C. De inspiratie naar de Schrift.

9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie de volgende

belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in een bepaald oogenblik

van hun leven door den Heere geroepen, Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer.

1; Ezech. 1-3; Am. 3:7, 8, 7:15. De roeping ging menigmaal in tegen

hun eigen wensch en begeerte, Ex. 3; Jer. 20:7; Am. 3:8, maar Jahveh

is hun te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat

de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26:5, 7:15, door Hem verwekt

en gezonden, Jer. 29:15; Deut. 18:15; Num. 11:29; 2 Chron. 36:15,

zijne knechten, 2 Kon. 17:23, 21:10, 24:2; Ezra 9:11; Ps. 105:15 enz.,

staande voor zijn aangezicht, 1 Kon. 17:1; 2 Kon. 3:14, 5:16. b) Zij

zijn zich bewust, dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem

de openbaring hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen,

Ex. 2:12; Deut. 18:18, legt de woorden in hun mond, Num. 22:38, 23:5;

Deut. 18:18, spreekt tot hen, Hos. 1:2; Hab. 2:1; Zach. 1:9, 13, 2:2,

7, 4:1, 4, 11, 5:5, 10, 6:4; Num. 12:2, 8; 2 Sam. 23:2; 1 Kon. 22:28.

Vooral wordt de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord

des Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, נאם part. pass,

het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van deze

uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor ingeleid.

Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten persoon ingevoerd,

Jos. 24:2; Jes. 1:1, 2, 8:1, 11; Jer. 1 vs. 2, 4, 11, 2:1, 7:1; Ezech.

1:3, 2:1; Hos. 1:1; Joël 1:1; Am. 2:1 enz. Eigenlijk is het Jahveh,

die door hen spreekt, 2 Sam. 23:1, 2, die door hun mond spreekt, Ex.

4:12, 15; Num. 23:5, door hun dienst, Hagg. 1:1; 2 Kon. 17:13. Heel

hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid is

bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats en den tijd

aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid maken tusschen

tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot hen sprak, Jes. 16:13,

14; Jer. 3:6, 13:3, 26:1, 27:1; 28:1, 33:1, 34:1, 35:1, 36:1, 49:34;

Ezech. 3:16, 8:1, 12:8; Hagg. 1:1; Zach. 1:1 enz. En daarbij is die

bewustheid zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van

Jahveh; Hij spreekt tot hen, Jes. 8:1, 51:16, 59:21; Jer. 1:9, 3:6,

5:14; Ez. 3:26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien met hun

oogen, Jes. 5:9, 6:8, 21:3, 10, 22:14, 28:22; Jer. 23:18, 49:14; Ezech.

2:8, 3:10, 17, 33:7, 40:4, 44:5; Hab. 3:2, 16; 2 Sam. 7:27; Job 33:16,

36:10, en nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15:16; Ezech.

3:1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken tusschen wat

God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt uit hun eigen hart,

Num. 16:28, 24:13; 1 Kon. 12:33; Neh. 6:8; Ps. 41:6, 7. Zij leggen den

valschen profeten juist ten laste, dat dezen spreken uit eigen hart,

Ezech. 13:2, 3, 17; Jer. 14:14, 23:16, 26; Jes. 59:13, zonder gezonden

te zijn, Jer. 14:14, 29:9; Ezech. 13:6, zoodat zij leugenprofeten, Jer.

23:32; Jes. 9:14; Jer. 14:14, 20:6, 23:21, 22, 26, 31, 36, 27:14;

Ezech. 13:6 v.; Mich. 2:11; Zeph. 3:4; Zach. 10:2 en waarzeggers zijn,

Jes. 3:2; Mich. 3:5 v. Zach. 10:2; Jer. 27:9, 29:8; Ezech. 13:9, 12,

21:26, 28, 34; Jes. 44:25. König II 163-167. Herzog² 16, 726. e) De

profeten zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet hun

eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen. Trouwens, het

woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf, maar voor anderen. Zij

hadden geene vrijheid om het te verbergen. Zij moèten spreken, Jer. 20:7,

9; Exod. 3, 4; Ezech. 3; Amos 3:8; Jona, en spreken dus niet naar

menschelijke gunst of berekening, Jes. 56:10; Mich. 3:5, 11. Daarom

zijn zij juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En

daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben, Deut.

4:2, 12:32; Jer. 1:7, 17, 26:2, 42:4; Ezech. 3:10. En uit een zelfden

drang mag en moet ook het schrijven der profeten worden afgeleid. De

letterlijke teksten, waar een bevel tot schrijven wordt gegeven, zijn

weinige, Ex. 17:14, 24:3, 4, 34:27; Num. 33:2; Deut. 4:2, 12:32,

31:19; Jes. 8:1, 30:8; Jer. 25:13, 30:1, 36:2, 24, 27-32; Ezech.

24:1; Dan. 12:4; Hab. 2:2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte

der O. T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een later,

maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het profetisme.

Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren wel bestemd

om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn met zorg, zelfs met

kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm voor het schrift bestemd

te zijn. De opteekening der Godspraken werd geleid door de gedachte,

dat Israël niet meer door daden te redden was, dat nu en in verre

geslachten de dienst van Jahveh door woord en redelijke overtuiging

ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I 74, II 345 v. Zij gingen schrijven

omdat zij zich richten wilden tot anderen, dan alleen degenen, die

hen hooren konden. f) Tusschen het ontvangen en het gesproken of

geschreven woord bestaat verschil. Er zou niets vernederends voor

de profeten in liggen, indien zij het ontvangen woord zoo letterlijk

mogelijk hadden opgeteekend. Maar de openbaring ging voort ook in ’t

moment der theopneustie en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring,

en deze werd dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de

profeten voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t

gesproken woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen

de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10:24-12:6, 31:1-3, 32,

of de uitwerking van een woord van Jahveh door den profeet, 52:7-12,

63:15-64:12 daarop geene uitzondering. De overgang van het woord van

Jahveh in het woord van den profeet en omgekeerd is menigmaal zoo

plotseling, en beide zijn zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13:18 v., dat

scheiding niet mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36:10,

11, 25:3. Jesaia noemt 34:16 zijne eigene opgeteekende profetieën het

Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af uit de

wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora niet kan bepaald

worden, toch onderstelt de profetie eene thora. Alle profeten staan

op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich met hun tegenstanders op

eene gemeenschappelijke basis. Zij onderstellen allen een door God met

Israel gesloten verbond, eene genadige verkiezing van Israel, Hos.

1:1-3, 6:7, 8:3; Jerem. 11:6 v., 14:21, 22:9, 31:31 v.; Ezech. 16:8 v.;

Jes. 54:10, 56:4, 6, 59:21. De profeten zijn niet de scheppers van een

nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen, Prof.

II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer gelijk aan

die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van Israel I 222. De profeten

gewagen nooit van zulk eene tegenstelling tusschen hun religie en

die des volks. Zij erkennen, dat het volk schier alle eeuwen door aan

afgoderij zich schuldig heeft gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en

eenparig als ontrouw en afval, zij gaan er van uit, dat het volk beter

wist. Zij knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde

historie zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het

volk denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren en

geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht, en daarom

toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen hen en Jahveh

bestaande verhouding, Hos. 12:14; Mich. 6:4, 8; Jes. 63:11; Jer. 7:25

enz., König, Die Hauptprobleme der altisr. Religionsgeschichte 1884 S.

15 f. 38 f. De thora duidt niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen

aan, maar is meermalen ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve

openbaring van Jahveh, Jes. 2:3; Mich. 4:2; Am. 2:4; Hos. 8:1, 4:6;

Jer. 18:18; Ezech. 7:26; Zeph. 3:4. Het verbond Gods met Israel, op

welks grondslag de profeten met heel het volk staan, sluit vanzelf

ook allerlei inzettingen en rechten in, en de profeten spreken daarom

telkens van geboden, Jes. 48:18; Jer. 8:13, inzettingen Jes. 24:5; Jer.

44:10, 23; Ezech. 5:6, 7, 11:12, 20, 18:9, 17, 20:11 v., 36:27, 37:24;

Am. 2:4; Zach. 1:6; Mal. 3:7, 4:4; rechten, Ezech. 5:7, 11:12 enz. Deze

thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh, van zijne

schepping en regeering aller dingen, het verbod der afgoderij, en andere

godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts ook allerlei ceremonieele

(sabbat, offer, reinheid enz.) en historische (schepping, uittocht uit

Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen. Over den omvang der thora

vóór het profetisme moge verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet

en profeten kan niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis

van Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken. De

profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme des Gesetzes

und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier). De meest negatieve

kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid van Mozes en zijn

monotheisme, het verblijf in Egypte, den uittocht, de verovering van

Kanaän enz. nog als historisch aan te nemen, ofschoon hun bij hunne

kritiek van den Pentateuch alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv.

Smend, Lehrb. der altt. Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk,

dat bij een volk, zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog² 13,

689 f. de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan.

In Hos. 8:12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp, Gesetz

und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f. Deze thora

had van den aanvang af gezag onder Israel. Van twijfel of bestrijding is

niets bekend. Mozes nam onder alle profeten eene geheel eenige plaats

in, Ex. 33:11; Num. 12:6-8; Deut. 18:18; Ps. 103:7, 106:23; Jes. 63:11;

Jer. 15:1 enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere

sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar des O.

Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een goddelijken oorsprong

toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan Israel de thora gegeven heeft.

Niet alleen de tien woorden Ex. 20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar

ook alle andere wetten worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid.

Elk oogenblik komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor:

de Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er

mede, Ex. 25:1, 30:11, 17, 22, 31:1, 32:9 enz.; Lev. 1:1, 4:1, 6:1

enz.; Num. 1:1, 2:1, 3:44, 4:1 enz. En Deuteronomium wil niets geven

dan wat Mozes tot de kinderen Israels gesproken heeft, Deut. 1:6, 2:1,

2, 17, 3:2, 5:2, 6:1 enz. i) De historische boeken des O. T. zijn alle

door profeten en in profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29:29; 2

Kron. 9:29, 20:34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en

geschriften niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar zij

zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd hebben. Maar

zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw en aaneengeschakeld

verhaal te verschaffen van de lotgevallen van het Israelietische volk,

gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen. De profeten stellen zich

ook in de historische boeken des O. T. op den grondslag der thora

en beschouwen en beschrijven van uit haar standpunt de geschiedenis

van Israel, Richt. 2:6-3:6; 2 Kon. 17:7-23, 34-41. De historische

boeken zijn de commentaar in feiten van het verbond Gods met Israel.

Zij zijn geen geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar

een anderen maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere

volken. Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis

zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de historie

van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn raad zouden

verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van het woord van Jahveh,

zoowel waar zij achterwaarts zien in de historie als wanneer zij vooruit

blikken in de toekomst. j) Wat eindelijk de in engeren zin poëtische

boeken betreft, die in den kanon zijn opgenomen, deze dragen alle

evenals de andere O. T. geschriften een religieus-ethisch karakter.

Zij onderstellen de openbaring Gods als haar objectieven grondslag

en laten de uitwerking en toepassing zien van die openbaring in de

verschillende toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De

Prediker schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze

des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de gerechtigheid

Gods en het lijden der vromen. De Spreuken schilderen ons de ware

wijsheid in hare toepassing op het rijke menschenleven. Het Hooglied

bezingt de innigheid en de kracht der liefde. En de Psalmen doen in den

spiegel van de ervaringen der vromen Gods menigvuldige genade ons zien.

De lyrische en didactische poëzie treedt onder Israel in den dienst van

de openbaring Gods. Volgens 2 Sam. 23:1-3 sprak David, de liefelijke in

zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord op zijne

tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O. T. ontstonden en

bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend erkend. De wetten van

Jahveh werden in het heiligdom gelegd, Ex. 25:22, 38:21, 40:20; Deut.

31:9, 26; Jos. 24:25 v.; 1 Sam. 10:25. De dichterlijke voortbrengselen

werden bewaard, Deut. 31:19; Jos. 10:13; 2 Sam. 1:18; de Psalmen werden

reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72:20; van de

Spreuken legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan,

Spr. 25:1. De profetieën werden veel gelezen, Ezechiel kent Jesaia en

Jeremia, latere profeten beroepen zich op de voorafgaande. Daniel,

cap. 9:2 kent reeds eene verzameling van profetische geschriften,

waartoe ook Jeremia behoorde. In de na-exilische gemeente staat het

gezag van wet en profetieën vast, gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia

duidelijk blijkt. Jezus ben Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap.

15:1-8, 24:23, 39:1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon

gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX bevat

verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve voor het

gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2:50; 2 Makk. 6:23; Wijsh. 11:1,

18:4; Baruch 2:28; Tob. 1:6, 14:7; Jezus Sir. 1:5, 17:12, 24:23, 39:1,

46:15, 48:25 enz. Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde

boek van Ezra cap. 14:18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus,

c. Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was de

Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den onzen gelijk, G.

Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O. V. 1889 bl. 126 v. 134.

Strack in Herzog² 7, 429.

10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en de apostelen,

evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit. Dit blijkt

duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule, waarmede het O. T.

in het N. wordt aangehaald, is verschillend maar bewijst altijd, dat het

O. T. voor de schrijvers van het N. T. van goddelijken oorsprong is en

een goddelijk gezag draagt. Jezus haalt soms eene plaats uit het O. T.

aan met den naam van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8:4, 19:8; Mk.

7:10; Joh. 5:45, 7:22; Jesaia, Mt. 15:7; Mk. 13:14; David, Mt. 22:43;

Daniël, Mt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met de formule: er staat

geschreven, Mt. 4:4 v., 11:10; Luk. 10 vs. 26; Joh. 6:45, 8:47, of:

de Schrift zegt, Mt. 21:42; Luk. 4:21; Joh. 7:38, 10:35, of ook naar

den auctor primarius, d. i. God of den H. Geest, Mt. 15:4, 22:43, 45,

24:15; Mk. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking:

hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1:22, 2:15, 17, 23, 3:3

enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1 vs. 22, 2:15; Luk.

1:70; Hd. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. Johannes citeert gewoonlijk bij den

auctor secundarius, cap. 1:23, 46, 12:38. Paulus spreekt altijd van de

Schrift, Rom. 4:3, 9:17, 10:11, 11:2; Gal. 4:30; 1 Tim. 5:18 enz., die

soms zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8, 22, 4:30;

Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den H. Geest

als auctor primarius, 1:5 v., 3:7, 4:3, 5, 5:6, 7:21, 8:5, 8, 10:16,

30, 12:26, 13:5. Deze wijze van citeeren leert klaar en duidelijk, dat

de Schrift des O. V. voor Jezus en de apostelen wel uit verschillende

deelen samengesteld en van verschillende schrijvers afkomstig was, maar

toch één organisch geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b)

Meermalen wordt dit goddelijk gezag der O. T. Schrift door Jezus en de

apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5:17; Luk. 16:17,

29; Joh. 10:35; Rom. 15:4; 1 Petr. 1:10-12; 2 Petr. 1:19, 21; 2 Tim.

3:16. De Schrift is eene eenheid, die noch in haar geheel noch in haar

deelen gebroken en vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden

tekst wordt de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig,

gedrukt door het bezwaar, dat dan achter ὠφελιμος het praedikaat

ἐστιν niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De

overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust

en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft dus

slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche Schrift, of:

iedere Schrift, n.l. die in τα ἱερα γραμματα, vs. 15 begrepen is, is

theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en met het oog op plaatsen

als Mt. 2:3; Hd. 2:36; 2 Cor. 12 vs. 12; Ef. 1:8, 2:21, 3:15; Col.

4:12; 1 Petr. 1:15; Jak. 1:2 schijnt πας zonder artikel toch ook wel

geheel te kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen

kritisch tegenover den inhoud van het O. T., maar zij aanvaarden

dien geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de

religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf

spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de Schrift

des O. T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk erkend. Jezus

houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van Jesaia, Mt. 13:14, Ps. 110 van

David, Mt. 22:43, de Mt. 24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en

schrijft de wet aan Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen des

O. T. worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de

schepping des menschen, Mt. 19:4, 5; Abels moord, Mt. 22 vs. 35; de

zondvloed, Mt. 24:37-39; de geschiedenis der aartsvaders, Mt. 22:32,

Joh. 8:56; de verwoesting van Sodom, Mt. 11:23, Luk. 17:28-33; de

brandende braambosch, Luk. 20:37; de slang in de woestijn, Joh. 3:14;

het manna, Joh. 6:32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4:25, 26; Naäman,

ib., Jona, Mt. 12:39-41 enz. d) Dogmatisch is het O. T. voor Jezus

en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, πασης ἀντιλογιας

περας. Het O. T. is vervuld in het Nieuwe. Het wordt meermalen zoo

voorgesteld, alsof alles is geschied met het doel om de H. Schrift te

vervullen, ἱνα πληρωθῃ το ρηθεν, Mt. 1:22 en passim, Mk. 14:49, 15:28;

Luk. 4:2, 24:44; Joh. 13:18, 17:12, 19:24, 36; Hd. 1:16; Jak. 2:23

enz. Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt,

Mt. 21:16; Luk. 4:21, 22:37; Joh. 15:25, 17:12, 19:28 enz.; alwat aan

Jezus is geschied, is tevoren in het O. T. beschreven, Luk. 18:31-33.

Jezus en de apostelen rechtvaardigen hun gedrag en bewijzen hunne leer

telkens met een beroep op het O. Test., Mt. 12:3, 22:32; Joh. 10:34;

Rom. 4; Gal. 3; 1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift

strekt zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een

tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5:17, 22:45; Luk. 16:17;

Joh. 10:35; Gal. 3:16. e) Desniettemin wordt het O. T. in het N. T.

doorgaans naar de grieksche vertaling der LXX geciteerd. De schrijvers

van het N. T., schrijvende in het grieksch en voor grieksche lezers,

gebruikten gemeenlijk de vertaling, die aan dezen bekend en voor hen

toegankelijk was. De citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr.

tekst en tot de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld.

In sommige teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met

den Hebr. tekst, b.v. Mt. 2:15, 18, 8:17, 12:18-21, 27:46; Joh. 19:37;

Rom. 10:15, 16, 11:9; 1 Cor. 3:19, 15:54. In andere is er omgekeerd

overeenstemming met de LXX en afwijking van het Hebr., bijv. Mt. 15:8, 9;

Hd. 7:14, 15:16, 17; Ef. 4:8; Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In eene derde

groep van citaten is er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX

en Hebr. tekst, bijv. Mt. 2:6, 3:3, 26:31; Joh. 12:15, 13:18; Rom.

10:6-9; 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige boeken des

O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth., Pred. en Hoogl. nooit in

het N. T. worden aangehaald; dat er wel geen apocriefe boeken worden

geciteerd maar toch in 2 Tim. 3:8; Hebr. 11:34 v.; Judas 9 v. 14 v.,

namen en feiten worden vermeld, die in het O. T. niet voorkomen; en dat

enkele malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17:18;

1 Cor. 15:33; Tit. 1:12. f). Wat eindelijk het materieel gebruik van

het O. T. in het N. T. aangaat, ook hierin is er groot verschil. Soms

dienen de citaten tot bewijs en bevestiging van eenige waarheid, bijv.

Mt. 4:4, 7, 10, 9:13, 19:5, 22:32; Joh. 10:34; Hd. 15:16, 23:5; Rom.

1:17, 3:10 v., 4:3, 7, 9:7, 12, 13, 15, 17, 10:5; Gal. 3:10, 4:30; 1

Cor. 9:9, 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het O. T. aangehaald

ten bewijze, dat het in het N. T. vervuld _moest_ worden en vervuld is;

hetzij in letterlijken zin, Mt. 1:23, 3:3, 4:15, 16, 8:17, 12:18, 13:14,

15, 21:42, 27:46; Mk. 15:28; Luk. 4:17 v.; Joh. 12:38; Hd. 2:17, 3:22,

7:37, 8:32, enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11:14, 12:39 v., 17:11;

Luk. 1:17; Joh. 3:14, 19:36; 1 Cor. 5:7, 10:4; 2 Cor. 6:16; Gal. 3:13,

4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10, enz. Meermalen dienen de citaten uit het O.

T. eenvoudig tot opheldering, toelichting, vermaning, vertroosting,

enz., bijv. Luk. 2:23; Joh. 7:38; Hd. 7:3, 42; Rom. 8:36; 1 Cor. 2:16,

10:7; 2 Cor. 4:13, 8:15, 13:1; Hebr. 12:5, 13:15; 1 Petr. 1:16, 24, 25,

2:9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N. T. schrijvers in

den tekst des O. T. vinden, menigmaal verrast; zoo vooral in Mt. 2:15,

18, 23, 21:5, 22:32, 26:31, 27:9, 10, 35; Joh. 19:37; Hd. 1:20, 2:31;

1 Cor. 9:9; Gal. 3:16, 4:22 v.; Ef. 4:8 v.; Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze

exegese van het O. in het N. T. onderstelt bij Jezus en de apostelen de

gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis en veel verdere

strekking kan hebben, dan de schrijver er bij vermoed of er in neergelegd

heeft. Dit is ook meermalen bij klassieke schrijvers het geval. Niemand

zal meenen, dat Goethe bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie

dat alles voor den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt.

Hamerling heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel

Campagne I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit nog

in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging van Jezus

en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius heeft en een

teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol. Stud. 1887 aflev.

6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend S. 236. Niet in die enkele

bovengenoemde plaatsen slechts, maar in heel de opvatting en uitlegging

van het O. Test., wordt het N. Test. gedragen door de gedachte, dat het

Israelietische zijne vervulling heeft in het Christelijke. De gansche

oeconomie des O. V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar

geschiedenis wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet het

Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam van de

schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad beloofd. Litt. over het O.

T. in het N. T., Glassius, Philologia Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius,

Βιβλος καταλλαγης, in quo sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et

modos interpretandi conciliantur loca V. T. in N. T. allegata, Amst.

1713. J. Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum

in oraculis ex V. T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph, The

prophecies and other texts cited in the New Test. compared with the

Hebr. Original and with the Sept. version, Oxf. 1782. Dr. H. Owen,

The modes of quotation used by the evangelical writers explained and

vindicated, Lond. 1789. F. H. Horne, An introduction to the critical

study and knowledge of the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463.

C. Sepp, De leer des N. T. over de H. Schrift des O. V. 1849. Tholuck,

Das A. T. im N. 6e Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f. Hofmann,

Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. E. Haupt, Die altt.

Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch, De V. T. locis a Paulo

allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen nach einer Volksbibel zur Zeit

Jesu 1873. Id. Die altt. Citate im N. T. 1878. K. Walz, Die Lehre der

Kirche von der Schrift nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884.

Kuenen, De Profeten II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old

Test. Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des A. T.

im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, Die altt. Citate

bei Paulus usw. Freiburg 1895.

11. Voor de inspiratie des N. T. vinden wij in de schriften der

apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt in heel

het N. T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is de Logos, die

den Vader verklaart, Joh. 1:18, 17:6; ὁ μαρτυς ὁ πιστος και ἀληθινος,

Op. 1:5, 3:14; cf. Jes. 55:4, de Amen, in wien alle beloften Gods ja

en amen zijn, Op. 3:14; 2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, δολος, in zijn

mond geweest, 1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer

belijdenis, Hebr. 3:1; 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ἐκ των ἰδιων, gelijk

Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt door Hem, Hebr.

5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42 en spreekt niets dan wat

Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32. Hij spreekt de woorden Gods,

Joh. 3:34, 17:8 en geeft alleen aan de waarheid getuigenis, 5:33,

18:37. Daarom is zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8:14, 14:6, door de

getuigenis van God zelven bevestigd, 5:32, 37, 8:18. Niet alleen is

Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46, maar Hij is

ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. Het is volkomen

waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen heeft op het gebied

der wetenschap. Hij kwam op aarde om ons den Vader te verklaren en zijn

werk te volbrengen. Maar de inspiratie der Schrift, waarover Jezus

zich uitspreekt, is geen wetenschappelijk probleem maar een religieuse

waarheid. Indien Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op

een punt, dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en

kan Hij ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze

hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift vormt

een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus verkondigd

heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene buitengewone,

bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen actus transiens;

maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven had, zou Hij daarbij

geene bijzondere assistentie des H. G. hebben noodig gehad. Hij had de

inspiratie als eene buitengewone gave niet noodig, wijl Hij den Geest

ontving niet met mate, Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid

Gods lichamelijk in Hem woonde, Col. 1:19, 2:9. b) Jezus heeft ons

echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. Zoo

moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis onvervalscht

en zuiver aan de menschheid werd overgegeven. Daartoe kiest Hij de

apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon ambt en een gansch

bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. De apostelen zijn Hem bepaald door

den Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6:70,

13:18, 15:16, 19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige

taak voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks

na Jezus’ heengaan, als _getuigen_ moesten optreden, Luk. 24:48; Joh.

15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en werken

geweest; zij hadden het woord des levens met de oogen aanschouwd en met

de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden nu deze getuigenis aangaande

Jezus te brengen aan Israel en aan de geheele wereld, Mt. 28:19; Joh.

15:27, 17:20; Hd. 1:8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is

waarachtig, Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen

onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van hen bedient

Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke getuige, die

trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H. Geest. Hij is de Geest

der waarheid, en zal van Jezus getuigen, Joh. 15:26, en de apostelen

kunnen eerst als getuigen optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die

Geest wordt dan ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en

geschonken, Mt. 10:20; Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22. Vooral Joh.

14:26 leert dat duidelijk. De H. Geest ὑπομνησει ὑμας παντα ἁ εἰπον

ὑμιν. Hij zal de jongeren met hun personen en gaven, met hun herinnering

en oordeel enz. in zijn dienst nemen. Hij zal aan de openbaring materieel

niets nieuws toevoegen, wat niet reeds in Christus’ persoon, woord

en werk besloten ligt, want Hij neemt alles uit Christus en maakt de

apostelen in zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al

de waarheid, Joh. 14:26, 16:13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes

door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus, Joh. 16:14,

gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van den Vader, 17:4. c)

Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust, Joh. 20:22; Hd. 1:8; Ef.

3:5, treden de apostelen na den Pinksterdag ook openlijk als getuigen

op, Hd. 1:8, 21, 22, 2:14, 32, 3:15, 4:8, 20, 33, 5:32, 10:39, 51,

13:31. In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben,

ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen en

bekwaamd. Daaraan ontleenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen zij

zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht weder aan hun

getuigenis zijn zegel door teekenen en wonderen, en geestelijken zegen,

Mt. 10:1, 9; Mk. 16:15 v.; Hd. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v.,

10:44, 11:21, 14:3, 15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure

suo, de leiders der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over

de geloovigen in Samaria, Hd. 8:14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9:32,

11:22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15:22, 28, en genieten

eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en handelen krachtens

de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus nergens een expres bevel

gaf om ook zijne woorden en daden op te teekenen --alleen in de Openb.

is meermalen van een bevel tot schrijven sprake, 1:11, 19, enz.-- de

apostelen spreken in hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven

is een bijzondere vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen

van Christus, Luk. 1:2; Joh. 1:14, 19:35, 20:31, 21:24; 1 Joh. 1:1-4;

1 Petr. 1:12, 5:1; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3; Op. 1:3, 22:18, 19. Hun

getuigenis is getrouw en waarachtig, Joh. 19:35; 3 Joh. 12. d) Onder

de apostelen staat Paulus weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om

tegen de Judaïsten zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor.

1:10-4:21; 2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat

hij van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:14; door Jezus zelf tot

apostel is geroepen, Gal. 1:1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien,

1 Cor. 9:1, 15:8; met openbaringen en gezichten verwaardigd werd, 2

Cor. 12; Hd. 26:16; van Jezus zelf zijn Evangelie ontvangen heeft, Gal.

1:12; 1 Tim. 1:12; Ef. 3:2-8, en dus evengoed als de andere apostelen

een zelfstandig en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen,

Hd. 26:16; ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen,

1 Cor. 12:10, 28; Rom. 12:4-8, 15:18, 19; 2 Cor. 11:23 v.; Gal. 3:5;

Hebr. 2:4; en met geestelijken zegen, 1 Cor. 15:10; 2 Cor. 11:5, enz.

Hij is zich daarom bewust, dat er geen ander evangelie is dan ’t zijne,

Gal. 1:7; dat hij getrouw is, 1 Cor. 7:25; den Geest Gods heeft, 1 Cor.

7:40; dat Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3; 1 Cor. 2:10, 16; 2

Cor. 2:17, 5:23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. 2:17; 1 Thess.

2:13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden toe, 1 Cor. 2:4, 10-13;

en niet alleen als hij spreekt maar ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27;

Col. 4:16; 2 Thess. 2:15, 3:14. Evenals de andere apostelen treedt

Paulus meermalen met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9,

en geeft bindende bevelen, 1 Cor. 7:40; 1 Thess. 4:2, 11; 2 Thess.

3:6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel der

gemeente, 1 Cor. 10:15, maar niet om zijne uitspraak aan haar goed- of

afkeuring te onderwerpen, maar integendeel om door het geweten en het

oordeel der gemeente, die immers ook den Geest Gods en de zalving van

den Heilige heeft, 1 Joh. 2:20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig

maakt Paulus zich daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk,

dat hij 1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn

en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne erkentenis,

dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn. e) Deze geschriften

van de apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten,

waar ze bekend waren. Ze werden spoedig verbreid en kregen daardoor

steeds uitgebreider gezag, Hd. 15:22 v.; Col. 4:16. De Synoptische

Evangeliën toonen eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel

of gedeeltelijk aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan

Petrus bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en

stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand kwamen er

vertalingen van N. T. geschriften ter voorlezing in de gemeente, Just.

M. Apol. 1:67. In de eerste helft der tweede eeuw moeten deze reeds

hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E. 3:39. Just. M. Apol. 1:66, 67.

Een dogmatisch gebruik wordt er al van gemaakt door Athenagoras, de

resurr. c. 16, die daar zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15:33; 2

Cor. 5:10. En Theophilus, ad Autol. 3:4 haalt teksten uit Paulus aan

met de formule, διδασκει, κελευει ὁ θειος λογος. Irenaeus adv. haer.

3, 11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment van

Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e helft der 2e

eeuw de meeste geschriften van het N. T. kanonisch gezag hadden en met

de boeken des O. V. eene gelijke digniteit genoten. Over sommige boeken,

Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh. bleef er verschil bestaan, Euseb. H.

E. 3:25. Maar de bedenkingen tegen deze antilegomena werden in de 3e

eeuw steeds minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo Regius

in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena opnemen en

den kanon sluiten. Deze besluiten der kerk waren geen eigenmachtige

en autoritaire handeling, maar slechts codificatie en registratie

van het recht, dat ten aanzien van deze geschriften reeds lang in de

gemeenten had bestaan. De kanon is niet gevormd door een besluit van

concilien. Canon non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a

Deo animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij Herzog² 7,

424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn over de geschiedenis

van den N. T. kanon legt Harnack ongetwijfeld te eenzijdig nadruk op

de begrippen, Goddelijkheid, onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de

formeele vaststelling van het dogma der N. T. Schrift. Lang voordat

dit in de 2e helft der 2e eeuw geschiedde, waren de N. T. geschriften

door het gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot

algemeen erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt

Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel, Stud.

u. Krit. 1891, 1es Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. 1893,

1es Heft. f.) Welke beginselen de gemeente, zoo onder het Oude als

Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit der O. en N.

T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid niet uit te maken. De

apostolische oorsprong kan den doorslag niet hebben gegeven want ook

Markus, Lukas en Hebr. zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der

kanoniciteit haar grond in het feit, dat er geen andere geschriften

aangaande Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele andere

gewag, en volgens Irenaeus adv. haer. 1:20 was er ἀμυθητον πληθος

ἀποκρυφων και νοθων γραφων. Het beginsel der kanonvorming kan ook

niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en 3 Joh. zijn zeer

klein: evenmin in de bekendheid der schrijvers, Markus, Lukas, met de

apostelen, want brieven van Clemens en Barnabas werden niet opgenomen;

en ook niet in de originaliteit, want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze

en Colosse; Judas en 2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er

kan niets anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze

geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten plaats

had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N. T. geschriften

terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, zonder een woord van

twijfel of protest als heilige, goddelijke schriften aangenomen. De

plaats en de tijd, waar hun het eerst gezag werd toegekend, is niet aan

te wijzen. De kanoniciteit der Bijbelboeken wortelt in hun existentie.

Zij hebben gezag van zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de

Geest des Heeren, die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente

tot erkenning bracht. Harnack, D. G. I 304 f. 318 f. Wildeboer, Het

ontstaan v. d. Kanon des O. V. 107 v. Reuss, Gesch. des N. T. § 298 f.

Herzog² art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of holy Scripture, 3e ed.

Dublin 1864 p. 43.

12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift over

zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve houdt en

uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord Gods of woord

des Heeren heeft in de Schrift verschillende beteekenissen. Dikwerf

wordt er door aangeduid de kracht Gods, waardoor Hij alle dingen schept

en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps. 33:6, 147:17, 18, 148:18; Rom. 4:17;

Hebr. 1:3, 11:3. Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd,

waardoor God iets bekend maakt aan de profeten. In het O. T. komt de

uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens heet

het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het N. T. vinden we het

in dezen zin alleen, Joh. 10:35; het woord geschiedt nu niet meer en

komt niet eene enkele maal van boven en van buiten tot de profeten,

het is geschied in Christus en blijft. Verder beteekent woord Gods den

inhoud der openbaring; dan is er sprake van woord of woorden Gods,

naast rechten, wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven

zijn, Ex. 9:20, 21; Richt. 3:20; Ps. 33:4, 119:9, 16, 17 enz. Jes. 40:8;

Rom. 3:2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie, dat door God in

Christus is geopenbaard en door de apostelen verkondigd werd, Luk. 5:1;

Joh. 3:34, 5:24, 6:63, 17:8, 14, 17; Hd. 8:25, 13:7; 1 Thess. 2:13 enz.

Niet onwaarschijnlijk is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de

Schrift eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus

een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119:11, 105. Schultz,

Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N. T. laat zich zulk eene plaats

niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord Gods niet gelijk de Schrift.

Maar toch ziet het N. T. feitelijk in de boeken des O. V. niets anders

dan het woord Gods. God, of de H. Geest is de auctor primarius, die

door, δια c. gen., de profeten sprak in de Schrift, Hd. 1:16, 28:25.

De Schrift heet dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De

formeele en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift

ten nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods gebezigd

voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen zin, revelator

en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle woorden Gods, in

natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, onder O. en N.

T. hebben in Hem hun grond, hun eenheid en middelpunt. Hij is de zon,

de andere woorden Gods zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur,

onder Israel, in het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem

worden losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij de

Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen zin van alle

wetenschap, in bijzonderen zin, als Λογος ἐνσαρκος, van alle kennisse

Gods, van religie en theologie, Mt. 11:27.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 21 / 28 题