D. Begrip der inspiratie.

13. De H. Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd dogma over

de inspiratie, maar zij geeft de zaak, het feit der theopneustie en al

de momenten, die er voor de constructie van het dogma noodig zijn. Zij

leert de theopneustie der Schrift in denzelfden zin en op dezelfde

wijze, even helder en even duidelijk, maar ook even weinig in abstracte

begrippen geformuleerd als het dogma der triniteit, der vleeschwording,

der voldoening enz. Meermalen is dit ontkend. Elke sectarische en

haeretische richting begint haast met een beroep op de Schrift tegen

de confessie, en tracht hare afwijking te doen voorkomen als door de

Schrift geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek

tot de erkentenis, dat de orthodoxie de getuigenis der Schrift aan

hare zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen gulweg

toe, dat Jezus en de apostelen de O. T. Schrift als Gods woord hebben

aangenomen, Lipsius, Dogm. § 185 S. 141, Strauss I 79, Pfleiderer,

Der Paulinismus, 2e Aufl. Leipz. 1890 S. 87 f. Rothe, Zur Dogm. 178

f. erkent dit ook ten opzichte van de apostelen, maar meent dat de

kerkelijke dogmatiek voor hare leer van de inspiratie zich niet op

Jezus beroepen kan. Deze meening staat echter vrij wel op zichzelve en

wordt door weinigen gedeeld. Jezus’ positieve uitspraken over de O. T.

Schrift, Mt. 5:8; Luk. 16:17; Joh. 10:35, zijne aanhaling en gebruik,

Mt. 19:4, 5, 22:43 enz. spreken daartoe te sterk, en zijn niets vrijer

dan die van de apostelen. Maar deze tegenstelling, die Rothe maakt

tusschen de leer van Jezus en die van de apostelen, verheft niet maar

ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf. Want van Jezus weten we

niets dan door de apostelen; wie dus de apostelen discrediteert en als

onbetrouwbare getuigen der waarheid voorstelt, weerspreekt terstond

Jezus zelf, die zijn apostelen tot volkomen betrouwbare getuigen

aangesteld heeft en door zijn Geest hen leiden zou in al de waarheid.

En daartoe behoort voorzeker ook de waarheid aangaande de H. Schrift.

De leuze: naar Christus terug is bedriegelijk en valsch, als ze in

tegenstelling staat met de getuigenis der apostelen.

Zeer gewoon is ook eene andere tegenstelling, die gemaakt wordt om van

de zelfgetuigenis der Schrift bevrijd te worden. De Schrift, zoo zegt

men dan, moge hier en daar de inspiratie leeren; maar om de leer der

Schrift aangaande de Schrift op te bouwen, moeten ook de feiten in

rekening worden gebracht, welke de Schrift in haar ontstaan, wording,

geschiedenis, bestand en inhoud ons kennen doet. Alleen zulk eene

theorie van inspiratie is dus waar en goed, die met de phenomena der

Schrift bestaanbaar is, en uit deze zelve is afgeleid. Zeer dikwerf

doet men het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij eene eigene,

apriorische opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het

keurslijf der scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover

al die theorieën en systemen juist de Schrift zelve wil laten spreken

en alleen van zichzelve wil laten getuigen. Het schort der orthodoxie

juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet den tekst, de feiten der

H. S. geweld aan, Dr. G. Wildeboer, Letterk. des O. V. bl. V. Deze

voorstelling klinkt op het eerste hooren schoon en aannemelijk, maar

blijkt toch bij nadere overweging onhoudbaar. De tegenstelling is in de

eerste plaats niet die tusschen eene of andere inspiratietheorie en

de zelfgetuigenis der Schrift. De inspiratie is een feit, door de H.

Schrift zelve geleerd. Jezus en de apostelen hebben eene getuigenis

gegeven aangaande de Schrift. De Schrift bevat eene leer ook over

zichzelve. Afgedacht van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling

dezer leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in deze hare

zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan

over de vraag, of de Schrift zulk eene theopneustie van zichzelve

leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd te worden,

evengoed als in hare uitspraken over God, Christus, de zaligheid enz.

De zoogenaamde phenomena der Schrift kunnen die zelfgetuigenis der

Schrift niet omverstooten en mogen tegen haar zelfs niet als partij

worden opgeroepen. Want wie zijne leer van de Schrift afhankelijk maakt

van het historisch onderzoek naar hare wording en struktuur, begint

reeds met de zelfgetuigenis der H. Schrift te verwerpen en staat dus

niet meer in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de

Schrift beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in den

geloove te ontleenen aan de Schrift; hij stelt zijne eigene gedachten

in plaats van en boven die der Schrift. Voorts, de zelfgetuigenis der

Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als zoodanig

erkend, maar de beschouwing over de phenomena der Schrift is resultaat

van langdurig historisch-critisch onderzoek en wijzigt zich in allerlei

vormen naar het verschillend standpunt der critici; de theoloog, die

uit zulke onderzoekingen tot eene leer over de Schrift wil komen,

stelt feitelijk zijn wetenschappelijk inzicht tegenover de leer der

Schrift aangaande zichzelve. Maar langs dien weg komt men ook nooit

tot eene leer over de Schrift; historisch-critisch onderzoek kan een

helder inzicht geven in het ontstaan, de geschiedenis, de structuur

van de Schrift maar leidt nooit tot eene leer, tot een dogma de S.

Scriptura. Dit kan uitteraard slechts gebouwd worden op eene getuigenis

der Schrift aangaande zichzelve. Niemand denkt er aan, om eene

geschiedenis over den oorsprong en de bestanddeelen van de Ilias eene

leer te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen eene of andere

theorie over de inspiratie, maar deze zelve als feit en getuigenis

der Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt dan

niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel _is_, of liever van

wat men _meent_ dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht in strijd zijn met

wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor hij zichzelf uitgeeft

en aandient. De methode, die men volgt, is in het wezen der zaak

geen andere, dan die, waarbij de leer der schepping, van den mensch,

van de zonde enz. niet opgebouwd wordt uit de getuigenis der Schrift

dienaangaande, maar uit de zelfstandige studie van die facta. In beide

gevallen is het een corrigeeren van de leer des Bijbels door eigen

wetenschappelijk onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis

der Schrift van menschelijk oordeel. De feiten en verschijnselen der

Schrift, de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen

ter verklaring, toelichting, enz. van de leer der Schrift aangaande

zichzelve, maar kunnen nooit het feit der inspiratie, waarvan zij

getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat alleen

zulk eene inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met de phenomena

der Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de phenomena der

Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk ze in zichzelve zijn,

bestaanbaar zijn met hare zelfgetuigenis.

14. Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie saamgevat,

wat de Schrift aangaande zichzelve leert. Het woord θεοπνευστος 2 Tim.

3:16 komt vroeger niet voor en is dus misschien het eerst door Paulus

gebruikt. Het kan etymologisch zoowel actieve als passieve beteekenis

hebben, en dus vertaald worden zoowel door: God ademend, als: door God

geademd. Maar de passieve beteekenis heeft de voorkeur, wijl ze door de

plaatsen, waar het woord buiten het N. T. voorkomt, het meest wordt

gesteund en door de Schriftleer des N. T. wordt aanbevolen, 2 Petr.

1:21. In de Vulgata is het weergegeven door divinitus inspirata.

Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel ruimer zin. De Grieken

en Romeinen schreven aan allen, die iets groots en goeds tot stand

brachten, een afflatus of instinctus divinus toe. Nemo vir magnus sine

aliquo afflatu divino unquam fuit, Cic. de Nat. D. 2, 66. Est deus in

nobis, agitante calescimus illo, Ovid. Fasti 6, 5. De inspiratie van

dichters, kunstenaars, vates, enz. kan ook inderdaad tot opheldering

dienen van de inspiratie, waar de H. S. van spreekt. Bijna alle

groote mannen hebben het uitgesproken, dat hunne schoonste gedachten

plotseling en onbewust in hunne ziel opstegen en voor henzelven eene

verrassing waren. Eén getuigenis moge volstaan. Goethe schreef eens

aan Ekkermann, aangehaald door Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864, bl. 27,

28. Jede Produktivität höchster Art, jedes bedeutendes Aperçue, jede

Erfindung, jeder grosse Gedanke der Früchte bringt und Folgen hat,

steht in Niemandes Gewalt und ist über alle irdische Macht erhaben.

Dergleichen hat der Mensch als unverhoffte Geschenke von oben, als

reine Kinder Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu

empfangen und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als

das Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein würdig

befundenes Gefäss zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses. Carlyle,

On heroes, hero-worship and the heroic in history, 4th ed. London

1854, heeft daarom op de heroën of genieën gewezen als de kern van

de geschiedenis der menschheid. Op hun beurt hebben deze genieën,

op elk terrein, weer de massa geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon,

Hegel hebben de gedachten van millioenen omgezet en het bewustzijn

veranderd. Dit feit reeds leert ons, dat er eene inwerking van den

eenen geest op den ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend,

als de eene mensch spreekt tot den ander, als de redenaar de schare

bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijne gedachte overplant in

den gemagnetiseerde, enz., maar altijd is er suggestie van gedachten,

inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift, dat de wereld niet

zelfstandig is en uit zichzelve bestaat en leeft, maar dat de Geest van

God immanent is in al het geschapene. De immanentie Gods is de basis

voor alle inspiratie en theopneustie, Ps. 104:30, 139:7; Job 33:4. Het

zijn en het leven wordt aan ieder schepsel van oogenblik tot oogenblik

door den Geest geinspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe

van alle verstand en wijsheid, Job 32:8; Jes. 11:2, zoodat alle kennis

en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt. In de gemeente is Hij

de Geest der wedergeboorte en vernieuwing, Ps. 51:13; Ezech. 36:26, 27;

Joh. 3:3; de uitdeeler der gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij

de Geest der voorzegging, Num. 11:25, 24:2, 3; Jes. 11:2. 42:1; Micha

3:8, enz. En zoo ook is Hij bij de samenstelling der Schrift de Geest

der inspiratie. Deze laatste werkzaamheid des H. G. staat dus niet op

zichzelve; zij staat in verband met zijn gansche immanente werkzaamheid

in de wereld en in de gemeente. Zij is de kroon en de spitse van alles.

De inspiratie der schrijvers bij de vervaardiging der Bijbelboeken is op

al die andere werkzaamheden des H. Geestes opgebouwd. Zij onderstelt een

werk des Vaders, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van de

geboorte af aan, ja zelfs voor de geboorte in hun geslacht, omgeving,

opvoeding, ontwikkeling, enz. voor die taak werden voorbereid, tot

welke zij later speciaal zouden geroepen worden, Ex. 3-4; Jer. 1:5; Hd.

7:22; Gal. 1:15, enz. De inspiratie mag dus niet, gelijk de modernen

doen, met de heroische, poëtische, religieuse bezieling worden

vereenzelvigd; zij is niet een werk van de providentia Dei generalis,

niet eene inwerking van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze

als in de helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking

van Gods Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld

wordt. De Geest in de schepping werkt den Geest in de herschepping

voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog een voorafgaand

werk des Zoons ondersteld. De gave der theopneustie wordt alleen

geschonken binnen den kring der openbaring. Theophanie, profetie en

wonder gaan aan de eigenlijke inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie

zijn onderscheiden; gene is een werk des Zoons, van den Logos, deze van

den H. Geest. Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher,

dat de heilige schrijvers onder invloed stonden van den heiligen kring,

waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden worden.

Maar de ingeving is niet met de openbaring identisch (cf. boven bl.

300). Zij wortelt in deze, maar zij verheft er zich boven. Eindelijk, de

inspiratie onderstelt meestal, ofschoon niet altijd, ook nog een werk

des H. G. zelven in wedergeboorte, geloof en bekeering. De profeten en

apostelen waren meest heilige mannen, kinderen Gods. Ook deze gedachte

der ethische theologie bevat dus elementen van waarheid. Maar toch

is inspiratie niet met wedergeboorte identisch. Wedergeboorte omvat

den ganschen mensch, inspiratie is eene werking in het bewustzijn.

Gene heiligt en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt

niet van zelf de inspiratie mede, en inspiratie is mogelijk zonder

wedergeboorte, Num. 23:5; Joh. 11:51; cf. Num. 22:28; 1 Sam. 19:24;

Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens, inspiratie is een

actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden Gods staat dus de

inspiratie in ’t nauwste verband. Zij mag er niet van geisoleerd worden.

Zij is opgenomen in al die inwerkingen Gods in al het geschapene. Maar

ook hier moet de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hoogere

alleen door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De

werking van Gods Geest in de natuur, in de menschheid, in de gemeente,

in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en analoog, maar niet

identisch. Er is harmonie, geen eenzelvigheid.

15. Waarin bestaat zij zelve dan? De Schrift verspreidt daarover licht,

als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door de profeten of door

den mond zijner profeten. Van God wordt de praepositie ὑπο gebruikt;

Hij is de sprekende, Hij is het eigenlijke subject; maar de profeten

zijn sprekende of schrijvende zijne organen, van hen wordt altijd de

praepositie δια c. gen. en nooit ὑπο gebezigd, Mt. 1:22, 2:15, 17,

23, 3:3, 4:14, enz.; Luk. 1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of

de H. Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius,

en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de auctores

secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering geeft nog 2

Petr. 1:19-21, waar de oorsprong der profetie niet gezocht wordt in

den wil des menschen, maar in de drijving van Gods Geest. Het φερεσθαι,

cf. Hd. 27:15, 17 waar het schip gedreven wordt door den wind, is

van het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14 wezenlijk onderscheiden;

de profeten zijn gedragen, aangedreven door den H. Geest en spraken

dientengevolge. En evenzoo wordt de verkondiging der apostelen een

spreken (ἐν) πνευματι ἁγιῳ genoemd, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26,

16:7; 1 Cor. 2:10-13, 16, 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20, 13:3. Profeten

en apostelen zijn dus θεοφορουμενοι; het is God, die in en door hen

spreekt. Maar de Schrift zelve gaat ons voor, om dit spreken Gods

door den mond der profeten zoo organisch mogelijk op te vatten. Er is

hier onderscheid tusschen de profeten en de apostelen, en tusschen

beiden weer onderling. Mozes staat onder de profeten bovenaan; God

sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Bij Jesaia draagt de

drijving des Geestes een ander karakter dan bij Ezechiel; Jeremia’s

profetieën onderscheiden zich door haar eenvoud en natuurlijkheid

van die bij Zacharia en Daniel. Bij al de profeten des O. T. is de

drijving des Geestes min of meer transcendent; zij komt van boven en

van buiten tot hen, valt op hen en werkt momentaan. Bij de apostelen

daarentegen woont de H. Geest immanent in de harten, leidt en drijft,

verlicht en onderwijst hen. Er is dus zeer groot onderscheid ook in

het organische karakter der inspiratie. Maar desniettemin gebiedt

ons heel de Schrift, de inspiratie niet mechanisch maar organisch te

denken. Niet echter, omdat eene mechanische inspiratie op zichzelve

onmogelijk en ongeoorloofd zou zijn en in strijd met de waardigheid van

den mensch. Als het niet onwaardig is voor een kind, om zijne ouders en

onderwijzers op gezag te gelooven en eenvoudig van hen te leeren, wat

het niet weet; als het niet onwaardig is voor een knecht, om bevelen

van zijn heer te ontvangen, die hij niet begrijpt en alleen heeft uit te

voeren, wat onwaardigs zou er dan in liggen voor den mensch, om in

zulk eene relatie te staan tot den Heere zijn God? Maar God heeft dezen

weg niet ingeslagen, Hij is in de openbaring en de inspiratie tot den

mensch nedergedaald en heeft zich aangesloten bij de eigenaardigheden en

zelfs bij de zwakheden zijner menschelijke natuur. Ook dat is eene genade

der ἐνσαρκωσις geweest. Evenals de Logos niet een mensch overviel en

met zich verbond maar in de menschelijke natuur inging en deze zelve

toebereidde en vormde door den Geest, van wien ze ontvangen werd, zoo

heeft de Geest des Heeren ook gehandeld bij de inspiratie. Hij is in de

profeten en apostelen zelven ingegaan en heeft hen alzoo in dienst

genomen en bewerkt, dat zij zelven onderzochten en dachten, spraken

en schreven. Hij is het, die door hen spreekt; maar zij zelven zijn het

tevens, die spreken en schrijven. Gedreven werden ze door den Geest,

maar zij spraken toch zelven, ἐλαλησαν, 2 Petr. 1:20. Dikwerf wordt de

O. T. Schrift in het N. T. bij den auctor primarius aangehaald, Luk.

1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25 en altijd in Hebr. 1:5 v., 4:3,

5 enz., maar even dikwerf bij de auctores secundarii, Mozes, David,

Jesaja enz., Mt. 13:14, 22:43; Joh. 1:23, 46, 5:46, 12:38. De momenten

der inspiratie zijn niet elk los op zichzelf te beschouwen, maar staan

in verband met al het voorafgaande: de profeten en apostelen zijn

van der jeugd af toebereid en bekwaamd voor hun taak; hun karakter,

aard, neiging, verstand, ontwikkeling enz. wordt niet onderdrukt,

maar, als zelve reeds door den Geest des Heeren gevormd, nu ook door

dienzelfden Geest in dienst genomen en gebruikt; hun gansche persoon

met alle gaven en krachten wordt dienstbaar aan de roeping, waartoe zij

geroepen worden. Onderzoek, Luk. 1:1, nadenken en herinnering, Joh.

14:26, gebruik van bronnen enz., wordt daarom door de inspiratie niet

uitgesloten, maar is daarin opgenomen. Schier alle boeken van O. en

N. T. zijn daarom in zekeren zin ook gelegenheidsschriften. Van een

rechtstreeksch bevel tot schrijven is slechts in enkele teksten sprake;

zij dekken lang niet den ganschen inhoud der Schrift. Maar ook die

gelegenheden, die tot schrijven drongen, behooren tot de leiding des

Geestes; juist door deze heen dreef Hij tot schrijven aan. De roeping

tot profeet en apostel sloot wel van zelf en natuurlijk die tot spreken

en getuigen in, Ex. 3; Ez. 3; Am. 3:8; Hd. 1:8 enz., maar niet die

van schrijven. Immers, vele profeten en apostelen schreven niet. Uit

Mt. 28:19 is een speciaal gebod tot schrijven niet af te leiden. Onder

de charismata, 1 Cor. 12 wordt het schrijven niet genoemd, Bellarm.,

de verbo Dei IV cap. 3-4. Maar de H. Geest heeft de historie der

kerk onder Israel en in het N. T. alzoo geleid, dat de daad moest

overgaan in het woord en het woord in het schrift. Uit deze leiding

is bij profeten en apostelen de roeping tot schrijven, de impulsus ad

scribendum geboren. En dat schrijven is de hoogste, de machtigste, de

algemeenste getuigenis, die niet vervliegt op den adem des winds maar

manet in aeternum. En juist, omdat de geschriften der profeten en

apostelen niet ontstaan zijn buiten maar uit en in de historie, daarom

is er eene wetenschap in de theologie, die alle die gelegenheden

en omstandigheden, waaronder de bijbelboeken ontstonden, onderzoekt

en kennen doet. Als dan de profeten en apostelen alzoo schrijvende

getuigen, behouden ze ook hun eigen karakter, hun eigen taal en stijl.

Ten allen tijde is dit verschil in de boeken des Bijbels erkend, maar

niet altijd bevredigend verklaard. Niet daaruit is het te verklaren,

dat de H. Geest naar louter willekeur nu eens zoo en dan aldus wilde

schrijven; maar ingaande in de schrijvers, is Hij ook in hun stijl en

taal, in hun karakter en eigenaardigheid ingegaan, die Hij zelf reeds

toebereid en gevormd had. Daartoe behoort ook, dat Hij in het O. T. het

Hebreeuwsch, in het N. T. het hellenistisch Grieksch tot voertuig der

goddelijke gedachten kiest. Ook hierin was geen willekeur. Het purisme

verdedigde op onbeholpen manier eene kostelijke waarheid. Naar het

Grieksch van Plato en Demosthenes gemeten, is het N. T. vol barbarismen

en soloecismen; maar het huwelijk, dat in het hellenistisch Grieksch

gesloten werd tusschen het zuiver Hebreeuwsch en het zuiver Attisch,

tusschen den Oosterschen en Westerschen geest, was op taalgebied de

realiseering van de goddelijke gedachte, dat de zaligheid uit de Joden

is, maar voor heel de menschheid is bestemd. De taal des N. T. is niet

de schoonste, grammatisch en linguistisch beschouwd, maar zij is wel de

geschiktste tot meedeeling van de gedachten Gods. Het woord is ook in

dit opzicht waarachtig en algemeen menschelijk geworden. En eindelijk,

als de profeten en apostelen schreven, dan leverde hun eigen ervaring

en geschiedenis meermalen de stof voor hun schrijven. In de psalmen is

het de vrome zanger, die beurtelings klaagt en juicht, in droefheid

terneerzit of jubelt van vreugde. In Rom. 7 teekent ons Paulus zijne

eigene levenservaring, en door heel de Schrift heen zijn het telkens

de personen der schrijvers zelf, wier leven en ervaring, wier hope en

vreeze, wier geloof en vertrouwen, wier klacht en ellende beschreven

en geschilderd wordt. Dat rijke leven, die diepe ervaring, van een

David bv. is door den Geest des Heeren alzoo gevormd en geleid, dat

het in de Schrift opgenomen, voor de volgende geslachten tot leering

zou zijn, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope

hebben zouden, Rom. 15:4. De organische inspiratie doet alleen aan de

Schrift recht wedervaren. Zij is in de leer der Schrift de uitwerking en

toepassing van het centrale feit der openbaring, de vleeschwording des

woords. De Λογος is σαρξ geworden, en het woord is Schrift geworden;

het zijn twee feiten, die parallel loopen niet alleen, maar ook ten

innigste verbonden zijn. Christus is vleesch geworden, een dienstknecht,

zonder gedaante of heerlijkheid, de verachtste onder de menschen; Hij is

nedergedaald in de nederste deelen der aarde, is gehoorzaam geworden

tot den dood des kruises. En zoo ook is het woord, de openbaring Gods

ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de historie van menschen

en volken, in alle menschelijke vormen van droom en visioen, van

onderzoek en nadenken, tot zelfs in het menschelijk zwakke en verachte

en onedele toe; het woord is schrift geworden, en heeft als schrift

aan het lot van alle schrift zich onderworpen. Dit alles is geschied,

opdat de uitnemendheid der kracht, ook van de kracht der Schrift, zij

Godes en niet uit ons. Gelijk elke menschelijke gedachte en handeling

vrucht is geheel van de actie Gods in wien wij leven en zijn, en tegelijk

geheel vrucht is van de werkzaamheid des menschen, zoo ook is de

Schrift product geheel en al van den Geest Gods, die door de profeten

en apostelen spreekt, en tegelijk geheel product van de werkzaamheid der

schrijvers. Θεια παντα και ἀνθρωπινα παντα.

16. Deze organische beschouwing is echter meermalen gebruikt, om juist

aan het eerste, aan het auteurschap des H. Geestes, afbreuk te doen.

De vleeschwording van Christus eischt, dat men haar naspeure tot in

de diepte van haar vernedering toe, in al haar zwakheid en smaad. De

beschrijving van het woord, van de openbaring, noodigt ons uit, om

ook in de Schrift dat zwakke en nederige, die dienstknechtsgestalte

te erkennen. Maar gelijk het menschelijke in Christus, hoe zwak en

nederig ook, toch van het zondige vrij bleef, zoo ook is de Schrift

sine labe concepta. Menschelijk geheel en in al haar deelen, maar ook

evenzoo θεια παντα. Toch is op velerlei wijze aan dit goddelijk karakter

der Schrift te kort gedaan. De geschiedenis der inspiratie leert

ons dat deze eerst tot in de 17e eeuw toe hoe langer hoe verder is

uitgebreid, tot de vokalen en punten toe (inspiratio punctualis), en

vervolgens dat zij allengs hoe meer is ingekrompen en beperkt, van de

punten tot de woorden (insp. verbalis), van de singula verba tot het

woord, de gedachte (Wort in plaats van Wörterinspiration bij Philippi,

Kirchl. Glaub. I³, 252), van het woord als gedachte tot de zaken

(insp. realis), van de zaken tot den religieus-ethischen inhoud, tot

hetgeen in eigenlijken zin geopenbaard is, tot het woord Gods sensu

stricto, tot het speciale object van het zaligmakend geloof (insp.

fundamentalis, religiosa), van deze zaken weder tot de personen

(insp. personalis), en van deze eindelijk tot loochening van alle

inspiratie als bovennatuurlijke gave. Nu is het verblijdend, dat zelfs

de meest negatieve richting aan de Schrift nog eene plaats verzekeren

en eenige waarde toeschrijven wil in het religieuse leven en denken

der Christenheid. De leer der H. S. is niet eene opinie van deze of

geene school, geen dogma van eene particuliere kerk of secte, maar

een articulus fundamentalis, een geloofsartikel van de ééne heilige

algemeene christelijke kerk. Haar beteekenis voor heel het Christendom

wordt hoe langer hoe beter ingezien; haar onverbrekelijke samenhang

met het christelijk geloof en leven steeds beter erkend. Een tijd lang

in de dogmatiek naar de media gratiae verwezen, heeft ze zich de

plaats in den ingang tot de dogmatiek weer met eere heroverd, Nitzsch,

Lehrb. der ev. Dogm. 212. Heel de Roomsche en Grieksche kerk staat nog

onverzwakt in de belijdenis van de goddelijke ingeving der H. Schrift.

Vele Protestantsche kerken en richtingen hebben tot nog toe alle geweld

weerstaan, om haar van dezen grondslag af te dringen. De gemeente blijft

door prediking en onderwijs, door lezing en onderzoek middellijk of

rechtstreeks uit de Schrift leven en met de Schrift zich voeden. Zelfs

wie in theorie de inspiratie ontkent, spreekt en handelt in de praktijk

van het leven menigmaal, alsof hij ze ten volle aanvaardt. Het dualisme

van gelooven en weten, waarin naar veler voorstelling de orthodoxie bij

de leer der Schrift verkeert, komt niet in vergelijk bij de tweeslachtige

positie der Vermittelungstheologie, die op den katheder de inspiratie

loochent en op den kansel ze feitelijk belijdt. Het radikalisme komt hoe

langer hoe meer tot de erkentenis, dat de inspiratie der Schrift door

de Schrift zelve wordt geleerd en met deze aangenomen of verworpen

moet worden. Dit alles toont, dat het leven sterker is dan de leer en

dat de Schrift zelve altijd weer reageert tegen iedere naturalistische

verklaring. Zij pretendeert zelve uit den Geest Gods te zijn voortgekomen

en houdt deze pretensie staande tegenover alle kritiek. Elke poging om

haar van het mysterieus karakter van haar oorsprong, inhoud en kracht

te ontdoen, is tot dusver geëindigd met het op te geven en de Schrift

de Schrift te laten. Eene inspiratie is daarom geene verklaring van de

Schrift, en dus eigenlijk ook geen theorie; maar zij is en behoort te

zijn eene geloovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelve

getuigt, in weerwil van den schijn die tegen haar is. De inspiratie

is een dogma evenals de triniteit, de menschwording, enz., dat de

Christen aanneemt, niet wijl hij de waarheid ervan inziet, maar omdat

God het alzoo getuigt. Zij is geen wetenschappelijke uitspraak maar

eene belijdenis des geloofs. Bij de inspiratie even als bij elk ander

dogma is het niet in de eerste plaats de vraag: hoe veel kan en mag

ik belijden, zonder in conflict te komen met de wetenschap, maar wat

is de getuigenis Gods en wat is dienovereenkomstig de uitspraak van

het christelijk geloof? En dan is er maar één antwoord mogelijk, dat de

Schrift zichzelve aandient als het woord Gods en de kerke Gods in alle

eeuwen haar als zoodanig heeft erkend. De inspiratie steunt op het

gezag der Schrift en heeft getuigenis bekomen van de kerk aller eeuwen.

Met dit dogmatisch en religieus karakter van de leer der inspiratie is

de inspiratio personalis en fundamentalis in strijd. Wel ligt er ook in

deze opvattingen eene goede gedachte. Want het zijn zeker de personen

geweest, die met al hun gaven en krachten bij de inspiratie door den H.

Geest in dienst werden genomen; en die personen waren heilige mannen,

menschen Gods, tot dit werk bekwamelijk toegerust. Ook is er in de

Schrift zonder twijfel onderscheid tusschen meer en minder belangrijke

deelen; niet alle boeken des Bijbels hebben gelijke waarde. Maar beide

voorstellingen van de inspiratie verzwakken de getuigenis, welke de

Schrift van zichzelve geeft, en zijn niet geboren uit de plerophorie

des geloofs maar uit transactie met de wetenschap. Bovendien stuit de

inspiratio personalis nog af op deze bezwaren, dat zij het onderscheid

uitwischt tusschen inspiratie en illuminatie (wedergeboorte), tusschen

het intellectueele en het ethische leven, tusschen het φερεσθαι der

profeten, 2 Petr. 1:21 en het ἀγεσθαι der kinderen Gods, Rom. 8:14,

tusschen de H. Schrift en de stichtelijke lectuur. Voorts keert zij met

Rome de verhouding van Schrift en kerk in haar tegendeel om, berooft de

gemeente van de vastigheid die zij behoeft en maakt haar afhankelijk van

de wetenschap, die uitmaken moet, wat in de Schrift al dan niet Gods

woord is. Wel trachten vele voorstanders van deze inspiratietheorie

aan deze bezwaren te ontkomen, door zich te beroepen op den persoon

van Christus als bron en autoriteit der dogmatiek, maar dit baat

daarom niet, wijl er juist verschil is over de vraag, wie Christus is

en wat Hij geleerd en gedaan heeft. Indien de apostolische getuigenis

aangaande Christus niet betrouwbaar is, is er geen kennis van Christus

mogelijk. Daar komt bij, dat, indien Christus autoriteit is, Hij dat ook

is in de leer aangaande de Schrift; de inspiratie moet dan juist op

zijn gezag worden aangenomen. De bovengenoemde theorie komt met het

gezag van Christus zelven in botsing. De inspiratio fundamentalis

onderscheidt zich van de inspiratio personalis daardoor, dat zij nog

eene bijzondere werkzaamheid des Geestes bij het schrijven aanneemt,

maar alleen bij sommige gedeelten der Schrift. Deze voorstelling is

echter zoo deistisch en dualistisch, dat zij reeds daarom onaannemelijk

is. Daarbij zijn woord en feit, het religieuse en het historische, het

door God en door menschen gesprokene in de Schrift zoo saamgeweven en

ineengevlochten, dat scheiding onmogelijk is. Ook de historie in de

Schrift is een openbaring Gods. En eindelijk komen deze beide theorieën

toch niet te gemoet aan de bezwaren, die van de zijde der wetenschap

tegen de Schrift en hare inspiratie worden ingebracht. Want deze

gelden volstrekt niet enkele ondergeschikte punten in de peripherie

der openbaring, maar raken haar hart en centrum zelf. De inspiratio

personalis en fundamentalis is volstrekt niet wetenschappelijker en

rationeeler, dan de strengste inspiratio verbalis.

De andere inspiratietheorieën, inspiratio punctualis, verbalis, realis

en ook de Wortinspiration van Philippi wijken onderling weinig af. De

werkzaamheid des H. Geestes bij het schrijven heeft toch daarin bestaan,

dat Hij, na het menschelijk bewustzijn der scriptores op allerlei wijze,

door geboorte, opvoeding, natuurlijke gaven, onderzoek, herinnering,

nadenken, levenservaring, openbaring, enz. gepraepareerd te hebben, nu

in en onder en bij het schrijven zelf in dat bewustzijn die gedachten en

woorden, die taal en stijl, deed opkomen, welke de goddelijke gedachte

op de beste wijze voor menschen van allerlei rang en stand en volk en

eeuw vertolken konden. In de gedachten zijn de woorden en in de woorden

de vocalen begrepen. Maar daaruit volgt niet, dat de vocaalteekens

in onze Hebr. handschriften van de schrijvers zelven afkomstig zouden

zijn. Daaruit volgt ook niet, dat alles vol is van goddelijke wijsheid,

dat elke jota en elke tittel een oneindigen inhoud heeft. Alles heeft

zijn zin en zijne beteekenis zeer zeker, maar daar ter plaatse en in

het verband, waarin het voorkomt. Niet atomistisch mag de Schrift

beschouwd worden, alsof elk woord en elke letter los op zich zelve en

geisoleerd, als zoodanig, door God zou zijn ingegeven, met een eigen

bedoeling, met een eigen en dus goddelijken, oneindigen inhoud. Dat

leidt tot de dwaze hermeneutische regelen der Joodsche Schriftgeleerden

en eert niet maar onteert de H. Schrift. Maar organisch moet de

inspiratie worden opgevat, zoodat ook het geringste zijne plaats en

beteekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van

het centrum dan andere deelen. In het menschelijk organisme is niets

toevallig, noch de lengte, noch de breedte, noch de kleur, noch de

tint; maar daarom staat niet alles met het levenscentrum in hetzelfde

nauw verband. Hoofd en hart nemen een veel belangrijker plaats in het

lichaam in dan hand en voet, en deze staan weer in waarde verre boven

nagels en haren. Ook in de Schrift ligt niet alles even dicht om het

centrum geschaard; er is eene peripherie, die wijd om het middelpunt

zich heen beweegt, maar ook zij behoort tot den cirkel der gedachten

Gods. Soorten en graden in de inspiratie zelve zijn er dus niet. Het

haar des hoofds is hetzelfde leven deelachtig als hart en hand. Het is

ééne anima, die tota est in toto corpore et in omnibus partibus. Het

is één Geest, waaruit heel de Schrift door het bewustzijn der schrijvers

is voortgekomen. Maar wel is er verschil in de wijze, waarop hetzelfde

leven in de verschillende deelen des lichaams immanent en werkzaam

is. Er is verscheidenheid van gaven, ook in de Schrift, maar het is

dezelfde Geest.

E. Bezwaren tegen de inspiratie.

17. Tegen deze inspiratie der Schrift worden vele en zeer ernstige

bezwaren ingebracht. Zij zijn ontleend aan de historische kritiek, die

de echtheid en geloofwaardigheid van vele Bijbelboeken bestrijdt; aan de

innerlijke tegenstrijdigheden, die telkens in de Schrift voorkomen; aan

de wijze, waarop het Oude Test. in het Nieuwe aangehaald en uitgelegd

wordt; aan de ongewijde geschiedenis, met welke de verhalen der Schrift

menigmaal niet overeen te brengen zijn; aan de natuur, welke zoowel in

haar ontstaan als in haar bestaan de Schrift met hare schepping en

hare wonderen weerspreekt; aan de religie en moraal, die menigmaal

over het geloof en leven van de personen des Bijbels een afkeurend

oordeel velt; aan den tegenwoordigen vorm der Schrift, die blijkens de

tekstkritiek in hare autographa verloren, in hare apographa corrupt en

in hare vertalingen gebrekkig is, enz. Het is eene ijdele poging, om

deze bezwaren weg te cijferen en te doen, als zij niet bestaan. Maar toch

dient in de eerste plaats gewezen te worden op de ethische beteekenis

van den strijd, die alle eeuwen door tegen de Schrift is gevoerd.

Indien de Schrift het woord Gods is, is die strijd niet toevallig maar

noodzakelijk en ook volkomen verklaarbaar. Omdat zij de beschrijving is

van de openbaring Gods in Christus, moet zij denzelfden tegenstand

wakker roepen als Christus zelf. Deze is tot eene κρισις in de wereld

gekomen en is gezet tot een val en eene opstanding voor velen. Hij

brengt scheiding tusschen licht en duisternis en maakt de gedachten uit

veler hart openbaar. En evenzoo is de Schrift een levend en krachtig

woord, een oordeelaar van de gedachten en de overleggingen des harten.

Zij werd niet alleen geïnspireerd, zij is nog theopneust. Gelijk er aan

de akte der inspiratie veel voorafgaat, heel de werkzaamheid des

H. Geestes in natuur, geschiedenis, openbaring, wedergeboorte, zoo

volgt er ook veel op. De inspiratie staat niet op zichzelve. De H.

Geest trekt zich, na de akte der inspiratie, niet van de H. Schrift

terug en laat haar niet over aan haar lot, maar Hij draagt en bezielt

haar, en brengt haar inhoud in allerlei vorm tot de menschheid, tot

haar hart en geweten. Door de Schrift als het woord Gods bindt de H.

Geest een voortdurenden kamp aan tegen de gedachten, en overleggingen

van den ψυχικος ἀνθρωπος. Op zichzelf behoeft het dus niet de minste

verwondering te baren, dat de Schrift ten allen tijde weerspraak en

bestrijding heeft ontmoet. Christus heeft een kruis gedragen, en een

dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd

van Christus. Zij deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap wakker van

den zondigen mensch.

Daaruit is nu wel niet alle bestrijding van de Schrift te verklaren.

Maar toch zijn de aanvallen, waaraan de Schrift in deze eeuw blootstaat,

niet op zichzelf te beschouwen. Zij hangen ongetwijfeld samen met heel

de geestesrichting dezer eeuw. Over personen en bedoelingen komt ons

het oordeel niet toe; maar het zou oppervlakkig zijn te beweren, dat

de strijd tegen de Schrift in deze eeuw geheel op zichzelf stond, door

gansch andere en veel zuiverder motieven werd beheerscht dan in

vroegere eeuwen, dat thans alleen het hoofd meespreken zou en het hart

er geheel buiten zou blijven. Ieder geloovige doet de ervaring op, dat

hij in de beste oogenblikken van zijn leven ook het sterkst staat in het

geloof aan de Schrift; zijn vertrouwen op de Schrift neemt toe met zijn

geloof in Christus, en omgekeerd is ignoratio Scripturarum vanzelve

en in diezelfde mate ook eene ignoratio Christi (Hieronymus). Het

verband van zonde en dwaling ligt dikwerf diep onder de oppervlakte

van het bewuste leven. Bij een ander is het schier nimmer aan te wijzen,

maar soms wordt het aan het eigen zielsoog ontdekt. De strijd tegen

de Schrift is in de eerste plaats eene openbaring van de vijandschap

van het menschelijk hart. Maar die vijandschap kan zich uiten op

verschillende wijze. Zij komt volstrekt niet alleen en misschien zelfs

niet het sterkst uit in de kritiek, waaraan de Schrift in onzen tijd

onderworpen wordt. De Schrift als het woord Gods ontmoet tegenstand

en ongeloof bij iederen psychischen mensch. In de dagen der doode

orthodoxie was principiëel het ongeloof aan de Schrift even machtig

als in onze historische en kritische eeuw. De vormen wisselen, maar

het wezen blijft één. Hetzij de vijandschap tegen de Schrift zich uit in

eene kritiek als die van Celsus en Porphyrius, hetzij zij zich openbaart

in een dood geloof, de vijandschap is in beginsel dezelfde. Want niet

de hoorders, maar de daders des woords worden zalig gesproken. De

dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren en zich niet

bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen

geslagen worden.

Daarom blijft het voor iederen mensch plicht, om allereerst deze

vijandschap tegen het woord Gods af te leggen en alle gedachten gevangen

te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. De Schrift treedt zelve

allerwege op met dezen eisch. Alleen de reine van hart zal God zien.

Wedergeboorte doet het koninkrijk Gods aanschouwen. Zelfverloochening

is de voorwaarde, om Jezus’ discipel te zijn. De wijsheid der wereld is

dwaasheid bij God. De Schrift neemt tegenover ieder mensch zoo hooge

plaats in, dat zij, in plaats van aan zijne kritiek zich te onderwerpen,

veeleer hem oordeelt in al zijne gedachten en begeerten. En dit is

het standpunt der christelijke kerk tegenover de Schrift ten allen

tijde geweest. Nederigheid was volgens Chrysostomus de grondslag der

philosophie. Augustinus zeide: quemadmodum rhetor ille rogatus, quid

primum esset in eloquentiae praeceptis, respondit: pronuntiationem;

quid secundum, pronuntiationem; quid tertium, pronuntiationem; ita

si me interroges de religionis Christianae, primo, secundo et tertio

semper respondere liberet: humilitatem. Calvijn, Inst. II 2, 11, haalt

dit met instemming aan. En Pascal, Pensées, Art. 8, roept het den

mensch toe: humiliez-vous, raison impuissante, taisez-vous, nature

imbécile..... écoutez Dieu! Zoo heeft de kerk in alle eeuw tegenover

de Schrift gestaan. En de christelijke dogmaticus mag geen andere

positie innemen. Want een dogma steunt niet op de uitkomsten van eenig

historisch-kritisch onderzoek, maar rust alleen op de getuigenis Gods,

op de zelfgetuigenis der H. Schrift. Een Christen gelooft niet, omdat

alles Gods liefde ontdekt, maar ondanks alles, dat twijfel wekt. Ook

in de Schrift blijft er veel, dat twijfel wekt. Alle geloovigen weten

daaruit bij ervaring mede te spreken. De mannen van de Schriftkritiek

stellen het dikwerf zoo voor, alsof de eenvoudige gemeente niets wist

van de bezwaren, die tegen de Schrift worden ingebracht en niets

gevoelde van de moeilijkheid, om aan de Schrift te blijven gelooven. Maar

dat is eene onzuivere voorstelling. Zeker, de eenvoudige Christenen

kennen de hinderpalen niet, welke de wetenschap voor het geloof

aan de Schrift in den weg legt. Maar zij kennen toch in meerdere of

mindere mate den strijd, die in hoofd en hart beide tegen de Schrift

wordt gestreden. Er is geen enkel geloovige, die niet op zijne wijze

de tegenstelling heeft leeren kennen tusschen de σοφια του κοσμου en

de μωρια του θεου. Het is éénzelfde en het is een altijd voortdurende

strijd, die door alle Christenen, geleerd of ongeleerd, gestreden moet

worden, om de gedachten gevangen te houden onder de gehoorzaamheid van

Christus. Niemand komt hier op aarde dien strijd te boven. Er blijven

over heel de erve des geloofs cruces, die overwonnen moeten worden. Er

is geen geloof zonder strijd. Gelooven is strijden, strijden tegen den

schijn der dingen. Zoolang iemand nog iets gelooft, wordt hem zijn geloof

van alle kanten betwist. Ook de moderne geloovige wordt daarvan niet

verlost. Concessies verzwakken maar bevrijden niet. Zoo blijven er dan

nog bezwaren genoeg over, ook voor wie kinderlijk aan de Schrift zich

onderwerpt. Deze behoeven niet verbloemd te worden. Er zijn cruces in de

Schrift, die niet weg te cijferen zijn, en die waarschijnlijk ook nooit

zullen worden opgelost. Maar deze moeilijkheden, welke de H. Schrift

zelve tegenover hare inspiratie ons biedt, zijn voor een groot gedeelte

niet nieuw ontdekt in deze eeuw; zij zijn ten allen tijde opgemerkt,

en desniettemin hebben Jezus en de apostelen, hebben Athanasius en

Augustinus, Thomas en Bonaventura, Luther en Calvijn, hebben alle

Christenen van alle kerken en door alle eeuwen de Schrift beleden

en erkend als het woord van God. Wie met het geloof aan de Schrift

wil wachten, totdat alle bezwaren uit den weg zijn geruimd en alle

tegenstrijdigheden zijn verzoend, komt nimmer tot het geloof. Hetgeen

iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Jezus spreekt zalig degenen,

die niet gezien en nogtans zullen geloofd hebben. Maar bovendien,

bezwaren en moeielijkheden zijn er in iedere wetenschap. Wie niet met

gelooven wil aanvangen, komt nimmer tot weten. De Erkenntnisstheorie is

het beginsel der philosophie; maar zij is mysterie van het begin tot het

eind. Wie niet eer aan het wetenschappelijk onderzoek wil gaan, voordat

hij den weg ziet gebaand, waarlangs wij tot kennis komen, begint er nooit

mede. Wie niet eten wil, voor hij heel het proces begrijpt, waardoor de

spijze tot hem komt, sterft den hongerdood; en wie het woord Gods niet

gelooven wil, voor hij alle moeilijkheden opgelost ziet, komt om van

geestelijk gebrek. Met begrijpen zal ’t niet gaan, grijp het onbegrepen

aan (Beets). De natuur, de geschiedenis en elke wetenschap biedt

evenveel cruces als de H. Schrift. De natuur bevat zoovele raadselen,

dat zij ons menigmaal kan doen twijfelen aan het bestaan van een wijs en

rechtvaardig God. Er zijn ἐναντιοφανη in menigte op iedere bladzijde

van het boek der natuur. Er is een onverklaarbare rest (Schelling),

die met alle verklaring spot. Wie geeft daarom prijs het geloof aan de

Voorzienigheid Gods, welke over alle dingen gaat? Het Mohammedanisme,

het leven en de levensbestemming der onbeschaafde volken is een crux

in de geschiedenis der menschheid, even groot en even moeilijk als de

samenstelling van den Pentateuch en de Synoptici. Wie twijfelt er daarom

aan, dat God ook dat boek der natuur en der geschiedenis schrijft met

zijne almachtige hand? Natuurlijk kan men hier en zoo ook bij de Schrift

zich in de armen werpen van het agnosticisme en van het pessimisme.

Maar wanhoop is een salto mortale ook op wetenschappelijk gebied. Met

het ongeloof nemen de mysteriën des zijns niet af maar toe. En de

onvrede des harten wordt grooter.

18. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie vele

middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen haar ingebracht,

te gemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de H. Geest bij het

beschrijven van het woord Gods niets menschelijks heeft versmaad, om

tot orgaan te dienen van het goddelijke. De openbaring Gods is niet

abstract-supranatureel, maar is ingegaan in het menschelijke, in

personen en toestanden, in vormen en gebruiken, in geschiedenis en

leven. Zij blijft niet hoog boven ons zweven, maar is nedergedaald in

onzen toestand; zij is vleesch en bloed en ons in alles gelijk geworden

uitgenomen de zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit

van dezen kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend

daarin hare werking voort. Het menschelijke is orgaan geworden van

het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke,

het zienlijke teeken en zegel van het onzienlijke. Bij de inspiratie

is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die er liggen in de

menschelijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen verklaarbaar het

verschil in taal en stijl, in karakter en individualiteit, dat in de

Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger werd dit verschil verklaard

uit den wil des H. Geestes, en eene diepere beschouwing ontbrak. Maar

bij de organische inspiratie is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook

het gebruik van bronnen, de bekendheid der schrijvers met vroegere

geschriften, eigen onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring

is door de organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De

H. Geest heeft zelf op die wijze zijne scriptores gepraepareerd; Hij is

niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich van heel

hunne persoonlijkheid als van zijn instrument bediend. Ook hier geldt het

woord, dat gratia non tollit sed perficit naturam. De persoonlijkheid

der schrijvers is niet uitgewischt maar gehandhaafd en geheiligd.

De inspiratie eischt dus in geenen deele, dat wij litterarisch of

aesthetisch den stijl van Amos gelijk stellen met dien van Jesaia, of

dat we alle barbarismen en soloecismen in de taal des N. T. zouden

loochenen. In de tweede plaats brengt de organische opvatting van

openbaring en inspiratie mede, dat het gewoon menschelijke en natuurlijke

leven niet uitgesloten is maar mede dienstbaar is gemaakt aan de

gedachten Gods. De Schrift is het woord Gods; zij bevat het niet

alleen maar zij is het. Maar het formeele en materieele element mag

in deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen

en op zichzelve zou een geschrift nog niet tot woord Gods maken in

schriftuurlijken zin. Al ware een boek over aardrijkskunde bijv. geheel

en al ingegeven en in den meest letterlijken zin van woord tot woord

gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust in den zin van 2

Tim. 3:16. De Schrift is het woord Gods, omdat de H. Geest in haar van

Christus getuigt, omdat zij den Λογος ἐνσαρκος tot stof en inhoud heeft.

Vorm en inhoud doordringen elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit

beeld van Christus ons ten voeten uit als voor de oogen te schilderen,

daartoe is noodig, dat ook de menschelijke zonde en de satanische leugen

in al haar gruwel geteekend wordt. Op de schilderij is de schaduw

noodig, om het licht te helderder te doen uitkomen. Zonde moet ook in

Bijbelheiligen zonde worden genoemd, en dwaling mag ook in hen niet

worden vergoelijkt. En terwijl de openbaring Gods in Christus alzoo de

ongerechtigheid als antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het

menschelijk-zwakke en natuurlijke niet. Christus heeft niets menschelijks

zich vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen

van het dagelijksch leven niet, 2 Tim. 4:13. Het christelijke staat

niet antithetisch tegenover het menschelijke; het is er de herstelling

en vernieuwing van. In de derde plaats hangt met den inhoud ook ten

nauwste de bedoeling en de bestemming der Schrift samen. Alwat te voren

geschreven is, is tot onze leering geschreven. Het strekt tot leering,

wederlegging, verbetering, onderwijzing, die in de rechtvaardigheid

is, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt

toegerust. Het dient om ons wijs te maken tot zaligheid. De H. Schrift

heeft eene door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen

handboek zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium

alleen van de theologie en verlangt dat wij haar _theologisch_ lezen en

onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich groepeeren,

moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennisse Gods. Daarvoor

biedt de Schrift ons alle gegevens. In dien zin is zij volkomen

genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de Schrift eene geschiedenis

van Israel, eene biographie van Jezus, eene geschiedenis van Israels

of de oud-christelijke letterkunde enz. wil afleiden, vindt telkens

zich teleurgesteld. Dan zijn er leemten, die niet dan door gissingen

kunnen worden aangevuld. De historische kritiek heeft deze bestemming

der Schrift ten eenenmale vergeten. Zij tracht eene geschiedenis van

Israels volk en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt apriori

met eischen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit

op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen en

boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze gansch anders, alleen met

het gevolg, dat er een hopelooze verwarring ontstaat. Uit de vier

Evangelien is geen leven van Jezus te construeeren en uit het Oude

Testament geen geschiedenis van Israel. De H. Geest heeft dat niet

bedoeld. Notarieele opteekening is de inspiratie niet geweest. De

harmonistiek der evangelische verhalen is mislukt, cf. Dieckhoff, Die

Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift, Leipzig 1891. Id.

Noch einmal über die Insp. u. Irrth. der H. S. Rostock 1893. Herzog²

art. Evangelienharmonien en Synopse. Aan exacte kennis, gelijk wij die in

de mathesis, de astronomie, de chemie enz. eischen, voldoet de Schrift

niet. Zulk een maatstaf mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn

de autographa ook verloren. Daarom is de tekst, in welke geringe mate

dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente en waarlijk de leeken niet

alleen de Schrift slechts in eene gebrekkige en feilbare vertaling. Dat

zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leeren ons, dat de Schrift

een eigen maatstaf heeft, van eene eigen uitlegging is en eene eigene

bestemming heeft. Die bestemming is geen andere, dan dat zij ons wijs

zoude maken tot zaligheid. Het Oude Testament is geen bron voor eene

geschiedenis van Israels volk en godsdienst maar wel voor eene historia

revelationis. De Evangelien zijn geen bron voor een leven van Jezus maar

wel voor eene dogmatische kennis van zijn persoon en werk. De Schrift is

het boek voor de christelijke religie en voor de christelijke theologie.

Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt. En daarom is zij het

woord Gods, ons geschonken door den H. Geest.

19. Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin de Schrift

tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik gemaakt van

het woord van Baronius: de Schrift zegt niet, hoe de hemel gaat maar

hoe wij naar den hemel gaan. Juist als boek der kennisse Gods heeft de

Schrift veel te zeggen, ook tot de andere wetenschappen. Zij is een

licht op het pad en eene lamp voor den voet, ook van de wetenschap

en de kunst. Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het

leven. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is

de beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte

der Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tusschen het

godsdienstige en het overige leven van den mensch niet te handhaven.

De inspiratie strekt zich uit tot alle deelen der Schrift, en de

religie is eene zaak van den ganschen mensch. Zeer veel van wat in

de Schrift vermeld wordt, is ook voor de andere wetenschappen van

principiëele beteekenis. De schepping en val des menschen, de eenheid

van het menschelijk geslacht, de zondvloed, het ontstaan der volken

en talen, enz. zijn feiten ook voor de andere wetenschappen van het

hoogste belang. Ieder oogenblik komen wetenschap en kunst met de

Schrift in aanraking, de principia voor heel het leven zijn gegeven in

de Schrift. Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt

er anderzijds ook eene groote waarheid in het woord van den kardinaal

Baronius. Ook alle die feiten worden in de Schrift niet op en voor

zichzelf medegedeeld, maar met een theologisch doel, opdat wij God

zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit zich nooit opzettelijk

met de wetenschap als zoodanig. Christus zelf, ofschoon vrij van alle

dwaling en zonde, heeft zich toch nooit in engeren zin bewogen op

het gebied van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid, van

rechtspraak en politiek. Zijns was eene andere grootheid; de heerlijkheid

des Eengeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Maar juist

daardoor is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst, voor

maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen, maar dat ook

geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische leven van den

mensch te herstellen en al het andere ongemoeid te laten, alsof dit

niet door de zonde bedorven ware en geen herstelling van noode had.

Neen zoover als de zonde, strekt ook de genade van Christus zich uit.

En evenzoo is het met de Schrift. Ook zij is door en door religieus,

het woord Gods tot zaligheid, maar daarom ook juist een woord voor

gezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een boek

voor de gansche menschheid, in al haar rangen en standen, in al haar

geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen wetenschappelijk boek

in engeren zin. Wijsheid, niet geleerdheid is in haar aan het woord. Zij

spreekt niet de exacte taal der wetenschap en der school, maar die der

aanschouwing en des dagelijkschen levens. Zij beoordeelt en beschrijft

de dingen niet naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek,

maar naar de intuitie, naar den eersten, levendigen indruk, dien de

verschijnselen maken op den mensch. Daarom spreekt zij van het naderen

van het land, van het opgaan en stilstaan der zon, van het bloed als de

ziel van het dier, van de nieren als zetel der aandoeningen, van het

hart als bron der gedachten, enz. en bekommert zich daarbij ganschelijk

niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige taal van de astronomie, de

physiologie, de psychologie, enz. Zij spreekt over de aarde als het

centrum van Gods schepping en kiest geen partij tusschen de Ptolemeische

en de Kopernikaansche wereldbeschouwing. Zij beslist niet tusschen het

Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tusschen de allopathie en de

homoeopathie. De scriptores der H. Schrift wisten waarschijnlijk in al

deze wetenschappen, geologie, zoölogie, physiologie, medicijnen, enz.

niets meer dan al hunne tijdgenooten. Het behoefde ook niet. Want de H.

Schrift bezigt de taal der dagelijksche ervaring, die altijd waar is en

altijd blijft. Indien de Schrift in plaats daarvan de taal der school

had gebruikt en wetenschappelijk-exact hadde gesproken, zij zou aan haar

eigen gezag in den weg hebben gestaan. Indien zij beslist had voor de

Ptolemeische wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn in eene

eeuw, die het Kopernikaansche stelsel huldigde. Zij zou ook geen boek

voor het leven, voor de menschheid hebben kunnen zijn. Maar nu spreekt

zij in algemeen-menschelijke taal, verstaanbaar voor den eenvoudigste,

duidelijk voor geleerde en ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de

aanschouwing, die altijd naast die der wetenschap en van de school zal

blijven bestaan. Daarom kan zij ook duren tot aan het einde der eeuwen.

Daarom is zij oud, zonder ooit te verouderen. Zij is altijd jong en

frisch; zij is de sprake des levens. Verbum Dei manet in aeternum.

§ 12. EIGENSCHAPPEN DER SCHRIFT.

A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen.

1. De leer van de affectiones S. Scr. heeft zich geheel ontwikkeld

uit den strijd tegen Rome en het Anabaptisme. In de belijdenis van de

inspiratie en autoriteit der Schrift was er overeenstemming, maar

overigens was er in den locus de S. Scr. groot verschil tusschen Rome

en de Hervorming. De verhouding, waarin Rome Schrift en kerk tot

elkaar had gesteld, werd in de Reformatie principieel veranderd. Bij de

kerkvaders en scholastici stond de Schrift, althans in theorie, nog

verre boven kerk en traditie; zij rustte in zichzelve, was αὐτοπιστος

en voor kerk en theologie de norma normans. Augustinus zei, scriptura

canonica certis suis terminis continetur, bij Harnack, D. G. II 85, en

redeneert Conf. 6,5, 11,3 zoo, alsof de waarheid der H. Schrift alleen

afhangt van zichzelve. Bonaventura, de sept. don. n. 37-43, geciteerd

in het Breviloquium ed. Freiburg 1881 p. 370, verklaart: ecclesia enim

fundata est super eloquia Sacrae Scripturae, quae si deficiant, deficit

intellectus........ Cum enim ecclesia fundata sit in Sacra Scriptura,

qui nescit eam, nescit ecclesiam regere. Meer dergelijke getuigenissen

worden door Gerhard, Loci theol. I cap. 3 § 45, 46 aangehaald uit

Salvianus, Biel, Cajetanus, Hosius, Valentia enz. Canisius zegt in zijn

Summa doctrinae christ., in cap. de praeceptis ecclesiae § 16: Proinde

sicut scripturae propter testimonium Divini Spiritus in illa loquentis

credimus, adhaeremus ac tribuimus maximam auctoritatem, sic ecclesiae

fidem, reverentiam obedientiamque debemus. En ook Bellarminus, de Verbo

Dei, lib. 1 cap. 2 verklaart nog: Sacris Scripturis, quae propheticis

et apostolicis litteris continentur, nihil est notius, nihil certius,

ut stultissimum esse necesse sit qui illis fidem habendam esse negat.

Allen waren van oordeel, dat de Schrift genoegzaam uit en door

zichzelve als waarheid bewezen kon worden; zij hangt niet van de kerk

af, maar omgekeerd de kerk van haar; de kerk met hare traditie moge

regula fidei zijn, fundamentum fidei is zij nog niet. Dat is de Schrift

alleen.

Maar de kerk met haar ambt en traditie begon bij Rome hoe langer hoe

meer eene onafhankelijke plaats in te nemen en autoriteit te verkrijgen

naast de H. Schrift. De verhouding van beide werd eerst niet nader

omschreven, maar eischte toch spoedig eene betere regeling. En toen de

kerk steeds toenam in macht en zelfgenoegzaamheid, werd de autoriteit

hoe langer hoe meer van de Schrift naar de kerk verlegd. Verschillende

momenten in de geschiedenis wijzen het proces aan, waarlangs de kerk

van de plaats onder, tot die naast, en eindelijk ook tot die boven de

Schrift zich verhief. De vraag, welke van beide, de Schrift of de

kerk, den voorrang had, werd duidelijk en bewust eerst gesteld in den

tijd der reformatorische conciliën. Ondanks de tegenspraak van Gerson,

d’Ailly, en vooral van Nicolaas van Clémange, Herz.² 3:247 werd ze ten

voordeele der kerk beslist. Trente heeft dit tegenover de Hervorming

gesanctioneerd. In den strijd tegen het Gallikanisme werd de kwestie nog

nader gepraeciseerd, en in het Vaticanum 1870 is ze zoo opgelost, dat

de kerk onfeilbaar werd verklaard. Subject van deze onfeilbaarheid is

echter niet de ecclesia audiens, noch de ecclesia docens, noch ook de

gezamenlijke bisschoppen, in concilie vergaderd, maar bepaald de paus.

En deze weer niet als privaat persoon, noch ook als bisschop van Rome

of patriarch van het Westen maar als Opperherder der gansche kerk.

Hij bezit deze onfeilbaarheid wel als hoofd der kerk en niet los van

haar, maar hij bezit ze toch niet door en met haar, maar boven en in

onderscheiding van haar. Zelfs bisschoppen en conciliën hebben deel

aan de onfeilbaarheid, niet gescheiden van, maar alleen in eenheid met

en onderwerping aan den paus. Hij staat boven allen, en maakt alleen

de kerk, de traditie, de conciliën, de canones onfeilbaar. Concilies

zonder paus kunnen dwalen en hebben gedwaald, Bellarminus, de Conc.

et Eccl. II c. 10-11. Heel de kerk, zoowel docens als audiens, is

alleen onfeilbaar una cum et sub Romano pontifice, Jansen, Theol. I

506. Daarmede is heel de verhouding van kerk en Schrift omgekeerd. De

kerk, of meer concreet de paus, gaat voor en staat boven de Schrift.

Ubi papa, ibi ecclesia, Jansen, I 511. De onfeilbaarheid van den paus

maakt die van de kerk, de bisschoppen en conciliën en evenzoo die van

de Schrift onnoodig.

2. Uit deze Roomsche opvatting van de verhouding van Schrift en

kerk vloeien alle verschillen voort, welke in de leer der Schrift

tusschen Rome en de Hervorming bestaan. Zij betreffen voornamelijk de

noodzakelijkheid der H. Schrift, de apocriefen van het O. Test., de

editio Vulgata, het bijbelverbod, de uitlegging der Schrift en de

traditie. Formeel komt de omkeer in de verhouding van Schrift en kerk

het duidelijkst daarin uit, dat de nieuwere Roomsche theologen de leer

der kerk behandelen in de pars formalis der dogmatiek. De kerk behoort

tot de principia fidei. Gelijk de Schrift bij de Reformatie, zoo is de

kerk, het magisterium, of eigenlijk de paus het formeele principe, het

fundamentum fidei in het Romanisme, Jansen, I 829.

Daartegenover plaatsten de Hervormers de leer van de eigenschappen

der Schrift. Zij droeg geheel en al een polemisch karakter, maar stond

daardoor ook in hoofdzaak van den aanvang af vast, Heppe, Dogm. d.

deutschen Prot. I 207-257. Allengs werd ze ook min of meer systematisch

en methodisch in de dogmatiek opgenomen, nog niet bij Zwingli, Calvijn,

Melanchton, enz., maar toch reeds bij Musculus, Loci Comm. 1567 p. 374

sq. Zanchius, de S. Script. Op. VIII 319 sq. Polanus, Synt. Theol. 17

sq. Junius, Theses Theol. Op. I 1594 sq. enz., en in de Luthersche kerk

bij Gerhard, Quenstedt, Calovius, Hollaz, enz. Maar in de behandeling

was er verschil. Soms werd er allerlei historische en kritische

stof in besproken; de dogmatiek nam schier heel de „Inleiding”,

de canonica generalis en specialis, in zich op. Ook het aantal en

de verdeeling der eigenschappen werd ongelijk opgegeven. Gezag,

nuttigheid, noodzakelijkheid, waarheid, duidelijkheid, genoegzaamheid,

oorsprong, verdeeling, inhoud, apocriefen, concilie, kerk, traditie,

editio authentica, vertalingen, uitlegging, bewijzen, testimonium Sp.

S{i}., dit alles en nog veel meer werd in de leer der Schrift en van

hare eigenschappen ter sprake gebracht. Langzamerhand kwam er meer

begrenzing der stof. Calovius en Quenstedt onderscheidden tusschen

affectiones primariae en secundariae; tot de eerste behoorden de

auctoritas, veritas, perfectio, perspicuitas, semet ipsam interpretandi

facultas, judicialis potestas en efficacia, en onder de laatste werden

gerekend de necessitas, integritas, puritas, authentia en legendi

omnibus concessa licentia. Nog eenvoudiger was de menigmaal gevolgde

orde: auctoritas, necessitas, perfectio seu sufficientia, perspicuitas,

semet ipsam interpretandi facultas en efficacia, Hase, Hutterus Rediv.

§ 43 f. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 27 f. Herzog² 2, 365 f.

Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 9 f. Voigt, Fundamentaldogm. S. 644 f.

Maar ook zoo is er nog vereenvoudiging aan te brengen. De historische,

kritische, archaeologische stof enz. hoort niet thuis in de dogmatiek,

maar in de bibliologische vakken der theologie. De authentia,

integritas, puritas enz. kunnen daarom in de dogmatiek niet volledig

behandeld worden, zij komen daar slechts in zooverre ter sprake, als de

leer der Schrift ook voor hare gesteldheid eenige gegevens biedt. De

veritas behoeft na de inspiratie en autoriteit geen afzonderlijk betoog

meer, en zou daardoor eer verzwakt dan versterkt worden. De efficacia

vindt haar plaats in de leer van de media gratiae. Zoo blijven alleen

de auctoritas, necessitas, perfectio en perspicuitas over. Onder deze

is er nog dit onderscheid, dat de auctoritas geene eigenschap is, die

gecoordineerd is met de andere, want zij is met de inspiratie vanzelf

gegeven; de necessitas, perspicuitas en sufficientia daarentegen

vloeien niet in denzelfden zin uit de inspiratie voort. Het laat zich

denken, dat eene onfeilbare Schrift aangevuld en uitgelegd moest worden

door eene onfeilbare traditie. Rome erkent wel de autoriteit der

Schrift, maar loochent hare andere eigenschappen.

B. Het gezag der Schrift.

3. Het gezag der Schrift is ten allen tijde in de christelijke kerk

erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het O. Test. als het woord

Gods en schreven daaraan toe een goddelijk gezag. De christelijke kerk

is onder het gezag der Schrift geboren en opgegroeid. Wat de apostelen

geschreven hebben, moet zoo worden aangenomen alsof Christus zelf het

geschreven had, Aug. de cons. evang. I 35. En Calvijn verklaart in zijne

uitlegging van 2 Tim. 3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam

verschuldigd zijn als aan God. Dat gezag der Schrift stond tot de vorige

eeuw toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen kwam

er tusschen Rome en de Hervorming een ernstig verschil over den grond,

waarop dat gezag rust. Kerkvaders en scholastici leerden nog dikwerf de

autopistie der Schrift, maar de drijfkracht van het Roomsche beginsel

heeft hoe langer hoe meer de kerk geschoven vóór de Schrift. De kerk,

zoo is thans de algemeene Roomsche leer, gaat temporeel en logisch aan

de Schrift vooraf. Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar

oorsprong, bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar

bestaat in en door zichzelve, d. i. door Christus, of den H. Geest

die in haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit

de kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd,

verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de kerk heeft

niet de Schrift van noode. Zonder kerk is er geen Schrift, maar zonder

Schrift is er wel eene kerk. De kerk met de onfeilbare traditie is het

oorspronkelijk en genoegzaam middel, om de openbaring te bewaren en

mee te deelen; de H. Schrift is er later bijgekomen, is op zichzelve

onvoldoende, maar is als steun en bevestiging van de traditie wel

nuttig en goed. Feitelijk wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk

van de kerk. De authentie, integriteit, inspiratie, canoniciteit,

autoriteit van de Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt

dan echter deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se,

maar quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door hare

erkenning de Schrift niet geinspireerd, kanonisch, echt enz., maar zij

is toch de eenige, die deze eigenschappen van de Schrift op onfeilbare

wijze kennen kan. De zelfgetuigenis der Schrift toch maakt niet uit,

dat juist deze boeken van O. en N. T., en geen andere en geen mindere,

geinspireerd zijn; nergens geeft de H. Schrift een catalogus van de

boeken, die tot haar behooren; de teksten, die de inspiratie leeren,

dekken nooit de gansche Schrift, 2 Tim. 3:16 slaat alleen op het O.

Test.; bovendien een beroep voor de inspiratie der Schrift op de

Schrift zelve is altijd nog maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn

dan ook onderling verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behooren;

Luthers oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen

voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast en

stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis groote waarde, maar

ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menschelijke en dus feilbare

zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke, onfeilbare gewisheid, gelijk

Augustinus dan ook zeide: ego vero Evangelio non crederem, nisi me

catholicae ecclesiae commoveret auctoritas, c. epist. Manich. cap. 5.

c. Faustum l. 28. cap. 2,4,6. De Protestanten hebben daarom de Schrift

ook kunnen aannemen en erkennen als Gods woord, wijl zij haar uit de

hand der kerk ontvingen, Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone,

Praelect. Theol. IX 71 sq. Heinrich, Dogm. I 775 f. Jansen, Theol.

I 766 sq. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken des O. en

N. T. als kanonisch, propterea quod Sp. S°. inspirante conscripti

Deum habent autorem _atque ut tales ipsi ecclesiae traditi sunt_.

Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente sess. 4 en in het

Vatikaan sess. 3 cap. 2 den kanon vast, nam daarin naar het voorbeeld

der Grieksche vertaling en de practijk der kerkvaders ook de apocriefen

des O. T. op, en verklaarde bovendien de editio Vulgata voor den

authentieken tekst, zoodat deze in kerk en theologie beslissend gezag

heeft.

4. Tegenover deze Roomsche leer stelde de Reformatie de autopistie

der Schrift, Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 8

sq. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de S. Scriptura, Op. VIII

332-353. Junius, Theses Theol. c. 3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2

§ 29 sq. Gerhard, Loci theol. I c. 3. enz. Bij dit verschil liep de

vraag niet hierover, of de kerk niet eene roeping had te vervullen

tegenover de Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van groote

beteekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht en

een motivum credibilitatis. De kerk der eerste eeuwen bezit in hare

getuigenissen een sterken steun voor de Schrift. Voor elk mensch is de

kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In dezen zin is en blijft het woord

van Augustinus waar, dat hij door de kerk bewogen was om de Schrift te

gelooven. Protestantsche theologen, Calv. Inst. I 7, 3. Polanus, Synt.

p. 30. Turretinus, de S. Scr. auctoritate, disp. 3 § 13 s. Gerhard,

Loci theol. I c. 3 § 51 hebben dit woord van Augustinus verzwakt, door

het alleen op het verleden, op het ontstaan des geloofs te laten slaan.

Maar de redeneering van Augustinus t. a. p. is duidelijk. Hij plaatst

zijn manicheeschen tegenstander voor dit dilemma: gij moet òf tot mij

zeggen: geloof den katholieken, maar dezen waarschuwen mij juist om u te

gelooven, òf geloof den katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet

tegenover mij op het evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis

praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus een

motief des geloofs, waarvan hij hier tegenover den manicheer gebruik

maakt. Maar er is verschil tusschen motief en laatsten grond des

geloofs. Hoe hij in de kerk een motief des geloofs ziet, heldert hij

elders, C. Faustum lib. 32 c. 19 zelf op als hij zegt: cur non potius

evangelicae autoritati, tam fundatae, tam stabilitae, tanta gloria

diffamatae atque ab apostolorum temporibus usque ad nostra tempora

per successiones certissimas commendatae, non te subdis? Cf. de util.

cred. c. 14. De kerk met haar waardigheid, haar macht, haar hierarchie

enz. heeft altijd op Augustinus een diepen indruk gemaakt. Zij bewoog

hem voortdurend tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en

strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot de Schrift.

Maar daarmede wil Augustinus niet zeggen, dat de autoriteit der Schrift

van de kerk afhangt, dat zij de laatste en diepste grond is van zijn

geloof. Elders zegt hij duidelijk, dat de H. Schr. door zichzelve gezag

heeft en om zichzelve moet geloofd worden, Clausen, Augustinus S.

Scr. interpres 1827 p. 125. Dorner, Augustinus, Berlin 1873 S. 237 f.

Reuter, Augustinische Studien, Gotha 1887 S. 348 f. Schmidt, Jahrb. f.

deutsche Theol. VI 235 f. Hase, Protest. Polemik 5te Aufl. Leipzig 1891

S. 81. Harnack D. G. III 70 f.

De kerk heeft en houdt voor ieder geloovige tot aan zijn dood toe eene

rijke en diepe paedagogische beteekenis. De wolke van getuigen, die

om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen in den strijd. Maar

dit is heel iets anders, dan dat de autoriteit der Schrift van de

kerk afhangen zou. Rome durft dit zelfs nog niet openlijk uitspreken.

Het Vaticanum erkende de boeken des O. en N. T. toch ook daarom voor

kanonisch, propterea quod _Spiritu S. inspirante conscripti Deum autorem

habent_ en als zoodanig der kerk zijn overgeleverd. En de Roomsche

theologen maken onderscheid tusschen de autoriteit der Schrift quoad

se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier niet gelden. Want

indien de kerk de laatste en diepste grond is, waarom ik aan de Schrift

geloof, dan is die kerk, en niet de Schrift αὐτοπιστος. En nu een van

beide: de Schrift bevat eene getuigenis, eene leer over zichzelve,

over haar inspiratie en autoriteit, en dan doet de kerk niets dan die

getuigenis aannemen en bevestigen; of de Schrift leert zelve zulk eene

inspiratie en autoriteit niet, en dan is het dogma der kerk over de

Schrift voor den Protestant geoordeeld. De Roomsche theologen verkeeren

dan ook in eene niet geringe tegenstrijdigheid. Eenerzijds trachten zij

in de leer der Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelve te

betoogen; en andererzijds, toegekomen aan de leer der kerk, pogen zij

die bewijzen te verzwakken en aan te toonen, dat alleen de getuigenis

der kerk eene onomstootelijke zekerheid geeft. Hangt daarentegen de

autoriteit quoad se van de Schrift zelve af, dan is zij ook quoad nos,

de laatste grond van ons geloof. De kerk kan slechts erkennen wat er

is; zij kan niet maken wat er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze

eene cirkelredeneering wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelve

wordt bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, wijl zij de kerk

met de Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien Rome daartegen

opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift niet als Gods woord maar

als menschelijke, geloofwaardige en betrouwbare getuigenis gebruikt,

dan kan ook de Protestantsche theoloog deze opmerking overnemen: eerst

wordt uit de Schrift als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid

en daarna met deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer

is dit van beteekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zoo ook in

de theologie, de principia door zichzelve vast staan. De waarheid van

een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden. Principium

creditur propter se, non propter aliud. Principii principium haberi non

potest nec quaeri debet, Gerhard, Loc. theol. I cap. 3. Zanchius, Op.

VIII 339 sq. Polanus, Synt. I cap. 23 sq. Turret. Theol. El. loc. 2 qu.

6. Trelcatius, Schol. et method. loc. comm. S. Theol. Institutio 1651

p. 26.

De Schrift zelve leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar het

woord Gods, beschreven of onbeschreven, αὐτοπιστος is. De kerk is ten

allen tijde aan dat woord Gods, voor zoover het er was en in dien vorm

waarin het bestond, gebonden geweest. Israel ontvangt op Horeb de wet,

Jezus en de apostelen onderwerpen zich aan de O. T. Schrift, de christ.

kerk is van den aanvang af gebonden aan het gesproken en geschreven

woord der apostelen. Het woord Gods is het fundament der kerk, Deut.

4:1; Jes. 8:20; Ezech. 20:19; Luk. 16:29; Joh. 5:39; Ef. 2:20; 2 Tim.

3:14; 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen van het woord, maar

het woord staat boven haar. Zij kan niemand het geloof aan het woord

Gods in het hart schenken. Dat kan het woord Gods alleen, door zichzelf

en de kracht des H. Geestes, Jer. 23:29; Mk. 4:28; Luk. 8:11; Rom.

1:16; Hebr. 4:12; 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de kerk

beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen de geloovigen

de inspiratie, autoriteit, kanoniciteit van de Schrift uit haar zelve

leeren kennen, maar zij kunnen deze nooit eigenmachtig afkondigen en

vaststellen. De Hervorming heeft liever eenige onzekerheid gewild, dan

eene gewisheid, die alleen door eene willekeurige beslissing der kerk

werd verkregen. Want de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus

van de boeken die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste

christelijke kerk en ook later verschil van meening geweest. De tekst

bezit niet die integritas, welke ook Luth. en Geref. theologen zoo

gaarne wenschten. Maar desniettemin heeft de Reformatie de autopistie

der Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de kerk

ondergeschikt gemaakt aan het woord Gods, en daardoor de vrijheid van

den Christen gered.

5. Bij dit verschil tusschen Rome en de Hervorming over den grond van

het gezag der Schrift kwam er in de 17e eeuw in de Protestantsche

kerken zelve nog een belangrijke strijd over den aard van dat gezag.

Hierover was men het eens, dat aan de Schrift, wijl zij God tot auteur

had, eene auctoritas divina toekwam. Nader werd deze autoriteit

daardoor omschreven, dat de Schrift door allen geloofd en gehoorzaamd

moest worden, en de eenige regel was van geloof en leven. Deze

omschrijving leidde echter vanzelf tot de onderscheiding van eene

auctoritas historica en eene auctoritas normativa. De openbaring

Gods toch is gegeven in den vorm van eene geschiedenis; zij heeft

verschillende tijden doorloopen. Lang niet alles, wat in de Schrift

staat opgeteekend, heeft normatief gezag voor ons geloof en leven. Veel

van wat door God geboden en ingesteld is geweest, of door profeten en

apostelen is voorgeschreven en verordend, gaat ons niet rechtstreeks

meer aan en had op vroeger levende personen betrekking. Het gebod

aan Abraham, om zijn zoon te offeren; het bevel aan Israel, om alle

Kanaänieten te dooden; de ceremonieele en burgerlijke wetten, die golden

in de dagen des O. T.; de bepalingen van de synode te Jeruzalem en zoo

veel meer zijn zeker als historie nog nuttig ter leering en vermaning,

maar kunnen en mogen door ons niet meer opgevolgd worden. En dat niet

alleen, maar de openbaring heeft in hare beschrijving niet alleen de

goede werken der heiligen maar ook de booze daden der goddeloozen

opgeteekend. Meermalen komen er dus woorden en handelingen in de

Schrift voor, welke wel als historisch waar maar niet als normatief

worden voorgesteld; zoover is het er van daan, dat deze regel mogen

zijn voor ons geloof en leven, dat zij veeleer verworpen en afgekeurd

moeten worden. Ook de zonden der heiligen, van een Abraham, Mozes,

Job, Jeremia, Petrus enz. worden ter waarschuwing, niet ter navolging

medegedeeld. En eindelijk kan bij vele personen, bij de aartsvaders,

Debora, de richters, de koningen, de vrienden van Job, Hanna, Agur,

de moeder van Lemuel, de dichters van sommige psalmen, zooals de

vloekpsalmen ps. 73:13, 14, 77:7-9, 116:11, en voorts bij Zacharia,

Simeon, Maria, Stephanus enz. de vraag gesteld worden, of hunne woorden

alleen formeel, wat hunne opteekening betreft, of ook zakelijk, wat hun

inhoud aangaat, zijn geinspireerd. Voetius oordeelde, dat velen van deze

personen, zooals Job en zijne vrienden, niet tot de profeten kunnen

gerekend worden en handhaafde dit gevoelen tegenover Maresius, Voetius,

Disp. I 31, 40-44. V 634-640. Maresius, Theologus paradoxus p. 83-87,

en verder Maccovius, Loci Comm. p. 31-32, Cloppenburg, de canone theol.

disp. 3 Op. II 18-23. Witsius, Misc. Sacra I 316-318. Moor, Comm. in

Marckii Comp. I 131-134. Carpzovius, Critica S. Vet. Test. I c. 2 §

3. Deze kwestie had wel geen verdere gevolgen, maar was toch in veel

opzichten belangrijk. Zij bracht het eerst duidelijk tot bewustzijn, dat

er onderscheid is tusschen woord Gods in formeelen en woord Gods in

materieelen zin, en dwong tot nadenken over de verhouding, waarin beide

tot elkander staan. Nu werd die verhouding zeer zeker door de meesten

der bovengenoemde theologen al te dualistisch opgevat. De auctoritas

historiae en de historia normae laten zich in de Schrift niet op zoo

abstracte wijze scheiden. De formeele en de materieele beteekenis

van de uitdrukking woord Gods zijn veel te nauw verbonden. Ook in de

leugenachtige woorden van Satan en de booze daden der goddeloozen

heeft God iets tot ons te zeggen. De Schrift is niet alleen nuttig

tot leering maar ook tot waarschuwing en vermaning. Zij onderwijst en

verbetert ons, zoowel door af te schrikken als door aan te sporen,

zoowel door beschaming als door vertroosting. Maar wel werd het door

die onderscheiding duidelijk gemaakt, dat de Schrift niet kan en mag

opgevat worden als een wetboek vol artikelen. Beroep op een tekst

buiten het verband is voor een dogma niet genoeg. De openbaring, in

de Schrift neergelegd, is een historisch en organisch geheel. Zoo wil

ze gelezen en verklaard worden. En daarom moet het dogma, dat met

autoriteit tot ons komt en regel wil zijn voor ons geloof en leven, op

heel het organisme der Schrift gegrond en daaruit afgeleid zijn. Het

gezag der Schrift is een ander dan dat van eene staatswet.

6. Aard en grond van het gezag der Schrift zijn echter vooral in de

nieuwere theologie in discussie gebracht. In vroeger tijd rustte de

autoriteit der H. Schrift op hare inspiratie en was met deze vanzelf

gegeven. Maar toen de inspiratie werd prijsgegeven, was het gezag der

Schrift niet meer te handhaven. Wel werd dit op allerlei wijze beproefd,

maar men zag zich genoodzaakt, om zoowel de gronden als het karakter

van de autoriteit der H. Schrift gansch anders op te vatten. Het gezag

der Schrift, voorzoover het nog werd erkend, werd daarop gebaseerd,

dat zij de authentieke oorkonde is van de openbaring; de christelijke

idee het zuiverst uitdrukt, evenals het water ook het reinst is bij de

bron; de vervulling is van de Oudtestamentische heilsgedachte, en de

christelijke leer volkomen, zij het ook in kiem, in zich bevat; en de

aanvang en voortdurende vernieuwing is van den christelijken geest in

de gemeente. Deze en dergelijke overwegingen voor het gezag der Schrift

kan men vinden bij theologen van de verschillendste richtingen, zooals

bij Scholten, L. H. K. I 78 v. Saussaye, mijne theol. van Ch. d. l. S.

53 v. Schleiermacher, Gl. § 129 f. Rothe, Zur Dogm. S. 166 f. Lipsius,

Dogm. § 193 f. Biedermann, Dogm. § 193 f. Schweizer, Christl. Gl. I

S. 178 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. III 98 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers.

II 5 f. 9 f. enz. Toch zijn al deze gronden niet hecht genoeg, om een

gezag te dragen, gelijk dat de religie behoeft. Ze mogen als motiva

credibilitatis in aanmerking komen, maar als gronden zijn ze onhoudbaar.

Want vooreerst maken zij door de onderscheiding tusschen openbaring

en hare oorkonde, tusschen woord Gods en Schrift, het gezag der

Schrift feitelijk geheel illusoir. Want indien niet de Schrift in haar

geheel, maar alleen het woord Gods in haar, het religieus-ethische,

de openbaring of hoe men het noemen wil, gezag heeft, dan heeft ieder

voor zichzelf uit te maken, wat dat woord Gods in de Schrift is,

en elk bepaalt dit naar goedvinden. Het zwaartepunt wordt uit het

object naar het subject overgebracht; de Schrift kritiseert niet den

mensch, maar deze oordeelt de Schrift; het gezag der Schrift hangt af

van het menschelijk welgevallen; het bestaat slechts, voorzoover men

het erkennen wil, en wordt dus geheel vernietigd. Maar ook al zouden

al deze gronden eenig gezag voor de Schrift kunnen vindiceeren, het

zou toch geen ander zijn dan een louter historisch gezag. En dit is

in de religie onvoldoende. Hier hebben we aan een historisch, d.

i. menschelijk en feilbaar gezag niet genoeg. Omdat de religie onze

zaligheid raakt en in verband staat met onze eeuwige belangen, kunnen

wij in haar met niets minder toe dan met een goddelijk gezag. Wij moeten

niet alleen weten, dat de Schrift de historische oorkonde voor onze

kennis van het Christendom is en dat zij de oorspronkelijke christelijke

ideeën het zuiverst bevat en weergeeft; maar in de religie dienen wij

te weten, dat de Schrift het woord en de waarheid Gods is. Zonder deze

zekerheid is er geen troost in het leven en in het sterven. En niet

alleen heeft ieder Christen aan deze zekerheid behoefte, maar ook

de kerk zelve kan als instituut deze gewisheid niet ontberen. Want

indien een prediker de overtuiging mist van de goddelijke waarheid van

het woord dat hij verkondigt, verliest zijne prediking alle gezag en

invloed en kracht. Indien hij geen goddelijke boodschap heeft te brengen,

wie geeft hem dan het recht om op te treden voor menschen van gelijke

bewegingen als hij? Wie geeft hem vrijheid om zich op den kansel boven

hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen der ziel

en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig wel of een eeuwig

wee? Wie durft en wie kan dat doen, anders dan die een woord Gods te

verkondigen heeft? Het christelijk geloof en de christelijke prediking

eischen beide eene goddelijke autoriteit, waarop zij steunen. Titubabit

fides, si divinarum scripturarum vacillat auctoritas, Aug. de doctr.

christ. I 37.

Daarom kan het ook geen goedkeuring wegdragen, wanneer de aard van het

gezag der Schrift als zedelijk omschreven wordt. Lessing is daarmede

al begonnen als hij zeide, dat iets niet daarom waar is wijl het in den

Bijbel staat, maar dat het in den Bijbel staat omdat het waar is. Sedert

zijne verzuchting om verlossing van het gezag der letter en van den

papieren paus, is het gelooven op gezag op allerlei wijze bespottelijk

gemaakt. Christelijke theologen hebben zich daardoor laten influenceeren

en het autoriteitsgeloof gewijzigd of bestreden. Doedes bijv., Inl. tot

de leer van God, 1880 bl. 29-40 wil niets weten van gelooven op gezag

en spreekt alleen nog van zedelijke autoriteit in de religie. Saussaye,

mijne Theol. van Ch. d. l. S. 53 v. verklaart, dat er geen ander is dan

zedelijk gezag en dat het zedelijke geheel gezag is. Intellectueel gezag

is er niet, maar moreel gezag is de zedelijkheid, de godsdienst zelve.

Men gelooft de waarheid niet op gezag, maar de waarheid heeft gezag,

d. i. heeft het recht, dat men haar gehoorzame. Deze voorstelling

lijdt echter aan verwarring van begrippen. De waarheid heeft gezag,

zeer zeker; niemand, die het ontkent. Maar de vraag is juist, wat op

godsdienstig gebied waarheid is en waar zij te vinden is. Hierop is

maar tweeërlei antwoord mogelijk. Of aan de eene zijde: wat waarheid is,

of indien men wil, wie Christus is, dat zeggen ons de apostelen, dat

zegt ons de Schrift; of aan de andere zijde: dit wordt uitgemaakt door

het eigen oordeel, door de rede of het geweten van ieder mensch voor

zichzelf. In het laatste geval is er geen gezag en geen autoriteit

der Schrift meer; zij is geheel en al aan de kritiek van het subject

onderworpen. Dan baat het ook niets, om met Rothe, Zur Dogm. 287 te

zeggen, dat de Bijbel het volkomen toereikend instrument is, om tot

eene zuivere kennis van Gods openbaring te komen. Want elke objectieve

maatstaf ontbreekt, waarnaar in de Schrift die openbaring beoordeeld

en gevonden kan worden. Er is inderdaad maar één grond, waarop het

gezag der Schrift rusten kan, en dat is hare inspiratie. Valt deze,

dan is het ook met de autoriteit der Schrift gedaan. Zij bevat dan

slechts menschelijke geschriften, die als zoodanig geen enkelen titel

kunnen laten gelden, om norma te zijn voor ons geloof en leven. En met

de Schrift valt voor den Protestant alle gezag in de religie. Alle

pogingen, om dan nog weer een of ander gezag terug te vinden, bijv.

in den persoon van Christus, in de kerk, in de religieuse ervaring,

in rede of geweten, loopen op teleurstelling uit, Stanton, The place

of authority in matters of religious belief, London Longmans 1891.

James Martineau, The seat of authority in religion, London Longmans

1891. C. A. Briggs, The authority of H. Scriptures. Inaugural address,

4 ed. New-York Scribner, 1892. L. Monod, Le problème de l’autorité,

Paris Fischbacher 1892. E. Doumergue, L’autorité en matière de foi,

Lausanne Payot 1892. E. Ménégoz, L’autorité de Dieu, réflexions sur

l’autorité en matière de foi. Paris Fischbacher 1892. G. Godet, Vinet

et l’autorité en matière de foi, Revue de théol. et de philos. Mars

1893 p. 173-191. Zij bewijzen alleen, dat eene religie zonder gezag niet

kan bestaan. Religie is wezenlijk van wetenschap onderscheiden. Zij

heeft eene eigene zekerheid; niet zulk eene, die op inzicht steunt,

maar die in geloof, in vertrouwen bestaat. En dit religieuse geloof en

vertrouwen kan alleen rusten in God en in zijn woord. In de religie is

een testimonium humanum en eene fides humana onvoldoende; hier hebben

we behoefte aan een getuigenis Gods, waarop wij ons verlaten kunnen

in leven en sterven. Inquietum est cor nostrum, donec requiescat in

Te! Terecht zegt dan ook Harnack, D. G. III 73, es hat in der Welt

keinen starken religiösen Glauben gegeben, der nicht an irgend einem

_entscheidenden_ Punkt sich auf eine _äussere Autorität_ berufen hätte.

Nur in den blassen Ausführungen der Religionsphilosophen oder in den

polemischen Entwürfen protestantischer Theologen wird ein Glaube

construirt, der seine Gewissheit lediglich den eigenen inneren Momenten

entnimmt. Cf. ook P. D. Chantepie de la Saussaye, Zekerheid en twijfel

1893 bl. 138 v. Het recht en de waarde van het gezag in de religie

wordt langzamerhand weer erkend.

7. Maar, al kan de religie alleen met eene auctoritas divina volstaan,

de aard van dat gezag dient toch nog nader te worden onderzocht. Gezag

is in het algemeen de macht van iemand, die iets te zeggen heeft; het

recht, om in eene of andere zaak mee te spreken, vandaar in het Mnl.

geweld, macht, Woordenboek der Ned. Taal s. v. Van gezag kan er alleen

sprake zijn tusschen ongelijken; het drukt altijd eene verhouding uit van

een meerdere tot zijn mindere, van een hoogere tot zijn lagere. Omdat er

onder menschen geen gelijkheid is maar allerlei onderscheid bestaat, kan

er onder hen van gezag sprake zijn. En wijl die ongelijkheid zoo groot en

zoo velerlei is, neemt het gezag onder menschen eene zeer breede plaats

in. Het is zelfs het fundament der gansche menschelijke samenleving.

Wie het ondermijnt, arbeidt aan de verwoesting der maatschappij. Dwaas

en gevaarlijk is het dus, om het gelooven op gezag in een bespottelijk

daglicht te plaatsen. Augustinus vraagde reeds: Si quod nescitur

credendum non est, quomodo serviant parentibus liberi eosque mutua

pietate diligant, quos parentes suos esse non credant....... Multa

possunt afferri quibus ostendatur, nihil omnino humanae societatis

incolume remanere, si nihil credere statuerimus, quod non possumus

tenere perceptum, de util. cred. 12. Op ieder gebied leven wij van

gezag. Onder het gezag worden wij in huisgezin, maatschappij en staat

geboren en opgevoed. Ouders hebben gezag over hun kinderen, de meester

over zijne leerlingen, de overheid over hare onderdanen. In al deze

gevallen is het gezag duidelijk. Het drukt eene macht uit, die van

rechtswege aan iemand over een ander toekomt. Het treedt daarom op met

bevelen en wetten, eischt gehoorzaamheid en onderwerping, en heeft in

geval van opstand zelfs recht van dwang en straf. Maar wij breiden dit

begrip van gezag verder uit en passen het ook toe in wetenschap en

kunst. Ook hier is er onderscheid van gave, en ontstaat de verhouding

van meerderen en minderen, van magistri en discipuli. Er zijn mannen,

die door hun genialen aanleg en noesten arbeid op een of ander gebied

het meesterschap hebben verworven, en die daarom op dit terrein met

gezag kunnen spreken. Van de ontdekkingen dezer magistri leven en

leeren de minderen, de leeken. Ja, vanwege de ontzachlijke uitbreiding

der wetenschap, kan ook de uitnemendste slechts magister zijn op een

zeer klein gebied; in al het andere is hij discipulus en moet hij

vertrouwen op het onderzoek van anderen. Dit gezag in wetenschap en

kunst draagt echter een ander karakter dan van ouders, onderwijzers en

overheid; het is niet juridisch, maar ethisch van aard; het kan en mag

niet dwingen, het heeft geen recht van straf. De personen, die hier

met autoriteit optreden, mogen nog zoo aanzienlijk en gewichtig zijn;

hun getuigenis geldt slechts zooveel als ze er gronden voor kunnen

aanvoeren. Het gezag rust hier dus niet ten slotte in de personen,

zoodat een ipse dixit afdoende ware, maar rust in de bewijzen, waarop

hun beweren steunt. En wijl alle menschen eenig verstand en oordeel

ontvingen, is blind geloof hier ongeoorloofd en het streven naar een

zelfstandig inzicht, voor zooveel noodig en mogelijk, plicht. Ook

in de geschiedenis is dit het geval. De kennis der historie steunt

eigenlijk geheel op autoriteit, op getuigenissen van anderen; maar deze

getuigenissen behoeven niet blindelings geloofd te worden, maar mogen

en moeten ernstig worden onderzocht, opdat zooveel mogelijk het eigen

inzicht tot zijn recht kome. In één woord, in scientiis tantum valet

auctoritas humana, quantum rationes.

Dit begrip van gezag vinden we eindelijk ook terug in de religie en

theologie. Hier is gezag niet in een minderen graad maar in eene veel

hoogere mate van noode dan in gezin en maatschappij, in wetenschap en

kunst. Hier is het eene levensbehoefte. Zonder gezag en geloof kan

religie en theologie geen oogenblik bestaan. Maar het gezag draagt hier

een geheel eigen karakter. Het moet uitteraard eene auctoritas divina

zijn. En reeds hierdoor is het van het gezag in maatschappij en staat, in

wetenschap en kunst onderscheiden. Van het laatste verschilt het vooral

in dit opzicht, dat in wetenschap en kunst eigen inzicht oordeelen en

beslissen mag. Maar bij eene divina auctoritas komt dit niet te pas. Als

God gesproken heeft, is alle twijfel uit. De divina auctoritas is daarom

niet zedelijk te noemen, althans niet in den zin, waarin we spreken van

het zedelijk overwicht van een persoon, want de religie is niet eene

verhouding van een mindere tot zijn meerdere, maar van een schepsel tot

zijn Schepper, van een onderdaan tot zijn Souverein, van een kind tot zijn

Vader. God heeft recht, om den mensch te bevelen en onvoorwaardelijke

gehoorzaamheid van hem te verlangen. Zijn gezag rust in zijn wezen, niet

in de rationes. In zoover komt het gezag van God en van zijn woord met

dat van de overheid in den staat en van den vader in het gezin overeen.

En er is niets vernederends in en niets, dat ook maar eenigszins aan

’s menschen vrijheid te kort doet, als hij kinderlijk naar het woord Gods

luistert en daaraan gehoorzaamt. God op zijn woord, d. i. op gezag te

gelooven, is even weinig met ’s menschen waardigheid in strijd, als het

een kind onteert, zich met onbepaald vertrouwen te verlaten op het

woord van zijn vader. En zooveel scheelt het, dat de Christen allengs

boven dit gezag zou uitgroeien, Schweizer, Christl. Glaub. I 186 f.,

dat hij juist hoe langer hoe meer, met verloochening van alle eigene

wijsheid, God gelooven gaat op zijn woord. De geloovige komt hier op

aarde nooit het standpunt des geloofs en des gezags te boven. Naarmate

hij toeneemt in het geloof, klemt hij zich te vaster aan de autoriteit

Gods in zijn woord. Maar aan de andere zijde is er toch ook een groot

verschil tusschen het gezag Gods in de religie en dat van een vader in

zijn gezin en van eene overheid in den staat. Een vader dwingt desnoods

zijn kind en brengt het door straf tot onderwerping; en de overheid

draagt het zwaard niet te vergeefs. Dwang is onafscheidelijk van het

gezag der aardsche overheid. Maar God dwingt niet. Zijne openbaring is

eene openbaring van genade. En daarin komt Hij tot den mensch niet met

geboden en eischen, met dwang en met straf, maar met de noodiging, met

de vermaning, met de bede, om zich met Hem te laten verzoenen. God

kon als Souverein tegenover den mensch optreden. Hij zal eenmaal als

Rechter oordeelen allen, die het evangelie zijns Zoons ongehoorzaam zijn

geweest. Maar in Christus daalt Hij tot ons neer, wordt ons in alles

gelijk, handelt met ons als redelijke en zedelijke wezens; om dan toch

weer, stuitende op vijandschap en ongeloof, zijne souvereiniteit te

hernemen, zijn raad uit te voeren en glorie zich te bereiden uit alle

creatuur. Het gezag, waarmede God in de religie optreedt, is dus geheel

eigensoortig. Het is niet menschelijk maar goddelijk. Het is souverein

en werkt toch op zedelijke wijze. Het dwingt niet, en weet zich toch te

handhaven. Het is absoluut en wordt toch weerstaan. Het noodigt en

bidt, en is toch onoverwinnelijk.

En zoodanig is ook de autoriteit van de Schrift. Als woord Gods staat

ze hoog boven alle gezag van menschen in staat en maatschappij, in

wetenschap en kunst. Voor haar moet al het andere wijken. Want men moet

Gode meer gehoorzamen dan den menschen. Alle andere autoriteit is

beperkt binnen haar kring en geldt alleen op haar eigen terrein. Maar

het gezag der Schrift breidt over heel den mensch en over de gansche

menschheid zich uit. Zij staat boven verstand en wil, boven hart en

geweten; zij is met geen andere autoriteit te vergelijken. Haar gezag is

absoluut, wijl het goddelijk is. Zij heeft het recht, om door een ieder

ten allen tijde geloofd en gehoorzaamd te worden. Zij gaat in majesteit

alle andere macht zeer verre te boven. Maar zij roept, om zichzelve

tot erkenning en heerschappij te brengen, niemand te hulp. Zij heeft

den sterken arm der overheid niet noodig. Zij behoeft den steun der

kerk niet. Zij roept het zwaard en de inquisitie niet op. Zij wil niet

heerschen door dwang of geweld. Zij wil vrije en gewillige erkenning.

En daarom brengt zij die zelve tot stand, op zedelijke wijze, door de

werking des H. Geestes. De Schrift waakt voor haar eigen gezag. Daarom

sprak men vroeger ook wel van eene auctoritas causativa der Schrift,

qua Scriptura assensum credendorum in intellectu hominis generat et

confirmat, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 8.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 22 / 28 题