Aufklärung im M. A. II 198 f. Herzog² 2, 677. 6, 786. 8,
652 f. Hahn, Gesch. der Ketzer im M. A. II 420 f. III 72 f. Gieseler,
Kirchengeschichte, II, 2, 1826 S. 437 f. Hagenbach, Kirchengesch.
in Vorlesungen II 1886 S. 480 f. De mystiek, die in de Middeleeuwen
in Frankrijk en Duitschland bloeide, zocht door middel van askese,
meditatie en contemplatie eene gemeenschap met God te bereiken, welke
de Schrift missen kon. De Schrift was wel bij wijze van ladder noodig
om tot deze hoogte op te klimmen, maar werd overbodig, als de eenheid
met God, de visio Dei, bereikt was, Herzog¹ 12, 427 f. Harnack, D. G.
III 374 f. Vooral de Wederdoopers verhieven het inwendig woord ten
koste van het uitwendige. Reeds in 1521 werd de tegenstelling gemaakt
tusschen Schrift en Geest, en deze tegenstelling is een blijvend kenmerk
van het Anabaptisme geworden, Sepp, Kerkhist. Stud. 12. De H. Schrift
is niet het waarachtig woord Gods, maar slechts eene getuigenis en
beschrijving; het echte, ware woord is dat, hetwelk door den H. Geest
in onze harten wordt gesproken. De Bijbel is maar een boek met letters;
Bijbel is Babel, vol verwarring; hij kan het geloof in de harten niet
werken, alleen de Geest leert ons het ware woord. En als die Geest ons
onderwijst, dan kunnen wij ook de Schrift wel missen, zij is een tijdelijk
hulpmiddel maar voor den geestelijken mensch niet noodig, A. Hegler,
Geist u. Schrift bei Sebastian Franck, Freiburg 1892. J. H. Maronier,
Het inwendig woord, Amst. 1890. Vigouroux, Les livres saints et la
critique rationaliste, 3e ed. I 435-453. Hans Denck vereenzelvigde
dat inwendig woord reeds met de natuurlijke rede, en wees op vele
tegenstrijdigheden in de Schrift. Ludwig Hetzer achtte de Schrift in
het geheel niet noodzakelijk. Knipperdolling eischte te Munster, dat de
H. Schrift moest worden afgeschaft en men alleen naar natuur en geest
moest leven, Herz.² 10, 362. Het mysticisme sloeg in rationalisme
om. Hetzelfde verschijnsel zien we later bij de anabaptistische en
independentische sekten in Engeland, ten tijde van Cromwell, bij de
kwakers en bij het piëtisme. De verheffing van het inwendig boven het
uitwendig woord leidde altijd tot vereenzelviging van de onderwijzing
des Geestes met het natuurlijk licht van rede en geweten, en zoo tot
algeheele verwerping van openbaring en Schrift. Niemand heeft dan ook
scherper de noodzakelijkheid der Schrift bestreden, dan Lessing in
zijne Axiomata tegen Goeze. Ook hij maakt onderscheid tusschen letter
en geest, Bijbel en godsdienst, theologie en religie, den christelijken
godsdienst en den godsdienst van Jezus, en zegt nu, dat de laatste
onafhankelijk van den eersten bestond en bestaan kan. De religie was er
immers, eer er de Bijbel was. Het Christendom was er, eer evangelisten
en apostelen schreven. De godsdienst, door hen geleerd, kan
voortbestaan, ook al gingen al hun geschriften verloren. De godsdienst
is niet waar, omdat evangelisten en apostelen hem leerden, maar zij
leerden hem, omdat hij waar is. Hunne geschriften mogen en moeten dus
naar de inwendige waarheid der religie worden verklaard. Een aanval op
den Bijbel is nog geen aanval op de religie. Luther heeft ons verlost
van het juk der traditie, wie verlost ons van het nog veel ondragelijker
juk der letter?
9. Deze gedachten over de niet-noodzakelijkheid der Schrift zijn in de
nieuwere theologie vooral binnengeleid door Schleiermacher. In zijne
Glaubenslehre § 128, 129 zegt hij dat het geloof aan Christus niet rust
op het gezag der Schrift, maar aan het geloof der Schrift voorafgaat
en juist aan die Schrift ons een bijzonder aanzien doet schenken. Bij
de eerste Christenen ontstond het geloof aan Christus niet uit de
H. Schrift, en zoo kan het ook bij ons daaruit niet ontstaan; want
bij hen en ons moet het geloof eenzelfden grond hebben. De Schrift
is dus geen bron der religie, maar wel norma; zij is het eerste lid
in de rij der christelijke geschriften, zij staat het dichtst bij de
bron, d. i. de openbaring in Christus, en had dus weinig gevaar om
onzuivere bestanddeelen in zich op te nemen. Maar al de Schriften
der evangelisten en apostelen zijn evenals alle volgende christelijke
geschriften voortgekomen uit eenzelfden Geest, den Gemeingeist der
christelijke kerk. De kerk is niet gebouwd op de Schrift, maar de
Schrift is voortgekomen uit de kerk. Door Schleiermacher zijn deze
gedachten tot het gemeen goed der nieuwere theologie geworden. Zij
schijnen zoo waar te zijn en zoo vanzelf te spreken, dat er aan geen
twijfel of kritiek wordt gedacht. Bij schier alle theologen kan men de
voorstelling vinden, dat de kerk bestond voor de Schrift en dus ook
onafhankelijk van haar kan bestaan. De kerk rust in zichzelve, zij leeft
uit zichzelve, d. i. uit den Geest die in haar woont. De H. Schrift,
in den aanvang, in de frischheid harer jeugd uit haar voortgekomen, is
wel norma maar geen bron. Bron is de persoonlijke, levende Christus,
die in de gemeente woont; de dogmatiek is beschrijving van het leven,
explicatie van het religieus bewustzijn der gemeente, en heeft daarbij
tot richtsnoer de Schrift, die dat leven der gemeente het eerst en het
duidelijkst heeft vertolkt. De kerk is dus eigenlijk de Verfasserin der
Bibel, en de Bijbel is de Reflex der Gemeinde, Lange, Philos. Dogm. §
77. Rothe, Zur Dogm. 333 f. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f.
Philippi, Kirchl. Glaub. I³ 190 f. Hofstede de Groot, De Gron. Godg.
71 v. 97 v. Saussaye, mijne Theol. van d. l. S. 49 v. Gunning en de la
Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der theol. 34, enz.
Al deze gedachten, van Rome, het anabaptisme, het mysticisme, het
rationalisme, van Lessing, Schleiermacher enz. zijn onderling ten
nauwste verwant. Vooral Schleiermacher heeft door zijne omkeering van
de verhouding tusschen Schrift en kerk aan Rome een krachtigen steun
geboden. Allen komen daarin overeen, dat de Schrift niet noodzakelijk
maar hoogstens nuttig is en dat de kerk ook uit en door zichzelve kan
bestaan. Het verschil ligt alleen hierin, dat Rome den grond en de
mogelijkheid voor dit voortbestaan van de christelijke religie zoekt in
de geïnstitueerde kerk, d. i. in den onfeilbaren paus, Schleiermacher
c. s. in de gemeente als organisme, d. i. in de religieuse gemeenschap,
en het mysticisme en rationalisme in de religieuse individuen. Allen
zoeken het voortbestaan der kerk in de leiding des H. Geestes, in
de inwoning van Christus, maar deze heeft bij Rome haar orgaan in
den paus, bij Schleiermacher in het organisme der gemeente, bij het
anabaptisme in elken geloovige hoofd voor hoofd. Het is gemakkelijk in
te zien, dat Rome hierbij de sterkste positie inneemt. Want zeker, er
is eene leiding des H. Geestes in de gemeente, Christus is opgestaan
uit de dooden, leeft in den hemel en woont en werkt in zijne kerk op
aarde. Er is eene mystieke unie tusschen Christus en zijn lichaam.
Het woord alleen is onvoldoende, het principium externum eischt ook
een principium internum. Het Protestantisme wist dit alles zeer goed
en beleed het van harte. Maar de vraag was deze, of de kerk voor het
_bewuste_ leven der religie aan het woord, aan de Schrift gebonden was
al dan niet. De religie is toch niet alleen een zaak van het hart,
het gemoed, den wil, maar ook van het hoofd. Ook met het verstand
moet God gediend en bemind worden. Voor het bewuste leven moet dus
de kerk een bron hebben waaruit zij de waarheid put. Nu kan Rome met
zijn onfeilbaren paus beweren, dat de Schrift niet noodzakelijk is. De
onfeilbaarheid der kerk maakt inderdaad de Schrift overbodig. Maar het
Protestantisme heeft geen onfeilbaar orgaan, noch in het instituut noch
in het organisme noch in de individueele leden der gemeente. Wanneer
het de noodzakelijkheid der Schrift ontkent, verzwakt het zichzelf,
sterkt Rome en verliest de waarheid, die een onmisbaar element der
religie is. Daarom stond de Hervorming zoo sterk op de noodzakelijkheid
der H. Schrift. De Schrift was het δος μοι που στω van de Reformatie.
Zij slaagde, omdat zij tegenover het gezag van kerk, concilies en paus
de autoriteit kon stellen van Gods heilig woord. Wie dit standpunt der
Hervorming verlaat, werkt onbewust aan den opbouw van Rome. Want indien
niet de Schrift maar de kerk noodzakelijk is tot kennis der religieuse
waarheid, dan wordt deze het onontbeerlijk medium gratiae. Het woord
verliest zijne centrale plaats en behoudt slechts eene praeparatoire,
paedagogische beteekenis. De Schrift moge nuttig en goed zijn, noodig is
zij niet, noch voor de kerk in haar geheel noch voor de geloovigen in
het bijzonder.
10. Ofschoon de Hervorming alzoo tegen Rome haar kracht zocht in de
Schrift en hare noodzakelijkheid handhaafde, toch ontkende zij daarmede
niet, dat de kerk voor Mozes eeuwen lang zonder Schrift had bestaan.
Ook is het waar, dat de kerk des N. T. door de prediking der apostelen
werd gesticht en langen tijd bestond zonder een Nieuwtestamentischen
kanon. Voorts wordt de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld
geplant door de verkondiging van het evangelie. De boeken des O. en N.
T. zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de boekdrukkunst
in gering aantal verspreid; vele geloovigen zijn in vroeger en later
tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben gelezen en onderzocht,
en nog zoekt het religieuse leven bevrediging voor zijne behoeften niet
alleen in de Schrift maar minstens evenzeer in allerlei stichtelijke
lectuur. Dit alles kan volmondig worden erkend, zonder dat daarmee
aan de noodzakelijkheid der Schrift ook maar eenigszins wordt te kort
gedaan. Zelfs had God, indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker
nog op eene andere wijze bij de waarheid kunnen bewaren, dan door middel
van een geschreven woord. De noodzakelijkheid der Schrift is niet
absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.
Maar zoo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven allen twijfel
verheven. De mensch heeft ten allen tijde slechts geleefd hij het woord,
dat door den mond Gods uitgaat, Mt. 4:4. Het woord Gods is van den
beginne af aan het zaad der kerk geweest. Zeer zeker bestond de kerk
voor Mozes zonder Schrift. Maar er was toch een verbum ἀγραφον, voordat
het ἐγγραφον werd. De kerk heeft nooit uit zichzelve geleefd en in
zichzelve gerust, maar altijd door het woord Gods. Rome leert dit ook
niet, maar neemt eene traditie aan, die het woord Gods onfeilbaar
bewaart. Maar wel dient dit te worden uitgesproken tegenover hen,
die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in instorting van
goddelijke krachten, in opwekking van religieuse aandoeningen. De kerk
moge dus ouder zijn dan het geschreven, zij is toch jonger dan het
gesproken woord, Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. theol. I c.
15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Gerhard, Loci theol. I cap. 1 § 5
sq. De gewone bewering, dat de kerk des N. T. langen tijd zonder Schrift
bestond, moet ook goed worden opgevat. Het is waar, dat de kanon der
N. T. geschriften eerst in de tweede helft der tweede eeuw algemeen
werd erkend. Maar de christelijke gemeenten hadden van den aanvang af
het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door het gesproken woord
der apostelen. Zeer spoedig kwamen vele gemeenten in het bezit van
apostolische geschriften, die ook aan andere werden ter lezing gegeven,
weldra dienden tot voorlezing in de kerken en zeer spoedig werden
verbreid. Het spreekt vanzelf, dat er, zoolang de apostelen leefden en
de gemeenten bezochten, nog geen onderscheiding werd gemaakt tusschen
hun gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het
ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de afstand
van de apostelen grooter werd, rezen de geschriften der apostelen in
beteekenis, en hunne noodzakelijkheid nam gaandeweg toe. Inderdaad is de
necessitas S. Scripturae ook geen stabiele maar eene steeds groeiende
eigenschap. De Schrift was niet altijd in haar geheel voor de gansche
kerk noodzakelijk. De Schrift is langzamerhand ontstaan en voltooid.
Naarmate de openbaring voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen.
Elke periode der kerk had genoeg aan dat gedeelte der Schrift, dat toen
bestond, evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zoover was
geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch geheel,
dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem was de vrucht
begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden gelijken tred met den
staat der kerk en omgekeerd. Daarom kan er uit de vroegere toestanden
der kerk ook geen conclusie worden getrokken voor het heden. Laat
de kerk voor Mozes zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk voor de
voltooiing der openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de gansche
Schrift; daaruit volgt niets voor die bedeeling der kerk, in welke wij
leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid.
Voor deze bedeeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, maar ook
beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.
11. Schrift toch is het eenig afdoende middel, om het gesproken woord
onvervalscht te bewaren en tot eigendom van alle menschen te maken.
Vox audita perit, littera scripta manet. De kortheid van het leven, de
ontrouw van het geheugen, de arglistigheid van het hart en allerlei
andere gevaren, die de zuiverheid der overlevering bedreigen, maken
opteekening van het gesproken woord tot bewaring en verbreiding
volstrekt noodzakelijk. Bij het woord der openbaring geldt dit nog in
verhoogde mate. Want het evangelie is niet naar den mensch, het staat
lijnrecht tegenover zijne gedachten en wenschen, het staat als goddelijke
waarheid tegenover zijne leugen. Bovendien is de openbaring niet voor
één geslacht en voor één tijd, maar voor alle volken en eeuwen bestemd.
Het moet zijn loop volbrengen door de gansche menschheid heen en tot
aan het einde der tijden. De waarheid is één, het Christendom is
Universalreligion. Hoe zal deze bestemming van het woord der openbaring
anders kunnen bereikt worden, dan doordat het opgeteekend en beschreven
wordt? De kerk kan dezen dienst des woords niet verrichten. Nergens
wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift
verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en de getuigenis.
Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d. i. de vergadering
der geloovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook de vergadering der
bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring van den paus
is een bewijs voor de reformatorische stelling van de onbetrouwbaarheid
der traditie, van de feilbaarheid der kerk, en zelfs van de
noodzakelijkheid der Schrift. Want deze onfeilbaarverklaring houdt in,
dat de waarheid van het woord der openbaring niet bewaard wordt of kan
worden door de kerk als vergadering der geloovigen, wijl ook deze nog
aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is uit eene
bijzondere assistentie des H. Geestes, waarin dan naar Roomsch beweren
de paus deelt. Rome en de Hervorming komen dus daarin overeen, dat
het woord der openbaring in en voor de kerk alleen zuiver bewaard kan
blijven door de instelling van het apostolaat, d. i. door de inspiratie.
En het geschil loopt alleen hierover, of dat apostolaat heeft
opgehouden dan wel in den paus wordt voortgezet. Daarentegen is de
bewering der Vermittelungstheologie geheel onhoudbaar, dat de Schrift
uit de kerk is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der
Bibel is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt der
profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte
vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt.
Naar de leer der Schrift is de inspiratie echter een bijzondere
akte des H. Geestes, eene speciale gave aan profeten en apostelen,
waardoor zij het woord Gods zuiver en onvervalscht aan de kerk aller
eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift is dus niet uit de kerk
voortgekomen, maar door een bijzondere werkzaamheid des H. Geestes
in de profeten en apostelen aan de kerk gegeven. De Schrift behoort
mede tot de openbaring, welke door God aan zijn volk is geschonken.
Hierin zijn Rome en de Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt
tegenover Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid des H. Geestes
thans heeft opgehouden, m. a. w. dat het apostolaat niet meer bestaat
en in den paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben hunne
getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in de H. Schriften
neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring Gods tot eigendom der
menschheid gemaakt. De Schrift is het volkomen in de wereld ingegane
woord Gods. Zij maakt dat woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de
dwaling en leugen, aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate
de menschheid grooter, het leven korter, het geheugen zwakker, de
wetenschap uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester
wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint het
schrift en de pers in beteekenis. De boekdrukkunst was een reuzenstap
ten hemel en ter hel. Ook in dezen ontwikkelingsgang deelt de H.
Schrift. Hare noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe duidelijker aan het
licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen eigendom gemaakt gelijk nimmer
te voren. In honderden talen wordt zij overgezet. Zij komt onder aller
oog en in ieders hand. Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te
zijn, om de waarheid ter kennis aller menschen te brengen. Dat daarnaast
de religieuse litteratuur voor velen het voornaamste voedsel blijft
voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid der
H. Schrift. Want alle christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks of
zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt het water
uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, dat ons nu nog iets van
christelijke waarheid zou toekomen buiten en zonder de H. Schrift. In
de eerste eeuw was zoo iets mogelijk, maar thans zijn de stroomen van
traditie en Schrift reeds lang samengevloeid en de eerste reeds lang
in de tweede opgenomen. Rome kan dit alleen staande houden door zijne
leer van de voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van
den paus. Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het christelijk
karakter der waarheid kan enkel en alleen daardoor worden betoogd, dat
zij met al hare vezelen wortelt in de H. Schrift. Er is geen kennis
van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap met Hem dan door
gemeenschap aan het woord der apostelen. Cf. Ursinus, Tract. theol.
p. 1 sq. Zanchius, Op. VIII 343 sq. Polanus, Synt. Theol. I c. 15.
Synopsis pur. theol., disp. 2. Turretinus, Theol. El. loc. 2, qu. 1-3.
Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 25, 26 enz.
12. Ook al wordt de noodzakelijkheid der Schrift erkend, er kan toch
nog verschil bestaan over den duur dier noodzakelijkheid. Zelfs wie
van meening is, dat de Schrift haar tijd heeft gehad, stemt dikwerf
gaarne toe, dat zij in haar tijd van groote beteekenis is geweest voor
de opvoeding van menschen en volken. Maar op allerlei wijze is de duur
dier noodzakelijkheid beperkt geworden. Het gnosticisme erkende hare
noodzakelijkheid voor de ψυχικοι maar bestreed ze voor de πνευματικοι.
De mystiek achtte de Schrift wel noodig op het standpunt der cogitatie
en meditatie, maar niet meer op dat der contemplatie en visio Dei.
Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, de
Schrift, de statutarische Religion eene paedagogische plaats in, opdat
daardoor de heerschappij der Vernunftreligion werd voorbereid. Evenzoo
oordeelde Hegel, dat de vorm der aanschouwing in den godsdienst voor
het volk noodzakelijk was, maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan
geen behoefte meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de
godsdienst goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar dat de
ontwikkelden en beschaafden verre daarboven verheven zijn.
Er ligt in deze voorstelling eene onmiskenbare en heerlijke waarheid.
De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de christelijke religie draagt
inderdaad een tijdelijk, praeparatoir en paedagogisch karakter. Gelijk de
Oudtestamentische oeconomie van het foedus gratiae voorbij is gegaan,
zoo zal ook deze bedeeling van het genadeverbond, waarin wij leven, eens
tot het verleden behooren. Als Christus zijne gemeente vergaderd en als
eene reine bruid aan den Vader voorgesteld heeft, geeft Hij Gode het
koninkrijk over. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, van
openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie en philosophie
niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de religie bestaat toch
daarin, dat wij God dienen zonder dwang en zonder vreeze, uit liefde
alleen, naar de uitspraak onzer eigen natuur. Het is God zelf in zijne
openbaring er om te doen, om menschen te vormen in wien zijn beeld weer
ten volle is hersteld. Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook
den H. Geest, opdat die ons wederbaren zou, zijne wet in ons hart zou
schrijven en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte,
het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de bewijzen, dat
God zijne kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een liefdedienst, die
nimmer verdriet. In zoover kunnen de bovengenoemde voorstellingen eene
anticipatie van het toekomstig ideaal worden genoemd. Maar zij zijn toch
desniettemin van eene zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van
eene verwarring tusschen de bedeeling van het heden en die van het
hiernamaals. Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer
behoeven zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat wij
eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof in deze
bedeeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en de triumfeerende kerk
één is, blijft er toch onderscheid in beider toestand en leven. De
grenslijn mag en kan niet worden uitgewischt. Tot het hemelsche leven
brengen wij het hier op aarde nooit. Wij wandelen door geloof en niet
door aanschouwen. Wij zien nu door een spiegel in eene duistere rede;
eerst hiernamaals zullen we zien van aangezicht tot aangezicht en
kennen, gelijk we gekend zijn. De visio Dei is voor den hemel weggelegd.
Zelfstandig, onafhankelijk worden we op deze aarde nooit. Wij blijven
gebonden aan den kosmos, die ons omringt. Het standpunt des gezags kan
hier op aarde nooit overwonnen worden.
Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid der
Schrift eene diepe klove tusschen de psychische en de pneumatische
menschen, tusschen de beschaafden en de massa, tusschen de wijsgeeren
en het volk. En zulk eene klove heeft in geen enkel opzicht recht van
bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, dan zouden de geleerden een
voorrecht genieten boven de onontwikkelden. Maar religieus zijn alle
menschen gelijk; zij hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen
onderscheid van Griek en barbaar. De religie is voor alle menschen
één, hoe verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling,
enz. want voor de religie, d. i. voor het aangezicht Gods zijn al die
rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men onder
menschen boven anderen uitmunt. De scheiding tusschen die tweeërlei
soort van menschen getuigt dan ook van een geestelijken hoogmoed,
welke zelf met het wezen der christelijke religie, met den ootmoed, de
nederigheid, enz., die zij eischt, in lijnrechten strijd is. De tollenaren
gaan voor de Phariseën, en de minste is in het koninkrijk der hemelen de
meeste.
Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, als het
rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan Vernunftwahrheiten
bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon voorloopig uit de openbaring
gekend, later door het denken uit de rede zelve kunnen worden afgeleid.
Maar de openbaring heeft een gansch anderen inhoud dan eene rationeele
leer. Zij is historie, heeft genade tot inhoud, den persoon van Christus
tot middelpunt, de herschepping der menschheid tot doel. Dit alles kan
nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden afgeleid.
Om zulk eene openbaring te kennen, blijft de Schrift ten allen tijde
noodzakelijk. Zelfs eene openbaring Gods aan ieder mensch hoofd voor
hoofd zou niet kunnen schenken, wat nu de openbaring in Christus
door de Schrift aan alle menschen biedt. Het historisch karakter der
openbaring, het feit en de idee der vleeschwording en de organische
beschouwing van het menschelijk geslacht eischen eene Schrift, waarin
de openbaring Gods voor de gansche menschheid neergelegd is (cf. blz.
299). Daarom kan nu ook worden beslist, wat op bl. 143 nog in het
midden werd gelaten, of n.l. de openbaring individueel tot elk mensch
komt dan wel door de Schrift aan allen wordt gegeven. Gelijk ééne zon
met hare stralen de gansche aarde verlicht, zoo is Christus de opgang
uit de hoogte, die verschijnt aan degenen die gezeten zijn in duisternis
en schaduw des doods, en zoo is de eene en zelfde Schrift het licht
op aller pad en de lamp voor aller voet. Zij is het woord Gods tot de
gansche menschheid. De historie zelve legt voor deze noodzakelijkheid
der Schrift een krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme
is telkens omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het
enthusiastisch spiritualisme is dikwerf in het grofste materialisme
geeindigd. De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk
bewezen uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de
kerken, die haar belijden.