D. De bijzondere openbaring en het Naturalisme

9. De principieele bestrijding van de openbaring nam eerst een aanvang

in de nieuwere philosophie. Spinoza behoudt het woord openbaring nog

wel en acht ze zelfs noodzakelijk, Tract. theol.-polit. cap. 15, 27,

maar hij verstaat daaronder niets anders, dan dat de eenvoudigen de

ware religie, het woord Gods, niet door het licht der rede kunnen

vinden, maar op gezag moeten aannemen, ib. cap. 15, 44. cap. 4, 22-37.

Overigens erkent Spinoza geen openbaring in eigenlijken zin; alle

decreta Dei zijn aeternae veritates en met de leges naturae identisch,

ib. cap. 4, 37; 3, 8; 6, 9, etc.; profetie en wonder werden aan eene

scherpe kritiek onderworpen en op natuurlijke wijze verklaard, ib. cap.

1-6. Deze kritiek werd door het deïsme en rationalisme voortgezet.

Maar het rationalisme kan in verschillende vormen optreden en

wisselt telkens van beteekenis, cf. Kant, Religion innerhalb usw.

ed. Rosenkranz S. 185. Wegscheider, Instit. Theol. § 7 d. § 11-12.

Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, § 34.

Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 141 f. In de eerste plaats wordt met

rationalisme die richting aangeduid, welke wel eene bovennatuurlijke

openbaring aanneemt, maar de beslissing over de echtheid en den

zin dier openbaring opdraagt aan de rede; daartoe behoorden vele

Cartesiaansche theologen, zooals Roell, Wolzogen, G. W. Duker, en

ook Leibniz, Wolff e. a. Vervolgens is rationalisme de naam voor die

meening, welke nog wel een bovennatuurlijke openbaring mogelijk acht,

maar alleen van zulke waarheden, welke de rede vroeger of later toch

ook zou hebben kunnen vinden. De openbaring is dan slechts tijdelijk en

toevallig van noode; ze dient slechts als voorbereiding en opvoeding

voor de algemeene heerschappij der Vernunftreligion; ze geeft slechts

spoediger en gemakkelijker, wat de rede anders bij langer en moeilijker

weg zou hebben bereikt. Zoodanig is het begrip der openbaring bij

Lessing, Erziehung des Menschengeschlechts 1780, Fichte, Versuch

einer Kritik aller Offenbarung 1792, en Kant, Religion usw. 1793. In

de derde plaats staat als rationalisme die theologie bekend, welke

alle bovennatuurlijke openbaring ontkent, maar toch wel aanneemt dat

God door bijzondere schikkingen zijner Voorzienigheid personen heeft

toegerust en wegen heeft gebaand, die de menschheid brengen kunnen tot

eene betere en zuiverder kennis der religieuse waarheid. Van dezen is

Wegscheider de voornaamste representant, Instit. theol. I § 12 p. 58,

en voorts Röhr, Henke, Gabler, Paulus, Gesenius, enz. En eindelijk wordt

de naam van rationalisme nog gegeven aan die richting, welke sedert

het midden der 17e eeuw naturalisme, in Engeland deisme heette en ook

atheisme, materialisme werd genoemd, en die alle openbaring ontkennend,

de religio naturalis voor volkomen voldoende hield. Daartoe behooren

Spinoza, Lud. Meyer, Voltaire, Rousseau, Reimarus, Nicolai, enz.

De argumenten, door dit rationalisme tegen de openbaring ingebracht,

komen hierop neer: Openbaring is allereerst onmogelijk van de zijde Gods,

want zij zou meebrengen, dat God veranderlijk was, dat zijne schepping

onvolmaakt en gebrekkig was en daarom verbetering behoefde; en dat Hij

zelf, anders een Deus otiosus, dan alleen werkte, wanneer Hij werkt

op buitengewone wijze. Voorts is openbaring ook onmogelijk van de zijde

der wereld, wijl de wetenschap hoe langer hoe meer tot de ontdekking

is gekomen, dat deze altijd en overal door een onverbrekelijk systeem

van wetten wordt beheerscht, hetwelk voor een bovennatuurlijk ingrijpen

Gods geen ruimte laat; de wetenschap gaat van dit causaal verband

der dingen uit en kan ook niet anders; het supranaturalisme maakt de

wetenschap onmogelijk, stelt willekeur in plaats van regel; naarmate

de wetenschap dan ook is voortgeschreden, hebben alle verschijnselen

hun supranatureel karakter verloren; er bestaat zelfs geen recht, om

tegen alle ervaring in een verschijnsel voor supranatureel te houden; le

surnaturel serait le surdivin. Vervolgens is openbaring, ook al ware

zij geschied, toch voor den ontvanger zelven en nog meer voor degenen,

die na hem leven, onherkenbaar en onbewijsbaar: hoe is het ooit uit te

maken dat eene profetie of een wonder van God, en niet b.v. van den

duivel, herkomstig is? Waaraan is eene openbaring kenbaar voor hem, die

ze ontvangt en voor hen, die later leven? Zulke criteria zijn er niet

aan te geven. Zij, die eene openbaring aannemen, gelooven dus alleen op

menschelijk gezag, en hangen in de hoogste en gewichtigste zaken van

menschen af. Que d’hommes entre Dieu et moi! En eindelijk, openbaring

strijdt met de menschelijke rede; want wat men ook zeggen moge, alle

openbaring, die supra rationem is, is daardoor ook contra rationem, zij

onderdrukt dus de rede en leidt tot dweeperij; maar bovendien, indien de

openbaring iets meedeelt dat supra rationem is, dan kan ze ook nooit

worden opgenomen en geassimileerd en blijft ze steeds als een onbegrepen

mysterie buiten ons bewustzijn staan; en indien ze iets meedeelt, wat

de rede zelve had kunnen vinden, dan is ze onnoodig, geeft hoogstens

slechts eerder en lichter wat anders toch verkregen zou zijn, en berooft

de rede onnoodig van haar kracht en energie. Cf. Wegscheider, Instit.

theol. § 10-12. Bretschneider, Handbuch der Dogm. 4e Aufl. I 188-329.

Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 141 f. 165.

10. De openbaring, welke in de H. Schrift is neergelegd, is een lastig

feit voor elk die haar ontkent. Want ook wie hare mogelijkheid en

werkelijkheid bestrijdt, moet toch streven naar eene verklaring van haar

historisch ontstaan. Uit bedrog is zij niet voortgekomen, evenmin als

de religie. Het geloof aan openbaring is niet iets willekeurigs of

toevalligs, dat slechts onder bijzondere omstandigheden hier of daar

voorkomt, maar is wezenlijk eigen aan alle religie. Zoo eenvoudig,

als het rationalisme het zich soms voorstelde, is de kwestie van de

openbaring niet. Dit blijkt al dadelijk daaruit, dat alle pogingen, van

naturalistische zijde aangewend, om de bijbelsche wonderverhalen op

natuurlijke wijze te verklaren, tot dusver schipbreuk hebben geleden.

Als de openbaring, in al hare vormen, van theophanie, profetie en

wonder, niet werkelijk bovennatuurlijk is maar slechts in dien zin van

God herkomstig is, als alle werkzaamheid des menschen in Hem haar

laatste oorzaak heeft; dan is men genoodzaakt, om of tot de zoogenaamde

materieele of tot de formeele interpretatie der wonderverhalen de

toevlucht te nemen. Dat is, men kan eenerzijds de feiten tot op

zekere hoogte onaangetast laten en voor waarheid aannemen; men zoekt

deze feiten dan te verklaren uit de onkunde des volks aangaande de

natuurlijke oorzaken en uit de religieuse behoefte om alles direct

aan God toe te schrijven, Spinoza, Tract. theol. pol. cap. 1 en 6.

Hase, Dogm. § 19. Leben Jesu § 15. Strauss, Glaub. I 280. Scholten,

Supranat. in verband met Bijbel, Christ. en Prot. 1867, bl. 8 v.; of

men verklaart ze physisch uit onbekende natuurkrachten, Kant, Religion

ed. Rosenkranz 101. Morus, Epitome Theol. Christ. p. 23. Schweizer,

Glaub. der ev. ref. K. I 324 f.; of psychologisch uit eene bijzondere

virtuositeit, om het toekomstige vooruit te gevoelen, Bretschneider,

Dogm. I S. 300. Hase, Dogm. § 137, en om kranken zonder middelen te

genezen, Weisse, Philos. Dogm. I S. 115. Ammon, Gesch. des Lebens Jesu

248; of teleologisch uit zoodanige schikking en ordening der in de

natuur liggende, physische en psychische, krachten, dat zij een ongewoon

resultaat teweegbrengen en tot erkenning van Gods voorzienigheid en

tot geloof aan den prediker aansporen, Wegscheider, Inst. Theol. § 48.

Bretschneider, Dogm. I 314. Of men kan andererzijds oplossing zoeken in

de formeele of genetische verklaring, d. i. in eene bijzondere opvatting

van de berichten aangaande de openbaring; men roept dan te hulp de

Oostersche voorstelling en inkleeding, en de accommodatie van Jezus

en de apostelen naar de volksvoorstellingen, cf. Bretschneider, Syst.

Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe, 4e Aufl. S. 135 f. Herzog²

art. Accomodation; of men zoekt raad bij de allegorische, Woolston,

Discourses on the miracles of our Saviour 1727; of bij de natuurlijke,

Paulus van Heidelberg, Philol.-krit. u. histor. Commentar über das N.

T. 1800-1804. Leben Jesu 1828. Exeg. Handbuch über die 3 ersten Evang.

1830-33; of bij de mythische, Eichhorn, Gabler, G. L. Bauer, Strauss,

Leben Jesu 1835; of bij de symbolische verklaring, A. D. Loman, Gids

Febr. 1884. Cf. Wegscheider, Instit. Theol. S. 214. Bretschneider,

System. Entw. S. 248 f. Denzinger, Vier Bücher von der relig.

Erkenntniss II 156 f. 335 f. 405 f.

Maar al deze verklaringen hebben weinig succes gehad. De Schrift

is nu eenmaal niet naturalistisch of rationalistisch te duiden. De

openbaringsfeiten zelve, welke de Schrift ons meedeelt, staan aan al

dergelijke pogingen in den weg. Want wel is waar, dat de openbaring

in de Schrift, in vorm velerlei overeenkomst heeft, met die, waarop

andere godsdiensten zich beroepen; toch staat zij er in beginsel

tegenover, zij maakt tusschen deze en zichzelve een beslist onderscheid;

zij schrijft welbewust en volkomen verzekerd haar oorsprong alleen

toe aan eene buitengewone werking Gods. De Schrift verbiedt alle

waarzeggerij en tooverij, Num. 19:16, 31, 20:6, 27; Deut. 18:10 v.;

Jes. 8:9; Jer. 27:9; Hd. 8:9 v., 13:8 v., 19:13; Apoc. 21:8, 22:15.

Profeten en apostelen willen daarmede niets te maken hebben. Zij staan

er lijnrecht tegenover en volgen geen kunstig verdichte fabelen, 2 Petr.

1:16. De profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens

menschen, maar de H. Geest heeft de profeten gedreven, 2 Petr. 1:21; 1

Cor. 2:11, 12. Het wonder is een σημειον van de tegenwoordigheid Gods.

De klare zelfbewustheid, die wij allerwege bij de profeten aantreffen,

en de volkomen heldere zelfgetuigenis, die de openbaring overal in

de Schrift vergezelt, bieden een onoverkomelijk struikelblok voor de

naturalistische verklaring. Ook de psychologische methode Strauss,

Glaub. I 77. Kuenen, De profeten I 106 v., kan aan deze zelfbewustheid

en zelfgetuigenis van profeten en apostelen, ja van Christus zelven,

geen recht laten wedervaren. Dankbaar mag erkend worden, dat de moderne

opvatting van de openbaring er geen oogenblik meer aan denkt, om de

profeten en apostelen voor opzettelijke bedriegers te houden. Maar

zij kan toch niet ontkomen aan de conclusie, dat al deze mannen arme

bedrogenen en ter goeder trouw dwalenden waren, wijl zij zich beriepen

op eene vermeende openbaring en optraden met eene ingebeelde goddelijke

autoriteit. De kwestie staat immers niet zoo, alsof de openbaring

alleen zekere feiten bevat, wier interpretatie zij aan ons inzicht

overlaat. Maar zij werpt zelve op die feiten een eigenaardig licht; zij

heeft, om zoo te zeggen, over die feiten eene eigene beschouwing en

eene eigene theorie. In de openbaring der Schrift gaan woord en feit,

profetie en wonder altijd hand aan hand. Beide zijn noodig, opdat zoowel

het bewustzijn als het zijn worde herschapen en heel de kosmos van de

zonde worde verlost. The light needs the reality and the reality needs

the light, to produce -- -- -- the beautiful creation of His grace. To

apply the kantian phraseology to a higher subject, without God’s acts

the words would be empty, without His words the acts would be blind,

Dr. Vos, The idea of biblical theology as a science and as a theol.

discipline, New-York, Randolph and Co. 1894 p. 15. Zie ook Kuyper, Uit

het Woord I 1873 bl. 69-160. Beide, woord en feit, zijn in de openbaring

zoo innig saamgeweven, dat het eene niet aangenomen of verworpen

kan worden zonder het ander. Elke poging, om de openbaringsfeiten

naturalistisch te verklaren, is tot dusver dan ook altijd geëindigd met

de erkenning, dat er tusschen de supranatureele wereldbeschouwing der

Schrift en die der naturalisten eene diepe klove gaapt en verzoening

onmogelijk is. De Hoogleeraar Scholten leverde hiervan een treffend

voorbeeld. Eerst nam hij de uitspraken van den johanneïschen Jezus

nog als waarheid aan. Toen trachtte hij die uitspraken te verklaren

naar zijne gewijzigde inzichten, en de exegese dienstbaar te maken

aan zijne heterodoxe dogmatiek. En eindelijk in 1864 erkende hij open,

dat de wereldbeschouwing van den vierden evangelist eene andere

dan de zijne was. Het Evangelie naar Johannes 1864 bl. III-VI. Elke

negatieve richting erkent ten slotte, dat de openbaring der Schrift

in de orthodoxie nog het zuiverst opgevat en weergegeven wordt. Het

radikalisme laat de Schrift voor wat ze is en heeft met de openbaring

afgedaan. Daarmede is de vraag tot haar diepste beginsel herleid. De

al of niet erkenning van de openbaring wordt beslist door onze geheele

levens- en wereldbeschouwing. Niet de historische kritiek maar de

zelfkritiek, niet de wetenschap maar het geloof, niet het hoofd maar

het hart geeft hierbij den doorslag. Uit het hart komt ook voort het

onverstand, Mk. 2:22. Ons denken wortelt in ons zijn. Operari sequitur

esse (Schopenhauer). Was für eine Philosophie man wähle, hängt davon

ab, was für ein Mensch man ist. Unser Denksystem ist oft nur die

Geschichte unseres Herzens (Fichte). Dat de al of niet erkenning van

de openbaring ter laatster instantie eene vraag is des geloofs, wordt

voldoende daardoor bewezen, dat geen van beide, noch de supranatureele

noch de naturalistische opvatting in staat is, om alle moeilijkheden uit

den weg te ruimen of alle bezwaren op te lossen. De naturalistische

beschouwing schijnt sterk te zijn, als ze enkele wonderverhalen op

zich zelf neemt en isoleert van het geheel; maar dat geheel zelf,

het systeem der openbaring en daarin weder de persoon van Christus

blijven voor haar een onoplosbaar raadsel en een steen des aanstoots.

Omgekeerd is het der supranatureele beschouwing nog niet gelukt, om

alle bijzondere feiten en woorden der openbaring in te voegen in de

orde van het geheel. Maar hier is toch de overeenstemming met de

openbaring in haar geheel, het inzicht in haar systeem, de conceptie

van hare machtige harmonie. Ware nu de erkenning van de openbaring eene

wijsgeerige stelling, zij zou betrekkelijk van weinig gewicht zijn. Maar er

is een diep religieus belang mede gemoeid. De religie zelve hangt met

de openbaring saam. Wie deze prijsgeeft, verliest ook de religie, die op

haar is gebouwd. De openbaring der Schrift en de religie der Schrift

staan en vallen met elkaar.

11. De wereldbeschouwing, welke tegenover die der Schrift staat

en principieel alle openbaring bestrijden moet, kan het best met

den naam van monisme worden aangeduid. Het monisme, zoowel in zijn

pantheistischen als in zijn materialistischen vorm, streeft er naar, om

alle krachten, stoffen en wetten, die er in de natuur zijn op te merken,

tot ééne enkele kracht, stof en wet te herleiden. Het materialisme

neemt alleen qualitatief gelijke atomen aan, die overal en altijd naar

dezelfde mechanische wetten werken en door verbinding en scheiding

alle dingen en verschijnselen doen worden en vergaan. Het pantheisme

erkent evenzoo niets dan ééne enkele substantie, die in alle schepselen

dezelfde is en overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en

vervormt. Beide worden bezield door eenzelfden drang, door den drang

en de zucht naar eenheid, die eigen is aan den menschelijken geest.

Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke in

de physische wereld heerscht, zoekt terug te vinden in alle andere,

historische, psychische, religieuse, ethische, enz. verschijnselen

en alzoo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap;

beproeft het pantheisme, om alle verschijnselen, ook de physische,

uit den geest te verklaren en alle wetenschappen om te zetten in

geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoover zij misschien nog

voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet voor het bovennatuurlijke

eene plaats inruimen, en voor wetenschap en kunst, voor religie en

moraal aan dezen kosmos, aan het diesseits genoeg hebben, Strauss, Der

alte u. der neue Glaube, 2e Aufl. I 211 f. E. Haeckel, Der Monismus als

Band zwischen Religion und Wissenschaft, 6e Aufl. Bonn 1893. Konrad

Dieterich, Philosophie u. Naturwissenschaft, ihr neuestes Bündniss

und die monistische Weltanschauung, 2tes Ausg. Freiburg 1885. Dr.

M. L. Stern, Philosophischer und naturwissenschaftlicher Monismus.

T. Pesch, Die grossen Welträthsel, 2e Aufl. Herder, Freiburg II 8 f.

Stöckl, Lehrbuch der Philos. II 1887 S. 117 f. Schanz, Apologie des

Christ. I 1887 S. 249 f. De wereldbeschouwing der Schrift en van heel

de christelijke theologie is eene gansch andere. Zij is niet monisme

maar theisme, niet naturalistisch maar supranatureel. Volgens deze

theistische wereldbeschouwing is er eene veelheid van substanties,

van krachten en stoffen en wetten. Zij tracht er niet naar, om de

onderscheidingen van God en wereld, geest en stof, psychische en

physische, ethische en religieuse enz. verschijnselen uittewisschen,

maar om de harmonie te ontdekken, die alle dingen saam houdt en

verbindt, en die uitvloeisel is van de scheppende gedachte Gods. Niet

eenerleiheid of eenvormigheid, maar eenheid in de verscheidenheid is

het doel van haar streven. In weerwil van alle pretensies van het

monisme heeft deze theistische wereldbeschouwing recht en reden van

bestaan. Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten

en stoffen en wetten tot ééne enkele te herleiden. Het materialisme

stuit op de psychische verschijnselen (Du Bois Reymond, Die sieben

Welträthsel), en het pantheisme kan den overgang niet vinden van het

denken tot het zijn en weet met de veelheid geen raad. Het zijn zelf is

een mysterie, een wonder. Dat er iets is, en vanwaar het is, dwingt den

denkenden geest verwondering af, en deze is daarom terecht de aanvang

der philosophie genoemd. En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des te

meer neemt de verwondering toe, want binnen den kring van het zijn, van

den kosmos zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische,

vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de religieuse

en ethische, aesthetische en logische verschijnselen. De schepping

toont ons eene opklimmende orde. De wetten van de onderhouding der

kracht, van de causaliteit en van de continuiteit (natura non facit

saltus) worden wel ten dienste van het monisme geïnterpreteerd en

misbruikt. Maar desniettemin treden er telkens in de natuur krachten

op, die uit de lagere niet zijn te verklaren. Reeds in de mechanische

natuur heerscht de causaliteit slechts in hypothetischen zin.

Gelijke oorzaken hebben gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke

omstandigheden. In het organische treedt eene kracht op, die niet uit

het anorganische herkomstig is. Schon das Thier ist ein Wunder gegen

die vegetabilische Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen

die bloss empfindende Natur, Hegel, Philos. der Rel., Werke XII 256.

In het verstand, in den wil, in religie, moraal, kunst, wetenschap,

recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die van de mechanische

wezenlijk verschillen. De poging, om al deze verschijnselen mechanisch

te verklaren, is tot dusver ijdel gebleken. De geestelijke wetenschappen

hebben tot nog toe hare zelfstandige plaats behouden. Dilthey,

Einleitung in die Geisteswissenschaften I 1883 S. 5 f. Drummond, Das

Naturgesetz in der Geisteswelt, Aus dem Engl. Leipzig 1886 S. 18 f.

Schoon ongaarne, moet Prof. Land, Inleiding tot de Wijsb. 328 toch

erkennen, dat de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en

zelfs pluralistisch te blijven.

Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar eigen wet

en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en daarom ook hare

werkingen en de wijze, waarop zij werken. De idee van natuurwet is eerst

langzamerhand opgekomen. Vroeger verstond men onder lex naturae een

ethischen regel, die van nature bekend was. Later is deze term in

zeer oneigenlijken zin op de natuur overgedragen, want niemand heeft

die wetten aan de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte om

ze te gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en

beteekenis der natuurwetten nog altijd groot verschil heerscht. Im 17ten

Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18ten thut es die Natur

selbst, und im 19ten besorgen es die einzelnen Naturforscher (Wundt).

Maar zooveel staat vast, dat de zoogenaamde natuurwetten zelve geene

kracht zijn, die heerschappij voert over de verschijnselen, maar niets

dan eene, dikwerf zeer gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de

wijze, waarop de in de natuur liggende krachten werken. Eene natuurwet

zegt alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op

dezelfde wijze werken, Ed. Zeller, Vorträge, IIIe Sammlung S. 194 f.

Wundt, Philos. Studien III 195 f. IV 12 f. Hellwald, Culturgeschichte,

3e Aufl. I 32. Hartmann, Philos. des Unbewussten, 9e Aufl. II

96. Lotze, Mikrokosmos, 4e Aufl. I 31 f. II 50 f. III 13 f. Art.

Naturgesetz in Herzog². De regelmatigheid der verschijnselen berust

dus ten slotte op de onveranderlijkheid van de verschillende krachten,

die in de natuur werken en van de laatste elementen of substanties,

waaruit zij samengesteld is. De wetten verschillen, naarmate die

elementen en krachten onderscheiden zijn. De mechanische wetten zijn

andere dan de physische; de logische wederom andere dan de ethische en

aesthetische. In physischen zin maakt geven armer, in ethischen zin

maakt het rijker. De wetten der natuur, d. i. van den ganschen kosmos,

van alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zoodat er

niets indringen of uitkomen kan, maar slechts eene formule voor de

wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt naar haar aard.

Al deze elementen en krachten met de hun inwonende wetten worden

naar de theistische wereldbeschouwing van oogenblik tot oogenblik

in stand gehouden door God, die de laatste en hoogste, intelligente

en vrije causaliteit van alle dingen is. Zij hebben als creatuur geen

bestand in zichzelve. Het is Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht,

die alles onderhoudt en regeert. In Hem, in zijne gedachte en in zijn

bestuur, ligt de eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste

verscheidenheid saamhoudt en verbindt en ze henenleidt tot één doel.

Daardoor is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species

in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse

amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus ordinavit,

August. de civ. 12, 2. God is in alles present. In Hem leven en bewegen

zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis zijn zijn werk. Hij werkt

altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons God. Zijn vinger moge in de eene

gebeurtenis voor ons duidelijker zijn op te merken dan in de andere; de

reine van hart ziet God in al zijne werken. Wonderen zijn dus volstrekt

niet noodig, om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van

het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil. Hij is

met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom is alles ook eene

openbaring, een woord, een werk Gods.

12. Met zulk eene wereldbeschouwing is eene bovennatuurlijke openbaring

volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch geen enkel

oogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt zich in hem. Alle

kracht, die erin optreedt, is van Hem afkomstig en werkt naar de wet,

die Hij erin gelegd heeft. God staat niet buiten de natuur en is niet

door eene omheining van wetten van haar afgesloten, maar is in haar

tegenwoordig en draagt haar door het woord zijner kracht. Hij werkt van

binnen uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande

in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hoogere krachten doen

de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en tegenover haar eene

eigene plaats in. De menschelijke geest tracht ieder oogenblik de

lagere natuurkrachten in haar werking tegen te gaan en over haar te

heerschen. Heel de cultuur is eene macht, waardoor de mensch heerscht

over de natuur. Kunst en wetenschap zijn een triumf van den geest over

de stof. Evenzoo treedt er in de openbaring, in profetie en wonder,

eene nieuwe goddelijke kracht op, die wel in den kosmos eene eigene

plaats inneemt maar met de lagere krachten in hare wetten volstrekt

niet strijdt. Van eene zoogenaamde opheffing der natuurwetten door de

wonderen is geen sprake. Eene Durchlöcherung der natuur is er niet.

Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra cursum naturae, non

tollitur totus ordo universi, sed cursus qui est unius rei ad aliam,

de pot. qu. 6 art. 1, bij Müller, Natur und Wunder 133. Ja zelfs de

ordo causae ad suum effectum wordt niet te niet gedaan; ofschoon het

vuur in den oven de drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef

toch de ordo ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering

aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in de wetten,

waarnaar zij werken. Het eenige, wat er in het wonder geschiedt, is,

dat de werking der in de natuur aanwezige krachten op een bepaald

punt wordt geschorst, doordat er eene andere kracht intreedt, die

werkt naar eene eigene wet en eene eigene werking voortbrengt. De

wetenschap heeft daarom van het supranatureele niets te vreezen.

Maar iedere wetenschap blijve op haar terrein en matige zich niet het

recht aan, om aan de andere de wet te stellen. Het is het recht en

de plicht der natuurwetenschap, om binnen haar gebied te zoeken naar

de natuurlijke oorzaken der verschijnselen. Maar zij heersche niet over

de philosophie, als deze onderzoek doet naar den oorsprong en de

bestemming der dingen. Zij erkenne ook het recht en de zelfstandigheid

van religie en theologie, en ondermijne den grondslag niet, waarop deze

rusten. Want hier komen religieuse motieven voor het geloof aan eene

openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap als zoodanig

niet oordeelen kan. Ook bij de verschillende wetenschappen ligt het doel

niet in de eenerleiheid maar in de harmonie. De theologie eere de

natuurwetenschap, maar make zelve op gelijke behandeling aanspraak. Elke

wetenschap blijve op haar eigen terrein. De uitwissching der grenzen

heeft reeds al te veel verwarring gesticht. Daaruit is ook de bewering

van Hume, Voltaire, Renan voortgekomen, dat er nog nooit een wonder

voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring niet door

enkele getuigenissen omvergestooten kan worden. Renan, Vie de Jésus, p.

LI zegt: nous ne disons pas, le miracle est impossible, nous disons, il

n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle constaté, en weigert aan een wonder

te gelooven, zoolang niet eene commissie van allerlei wetenschappelijke

mannen, physiologen, chemici enz. een zoodanig feit hebbe onderzocht en

na herhaalde proefneming als een wonder hebbe geconstateerd. Bij zulk

eene voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen

der Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment noch aan Renan

noch aan iemand onzer geschonken. De wonderen behooren nu eenmaal tot

de historie; en in de historie geldt eene andere methode dan in de

natuurkunde. Hier is het experiment op zijne plaats. Maar in de historie

moeten wij het met getuigenissen doen. Indien echter op historisch

gebied de methode van het experiment moet ingevoerd en toegepast

worden, is er geen enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het

met alle historie gedaan. Daarom blijve iedere wetenschap op haar eigen

terrein en onderzoeke daar naar haar eigen aard. Met het oor kan men

niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment kan men de

openbaring niet beproeven, Vigouroux, Les livres saints et la critique

rationaliste, 3e ed. 1890 I 73. II 294.

Voorts wordt de natuur, de kosmos, nog veel te veel opgevat als

eene machine, die kant en klaar is en nu door ééne kracht wordt

gedreven en altijd naar ééne wet zich beweegt. Het deïsme had deze

onbeholpen voorstelling, maar nog altijd wordt ze onbewust door velen

gedeeld en doet ze bij de bestrijding der openbaring dienst. Maar de

natuur, de kosmos, is geen stuk werk, dat klaar is en nu zekere

zelfstandigheid bezit; maar zij is φυσις, natura in eigenlijken zin,

zij wordt altijd, zij bevindt zich in eene voortdurende teleologische

ontwikkeling, zij wordt in opeenvolgende perioden eene goddelijke

bestemming te gemoet gevoerd. In zulk eene conceptie van de natuur

zijn wederom de wonderen volkomen op haar plaats. Hellwald zegt op de

laatste bladzijde zijner Kulturgeschichte, dat alle leven op aarde

eens ondergaan zal in de eeuwige rust van den dood en eindigt dan

met de troostlooze woorden: Dann wird die Erde, ihrer Atmosphäre und

Lebewelt beraubt, in mondgleicher Verödung um die Sonne kreisen, wie

zuvor, das _Menschengeschlecht_ aber, seine Kultur, sein Ringen und

Streben, seine Schöpfungen und Ideale sind _gewesen_. Wozu? Natuurlijk

zou in een stelsel, dat met zulk eene onbeantwoorde vraag eindigt,

openbaring en wonder niets zijn dan eene absurditeit. Maar de Schrift

leert ons, dat de openbaring daartoe dient, om de schepping, die

verdorven wierd door de zonde, te herscheppen tot een koninkrijk Gods.

Hier neemt de openbaring eene volkomen geëvenredigde en teleologische

plaats in in het wereldplan, dat God zich gevormd heeft en dat Hij in

den loop der tijden realiseert. In dien zin zeide reeds Augustinus,

portentum fit non contra naturam sed contra quam est nota natura,

de civ. 21,8. c. Faustum 29,2. 26,3. De uitdrukking is menigmaal in

verkeerden zin geïnterpreteerd ten behoeve van eene theologie, die

de wonderen trachtte te begrijpen als werking van eene kracht, die

van nature in den mensch of in de natuur aanwezig is of ook door de

wedergeboorte of het geloof in hem hersteld wordt. Deze eigenaardige

opvatting komt reeds bij Philo en het Neoplatonisme voor, heeft dan

telkens bij verschillende christelijke theologen weerklank gevonden, bij

Scotus Erigena, Paracelsus, Cornelius Agrippa, Böhme, Oetinger, cf.

Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. II. 182 f. 361 f. en wordt

nu en dan ook in de Vermittelungstheologie aangetroffen, Twesten,

Vorles. I. 370 f. II. 171 f. Martensen, Dogm. § 16 f. Schleiermacher,

Glaub. § 13,1 § 129. Sack, Apologetik S. 137 f. Lange, Philos. Dogm.

§ 64. Saussaye, mijne Theol. van Ch. d. l. S. 36 v. Gunning, Blikken

in de openbaring II 37 v. Openbaring, inspiratie en wonder behoort

dan tot den oorspronkelijken aanleg van de menschelijke natuur. Wel is

die aanleg door de zonde verzwakt, maar hij komt toch nog voor den dag

in de poëtische en heroische inspiratie, in het magnetisme en andere

verwante verschijnselen. Langs ethischen weg, door vereeniging met

God, door ascetische reiniging, door wedergeboorte enz. kan echter

deze aanleg vernieuwd en versterkt worden. Alle geloovigen zijn dus

eigenlijk geïnspireerd en kunnen wonderen doen. Si humana natura

non peccaret eique, qui eam condiderat, immutabiliter adhaereret,

profecto omnipotens esset, Erigena, de div. nat. 4,9. Wonderen zijn

volgens Zimmer, Ueber den allgem. Verfall des menschl. Geschlechts

III n. 90 f., Zeichen des über die Herrschaft der Natur erhobenen

Menschen, in welchem die Herrlichkeit des ersten Menschenpaares vor

seiner Sünde dargestellt wird. Als de ziel in liefde op God is gericht,

zegt Böhme, so mag sie Wunder machen, was sie will. In verwanten

zin liet C. Bonnet, Recherches philosophiques sur les preuves du

christianisme, Geneve 1771, profetie en wonder van te voren in de

natuur gepraeformeerd zijn en door werking der gewone natuurkrachten

tot stand komen. Sommige theologen in de vorige eeuw spraken daarom

van rationes seminales, primordiales en radicales der wonderen. Maar

deze poging tot verklaring der wonderen kan niet worden geaccepteerd.

Zij verwart het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het supranatureele

met het religieus-ethische en wischt de grenzen uit tusschen profetie

en mantiek, wonder en magie, inspiratie en illuminatie. Zoo mag ook de

bovengenoemde uitdrukking van Augustinus niet worden verklaard. Onder

de natura nota verstaat hij de natuur in onzen zin. En met het oog

hierop zegt hij zelfs, dat het wonder is contra naturam, evenals Thomas

en Voetius dat later deden (boven bl. 275). Maar datzelfde wonder is

nu van den beginne af door God opgenomen in de natuur in ruimer zin,

d. i. in de door God bepaalde bestemming der dingen, in het goddelijk

wereldplan, F. Nitzsch, Augustinus’ Lehre vom Wunder, Berlin 1865.

Dezelfde gedachte werd later ook door Leibniz uitgesproken, Theodicée

§ 54. 207. God heeft van den beginne aan de wonderen in zijn wereldplan

opgenomen en brengt ze te zijner tijd tot stand; de wonderen zijn niet

te verklaren par les natures des choses créées, maar des raisons d’un

ordre supérieur à celui de la nature le portent à les faire. Volgens

Leibniz liggen de wonderen dus niet keimartig, potentieel in de

natuurkrachten opgesloten, gelijk Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 146

Leibniz verklaart, maar zijn constitueerende elementen in het wereldplan

Gods. In zoover behooren de wonderen zeer zeker tot de natuur. Zij

komen niet van buiten af in den bestaanden kosmos in, om dezen te

verstoren, maar zij zijn in de wereldidee zelve opgenomen en dienen tot

herstel en volmaking van de gevallen natuur. Ja, ook zonder de zonde

zou er voor profetie en wonder in de wereld plaats zijn geweest. Het

bovennatuurlijke is niet eerst door den val noodzakelijk geworden. Niet

de openbaring en het wonder op zichzelf, alleen het soteriologisch

karakter, dat beide thans dragen, is door de zonde veroorzaakt. In

zoover is zelfs het wonder geen vreemd element, dat aan de gevallen

schepping toegevoegd wordt. Openbaring en religie, profetie en wonder

zijn op zichzelf geen dona superaddita. Zij zijn volkomen natuurlijk, in

zoover als zij behooren tot de wereldidee Gods en tot het wereldplan,

dat Hij in weerwil van allen tegenstand in den tijd tot uitvoering brengt.

Desniettemin vormt de openbaring eene orde van zaken, die van de gewone

ordo naturae onderscheiden is; een systeem van woorden en daden Gods,

dat zelf door één beginsel wordt beheerscht en als een organisch geheel

ons voor oogen treedt. De openbaring is geen einzelner Akt Gottes in

der Zeit, geïsoleerd van heel de natuur, Strauss, Glaub. I 274, maar

is eene wereld op zich zelve, van de natuur onderscheiden en toch op

haar aangelegd, met haar verwant, voor haar bestemd. In dit systeem der

openbaring, dat bij het paradijs begint en eerst in de parusie eindigt,

is nog veel duister en onverklaard. Er kunnen hoofdlijnen getrokken

worden. Beide in de historie der profetieën en der wonderen is er orde

en gang te ontdekken. Ook de openbaring heeft hare eigene wetten en

regelen. Het is de schoone taak der historia revelationis, om deze

op te sporen, en het systeem te ontdekken, dat in haar geschiedenis

verborgen ligt. Maar er zijn nog vele feiten, die in hunne eigenlijke

beteekenis voor en samenhang met het geheel nog niet worden doorzien;

nog vele woorden en daden, die onder geen regel te brengen zijn. Dit

verwondere niet en mag allerminst als een grond voor het ongeloof

worden geëxploiteerd. De philosophie der natuur en der geschiedenis is

ook nog lang niet met haar arbeid gereed. Ook zij staat ieder oogenblik

voor cruces, die zij niet te verklaren weet. Toch twijfelt daarom niemand

aan de eenheid der natuur en aan het plan der geschiedenis. Met deze

vergeleken, verkeert de openbaring zelfs in een gunstig geval. Haar

hoofdlijnen staan vast. Zooals zij in het paradijs begint en in de parusie

eindigt, vormt zij eene grootsche historie, die licht verspreidt over

heel de natuur en geschiedenis en daarin naar Augustinus’ woord het

buitengewone door het gewone voor mateloosheid behoedt en het gewone

door het buitengewone adelt, bij Müller, Natur und Wunder 180. Zonder

haar wandelen wij in het duister, gaan wij de eeuwige rust van den dood

te gemoet en hebben wij geen antwoord op de vraag, waartoe alles geweest

is. Maar met haar bevinden wij ons in eene wereld, die trots alle

zondige macht der herstelling en der volmaking te gemoet wordt gevoerd.

Israel de voorbereiding, Christus het centrum, de kerk de uitwerking,

de parusie de kroon -- dat is het snoer, dat de openbaringsfeiten met

elkander verbindt.

Daarom is het geloof aan de bijzondere openbaring ten slotte eigenlijk

één met het geloof aan eene andere en betere wereld dan deze. Indien

deze wereld met de van nature haar inwonende krachten en wetten de

eenige en de beste is, dan moeten wij het vanzelf ook met deze doen.

Dan zijn de leges naturae gelijk aan de decreta Dei, dan is deze wereld

de Zoon, de Logos, het eigenlijke beeld Gods, dan is in de ordo

naturae, waarin wij leven, reeds de volle, adaequate openbaring van

Gods wijsheid en macht, van zijne goedheid en heiligheid. Wat recht is

er dan om te verwachten, dat het Dort toch eenmaal Hier worden zal,

dat het ideaal in realiteit zal overgaan, dat het goede triumfeeren

zal over het kwaad, en de Welt der Werthe eens heerschen zal over

de Welt der Wirklichkeit? Evolutie brengt er ons niet. Nihil fit ex

nihilo. Uit deze wereld wordt geen paradijs. Wat er niet in ligt, kan

er niet uit voortkomen. Als er geen Jenseits is, geen God, die boven

de natuur staat, geen ordo supernaturalis, dan is aan de zonde, aan de

duisternis, aan den dood het laatste woord. De openbaring der Schrift

doet ons eene andere wereld kennen van heiligheid en heerlijkheid, welke

in deze gevallen wereld indaalt, niet als leer alleen maar ook als

goddelijke δυναμις, als geschiedenis, als realiteit, als een harmonisch

systeem van woorden en daden te zamen en die deze wereld opheft uit

haar val en uit den status peccati door den status gratiae heen in

den status gloriae henenleidt. De openbaring is het komen Gods tot de

menschheid om eeuwiglijk bij haar te wonen. Litteratuur over de wonderen

behalve de reeds genoemde: Köstlin, Jahrb. f. deutsche Wiss. 1864,

2tes Heft, S. 205-270 en art. Wunder in Herzog². Nitzsch, Syst. der

chr. Lehre § 34. Twesten, Vorles I. 366 f. Martensen, Dogm. § 16 f.

Lange, Dogm. I 471 f. Rothe, Zur Dogm. 80 f. Gloatz, Ueber das Wunder,

Stud. u. Kr. 1886, 3tes Heft. Dorner, Glaub. I 569 f. 583 f. Philippi,

Kirchl. Glaub. I 25 f. Saussaye, mijne Theol. 36 v. Oosterzee, Dogm. I

205 v. Kuyper, Uit het Woord II 69 v. III 114 v. Encycl. II 369 v. 446

v. Müller, Natur und Wunder, Strassburg, Herder 1892 en de daar S. XV

f. aangeh. litt., Gondal, Le miracle, Paris, Roger et Chernoviz 1894.

§ 11. DE HEILIGE SCHRIFT.

A. Openbaring en Schrift.

1. De historie der godsdiensten wijst niet alleen een innig verband aan

tusschen religie en openbaring, maar verder ook tusschen openbaring

en schrift. Magische formulen, liturgische teksten, ritueele

tractaten, ceremonieele wetten, priesterlijke documenten, historische

en mythologische litteratuur, enz. komen op religieus terrein bij alle

cultuurvolken voor. Maar in nog enger zin is er van heilige schriften

in de godsdiensten sprake. Vele volken hebben ook een boek of een

verzameling van boeken, die goddelijk gezag bezitten en als regel gelden

van leer en leven. Daartoe behooren de Shu-king der Chineezen, de Veda

der Indiërs, de Tripitaka der Buddhisten, de Avesta der Perzen, de

Koran der Mohammedanen, het Oude Testament der Joden en de Bijbel der

Christenen. Samen zijn deze zeven door Max Müller, Vorlesungen über den

Ursprung der Religion 1880 S. 149 met den naam van de boekgodsdiensten

aangeduid. Reeds dit verschijnsel wijst aan, dat openbaring en schrift

niet in een toevallig, willekeurig verband kunnen staan. Zelfs biedt

de geschiedenis van de leer van den Koran merkwaardige parallelen met

die van het dogma der Schrift in de christelijke kerk, M. Th. Houtsma,

De strijd over het dogma in den Islâm tot op El-Ash’ari, Leiden 1875

bl. 96 v. Zie verder over de heilige boeken Ch. de la Saussaye, Lehrb.

der Rel. Gesch. I 137 f. Lamers, Wetenschap v. d. godsd. II 249 v. Max

Müller, Theosophy or psychological religion 1893. Lecture 2: The value

of the sacred books.

Nu zijn allereerst gedachte en woord, denken en spreken ten innigste

aan elkander verwant. Zij zijn wel niet, gelijk Max Müller, Vorlesungen

über die Wissenschaft der Sprache I 3e Aufl. 1875 S. 459, Das Denken im

Lichte der Sprache, Leipzig 1888 S. 70-115 meent, identisch; want er

is ook een denken, een bewustzijn, een besef, hoe onhelder ook, zonder

woord. Homo enim nihil potest dicere, quod non etiam sentire possit;

potest etiam aliquid sentire, quod dicere non possit, Augustinus,

Serm. 117, c. 5. Maar het woord is toch eerst de voldragen, de tot

zelfstandigheid en tot vollen wasdom gekomen en daarom ook de heldere,

klare gedachte; een onontbeerlijk hulpmiddel voor het bewuste denken. De

taal is de ziel der natie, de bewaardster van de goederen en schatten

der menschheid, de band van menschen en volken en geslachten, de ééne

groote traditie, die de menschenwereld, één in physis, ook één maakt in

bewustzijn. Maar gelijk de gedachte zich belichaamt in het woord, zoo het

woord wederom in het schrift. Ook de taal is niets dan een organisme

van teekens, maar van hoorbare teekens. En het hoorbaar teeken zoekt

uitteraard stabiliteit in het zichtbaar teeken, in het schrift. Het

schrift is eigenlijk teekenkunst, en komt in dezen ruimen zin bij alle

volken voor, maar heeft zich allengs van teeken- en beeldschrift, door

woord- of begrippenschrift heen tot letterschrift ontwikkeld. Hoe ook

verfijnd en in nauwkeurigheid toegenomen, het is onvolkomen. Ons denken,

zegt Augustinus, de trin. 7, 4, de doctr. christ. 1, 6 blijft achter de

zaak, ons denken achter ons spreken terug; en zoo ook is er een groote

afstand tusschen woord en schrift. De klanken worden altijd slechts bij

benadering in zichtbare teekens weergegeven. Het denken is rijker dan

het spreken, en het spreken rijker dan het schrijven. Maar toch is het

schrift van groote waarde en beteekenis. Schrift is het verduurzaamde,

gegeneraliseerde en geaeterniseerde woord. Het maakt de gedachte tot

eigendom van hen, die verre van ons en die na ons zijn, tot het gemeen

goed der menschheid. Het schildert het woord af en spreekt tot de

oogen. Het geeft lichaam en kleur aan de gedachte. Het schrift is de

ἐνσαρκωσις van het woord.

Dat geldt in het algemeen. De Traditionalisten, de Bonald, Lamennais,

Bautain gingen zeker te ver, als ze zeiden, dat de taal rechtstreeks

van God afkomstig was, dat in de taal alle schatten der waarheid werden

bewaard, en dat de mensch nu alle waarheid uit en door de taal, de

traditie, deelachtig werd, Stöckl, Lehrb. der neueren Philos. I 406 f.

Maar er ligt toch eene goede gedachte in. En vooral op godsdienstig

gebied krijgt woord en schrift eene hoogere beteekenis. De openbaring is

in het Christendom eene historie. Zij bestaat in daden, gebeurtenissen,

die voorbijgaan en weldra tot het verledene behooren. Zij is een actus

transiens, temporair, momentaan zelfs, en heeft dezen tijdvorm, dit

vergankelijke, met alle aardsche dingen gemeen. En toch bevat zij eeuwige

gedachten, die niet alleen voor het oogenblik, waarin zij plaats had,

en voor de personen, tot wie zij geschiedde, beteekenis hadden, maar

die van waarde zijn voor alle tijden en voor alle menschen. Hoe is dit

schijnbaar tegenstrijdige te vereenigen? Want het vreemde daarvan is

schier altijd gevoeld. Het deisme in Engeland maakte er opmerkzaam op.

Herbert van Cherbury sprak uit, dat alleen aan zulk eene openbaring

geloof kon worden geschonken, die ons zelf onmiddellijk te beurt viel;

openbaringen die anderen ontvangen hebben, zijn voor ons slechts

geschiedenis, overlevering, en in geschiedenis kunnen wij het nooit

verder brengen dan tot waarschijnlijkheid, de veritate 1656 p. 288,

Lechler, Gesch. des engl. Deismus 49. Hobbes zei evenzoo, dat eene

openbaring, die anderen hadden ontvangen, voor ons niet te bewijzen was,

Leviathan ch. 32. Locke maakte hetzelfde onderscheid tusschen original

and traditional revelation, Essay concerning human understanding

IV ch. 18. Het deisme leidde daaruit af, dat de religio naturalis

genoegzaam was. Het maakte scheiding tusschen feit en idee, het

tijdelijke en het eeuwige, zufällige Geschichtswahrheiten en nothwendige

Vernunftwahrheiten. En het speculatieve rationalisme van Hegel trad in

het zelfde spoor; de idee stort zich niet uit in een enkel individu.

Nu is deze scheiding practisch onmogelijk gebleken. De losmaking der

idee uit de historie komt in het Christendom, evenals in elke andere

religie, op niets minder dan het verlies der idee zelve te staan. De

stelling van Lessing in zijn geschrift Ueber den Beweis des Geistes

und der Kraft: Zufällige Geschichtswahrheiten können der Beweis von

nothwendigen Vernunftwahrheiten nie werden, heeft indertijd veel opgang

gemaakt. Maar dat is alleen te verklaren uit den onhistorischen zin

en de redevergoding der achttiende eeuw. De tegenwoordige eeuw heeft

het dweepen met de noodwendige redewaarheden en het verachten van

de historie verleerd. Zij heeft de geschiedenis in haar dieperen zin

en in hare eeuwige beteekenis leeren verstaan. Indien de feiten der

geschiedenis toevallig waren, werd zij zelve een aggregaat van op

zich zelf staande voorvallen, zonder orde, zonder samenhang, zonder

plan. Dan was er geen geschiedenis meer en hare beoefening een ijdele,

nuttelooze bezigheid. En dan volgt van zelve, dat ook de historie der

openbaring al haar waardij verliest. Maar de geschiedenis is juist

verwezenlijking van gedachten Gods, uitwerking van een raad Gods over

zijne schepselen; er is eenheid, gang, orde, logos in. En zulk eene

opvatting van de geschiedenis is eerst door het Christendom mogelijk

geworden. Bij Grieken en Romeinen wordt die niet gevonden; er waren

slechts volken, er was geen menschheid. De Schrift echter leert ons de

eenheid kennen van het menschelijk geslacht; zij geeft ons de grootsche

conceptie van eene wereldgeschiedenis. En in deze neemt zij zelve de

eerste en de allesbeheerschende plaats in. De Geschichtswahrheiten zijn

dus niet toevallig, en allerminst onder deze wederom de geschiedenis

der openbaring. Zij is zoo noodzakelijk, dat zonder haar heel de

geschiedenis en heel de menschheid uiteen valt. Zij is de draagster der

Godsgedachten; de apocalypse van Gods voornemen, welke den apostel

Paulus telkens weer met bewondering en aanbidding vervulde; de

revelatio mysterii, zonder welke de mensch in het duistere rondtast. En

aan de andere zijde zijn de Vernunftwahrheiten, waarvan Lessing sprak,

ook alles behalve noodwendig. De kritiek van Kant heeft dat anders

aangetoond. Juist ten aanzien van die nothwendige Vernunftwahrheiten

heerscht er tegenwoordig algemeen een bedenkelijk scepticisme. De

verhouding is dus juist omgekeerd. Het historische is in zijne eeuwige

beteekenis doorzien en het rationeele in zijne veranderlijkheid aan het

licht getreden.

Feit is dan ook, dat wij alles erven van de voorgeslachten. Wij brengen

niets in de wereld, 1 Tim. 6:7. Physisch en psychisch, intellectueel

en ethisch zijn we afhankelijk van de wereld om ons heen. En religieus

is het niet anders. De openbaring, die in historie bestaat, kan niet

anders dan in den weg der traditie, in den ruimsten zin, tot ons komen.

Eene vraag, waarom niet aan elk mensch die openbaring geschonken

wordt, Rousseau in zijn profession de foi, en Strauss, Glaub. I. 268

f. komt eigenlijk niet te pas. Ze onderstelt, dat de openbaring niets

anders bevat dan leer en vergeet, dat ze historie is en wezen moet.

Het centrum der openbaring is de persoon van Christus. En Christus is

een historisch persoon; zijne menschwording, zijn lijden en sterven, zijne

opstanding en hemelvaart zijn voor geene herhaling vatbaar. Ja, het

behoort juist tot de ἐνσαρκωσις, dat hij in de historie inga en leve

in den vorm van den tijd. Hij zou ons niet in alles gelijk zijn geweest,

indien hij niet aan tijd en ruimte, aan de wet van het worden zich

onderworpen had. De openbaring, niet als leer maar als incarnatie kan

uitteraard niet anders dan historie zijn, d. i. vallen in een bepaalden

tijd en gebonden zijn aan eene bepaalde plaats. De incarnatie is de

eenheid van het zijn, ἐγω εἰμι, Joh. 8:58, en het worden, σαρξ ἐγενετο,

Joh. 1:14. Bovendien, ook in de openbaring volgt God de grondlijnen, die

Hij voor het samenleven der menschen getrokken heeft. De menschheid is

niet een aggregaat van individuen, maar een organisch geheel, waarin

allen leven van elkaar. De openbaring volgt deze wet, de herschepping

sluit bij de schepping zich aan. Gelijk we op elk terrein door middel van

de traditie deel krijgen aan de goederen der menschheid, zoo ook in de

religie. Ook dat behoort tot de idee der incarnatie. Zij is zelve een

actus transiens, maar wordt door de traditie heen het eigendom en de

zegen van alle menschen. Dat die openbaring echter nog tot zulk een

klein geheel van menschen beperkt is, levert een moeilijk probleem op,

dat later nog nader dient onderzocht te worden; maar dit op zichzelf

ontroerend feit kan nooit voor degenen, die haar kennen, eene reden

zijn om ze te verwerpen. Vele volken leven in een staat van ruwe

barbaarschheid. Ook dat geschiedt naar den wil en het welbehagen Gods.

Toch komt het in niemand op om daarom de zegeningen der beschaving te

verachten. Rousseau dweepte met den natuurmensch, maar hij bleef stil in

Frankrijk.

2. De drager van de ideale goederen der menschheid is de taal, en de

σαρξ van de taal is het schrift. Ook hierbij sluit God in de openbaring

zich aan. Om volkomen in te gaan in de menschheid en ten volle haar

eigendom te kunnen worden, neemt de openbaring de μορφη, het σχημα

aan van de Schrift. De Schrift is de dienstknechtsgestalte van de

openbaring. Ja, het centrale feit der openbaring, n.l. de incarnatie,

leidt naar de Schrift heen. In profetie en wonder daalt de openbaring

zoo laag neder en zoo diep af, dat ze zelfs de laagste vormen van

het menschelijke, bepaaldelijk van het religieuse leven niet als middel

versmaadt. De Logos zelf wordt niet ἀνθρωπος slechts, maar δουλος,

σαρξ. En evenzoo neemt het woord der openbaring den onvolkomen,

gebrekkigen vorm aan van het schrift. Maar zoo alleen wordt de

openbaring het goed der menschheid. Het doel der openbaring is niet

Christus; Christus is centrum en middel; het doel is, dat God wederom

in zijn schepselen wone en in den kosmos zijne heerlijkheid openbare.

Θεος τα παντα ἐν πασιν. Ook dit is in zekeren zin eene ἐνανθρωπησις

του θεου, eene menschwording Gods. En om dat doel te bereiken, gaat

het woord der openbaring over in schrift. Ook de Schrift is dus middel

en instrument, geen doel. Zij vloeit voort uit de menschwording Gods in

Christus, zij is in zekeren zin de voortzetting ervan, de weg, waarlangs

Christus woning maakt in zijne gemeente; de praeparatio viae ad plenam

inhabitationem Dei. Maar in deze inwoning Gods heeft ze dan ook haar

τελος, haar einde en doel, 1 Cor. 15:28. Evenals heel de openbaring, is

ook zij een actus transiens.

Daardoor wordt de verhouding duidelijk, waarin de Schrift staat tot

de openbaring. De vroegere theologie liet de openbaring bijna geheel

opgaan in de theopneustie, in de gave der Schrift. Zij bracht de

openbaring slechts terloops ter sprake, en vatte haar veel te eng op.

Het scheen, alsof er achter die Schrift niets lag. En de Schrift kwam

geheel los en geisoleerd te staan. Zij wortelde niet in de historie. Het

had er veel van, alsof ze plotseling uit den hemel was komen vallen.

De machtige conceptie van de openbaring als eene geschiedenis, die

bij den val begint en eerst in de parousie eindigt, was haar schier

geheel vreemd. Deze beschouwing is onhoudbaar. Immers, de openbaring

gaat in verre de meeste gevallen aan de theopneustie vooraf en is

daarvan dikwerf door een langen tijd gescheiden. De openbaring Gods

aan de aartsvaders, in de geschiedenis van Israel, in den persoon van

Christus werd soms eerst eeuwen en jaren daarna beschreven; en ook

de profeten en apostelen stellen hunne openbaringen dikwerf eerst

geruimen tijd na de ontvangst te boek, bv. Jer. 25:13, 30:1, 36:2 v.

Voorts waren vele personen, zooals Elia, Elisa, Thomas, Nathanael,

enz. openbaringsorganen, die toch nimmer een boek schreven, dat in den

kanon werd opgenomen; anderen daarentegen ontvingen geene openbaringen

en deden geen wonderen, en brachten ze toch wel in geschrifte, zooals

bijv. de schrijvers van vele historische boeken. Verder had de openbaring

plaats in verschillende vormen, droom, visioen, enz., en bedoelde de

bekendmaking van iets dat verborgen was; de theopneustie was altijd

eene inwerking van Gods Geest in het bewustzijn en had tot doel de

garantie van den inhoud der Schrift. De nieuwere theologie maakte

daarom terecht tusschen de openbaring en de Schrift onderscheid.

Maar zij viel dikwerf in een ander uiterste. Zij maakte de Schrift zoo

geheel en al van de openbaring los, dat deze niets meer werd dan een

toevallig aanhangsel, een willekeurig toevoegsel, eene menschelijke

oorkonde van de openbaring, die misschien nog wel nuttig maar in

elk geval niet noodzakelijk was. In allerlei variatiën is dit thema

bezongen. Niet de letter maar de Geest, niet de Schrift maar de persoon

van Christus, niet het woord maar het feit is het principium der

theologie. En Lessing kwam tot de bekende bede: o Luther! gij groote

en heilige man, gij hebt ons verlost van het juk van den Paus, maar

wie zal ons verlossen van het juk der letter, van den papieren Paus.

Deze beschouwing is niet minder verkeerd en nog gevaarlijker dan de

andere. Want openbaring en theopneustie vallen in vele gevallen geheel

samen. Lang niet alles, wat in de Schrift is beschreven, werd te

voren geopenbaard, maar kwam onder het schrijven zelf in het bewustzijn

op, bijv. in de psalmen, de brieven, enz. Wie de theopneustie ontkent

en de Schrift minacht, verliest ook voor een zeer groot gedeelte de

openbaring; hij houdt niets dan menschelijke geschriften over. Voorts

is ons de openbaring, ook waar ze in feit of woord voorafging aan de

beschrijving, enkel en alleen door de H. Schrift bekend. Wij weten van

de openbaringen Gods onder Israel en in Christus letterlijk niets,

dan alleen uit de H. Schrift. Er is geen ander principium. Met de

H. Schrift valt dus de gansche openbaring, valt ook de persoon van

Christus. Juist omdat de openbaring historie is, is er geen andere

weg om er iets van te weten, dan de gewone weg bij alle historie, dat

is de getuigenis. Het getuigenis beslist voor ons bewustzijn over de

realiteit van een feit. Geen gemeenschap met Christus dan alleen door

de gemeenschap aan het woord der apostelen, Joh. 17:20, 21; 1 Joh. 1:3.

De openbaring bestaat voor ons, voor de kerk aller eeuwen, slechts in

den vorm der H. Schrift. En eindelijk is de theopneustie, gelijk later

blijken zal, eene eigenschap van de Schriften, een eigen en afzonderlijke

daad Gods bij de vervaardiging der Schrift, en dus in zooverre ook zelve

als openbaringsdaad te erkennen en te eeren. Verachting of verwerping

van de Schrift is dus niet eene onschuldige handeling ten opzichte van

menschelijke getuigenissen aangaande de openbaring, maar ontkenning van

eene bijzondere openbaringsdaad Gods, en dus in beginsel loochening van

alle openbaring.

Beide richtingen zijn dus eenzijdig, zoowel die, welke de openbaring ten

bate der Schrift, als die de Schrift ten bate der openbaring miskennen.

Daar komt de φανερωσις, hier de θεοπνευστια niet tot haar recht.

Ginds heeft men Schrift zonder schriften; hier heeft men geschriften

zonder Schrift. Daar is eene verwaarloozing van de historie, hier

eene minachting van het woord. De eerste richting vervalt in

orthodox intellectualisme, de tweede loopt gevaar van anabaptistisch

spiritualisme. De juiste beschouwing is deze, dat de Schrift noch met

de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar

geplaatst wordt. De theopneustie is een element _in_ de openbaring;

eene laatste akte, waarin de openbaring Gods in Christus voor deze

bedeeling afgesloten wordt; in zooverre dus het einde, de kroon, de

verduurzaming en de publicatie der openbaring, medium, quo revelatio

immediata mediata facta inque libros relata est, Baumgarten bij Twesten,

Vorles. über die Dogm. I 402.

3. De openbaring toch, in haar geheel genomen, heeft haar einde en doel

eerst bereikt in de parousie van Christus. Maar zij valt in twee groote

perioden, in twee onderscheidene bedeelingen uiteen (boven bladz. 270).

De eerste bedeeling strekte, om de volle openbaring Gods in te lijven

in en tot een deel te maken van de geschiedenis der menschheid. Heel

die oeconomie kan beschouwd worden als een komen Gods tot zijn volk,

als een zoeken van een tabernakel voor Christus. Zij is dus overwegend

eene openbaring Gods in Christus. Ze draagt een objectief karakter. Zij

kenmerkt zich door buitengewone daden; theophanie profetie en wonder

zijn de wegen, waarlangs God tot zijn volk komt. Christus is er het

subject van. Hij is de Logos, die schijnt in de duisternis, komt tot

het zijne, en vleesch wordt in Jezus. De H. Geest was toen nog niet,

overmits Christus nog niet was verheerlijkt. In deze bedeeling houdt

de teboekstelling gelijken tred met de openbaring. Beide groeien van

eeuw tot eeuw. Naarmate de openbaring voortschrijdt, neemt de Schrift

in omvang toe. Als in Christus de volle openbaring Gods is gegeven,

theophanie, profetie en wonder in Hem haar hoogtepunt hebben bereikt

en de genade Gods in Christus aan alle menschen is verschenen, dan

is tegelijk ook de voltooiing der Schrift daar. Christus heeft ons in

zijn persoon en werk den Vader ten volle geopenbaard, daarom wordt in

de Schrift die openbaring ons ten volle beschreven. De openbaring

heeft in zekeren zin haar einde bereikt. De bedeeling des Zoons

maakt plaats voor de bedeeling des Geestes. De objectieve openbaring

gaat over in de subjectieve toeeigening. In Christus is midden in de

historie door God een organisch centrum geschapen; vandaar uit worden

thans in steeds wijder kring de cirkels getrokken, binnen welke het

licht der openbaring schijnt. De zon, opgaande bestrijkt slechts een

klein oppervlak der aarde met haar stralen; staande in het zenith,

straalt zij over heel de aarde heen. Israel was slechts instrument

der openbaring; het heeft zijn dienst verricht en valt weg, als het

den Christus heeft voortgebracht, zooveel het vleesch aangaat; thans

verschijnt de genade Gods aan alle menschen. De openbaring zet zich dus

wel voort, maar op andere wijze en in andere vormen. De H. Geest neemt

alles uit Christus; Hij voegt niets nieuws aan de openbaring toe. Deze

is voltooid en daarom voor geen vermeerdering vatbaar. Christus is de

Logos, vol van genade en waarheid; zijn werk is volbracht; de Vader

zelf rust in zijn arbeid. Zijn werk kan niet aangevuld of vermeerderd

worden door de goede werken der heiligen; zijn woord niet door de

traditie; zijn persoon niet door den paus. In Christus heeft God zich

ten volle geopenbaard en ten volle geschonken. Daarom is de Schrift ook

voltooid, zij is het volkomene woord Gods. En toch, schoon op andere

wijze, gaat de openbaring voort, want zij heeft haar einddoel niet in

Christus, die middelaar is, maar in de nieuwe menschheid, in het wonen

Gods bij zijn volk. Zij gaat voort in al hare drie vormen van theophanie,

profetie en wonder. God komt tot en woont in de gemeente van Christus;

waar twee of drie in zijn naam vergaderd zijn, is Hij in het midden.

Hij doet wonderen altijd door; Hij vernieuwt haar door wedergeboorte,

heiligmaking en verheerlijking; de geestelijke wonderen houden niet

op. God werkt altijd. Maar dat is niet genoeg. De wereld van het zijn

niet alleen, ook die van het bewustzijn moet vernieuwd. In den Logos

was het leven maar ook het licht der menschen; Christus is vol van

genade maar ook van waarheid; de openbaring bestond in wonder maar

ook in profetie. Woord en daad gingen saam in de eerste bedeeling, zij

vergezellen elkaar ook in de oeconomie des H. Geestes. De H. Geest

wederbaart maar verlicht ook. Maar gelijk de geestelijke wonderen geen

nieuw element aan de objectieve openbaringsfeiten toevoegen maar

slechts uitwerking zijn van het wonder van Gods genade, in Christus

gewrocht; zoo ook is de profetie in de gemeente, de illuminatie des

H. Geestes, geen openbaring van verborgenheden maar toepassing van de

schatten der wijsheid en kennis, die in Christus begrepen zijn en in zijn

woord zijn uitgestald. En beide deze werkzaamheden des H. Geestes gaan

in deze bedeeling hand aan hand. Profetie en wonder, woord en feit,

illuminatie en regeneratie, Schrift en kerk vergezellen elkander. Ook

thans is de openbaring geen leer alleen, die het verstand verlicht,

maar ook een leven, dat het hart vernieuwt. Zij is beide te zamen in

onverbreekbare eenheid. De eenzijdigheden van het intellectualisme en

mysticisme zijn beide te vermijden, want zij zijn beide eene miskenning van

den rijkdom der openbaring. Wijl hoofd en hart, de gansche mensch in zijn

zijn en bewustzijn moet vernieuwd worden, zet de openbaring zich in deze

bedeeling voort in de Schrift en in de kerk te zamen. En beide staan

daarbij in het allernauwste verband tot elkander. De Schrift is het

licht der kerk, de kerk is het leven der Schrift. Buiten de kerk is de

Schrift een raadsel, eene ergernis. Zonder wedergeboorte kan niemand

haar kennen. Wie haar leven niet deelachtig is, kan haar zin en meening

niet verstaan. En omgekeerd is het leven der kerk eene verborgenheid,

als de Schrift er haar licht niet over schijnen laat. De Schrift

verklaart de kerk, de kerk verstaat de Schrift. In de kerk bevestigt

en verzegelt de Schrift hare openbaring, en in de Schrift leert de

Christen, leert de kerk zichzelve verstaan, in hare verhouding tot God

en de wereld, in haar verleden en heden en toekomst.

Daarom staat de Schrift ook niet op zichzelve. Zij mag niet deïstisch

worden opgevat. Zij wortelt in eene historie van eeuwen en is vrucht

van de openbaring onder Israël en in Christus. Maar zij is toch geen

boek uit lang vervlogene tijden, dat ons alleen met personen en

gebeurtenissen van het verleden in verband brengt. De H. Schrift is

geen dor verhaal en geen oude kroniek, maar zij is het altijd levende,

eeuwig jeugdige woord, dat God nu in dezen tijd en altijd door tot zijn

volk laat uitgaan. Zij is de altijd voortgaande sprake Gods tot ons.

Zij dient niet alleen, om ons historisch te doen weten, wat er in het

verledene is geschied. Zij heeft zelfs de bedoeling niet, om ons een

historisch verhaal te leveren naar den maatstaf der getrouwheid, die in

andere wetenschappen geeischt wordt. De H. Schrift is een tendenz-boek;

al wat te voren geschreven is, is tot onze leering geschreven, opdat

wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden.

De Schrift is door den H. Geest geschreven, opdat zij Hem dienen zou bij

zijne leiding der kerk, bij de volmaking der heiligen, bij den opbouw van

het lichaam van Christus. In haar komt God dagelijks tot zijn volk. In

haar spreekt Hij tot zijne kinderen, niet uit de verte, maar van nabij.

In haar openbaart Hij zich van dag tot dag aan de geloovigen in de

volheid van zijn genade en waarheid. Door haar werkt Hij zijne wonderen

van ontferming en trouw. De Schrift is het blijvend rapport tusschen

hemel en aarde, tusschen Christus en zijne gemeente, tusschen God en

zijne kinderen. Zij legt ons niet alleen vast aan het verleden, zij

bindt ons aan den levenden Heer in de hemelen. Zij is de viva vox Dei,

epistola Dei omnipotentis ad suam creaturam. Door het woord heeft God

eenmaal de wereld geschapen, door het woord houdt Hij ze in stand; maar

door het woord herschept Hij haar ook en bereidt ze tot zijne woning. De

theopneustie is daarom ook eene blijvende eigenschap van de H. Schrift.

Zij werd niet alleen getheopneusteerd in het moment, dat zij te boek werd

gesteld; zij is theopneust. Divinitus inspirata est scriptura, non solum

dum scripta est Deo spirante per scriptores; sed etiam dum legitur Deo

spirante per scripturam et scriptura ipsum spirante, Bengel op 2 Tim.

3:16. Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie

levendig gehouden en efficax gemaakt. Het is de H. Geest, die profetie

en wonder, Schrift en kerk beide in stand houdt en in verband zet met

elkaar, en die alzoo de parusie voorbereidt. Want als zijn en bewustzijn

beide eens geheel zullen vernieuwd zijn, dan heeft de openbaring haar

einde. De Schrift is dan niet noodig meer. De theopneustie is dan het

deel van alle kinderen Gods. Zij zullen allen door den Heere geleerd

zijn en Hem dienen in zijnen tempel. Profetie en wonder zijn geworden tot

natuur, want God woont onder zijn volk.

B. De leer der inspiratie.

4. De autoriteit der H. S. is door alle christelijke kerken erkend. Er

is geen dogma, waarover meer eenheid bestaat, dan dat der H. Schrift.

De genesis van dit geloof aan de H. Schrift is niet meer na te gaan.

Het bestaat, zoover we teruggaan. In het O. T. staat het gezag van

Jahveh’s geboden en inzettingen, d. i. van de thora en evenzoo van

de profeten reeds vast. Mozes en de profeten zijn onder Israel altijd

mannen van goddelijke autoriteit geweest; hunne geschriften werden

terstond als gezaghebbend erkend. De Joden hebben daarop eene leer der

inspiratie gebouwd, zoo streng en exclusief mogelijk. De thora staat

in de Schrift des O. T. bovenaan, zij is in haar inhoud identisch met

de goddelijke Wijsheid, het beeld Gods, de dochter Gods, de op zich

zelve voldoende, voor alle volken bestemde openbaring des heils, het

hoogste goed, de weg ten leven. Als Israel niet gezondigd had, ware

zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de schriften der profeten er later

ter verklaring aan toegevoegd. Al die schriften zijn goddelijk, heilig,

regel van leer en leven, en met een oneindigen inhoud. Niets is er

overbodig in; alles heeft beteekenis, iedere letter, elk teeken, tot de

gedaante en vorm van eene letter toe, want alles is van God afkomstig.

Volgens Philo, de migr. Abrahae, en Josephus, Ant. 4, 6, 5. c. Ap. 1,7

verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand van verrukking

en bewusteloosheid, dien zij met de heidensche mantiek vergeleken en ook

wel tot anderen dan de profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag

der H. Schrift staat ook bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat

gezag feitelijk weer afbreuk gedaan door de traditie. De Schrift was

n.l. op zich zelve onvoldoende. Naar de voorstelling der Joden was er

ook nog eene mondelinge traditie, welke van God afkomstig, door Mozes,

Aäron, de oudsten, de profeten, de mannen der groote synagoge aan de

Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij werd eindelijk neergelegd in de

Mishna en Gemara, welke nu als norma normata aan de norma normans is

toegevoegd en met behulp vooral van dertien hermeneutische regelen

met de Schrift in overeenstemming werd gebracht, Zunz, Die gottesd.

Vorträge der Juden 1832 S. 37 f. Weber, System der altsyn. pal. Theol.

1880. S. 14 f. 78 f. Schürer, Neutest. Zeitgeschichte, Leipzig, 1874.

S. 437 f.

De christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen wel de

geheele Joodsche traditie, maar erkende toch van den beginne af aan het

goddelijk gezag der O. T. Schrift, Harnack, Dogm. gesch. I 39 f. 145

f. 244 f. De gemeente is nooit zonder Bijbel geweest. Zij ontving het

O. Test. uit de hand der apostelen terstond met goddelijke autoriteit.

Het christelijk geloof sloot van den aanvang af het geloof aan het

goddelijk gezag des O. T. in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie

des O. T. zoo duidelijk mogelijk. Hij noemt de O. T. geschriften τα λογια

του θεου, 1 Cor. 53, τας γραφας, τας ἀληθεις τας δια πνευματος του

ἁγιου, ib. 45, voert plaatsen uit het O. T. aan met de formule: de H.

Geest zegt, ib. 13 en zegt van de profeten: οἱ λειτουργοι της χαριτος

του θεου δια πνευματος ἁγιου ἐλαλησαν ib. 8. Hij breidt de inspiratie

ook tot de apostelen uit, en zegt, dat zij μετα πληροφοριας πνευματος

ἁγιου uitgegaan zijn om te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de

Corinthiërs πνευματικως geschreven heeft ib. 47. Overigens leveren de

apost. vaders weinig stof voor het dogma der Schrift: de inspiratie

zelve staat vast, maar over den omvang en de grenzen der inspiratie is

er nog verschil; van de N. T. geschriften wordt weinig gesproken, en

apocriefe worden soms als kanonische geciteerd. De Apologeten der 2e

eeuw, Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. en Athenagoras, Leg. pro Christo

cap. 7. vergelijken de schrijvers bij een cither, lier of fluit, waarvan

het goddelijk πληκτρον zich als van een orgaan bediende. De leer der

apostelen staat met die van de profeten op één lijn; evenals Abraham,

zoo gelooven wij τῃ φωνῃ του θεου, τῃ δια τε των ἀποστολων του χριστου

λαληθεισῃ παλιν και τῃ δια των προφητων κηρυχθεισῃ ἡμιν, Just. Dial.

119. De Evangeliën deelen in dezelfde inspiratie als de profeten, δια

το τους παντας πνευματοφορους ἑνι πνευματι θεου λελαληκεναι, Theoph.

ad Autol. 3 n. 12. Bij Irenaeus is reeds de volle erkenning aanwezig

van de inspiratie van beide Testamenten; Scripturae perfectae sunt,

quippe a Deo et Spiritu ejus dictae, adv. haer. 2, 28., ze hebben één

auteur en één doel, 4, 9. En voorts worden de H. Schriften door de

kerkvaders aangehaald als θεια γραφη, κυριακαι γραφαι, θεοπνευστοι

γραφαι, coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta,

chirographum Dei, enz. De schrijvers heeten λειτουργοι της χαριτος του

θεου, ὀργανα θειας φωνης, στομα θεου, πνευματοφοροι, χριστοφοροι,

ἐμπνευσθεντες, θεοφορουμενοι, Spiritu divino inundati, pleni enz. De

acte der inspiratie wordt als een drijven, leiden enz., maar vooral

dikwerf als een dicteeren des H. Geestes voorgesteld, Iren. 1. c.

Aug. de cons. Evang. 1, 54; de schrijvers waren de handen des H. G.,

Aug. ib., zij waren de auctores niet, maar alleen scriptores, scribae;

auctor der H. Schrift is God alleen, Isidorus Hisp. lib. 1. de offic.

c. 12, bij Dausch, Die Schriftinspiration 1891 S. 87. De Schrift is eene

epistola omnipotentis Dei ad suam creaturam, Aug. in Ps. 20. Serm.

2, 1. Greg. Magnus, Epist. 1. 4. ep. 31. Er is niets onverschilligs

en niets overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid;

nihil enim vacuum, neque sine signo apud Deum, Iren. adv. haer. 4,

21, 3. Vooral Origenes dreef dit sterk en zei, dat er geen tittel

of jota vergeefsch was, dat er niets was in de Schrift, quod non a

plenitudine divinae majestatis descendat, Homil. 2. 21. 39 in Jerem.,

en evenzoo Hieronymus, die zei: singuli sermones, syllabae, apices,

puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus et spirant caelestia

sacramenta. De H. Schrift was daarom zonder eenig gebrek, zonder eenige

dwaling, ook in chronologische, historische zaken, Theoph. ad Autol.

23, Iren. adv. haer. 3, 5. Wat de apostelen geschreven hebben, moet

evenzoo worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had,

want zij waren als het ware zijne handen, Aug. de cons. Evang. 1, 54.

In zijn brief aan Hieronymus zegt hij vast te gelooven, dat geen der

kanonische schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus eene fout

is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem sed: aut

codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non intelligis, c.

Faust. 11, 5. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid der schrijvers bij de

inspiratie tegenover het Montanisme zoo sterk mogelijk geaccentueerd;

voorafgaand onderzoek, onderscheid in ontwikkeling, gebruik van bronnen

en van de herinnering, verschil in taal en stijl werd door Iren. Orig.

Euseb. August. Hieron. enz. volledig erkend; zelfs werd door sommigen

een verschil in de wijze van inspiratie onder O. en N. T., of ook een

verschil in graad van inspiratie naar den zedelijken toestand der

schrijvers aangenomen, Novatianus, de trin. 4. Orig. c. Cels. 7. 4.

Maar dat alles deed aan het geloof aan den goddelijken oorsprong en de

goddelijke autoriteit der H. S. geen afbreuk. Deze stonden algemeen

vast. Het practische gebruik der Schrift in de prediking, in de

bewijsvoering, in de exegetische behandeling enz. bewijst dat nog meer

en nog sterker dan de op zich zelf staande uitspraken. De kerk had in

deze eerste periode meer te doen met de vaststelling van den kanon,

dan met het begrip der inspiratie, maar verstond onder de kanonische

juist divinae scripturae, Conc. Carth. 397 can. 47, en schreef aan

deze alleen autoriteit toe, Conc. Tolet. 447, cf. Denzinger, Enchir.

symb. et defin. nr. 49. 125. Joh. Delitzsch, de inspir. scripturae s.,

quid statuerint patres apostolici et apologetae sec. saec. Lips. 1872.

Hagenbach, Dogm. Gesch. § 31 f. Rudelbach, Zeits. f. d. ges. luth.

Theol. u. Kirche 1840. W. Rohnert, Die Inspiration der H. S. u. ihre

Bestreiter, Leipz. 1889 S. 85 f. P. Dausch, Die Schriftinspiration,

eine bibl. geschichtl. Studie, Freiburg 1891. S. 45 f. Koelling,

Die Lehre von der Theopneustie, Breslau 1891. 84 f. Cramer, Godgel.

Bijdragen IV 49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the

early history and origin of the doctrine of biblical inspiration,

Bampton lectures 1893.

5. De theologie der Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders staan en

heeft de leer der inspiratie niet verder ontwikkeld. Joh. Damasc.,

de fide orthod. 4, 17 brengt de Schrift slechts even ter sprake en

zegt, dat wet en profeten, evangelisten en apostelen, herders en

leeraars door den H. Geest gesproken hebben; en daarom is de Schrift

theopneust. Erigena, de div. nat. I 66 sq. zegt, dat men in alle

stukken de autoriteit der H. S. moet volgen want vera auctoritas rectae

rationi non obsistit, maar ook omnis auctoritas, quae vera ratione

non approbatur, infirma videtur esse. Thomas behandelt de leer der

H. Schrift evenmin als Lombardus, maar geeft zijne gedachte over de

inspiratie toch in zijne leer over de profetie, S. Theol. II 2 qu. 171

sq. De profetie is bepaald eene gave des verstands en bestaat ten

eerste in inspiratio, d. i. in eene elevatio mentis ad percipienda

divina, welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in

revelatio, waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis

en onkunde worden weggenomen en de profetie zelve wordt voltooid,

qu. 171 art. 1. Nader bestaat de profetie in de gave van het lumen

propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar worden, evenals

de natuurlijke dingen door ’t natuurlijk licht der rede, ib. art. 2.

Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt ze onder bemiddeling

van de zintuigen, soms door middel van de verbeeldingskracht, soms

ook op zuiver geestelijke wijze, zooals bij Salomo en de apostelen, ib.

qu. 173 art. 2. De profetie per intellectualem visionem staat in het

algemeen hooger dan die per imaginariam visionem; als echter het lumen

intellectuale geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de

natuurlijk kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordeelen

doet, dan staat zulk eene prophetia intellectualis beneden die visio

imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De schrijvers der

hagiographa schreven meermalen over zaken, die van nature kenbaar zijn,

en ze spraken dan non quasi ex persona Dei, sed ex persona propria,

cum adjutorio tamen divini luminis. Thomas erkent dus verschillende

wijzen en graden van inspiratie. Hij zegt ook, qu. 176 art. 1, dat de

apostelen de gave der talen kregen om het evangelie aan alle volken

te kunnen prediken, sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana

arte ad ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat

in propria lingua, non autem in aliena, en zoo ook waren de apostelen

genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar kenden niet alles,

wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz. Maar eene dwaling of

onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen, S. Theol. I qu. 32 art.

4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3. Het breedvoerigst wordt over de Schrift

gehandeld door Bonaventura in het prooemium voor zijn Breviloquium, ed.

Freiburg 1881 p. 1-32: de H. Schrift heeft haar oorsprong niet uit

menschelijk onderzoek, maar uit openbaring van den Vader door den Zoon

in den H. Geest. Niemand kan haar kennen dan door het geloof, want

Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os Dei (des Vaders), lingua Dei

(des Zoons), calamus Dei (des H. G.). Vier dingen komen van de Schrift

vooral in aanmerking; hare latitudo: zij bevat vele deelen, O. en N. T.,

verschillende soorten van boeken, wettelijke, historische, profetische

enz.; hare longitudo: zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot

den oordeelsdag toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta

en lex gratiae of in zeven aetates; hare sublimitas: zij beschrijft de

verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; hare

profunditas: zij heeft eene multiplicitas mysticarum intelligentiarum.

Hoe zeer de H. Schrift ook verschillende wijzen van spreken gebruikt,

zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want de H. Geest, ejus

auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum, nihil superfluum,

nihil diminutum. Daarom is het lezen en onderzoeken der H. S. zoo

dringend noodig; en voor dit doel schreef Bonaventura zijn kostelijk

Breviloquium. Duns Scotus voert in den Prologus voor zijne Sententiae

wel verschillende gronden aan, waarop het geloof aan de H. S. rust,

zooals de profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de

wonderen enz., maar behandelt de leer der H. S. niet. En ook overigens

vinden we weinig stof voor het dogma der Schrift in de scholastiek.

Er werd geen behoefte gevoeld aan eene bijzondere behandeling van

den locus de S. Scr., wijl haar autoriteit vast stond en niemand ze

bestreed. Zij had in de Middeleeuwen, althans formeel, eene onbetwiste

heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als het water des levens,

in lofspraken verheerlijkt, evenals het beeld van Christus vereerd en

aangebeden, op de kostbaarste wijze overgeschreven, geïllustreerd,

ingebonden en uitgestald. Ze had eene eereplaats op de conciliën,

werd als eene reliquie bewaard, als amulet om den hals gedragen, met

den gestorvene mede begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging

gebezigd. En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden,

gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald, Vigouroux, Les livres

saints et la critique rationaliste, 3e ed. I 226 s. Janssen, Gesch. des

deutschen Volkes, I 48 f. Herzog² 3, 545 f. Bestrijding van de Schrift

was er niet. Ook Abaelard, Sic et Non, ed. Henke et Lindenkohl, Marb.

1851 p. 10.11 zegt niet, dat profeten en apostelen in het schrijven,

maar alleen, dat zij soms als personen hebben gedwaald, met beroep op

Gregorius, die dat ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd

hun soms ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden,

dat ze dien Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts

als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon een

bestrijder der inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis van Tours

eene meer organische opvatting voor, die verschil van taal en stijl,

grammatische afwijkingen enz. erkent, Münscher-v. Coelln, Dogm. Gesch.

II 1 S. 105. Kerkelijk werd de inspiratie en autoriteit der H. Schrift

meermalen uitgesproken en erkend, Denzinger, Enchir. n. 296. 386. 367.

600.

6. Het Trentsche concilie verklaarde in sess. 4, dat de waarheid

vervat is in de geschreven boeken en ongeschreven overleveringen,

welke uit den mond van Christus door de apostelen zijn ontvangen of

door dezelfde apostelen, Spirito Sancto dictante, als van hand tot

hand zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn; en dat het daarom, naar

het voorbeeld der vaderen alle boeken van O. en N. T., cum utriusque

unus Deus sit auctor, en evenzoo de overleveringen ... tanquam vel

oretenus a Christo, vel a Spiritu Sancto dictatas ... aanneemt en

vereert. De inspiratie werd hier wel tot de traditie uitgebreid, maar

toch ook duidelijk van de H. S. uitgesproken. Maar onder de Roomsche

theologen kwam er spoedig groot verschil over den aard en den omvang

der inspiratie. Zoowel het auctor utriusque testamenti als het dictare

werd verschillend geinterpreteerd. De theologen der 16e eeuw waren over

het algemeen nog de strengere richting van kerkvaders en scholastici

toegedaan. Het waren meest aanhangers van Augustinus in de leer der

genade, Jansenisten, Augustinianen en Dominikanen. De voornaamste onder

deze richting zijn Melchior Canus, Loci theol. 1563, Bannez, Comment. in

primam partem D. Thomae Lugd. 1788. Bajus en Jansenius, Billuart, Summa

S. Thomae tom. 2. Wirceb. 1758, Rabaudy, Exerc. de Scriptura sacra;

in deze eeuw nog Fernandez, diss. crit. theol. de verbali S. Bibl.

inspiratione, maar voorts ook wel Jezuiten, zooals Tostatus, Costerus,

Turrianus, Salmeron, Gregor de Valencia, De rebus fidei h. t. controv.

Lugd. 1591 enz. Dezen leeren allen eene positieve inwerking van Gods

Geest op de schrijvers, die zich ook tot de singula verba uitstrekte.

Maar spoedig kwam er eene laxere richting op, en wel onder de Jezuiten.

In het jaar 1586 openden Lessius en Hamelius hunne voorlezingen aan het

Jezuitencollege te Leuven, en verdedigden daar o. a. de stellingen: 1°

ut aliquis sit S. Scriptura, non est necessarium, singula ejus verba

inspirata esse a Sp. S°. 2° non est necessarium, ut singulae veritates

et sententiae sint immediate a Sp. S°. ipsi scriptori inspiratae.

3° liber aliquis (qualis forte est secundus Machabaeorum) humana

industria sine assistentia Sp. S{i}. scriptus, si Sp. S{us} postea

testetur, ibi nihil esse falsum, efficitur Scriptura sacra. Hier wordt

de woordinspiratie verworpen, de onmiddellijke inspiratie ook van vele

zaken, bv. van geschiedenis, die de schrijvers wisten, onnoodig geacht,

en zelfs bij sommige boeken eene later door Bonfrerius zoo genoemde

inspiratio subsequens of aposteriorische approbatie des H. G. voor

voldoende gehouden. De faculteiten van Leuven en Douai veroordeelden de

stellingen, maar andere keurden deze censuur weer af, en de paus nam

geene beslissing. De twee eerste stellingen vonden veel ingang, maar

de derde ging al te ver en werd slechts door weinigen overgenomen, o.

a. door Bonfrerius, Frassenius, Richard Simon, Histoire critique du

N. T. 1689 ch. 23, en in deze eeuw nog door den bisschop van Spiers,

Haneberg, Gesch. der bibl. Offenbarung, 3e Aufl. 1863. Eene andere

richting wordt vertegenwoordigd door Mariana, Tract. varii VIII, Ed.

du Pin, Dissert. préliminaire tom. I Paris 1701. J. Jahn, Introductio

in libros Vet. Test. 1814 en vat de inspiratie op als eene louter

negatieve assistentie des H. G., waardoor de schrijvers voor dwaling

werden behoed. Beide deze richtingen hielden vast aan de feilloosheid

der H. Schrift, maar vereenzelvigden deze feitelijke uitkomst met den

goddelijken oorsprong der Schrift. Daarentegen werd de onfeilbaarheid

in zaken, die niet in engeren zin religieus-ethisch waren, prijsgegeven

en de inspiratie tot het eigenlijk dogmatisch-ethische beperkt door

Erasmus, op Mt. 2, Hd. 10, en Apologia adv. monachos quosdam Hispanos,

Abbé Le Noir, Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible

Paris 1880, de Broglie, Langen in Bonn, Rohling, Natur und Offenbarung

1872. Verwant is daarmede de voorstelling van Holden, doctor der

Sorbonne, in zijne Divinae fidei analysis 1770 en Chrismann, Regula

fidei catholicae, die bij de geloofs- en zedewaarheden eene eigenlijke

inspiratie aannamen maar bij den overigen inhoud der Schrift slechts

zulk eene assistentie leerden, als welke alle geloovigen genieten. Van

gelijke strekking is ook de opvatting in de Roomsche Tübinger school,

wier vertegenwoordigers Drey, Apologetik 1838 S. 204 f. Kuhn, Einl.

in die Dogmatik 1859 S. 9 f. Schanz, Apol. des Christ. II 318 f. enz.

onder invloed van Schleiermacher, de inspiratie in verband brachten

met heel het organisme der openbaring, en in verschillende mate tot

de verschillende deelen der Schrift zich lieten uitstrekken. De

meeste Roomsche theologen na de Reformatie bewandelen een middenweg.

Zij verwerpen eenerzijds de laxe inspiratie die alleen in negatieve

assistentie of posterieure approbatie zou bestaan hebben, want dan

waren alle besluiten der concilien, dan was al het ware geinspireerd

te noemen. Anderzijds ontkennen zij ook de strenge inspiratio verbalis,

volgens welke alle zaken niet alleen maar ook zelfs alle singula

verba gedicteerd en ingegeven zijn, want vele zaken en woorden waren

den schrijvers bekend en behoefden dus niet geinspireerd te worden;

het verschil in taal en stijl, het gebruik van bronnen enz. bewijst

ook de onjuistheid der verbale inspiratie. Eene inspiratio realis

is dus genoeg, die soms bepaald openbaring, soms echter assistentie

is. Deze theorie vinden wij bij Bellarminus, de Verbo Dei. I c. 14.

cf. de Conc. II c. 12. XII c. 14. C. a Lapide op 2 Tim. 3:16. de

Theologia Wirceburgensis, disp. 1 cap. 1. Marchini, de divinitate et

canonicitate sacr. Bibl. Pars 1 art. 7. Liebermann, Instit. theol.

ed. 8. 1857 I p. 385 sq. Perrone, Praelect. Theol. IX 1843 p. 66

sq. Heinrich, Dogm. I 382 f. Franzelin, Tractatus de div. Script.

Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 50. H. Denzinger, Vier Bücher von der

relig. Erk. II 108 f. F. Schmid, de inspirationis Bibl. vi et ratione.

Jansen, Praelect. theol. I 767 sq. Zie verder over deze verschillende

theorieën van de inspiratie Perrone ib. IX 58 sq. Jansen, ib. 762 sq.

P. Dansch, Die Schriftinspiration 1891. S. 145 f. Het Vaticanum droeg

wel geen bepaalde theorie voor, maar veroordeelde toch beslist die

van de inspiratio subsequens en de mera assistentia, en verklaarde,

na het Trentsche besluit te hebben herhaald, dat de kerk die boeken

voor heilig en kanoniek erkent, niet omdat zij sola industria humana

concinnati, sua (d. i. der kerk) deinde autoritate sint approbati; noch

ook, omdat zij revelationem sine errore contineant; maar daarom dat zij

Spiritu Sancto inspirante conscripti Deum habent auctorem, atque ut

tales ipsi ecclesiae traditi sunt. In can. 2, 4 noemt het concilie de

boeken nog eens divinitus inspiratos. In cap. 3 de fide zegt het, dat

fide divina et catholica ea omnia credenda sunt, quae in verbo Dei

scripto vel tradito continentur. Dit besluit laat aan duidelijkheid

niets te wenschen over. De Roomsche kerk vat de inspiratie op als

eene positieve inwerking van Gods Geest en houdt de onfeilbaarheid der

Schrift vast. En de encycliek van Leo XIII de studiis Scripturae sacrae

18 Nov. 1893 is geschreven in ditzelfde geloof.

7. De Hervormers namen de Schrift en hare theopneustie aan, gelijk

hun die door de kerk was overgeleverd. Luther heeft nu en dan van

uit zijn soteriologisch standpunt over sommige boeken, Esther, Ezra,

Neh., Jakobus, Judas, Openb. een ongunstig oordeel geveld en kleinere

onjuistheden toegegeven, maar toch aan de andere zijde de inspiratie

in den strengsten zin vastgehouden en tot de letters toe uitgebreid.

Bretschneider, Luther an unsere Zeit 1817. Schenkel, Das Wesen der

Protest. II 56 f. Köstlin, Luthers Theologie II 246 f. W. Rohnert,

Was lehrt L. von der Insp. der H. Schrift. Leipzig 1890. Fr. Pieper,

Luthers doctrine of inspiration, Presbyt. and Ref. Rev. April 1893 p.

249-266. De Luthersche symbolen hebben geen afzonderlijk artikel over

de Schrift, maar onderstellen haar goddelijken oorsprong en autoriteit

allerwege, Conf. Aug. praef. 8. art. 7. Art. Smalc. II art. 2. 15.

Form. Conc. Pars I Epit. de comp. regula atque norma 1. De Luthersche

dogmatici, Melanchton in de praefatio voor zijne loci, Chemniz, Examen

Conc. Trid. Loc. 1. Gerhard, Loci Theol. loc. 1. enz. hebben allen

dezelfde opvatting. Niet eerst Quenstedt en Calovius, maar reeds

Gerhard noemt de schrijvers Dei amanuenses, Christi manus et Spiritus

Sancti tabelliones sive notarios, ib. loc. 1. cap. 2 § 18. Lateren

hebben het beginsel slechts verder ontwikkeld en toegepast, Heppe,

Dogmatik des deutschen Prot. I. 207-257. Hase Hutt. Rediv. § 38 f.

Schmid, Dogm. der ev. luth. K. cap. 4. Rohnert, Die Inspiration der

H. Schrift 169 f. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie 1891. S.

212 f. Bij de Gereformeerden treffen we dezelfde leer over de Schrift

aan. Zwingli stelt het uitwendig woord dikwerf achter bij het inwendig,

geeft historische en chronologische onnauwkeurigheden toe, en breidt

de inspiratie soms tot heidensche schrijvers uit, Zeller, Das theol.

System Zwingli’s 137 f. Chr. Sigwart, Ulr. Zwingli 45 f. Maar Calvijn

houdt de Schrift in vollen en letterlijken zin voor Gods woord, Instit.

I. c. 7-8, Comm. op 2 Tim. 3:16 en 2 Petr. 1:20; hij erkent den brief

aan de Hebreën wel niet voor paulinisch maar toch voor kanoniek,

en neemt Mt. 22:9, 23:25 eene fout aan, maar niet in de autographa,

Cramer, De Schriftbeschouwing van Calvijn. Heraut. n°. 26 v. Moore,

Calvins doctrine of holy Scripture, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893

p. 49 etc. De Geref. confessies hebben meest een artikel over de H.

Schrift en spreken haar goddelijk gezag duidelijk uit, I Helv. 1-3. II

Helv. 1. 2. 13. 18. Gall. 5. Belg. 3. Angl. 6. Scot. 18 enz.; en de

Geref. theologen nemen allen zonder onderscheid ditzelfde standpunt in,

Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 1-33. Zanchius, Op. VIII col. 319-451.

Junius, Theses Theol. cap. 2. Polanus, Synt. Theol. I 15. Synopsis,

disp. 2. Voetius, Disp. Sel. I. 30 sq. etc. Cramer, De roomsch-kath.

en oudprot. Schriftbeschouwing. Heraut n°. 26 v. Heppe, Dogm. der ev.

ref. K. S. 9 f. Eene enkele maal is er eene zwakke poging tot meer

organische beschouwing te bespeuren. De inspiratie bestond niet altijd

in openbaring, maar, als het bekende zaken gold, in assistentia en

directio; de schrijvers waren niet altijd passief, maar ook wel actief,

zoodat ze hun eigen verstand, geheugen, oordeel, stijl gebruikten, maar

zoo, dat ze toch door den H. G. werden geleid en voor dwaling behoed,

Synopsis 3:7. Rivetus, Isag. seu introd. generalis ad Script. V. et

N. T. cap. 2. Heidegger, Corpus Theol. loc. 2. § 33. 34, maar ook

daarmede werd aan de goddelijkheid en onfeilbaarheid van de Schrift

niet de minste afbreuk gedaan. De schrijvers waren geen auctores, maar

scriptores, amanuenses, notarii, manus, calami Dei. De inspiratie was

niet negatief maar altijd positief, een impulsus ad scribendum en eene

suggestio rerum et verborum. Zij deelde niet alleen onbekende maar ook

reeds bekende zaken en woorden mede, want de schrijvers moesten deze

dan toch juist nu en juist zóó, niet alleen materialiter maar ook

formaliter, niet alleen humane maar ook divine weten, Schmid, Dogm.

der ev. luth. K. 23, 24. Voetius, Disp. I 30. De inspiratie strekte

zich uit tot alle chronol. histor. geogr. zaken, tot de woorden, zelfs

tot vokalen en teekens. J. Buxtorf, Tract. de punctorum origine,

autiquitate et auctoritate 1648. Anticritica 1653. Alsted, Praecognita

Theol. p. 276. Polanus, Synt. Theol. I p. 75. Voetius, Disp. I 34.

Cons. Helv. art. 2. Barbarismen en soloecismen werden in de H. S.

niet aangenomen. Verschil van stijl werd verklaard uit den wil des

H. G., die nu zoo en dan anders wilde schrijven, Quenstedt en Hollaz

bij Rohnert, Die Inspir. der H. Schrift 205. 208. Winer, Grammatik

des N. T. Sprachidioms, 6e Aufl. 11 f. Voetius ib. Gomarus, Op. 601.

Materialiter, wat letters, syllaben en woorden aangaat, is de Schrift

e sensu creaturarum, maar formaliter, wat den sensus θεοπνευστον

betreft, male creaturis accensetur, cum sit mens, consilium, sapientia

Dei. Hollaz, Exam. ed. Teller p. 992, bij Dausch 112. In 1714 schreef

Nitzsche in Gotha, volgens Tholuck, Vermischte Schriften II 86, eene

dissertatie over de vraag, of de H. Schrift zelve God ware.

8. Maar toen de inspiratietheorie, evenals bij de Joden en de

Mohammedanen, zoo haar uiterste consequentie getrokken had, kwam van

alle kant de bestrijding op. Ook in vroegeren tijd ontbrak het niet aan

kritiek op de Schrift. Jojakim verbrandde de rol van Baruch, Jer. 36.

Apion vatte alle beschuldigingen saam, die door de Heidenen tegen

de Joden werden ingebracht aangaande de besnijdenis, het verbod van

zwijnenvleesch, den uittocht uit Egypte, het verblijf in de woestijn, enz.

Josephus, contra Apionem, J. G. Muller, Des Flavius Josephus’ Schrift

gegen den Apion 1877. De Gnostieken, Manicheën en de hun verwante

secten in de Middeleeuwen rukten het N. Test. los van het Oude, en

schreven dit aan een lageren god, den demiurg, toe. Vooral Marcion in

zijne Antitheses, en zijne leerlingen Apelles en Tatianus, uitgaande

van de paulinische tegenstelling van gerechtigheid en genade, wet en

evangelie, werken en geloof, vleesch en geest, richtten hun aanval

tegen de anthropomorfismen, de tegenstrijdigheden, de onzedelijkheid

van het O. T., en zeiden, dat een God, die toornt, berouw heeft,

zich wreekt, jaloersch is, diefstal en leugen beveelt, nederdaalt,

eene strenge wet geeft enz. niet de ware God kan zijn. Ook wezen ze

met voorliefde op het groote verschil tusschen Christus, den waren

Messias, en den Messias, gelijk de profeten hem verwachtten. Van het

N. T. verwierp Marcion alle geschriften behalve die van Lukas en

Paulus, en bedierf ook deze nog door verkorting en interpolatie,

Tertullianus, adv. Marcionem. Epiphanius, Haer. 42. Irenaeus, adv.

haer. passim. Harnack, Dogmengesch. I 226 f. Celsus zette dezen strijd

op scherpzinnige wijze voort en leverde eene scherpe kritiek op de

eerste hoofdstukken van Genesis, de scheppingsdagen, de schepping

des menschen, de verzoeking, den val, den zondvloed, de ark, Babels

torenbouw, de verwoesting van Sodom en Gomorra, en voorts op Jona,

Daniël, de bovennatuurlijke geboorte van Jezus, den doop, de opstanding,

de wonderen en beschuldigde Jezus en de apostelen, bij gebrek aan

betere verklaring, van bedrog. Porphyrius maakte een aanvang met de

historische kritiek der Bijbelboeken; hij bestreed de allegorische

exegese des O. T., schreef den Pentateuch aan Ezra toe, hield Daniël

voor een product uit den tijd van Antiochus, en onderwierp ook vele

verhalen in de Evangeliën aan een scherpe kritiek. Julianus heeft later

al deze aanvallen tegen de Schrift in zijne Λογοι κατα χριστιανων nog

eens vernieuwd. Maar daarmede was het einde der toenmalige kritiek

bereikt. De Schrift kwam tot algemeene en onbetwiste heerschappij; de

kritiek werd vergeten. Zij herleefde in de Renaissance, maar werd toen

nog een tijd lang door de Reformatie en de Roomsche contra-reformatie

bedwongen. Straks verhief ze zich op nieuw, in het rationalisme, het

deïsme en de Fransche philosophie. Eerst richtte zij zich meer tegen

den inhoud der Schrift in de rationeele achttiende eeuw; daarna meer

tegen de echtheid der geschriften in de historisch gezinde negentiende

eeuw. Porphyrius vervangt Celsus, Renan volgt na Voltaire, Paulus van

Heidelberg maakt plaats voor Strauss en Baur. Maar het resultaat blijft

altijd hetzelfde, de Schrift is een boek vol dwaling en leugen.

Ten gevolge van deze kritiek hebben velen de leer der inspiratie

gewijzigd. Eerst wordt de inspiratie nog wel vastgehouden als eene

bovennatuurlijke werking des H. G. bij het schrijven, maar tot het

religieus-ethische beperkt; bij het chronologische, historische enz.

wordt zij verzwakt of ontkend, zoodat hier grootere of kleinere fouten

kunnen voorkomen. Het Woord Gods is te onderscheiden van de H. Schrift.

Zoo leerden reeds de Socinianen. De schrijvers van O. en N. T. hebben

wel geschreven divino spiritu impulsi eoque dictante, maar het O.

T. heeft slechts historische waarde, alleen de leer is onmiddellijk

geinspireerd, in het overige is een leviter errare mogelijk, Fock,

Der Socin. 326 f. De Remonstranten namen hetzelfde standpunt in. Zij

erkennen de inspiratie, Conf. art. 1, maar geven toe, dat de schrijvers

zich soms minder exacte et praecise hebben uitgedrukt, Limborch,

Theol. Christ. I c. 4 § 10, of soms ook in de circumstantiae fidei

hebben gedwaald, Episcopius, Instit. Theol. IV 1 cap. 4, of sterker

nog bij de historische boeken geen inspiratie behoefden noch ontvingen,

H. Grotius, Votum pro pace ecclesiae, Clericus, bij Dr. Cramer, De

geschied. van het leerstuk der inspiratie in de laatste twee eeuwen

1887, bl. 24. Dezelfde leer over de inspiratie vinden wij dan bij S.

J. Baumgarten, J. G. Töllner, Semler, Michaelis, Reinhard, Dogm. §

19. Vinke, Theol. Christ. Dogm. Comp. 1853 p. 53-57. Egeling, Weg der

Zaligheid, 3e dr. II 612, enz. Maar deze theorie stuitte toch op vele

bezwaren. De scheiding tusschen hetgeen ter zaligheid noodig is en het

bijkomstig historische is onmogelijk, wijl leer en geschiedenis in de

Schrift geheel zijn dooreengeweven. Zij doet te kort aan de bewustheid

der schrijvers, die hun gezag volstrekt niet tot het religieus-ethische

beperken maar uitbreiden tot den ganschen inhoud hunner geschriften.

Zij is in strijd met het gebruik der Schrift door Jezus, de apostelen

en heel de christ. kerk. Deze dualistische opvatting maakte daarom

plaats voor eene andere, de dynamische van Schleiermacher, Christ. Gl.

§ 128-132. Zij bestaat hierin, dat de theopneustie van intellectueel op

ethisch gebied wordt overgebracht. De inspiratie is niet in de eerste

plaats eene eigenschap van de Schrift maar van de schrijvers. Dezen

waren wedergeboren, heilige mannen; ze leefden in de nabijheid van

Jezus, ondergingen zijn invloed, verkeerden in den heiligen kring der

openbaring en werden alzoo vernieuwd, ook in hun denken en spreken.

De inspiratie is de habitueele eigenschap der schrijvers. Hier deelen

ook hunne geschriften in; ook zij dragen een nieuw, heilig karakter.

Maar deze inspiratie der schrijvers is daarom niet essentieel, maar

slechts gradueel van die van alle geloovigen onderscheiden, want alle

geloovigen worden geleid door den H. Geest. Zij mag ook niet mechanisch

worden opgevat, alsof zij slechts nu en dan en bij sommige onderwerpen

het deel der schrijvers was. Gods Woord is niet mechanisch in de Schrift

vervat gelijk de schilderij in de lijst, maar het doordringt en bezielt

alle deelen der Schrift, gelijk de ziel alle leden des lichaams. Echter

zijn niet alle deelen der Schrift deze inspiratie, dit woord Gods,

in gelijke mate deelachtig; hoe dichter iets ligt bij het centrum der

openbaring, hoe meer het ook den Geest Gods ademt. De Schrift is daarom

tegelijk een goddelijk en een menschelijk boek, eenerzijds de hoogste

waarheid bevattend en toch tevens zwak, feilbaar, onvolmaakt; niet de

openbaring zelve maar oorkonde der openbaring; niet het woord Gods

zelf maar beschrijving van dat woord; gebrekkig in velerlei opzicht maar

toch een voldoend instrument voor ons, om tot eene feillooze kennis van

de openbaring te geraken. Ten slotte is ook niet de Schrift, maar de

persoon van Christus of in het algemeen de openbaring het principium

der theologie. Natuurlijk laat deze theorie der inspiratie zeer vele

wijzigingen toe; de theopneustie kan in meer of minder innig verband

tot de openbaring worden gesteld, de werking des H. Geestes kan meer

of minder positief worden opgevat, de mogelijkheid van dwaling kan meer

of minder ver worden toegegeven. Maar de grondgedachten blijven toch

dezelfde; de inspiratie is in de eerste plaats eene eigenschap van de

schrijvers en daarna van hunne geschriften, zij is niet een momentane

akte of eene bijzondere gave des H. Geestes maar eene habitueele

eigenschap, zij werkt zoo dynamisch, dat mogelijkheid van dwaling niet

in alle deelen wordt uitgesloten. Deze theorie heeft de oude leer der

inspiratie bijna geheel vervangen. Er zijn slechts weinige theologen

meer, die niet in hoofdzaak haar hebben overgenomen. Zie Rothe, Zur

Dogm. 121 f. Twesten, Vorles. I 401 f. Dorner, Glaub. I 620 f. Lange,

Dogm. I § 76 f. Tholuck, art. Inspir. in Herzog¹. Cremer, id. in

Herzog². Hofmann, Weiss. u. Erf. I 25 f. Id. Schriftbeweis, 2e Aufl.

I 670 f. III 98 f. Beck, Vorles. über christl. Glaub. I 424-530,

Einleitung in das System der christl. Lehre, 2e Aufl. § 82 f. Kahnis,

Luth. Dogm. I 254-301. Frank, Syst. der chr. Gewissheit II 57 f. Id.

Syst. der chr. Wahrheit, 2e Aufl. II. 409 f. Gess, Die Inspiration der

Helden der Bibel und der Schriften der Bibel, Basel 1892. W. Volck,

Zur Lehre von der H. Schrift, Dorpat 1885. Grau, Bew. d. Glaubens Juni

1890, S. 225 f. Zöckler, Bew. d. Gl. April 1892 S. 150 f. Kähler, Wiss.

der chr. Lehre, 1884, S. 388 f. Kübel, Ueber den Unterscheid zw. der

posit. u. der liber. Richtung in der mod. Theol. 2e Aufl. S. 216 f.

Pareau et H. de Groot, Comp. dogm. et apol. Christ. 1848 p. 200 sq. H.

de Groot, De Gron. Godgel. 1855 bl. 59 v. Saussaye, mijne Theol. van

Ch. d. l. S. 49-61. Roozemeyer, Stemmen v. W. en Vr. Juli 1891. Dr.

Is. van Dijk, Verkeerd Bijbelgebruik 1891. Daubanton, De theopneustie

der H. Schrift 1882. Oosterzee, Dogmatiek § 35 v. Id. Theopneustie

1882. Doedes, Leer der zaligheid § 1-9. Id. De Ned. Geloofsbel. bl.

11-36. R. F. Horton, Inspiration and the Bible 4 ed. London 1889.

C. Gore, Lux mundi, 13 ed. London 1892, p. 247. Farrar and others,

Inspiration, a clerical symposium, 2 ed. Londen 1888. W. Gladden, Who

wrote the Bible, Boston, Houghton 1891. C. A. Briggs, Inspiration and

inerrancy, with papers upon biblical scholarship and inspiration by L.

J. Evans and H. P. Smiths, and an introduction by A. B. Bruce, London

1891. J. de Witt, Inspiration 1893 enz. Ook Ritschl en zijne school mag

hier bijgenoemd worden, in zoover deze tegenover de bewustzijnstheologie

op de objectieve openbaring in Christus nadruk legt en in verband

daarmede ook de Schrift tracht te waardeeren, A. Ritschl, Rechtf. u.

Vers. II² 9 f. W. Herrmann, Die Bedeutung der Inspirationslehre für

die ev. Kirche, Halle 1882. Kaftan, Wesen der christl. Rel. 1881 S.

307 f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 212-252. E. Haupt, Die Bedeutung

der H. Schrift für den evang. Christen, Gütersloh 1891 enz. Maar deze

theorie bevredigt noch de gemeente noch ook de zoogenaamde wetenschap.

De kritische bezwaren tegen de Schrift gelden niet de peripherie

maar het centrum zelf der openbaring. Daarom zijn anderen nog verder

gegaan en hebben heel de inspiratie als eene bovennatuurlijke werking

van Gods Geest ontkend. De Bijbel is eene toevallige verzameling van

menschelijke geschriften, zij het ook geschreven door mannen met een diep

religieus gemoed en ontstaan onder een volk, dat bij uitnemendheid het

volk van den godsdienst mag heeten. Van openbaring en ingeving is er

dan nog slechts in overdrachtelijken zin sprake. Hoogstens is er eene

bijzondere leiding van Gods algemeene voorzienigheid in het ontstaan en

de verzameling dier geschriften op te merken. De inspiratie is alleen

gradueel verschillend van de religieuse bezieling, waarin alle vromen

deelen, Spinoza, Tract. theol. polit. cap. 12. Wegscheider, Instit.

theol. § 13. Strauss, Glaub. I 136 f. Schweizer, Glaub. I 43 f. 179 f.

Biedermann, Dogm. § 179-208. Pfleiderer, Grundriss § 39 f. Lipsius,

Dogm. § 179 f. Scholten, L. H. K. I 78 v. Toch is het opmerkelijk,

dat al deze mannen nog tot op zekere hoogte de religieuse waarde der

Schrift blijven erkennen. Zij zien in haar niet alleen eene bron voor

de kennis van Israël en van het eerste Christendom, maar trachten

haar ook nog te handhaven als een genademiddel tot kweeking van het

religieus-ethische leven, cf. Bruining, Theol. Tijdschr. Nov. 1894 bl.

587 v. In zoover onderscheiden zij zich gunstig van alle radikalen, die

met de Schrift geheel hebben afgerekend, alle piëteit voor haar hebben

uitgeschud en niets dan spot en verachting voor haar over hebben.

Hiervan waren in de eerste eeuwen Celsus en Lucianus de tolken; tegen

het einde der Middeleeuwen vond de lastering van de tres impostores

ingang; in de 18e eeuw werd aan dezen haat tegen het Christendom

uiting gegeven door Voltaire, die van 1760 af voor het Christendom

geen anderen naam had dan l’infâme en sedert 1764 zijne brieven meest

onderteekende met écrasez l’infâme; en in deze eeuw is deze vijandschap

tegen Christus en zijn woord nog toegenomen en uitgebreid.

Tegenover al deze meer of min negatieve richtingen wordt de inspiratie

der Schrift in positieven en vollen zin nog in deze eeuw erkend en

verdedigd, behalve door Roomsche theologen, door I. da Costa, Over de

godd. ingeving der H. S., uitgeg. door Ds. Eggestein, Rott. Bredée

1884. Dr. A. Kuyper, De Schrift het woord Gods, Tiel 1870. Id. De

hedend. Schriftcritiek, Amst. 1881. Toorenenbergen, Bijdragen tot de

verklaring, toetsing en ontwikkeling van de leer der Herv. Kerk,

1865, bl. 9 v. L. Gaussen, Theopneustie ou inspiration plénaire

des S. Ecritures 1840. Id. Le Canon des S. Ecr. 1860. J. H. Merle

d’Aubigné, L’autorité des Ecritures 1850. A. de Gasparin, Les écoles

du doute et l’école de la foi 1853. Philippi, Kirchl. Glaub. 3e

Aufl. 1883 I 125 f. Vilmar, Dogm. herausgeg. von Piderit, Gütersloh

1874 I 91 f. W. Rohnert, Die Inspiration der H. Schrift u. ihre

Bestreiter, Leipzig 1889. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie,

Breslau 1891. Henderson, Divine Inspiration 1836. Rob. Haldane, The

verbal inspiration of the old and new test. Edinb. 1830. Th. H.

Horne, An introduction to the critical study and knowledge of the

holy scriptures, 2e ed. London 1821 4 vol. vol. I. Eleazar Lord,

The plenary inspiration of the holy Scripture, New-York 1858, ’9. W.

Lee, The inspiration of holy Scripture, its nature and proof. 3e ed.

Dublin 1864. Hodge, System. Theol. I 151. Shedd, Dogm. Theol. I 61

B. Warfield, The real problem of inspiration, Presb. and Ref. Rev.

Apr. 1893 p. 177-221. W. E. Gladstone, The impregnable rock of holy

Scripture, 2 ed. London 1892.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 20 / 28 题