7. Deze organische opvatting van de openbaring is in de christelijke
kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zoowel door het
supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme). Tegenover
beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en gehandhaafd te
worden. Eerst tegenover het supranaturalisme, dat vooral in Rome is
opgekomen en dan in verschillende richtingen binnen het Protestantisme
nawerkt. De Schrift kent wel onderscheid tusschen den gewonen gang
der dingen en buitengewone werken Gods, maar maakt toch nog niet de
tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de
kerkvaders voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke
vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens Alex.,
Strom. 2, 2 spreekt reeds van ὑπερφυης θεωρια, die men verkrijgt
door het geloof. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen, noemt de wonderen
ὑπερ φυσιν en φυσει μειζονα. Ambrosius, de mysteriis c. 9. stelt
gratia, miraculum, mysterium tegenover de ordo naturae. Johannes
Damascenus spreekt meermalen van de wonderen, zooals de ontvangenis
van Christus, de eucharistie enz. als ὑπερ φυσιν, ὑπερ λογον και
ἐννοιαν, de fide orthod. IV 12-15. Cf. Denzinger, Vier Bücher von der
relig. Erk. I 82 f. Sedert heeft de onderscheiding van natuurlijk en
bovennatuurlijk ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de
christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding ook
recht van bestaan. De Schrift moge ze niet met zooveel woorden maken;
zij erkent toch eene gewone orde der natuur en daarbij daden en werken,
welke hun oorzaak alleen hebben in de macht Gods. De openbaring in
de H. Schrift onderstelt, dat er nog eene andere, hoogere en betere
wereld is dan deze natuur en dat er dus eene ordo rerum is supra hanc
naturam. De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom
duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt in het
algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of invloed van buiten,
alleen naar zijne inwendige krachten en wetten zich ontwikkelt. Natuur
staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding, cultuur, geschiedenis,
welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar door menschelijk toedoen
tot stand komen. Maar verder wordt het begrip natuur uitgebreid tot
heel den kosmos, voor zoover deze niet van buiten maar van binnen
uit, door immanente krachten en naar eigene ingeschapen wetten zich
beweegt en ontwikkelt. Bovennatuurlijk is dan alwat de krachten der
natura creata te boven gaat en zijne oorzaak niet heeft in de schepselen
maar in de almacht Gods. In dezen zin werd de bijzondere openbaring
in de christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen, had ze
haar oorsprong in eene bijzondere daad Gods, welke niet in den gewonen
gang der natuur maar in eene eigene, daarvan onderscheiden, orde van
zaken zich had geopenbaard. Daarbij werd dan verder nog onderscheid
gemaakt tusschen het bovennatuurlijke in absoluten zin, als iets de
kracht van alle creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in
relatieven zin, als het de kracht van eene bepaalde oorzaak in de
gegeven omstandigheden overtreft; en voorts ook nog tusschen het
supernaturale quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk
is, b.v. de opwekking van een doode, en het supernaturale quoad
modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v. de
genezing van een kranke zonder middelen, Thomas, S. c. Gent. III
101. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelve nog geen gevaar.
Zelfs moeten zij tegenover eene wijsbegeerte, die het bovennatuurlijke
ontkent of verzwakt, verdedigd worden. De uitdrukking bovennatuurlijk
is n.l. in de latere theologie en philosophie menigmaal in zeer
gewijzigden zin verstaan, en beurtelings met het bovenzinlijke (Kant),
het vrije (Fichte), het onbekende (Spinoza, Wegscheider), het nieuwe
en oorspronkelijke (Schleiermacher), het religieus-ethische, het
geestelijke (Saussaye), enz. vereenzelvigd. Maar zulk eene wijziging
van de vaststaande en duidelijke beteekenis van een woord leidt tot
misverstand. Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan
het bovenzinlijke, het ethische. enz., doet men beter den term te
vermijden. En de verwarring wordt nog grooter, als men het natuurlijke
en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze fusie dan den naam
van het Geistleibliche, Godmenschelijke, enz. geeft. Het begrip natuur
omvat al het geschapene, niet alleen de stof, de materie, maar ook
ziel en geest; niet alleen het physische maar ook het psychische,
het religieuse en het ethische leven, voor zoover het uit den
menschelijken aanleg vanzelf opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook
onzienlijke, bovenzinnelijke dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het
oorspronkelijke, het geniale, het vrije, het religieuse, het ethische,
enz. identisch, maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor
datgene, wat uit de krachten en naar de wetten der geschapene dingen
niet is te verklaren. Tot zoover is de onderscheiding, tusschen
natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de christelijke theologie opkwam,
volkomen juist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend. Behoudens
het gezegde boven bl. 230 v., is bijzondere openbaring, in haar drie
vormen van theophanie, profetie en wonder, bovennatuurlijk in strikten
zin.
Maar in de christelijke theologie werd het begrip van het
bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd eenerzijds
van de schepping en andererzijds van de geestelijke wonderen der
wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding werd
gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor God, maar alleen voor ons
bestaat en de gewone orde, door de schepping in het aanzijn geroepen,
onderstelt. Van het bovennatuurlijke kan alleen gesproken worden, als
de natuur vooraf reeds bestaat. En andererzijds werden wedergeboorte,
vergeving, heiligmaking, unio mystica enz., wel voor rechtstreeksche
daden Gods gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring
gerekend, wijl zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de kerk tot
de gewone ordo rerum behooren. De kerk zelve is wel supranatureel
maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke en het wonder zijn
weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke is geen wonder, maar wel
omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen bovennatuurlijke, maar bovendien
ook nog ongewone en zeldzame gebeurtenissen in natuur of genade. Zij
geschieden niet alleen praeter ordinem naturae alicujus particularis,
maar praeter ordinem _totius_ naturae creatae. Engelen en duivelen
kunnen in eigenlijken zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen,
die ons wonderlijk toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae
creatae _nobis notae_, Thomas, S. Theol. I qu. 110 art. 4. S. c. Gent.
I 6. III 112. Voetius, Disp. II. 973 sq. Thomas spreekt niet alleen van
wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam, qu. de miraculis,
art. 2 ad 3, Müller, Natur u. Wunder, Strassburg 1892 S. 145. En
Voetius zeide, dat wonderen wel niet zijn contra naturam universalem
sed supra et praeter eam, maar toch ook soms konden zijn contra naturam
aliquam particularem, Disp. II 973, cf. Gerhard, Loci Comm. Loc. 22 §
271 sq. En wonderen hadden dus de volgende kenteekenen: opus immediatum
Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem
veritatis, Voetius, ib. II 965. Gerhard, ib. loc. 22 § 271. Hoeveel
goeds er nu ook wezen moge in deze door de scholastiek gemaakte
bepalingen en onderscheidingen, ze brachten toch geen gering gevaar
met zich. De bijzondere openbaring werd eenerzijds losgemaakt van de
schepping en de natuur; al werd erkend, dat bovennatuurlijke openbaring
niet eerst nu maar ook reeds voor den val had plaats gehad, Calovius,
Isag. ad theol. p. 49, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de
natuur, toch werd dit niet ingedacht. Andererzijds werd de bijzondere
openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken der
genade, die voortdurend plaats hebben in de kerk van Christus en dus
geïsoleerd van de herschepping en de genade. De bijzondere openbaring
kwam dus geheel op zich zelve te staan, zonder verband met natuur en
geschiedenis. Haar historisch en organisch karakter werd miskend. Zij
ging niet in wereld en menschheid in, maar bleef buiten en boven haar
zweven. Zij werd eindelijk opgevat als eene leer, als eene verkondiging
van onbegrepen en onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was
door de wonderen. Zij was en bleef in één woord een donum superadditum
van den kosmos.
8. In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel consequent
uitgewerkt. In God zijn er twee conceptiën van den mensch, van zijne
natuur en bestemming. De mensch in puris naturalibus, zonder het beeld
Gods, gelijk hij feitelijk na den val nog is, kan eene zuivere kennis
van God hebben uit zijne werken, kan Hem dienen en vreezen en in eene
normale, op zich zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle
natuurlijke deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God,
en kan het alzoo brengen tot een zekeren staat van geluk in dit en
in het toekomende leven. Brengt hij het zoover niet, dan is dat zijne
eigene schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken van
de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God wil aan den mensch nog
eene hoogere, bovennatuurlijke, hemelsche bestemming geven. Dan moet hij
daartoe aan den mensch verleenen dona superaddita zoowel voor als nu
na den val. Hij moet hem schenken eene bovennatuurlijke genade, waardoor
hij God op eene andere, betere, hoogere wijze kan kennen en liefhebben,
betere en hoogere deugden kan beoefenen, en eene hoogere bestemming kan
bereiken. Die hoogere kennis bestaat in de fides; die hoogere liefde
in de caritas; die hoogere deugden zijn de theologische, geloof, hoop,
liefde, welke essentieel van de virtutes cardinales (intellectuales et
morales) zijn onderscheiden; en die hoogere bestemming bestaat in het
kindschap Gods, de geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap
aan de Goddelijke natuur, de θεωσις, deificatio, de visio Dei enz. Deze
leer is in sommige uitspraken der kerkvaders reeds voorbereid, maar is
toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door Halesius, Summa
universae Theol. II qu. 91 m. 1. a. 3. Bonaventura, Breviloquium V cap.
1. Thomas disp. de verit. qu. 27. S. Theol. I 2. qu. 62 art. 1. In den
strijd tegen Bajus en Jansenius werd ze kerkelijk vastgesteld, Denzinger,
Enchir. symbol. et definit. num. 882 sq. en door het Vaticanum
nadrukkelijk uitgesproken, Sess. III cap. 2: revelatio absolute
necessaria dicenda est, -- -- quia Deus infinita bonitate sua ordinavit
hominem ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina. quae
humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1 Cor. 2:9. Cf.
Canones II 3. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 2e Aufl. 1872 II S. 3-151.
Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I 105 f. II 75 f. Scheeben,
Handb. der kath. Dogm. II 1878 S. 240 f. Id. Natur u. Gnade Mainz
1861. Schäzler, Natur u. Gnade. Oswald, Religiöse Urgeschichte der
Menschheit 2e Aufl. 1887 § 1 f.
Nu dient erkend te worden dat het onderscheid in den toestand
vóór en na den val niet ligt in openbaring op zich zelve. Er was
bovennatuurlijke openbaring ook in het paradijs, Gen. 1:28 v.; 2:16 v.;
ze is dus niet door de zonde eerst noodzakelijk geworden. Zelfs was er
ook in den status integritatis eene openbaring der genade, want ook
toen was de relatie der liefde, waarin God zich stelde tot den mensch,
een betoon van ongehoudene goedheid. Wat door de zonde dus noodzakelijk
is gemaakt, is niet de openbaring op zichzelf, maar de bepaalde inhoud
der openbaring, dat is de gratia specialis, de openbaring Gods in
Christus, de ἐνσαρκωσις του θεου. Openbaring Gods is er noodig geweest
ook voor de religie in den status integritatis. Maar de religio
christiana is op eene bijzondere, bepaalde openbaring gegrond. Hierop
heeft Paulus het oog als hij in 1 Cor. 2 vs. 4-16 spreekt van de wijsheid
Gods, die altijd verborgen is geweest en in het hart des menschen niet
is opgeklommen. Rome kan dit eigenlijk zelf niet ontkennen, tenzij het
de leer aanvaarde, dat, in de onderstelling dat God aan den mensch
een finis supernaturalis wilde schenken, heel de supranatureele orde,
die er nu is in de incarnatie, de kerk, de sacramenten, ook zonder en
buiten de zonde noodzakelijk zou geweest zijn. Daarmede zou echter het
soteriologisch karakter der openbaring geheel te loor gaan, de val zijn
beteekenis verliezen en de zonde hoegenaamd geene verandering hebben
gebracht. De leer van den finis supernaturalis heeft dan ook in de
Roomsche kerk altijd veel tegenspraak ontmoet, bij Bajus, Jansenius,
Hirscher, Hermes, Günther; maar ze hangt ten nauwste saam met heel het
Roomsche systeem, dat gebouwd is niet op de religieuse tegenstelling
van zonde en genade, maar op het graadonderscheid in het goede, op
de rangordening der schepselen en der deugden, op de hierarchie in
physischen en in ethischen zin. De Reformatie had echter maar ééne
idee, ééne conceptie van den mensch, nl. die van beelddrager Gods, en
deze gold voor alle menschen. Als dat beeld in engeren zin verloren
is, dan is daarmee heel de menschelijke natuur geschonden, en kan de
mensch geen religie en geen ethos meer hebben, welke aan den eisch
Gods en aan zijne eigene idee beantwoorden. Dan is zijne religie en zijne
deugd, hoe schoon ze schijnen, toch in den wortel bedorven. Er is geen
religio naturalis. Alle religies zijn superstities geworden. Maar daarom
is de religio christiana ook essentieel één met de religio vera in
den status integritatis. De Gereformeerden dreven dit zoover, dat ze
zeiden dat ook Adam de kennis der triniteit en het geloof had gehad,
dat ook toen de Logos mediator was geweest, niet reconciliationis maar
unionis, dat ook toen de H. Geest de auteur van alle deugd en kracht
was enz. De ware gedachte lag erin, dat de wil van God geen willekeur
is, die beurtelings deze en dan die idee van den mensch zich vormt;
dat de conceptie van den mensch, de natuur van het beeld Gods, en dus
ook de religio ééne moet zijn. En daaruit volgde dan eindelijk, dat de
openbaring niet absoluut maar relatief, niet quoad substantiam maar
quoad modum noodzakelijk was. De religio is ééne voor en na den val; dat
ze echter christiana is, dat is noodzakelijk geworden door de zonde. De
religio christiana is middel, geen doel; Christus is middelaar, maar
het einde is ὁ θεος τα παντα ἐν πασιν, 1 Cor. 15:28.
Daarmede is nu verder gegeven, dat de openbaring niet absoluut kan
staan tegenover de natuur. Bij Rome is er quantitatieve tegenstelling;
de religio naturalis is essentieel verschillend van de religio
supernaturalis; beide staan naast elkaar; het zijn twee geheel
verschillende concepties, twee gansch onderscheiden systemen en
ordeningen; de ordo gratiae heft zich hoog op boven de orde naturae.
Maar de Reformatie heeft die quantitatieve tegenstelling in eene
qualitatieve omgezet. De openbaring staat niet tegenover de natuur,
maar tegenover de zonde. Dat is de macht, die de openbaring zoekt te
breken, maar de natuur herstelt zij en voltooit zij. De schepping zelve
is reeds openbaring. Openbaring was er voor den val. Openbaring is er
ook nu nog in alle werken van Gods handen in natuur en geschiedenis.
Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit de schepselen verstaan
en doorzien. Analogieën van profetie en wonder zijn er ook buiten de
revelatio specialis. De inspiratie der helden en kunstenaars, de
wondere krachten, die soms aan ’t licht treden, kunnen tot opheldering
en bevestiging dienen van de openbaringsfeiten, in de Schrift
vermeld. Zelfs de mantiek en magie in de heidensche godsdiensten
zijn verschijnselen, die als caricatuur nog gelijkenis toonen met het
oorspronkelijk beeld in de openbaring. Ja, deze grijpt zelve als het
ware in de natuur terug, sluit zich daarbij aan en bereidt zich daarin
voor. De gratia communis wijst naar de gratia specialis heen, en
deze neemt gene in dienst. Natura commendat gratiam, gratia emendat
naturam. Even creation itself is built up on redemption lines, Orr, The
christian view of God and the world, p. 323. Zie verder mijne rede over
De algemeene Genade, Kampen 1894.