8. Daarmede heeft echter de algemeene openbaring niet hare waarde en
beteekenis verloren. Ten eerste is ze van groote beteekenis voor de
heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag der heidensche
godsdiensten. De H. Schrift velt over het Ethnicisme een gestreng
oordeel en verklaart zijn oorsprong uit afval van de zuivere kennisse
Gods. Wel bleef deze kennis, die ’s menschen oorspronkelijk eigendom
was, nog een tijd lang nawerken Gen. 4:3. 8:20, en openbaarde de
schepping Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de
menschen, verdwaasd in hunne gedachten en verduisterd in hun hart,
hebben God kennende Hem als God niet verheerlijkt of gedankt. Daarbij
is de verwarring der spraak en de verstrooiïng der volken Gen. 11
zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme van grooten invloed
geweest, Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei 16:6. Schelling, Einleitung
in die philos. der Mythologie I 94 f. Delitzsch, Comm. op Gen. 11.
Auberlen, De goddelijke openbaring I 187 v. Fabri, Die Entstehung des
Heidenthums und die Aufgabe der Heidenmission 1859. Herzog² 12:108.
Het Hebr. גּוֹי, de door afkomst en taal verbondene menigte, natie,
naast גַּם het door eenheid van bestuur verbondene volk wijst hier
ook op. Want גּוֹיִים, ἐθνη wordt doorgaans van de heidensche volken
gebruikt, en beteekent niet alleen volken maar ook heidenen; het
woord heeft eene nationale maar tegelijk ook eene ethisch-religieuse
beteekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen. De eenheid Gods
en dus ook de reinheid der religie ging bij de splitsing der menschheid
in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn eigen, nationalen god. En
toen eenmaal het begrip van de eenheid en de absoluutheid Gods was te
loor gegaan, konden naast dien éénen nationalen god andere machten
langzamerhand als goden erkend en vereerd worden; de idee van het
goddelijke wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten
treden op den voorgrond en stijgen in beteekenis; de grens tusschen het
goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewischt; en de religie kan
zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in tooverij en magie. Het
karakter der heidensche godsdiensten bestaat dan ook volgens de Schrift
in afgoderij. De heidensche goden zijn afgoden, zij bestaan niet, zij zijn
leugen en ijdelheid Jes. 41:29, 42:17, 46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28.
Hd. 14:15, 19:26. Gal. 4:8. 1 Cor. 8:5. In die religies werkt zelfs
eene daemonische macht Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Apoc.
9:20. De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan
Israel, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis Jes.
9:1, 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid Hd. 17:30.
1 Petr 1:14. Rom 1:18 v.; als ingebeelde ijdele wijsheid 1 Cor. 1:18 v.,
2:6, 3:19 v.; als zonde en ongerechtigheid Rom 1:24 v., 3:9 v.
De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming een
ontzachlijk probleem. Op zichzelve is de oplossing, welke de Schrift
ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar zij beveelt zich
zelfs door haar eenvoud en hare natuurlijkheid aan. Toch heeft de
philosophie, zoowel die van de historie als van de godsdiensten, zich
met die oplossing niet tevreden gesteld en eene andere beschouwing
voorgedragen, welke lijnrecht tegen die der Schrift overstaat. Wel
vindt de verheerlijking van den kinderlijken toestand der volken, gelijk
die in de vorige eeuw gebruikelijk was, thans geene instemming meer.
Maar de theorie der evolutie, die thans ter verklaring dienst doet,
is evenzeer met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het
levende uit het levenlooze, het organische uit het anorganische, den
mensch uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hoogere uit
het lagere tracht af te leiden, zoo zoekt de godsdienstwetenschap van
den nieuweren tijd den godsdienst uit een vroegeren godsdienstloozen
toestand en de zuivere religie uit de primitieve vormen van feticisme,
animisme enz. te verklaren. D. Hume is daarmede reeds begonnen
in zijne Natural history of religion. Bij Hegel paste zij geheel
in het kader zijner pantheïstische philosophie, Vorlesungen über
die Philosophie der Religion 1832. En sedert heeft ze hoe langer
hoe meer verbreiding en verdediging gevonden, Buckle, History of
civilization in England 1858. W. E. H. Lecky, History of the rise and
influence of the spirit of rationalism in Europe 1865. E. B. Tylor,
Researches into the early history of mankind and the development
of civilization 2d ed. 1870. Id. Primitive Culture 1872. Sir John
Lubbock, Prehistoric times as illustrated by ancient remains and
the manners and customs of modern savages 1865. Id. The origin of
civilization and the primitive condition of man 1870. H. Spencer, The
principles of sociology 1876-’82. F. von Hellwald, Kulturgeschichte
in ihrer natürlichen Entwicklung bis zur Gegenwart, 3e Aufl. 1883.
O. Caspari, Die Urgeschichte der Menschheit mit Rücksicht auf die
natürliche Entwicklung des frühesten Geisteslebens 1873. G. Roskoff,
Das Religionswesen der rohesten Natürvolker 1880. Ed. von Hartmann,
Religionsphilosophie, Leipzig. O. Pfleiderer, Religionsphilos. auf
geschichtl. Grundlage, 2e Aufl. 1883-84. H. Siebeck, Lehrb. der
Religionsphilosophie 1893. A. Reville, Prolégomènes de l’histoire
des religions, Paris 1881. C. P. Tiele, De plaats v. d. godsd. der
natuurvolken in de godsdienstgeschiedenis 1873. Id. Over de wetten
der ontwikkeling van den godsdienst, Theol. Tijdschr. 1874. Id. Gesch.
v. d. godsd. 1876 enz. Hoe algemeen deze leer der evolutie echter
ook aangenomen zij, in elk geval heeft zij nog geen hoogeren rang dan
dien van eene hypothese. Maar zij verklaart de verschijnselen niet. In
de natuurwetenschap stuit zij nog altijd af op de feiten van leven,
bewustzijn, spraak, taal, wil enz. En in de godsdienstwetenschap blijft
het ontstaan en het wezen, de waarheid en de waarde der religie protest
tegen haar indienen. Dat voorts de natuurvolken den oorspronkelijken
toestand der menschheid vertegenwoordigen, dat feticisme en animisme
de oudste godsdienstvormen zijn, en dat de eerste menschen gelijk waren
aan kinderen of wilden, zijn meeningen, die voldoenden grond missen
en daarom ook hoe langer hoe meer tegenspraak ontmoeten. Schelling
nam in zijne Philosophie der Mythologie und Offenbarung een relatief
monotheïsme als oorspronkelijk aan. Max Müller erkent een zoogenaamd
henotheïsme als primitieven godsdienst, Vorlesungen über Ursprung und
Entwicklung der Religion S. 292 f. Deutsche Rundschau Sept. 1878. Cf.
Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 95 v. 191 v. en Hoekstra, Wijsg. Godsd.
146 v. Ook de meening, dat de verschillende godsdiensten opeenvolgende
momenten zijn in één ontwikkelingsproces, is veel minder waarschijnlijk
dan die, welke ze houdt voor ontaardingen van eene soort, Kähler,
Wiss. der chr. Lehre I 185. De leer der Schrift over den oorsprong en
het wezen van het Ethnicisme wordt daarom meer of minder beslist nog
verdedigd door Lüken, Die Einheit des Menschengeschlechts und dessen
Ausbreitung über die ganze Erde 1845. Doedes, De toepassing van de
ontwikkelingstheorie niet aan te bevelen voor de gesch. der godsd.
1874. E. L. Fischer, Heidenthum und Offenbarung 1878. Zöckler, Die
Lehre vom Urstand des Menschen, Gütersloh 1879. Id. Art. Polytheismus
in Herzog². Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la Bible et
les traditions des peuples orientaux, 3 vol. 1880-84. Diestel, der
Monoth. des Heidenthums, Jahrb. f. deutsche Theol. 1860 S. 669-759. A.
Tholuck, Der sittliche Charakter des Heidenthums 3e Aufl., Werke VIII
1865 S. 1-91. J. N. Sepp, Das Heidenthum und dessen Bedeutung für das
Christenthum, 3 Theile Regensburg 1853. C. Pesch, Gott und Götter.
Eine Studie zur vergleichenden Religionswissenschaft. Freiburg 1890.
Formby-Krieg, Der Monotheïsmus der Offenbarung und das Heidenthum.
Mainz 1880. Ebrard, Apologetik, 2e Aufl. Gütersloh 1878-80. II 521
f. Vigouroux, La Bible et les découvertes modernes en Palestine, en
Egypte et en Assyrie, 4 vol. James Orr, The Christian view of God and
the world, Edinburgh, Elliot 1893 p. 141, 193, 431, 466, 501. S. H.
Kellogg, The genesis and growth of religion, New-York and London 1892.
Cf. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. S. 7 f. 23 f.
9. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeele over het karakter van
het heidendom, juist de algemeene openbaring die zij leert stelt ons
in staat en geeft ons recht, om al de elementen van waarheid te
erkennen, die ook in de heidensche religies aanwezig zijn. De studie
der godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst der dogmatiek
en apologetiek. De godsdienststichters, zooals Mohammed, werden
eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers des duivels
gehouden. Cf. Dr. Snouck Hurgronje, De Islam. Gids 1886 II 239 v.
Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is
deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en
met de psychologie in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de
heidenen eene openbaring Gods, eene verlichting van den Logos, eene
werking van Gods Geest, Gen. 6:17, 7:15. Ps. 33:6, 104:30, 139 vs. 2.
Job 32:8. Pred. 3:19. Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14. Joh. 1:9. Rom.2:14.
Gal. 4:1-3. Hd. 14:16, 17; 17 vs. 22-30. Vele kerkvaders, Just. Martyr,
Apol. 1,47, Clemens Alex. Strom. I 7 e. a. namen eene werkzaamheid van
den Logos in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer
ongunstig over de heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid
in schaduw zagen, de civ. 19,1 de trin. 4.20, dat de waarheid hun
niet ten eenenmale verborgen was, de civ. 8:11 v. en dat wij dus met
het ware in de heidensche philosophie onze winste moeten doen en het
ons moeten toeëigenen, de doctr. chr. 2,60. Non usque adeo in anima
humana imago Dei terrenorum affectuum labe detrita est, ut nulla in
ea velut lineamenta extrema remanserint, unde merito dici possit,
etiam in ipsa impietate vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de
spir. et. litt. c. 27, 28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars,
Retract. I c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mensch als redelijk
wezen, zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen
kan, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. maar getuigt ook II 2 qu. 172 art.
6, dat het onmogelijk is esse aliquam cognitionem quae totaliter sit
falsa, absque admixtione alicujus veritatis, en beroept zich daarbij
op de woorden van Beda en Augustinus: nulla falsa est doctrina, quae
non aliquando aliqua vera falsis intermisceat. De Gereformeerden waren
er nog beter aan toe door hunne leer van de gratia communis. Hierdoor
werden ze eenerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat de
sufficientia der theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond aan de
onderhouding der lex naturae; maar konden zij toch andererzijds al het
ware en schoone en goede erkennen dat ook in de heidenwereld aanwezig
was. Wetenschap, kunst, zedelijk, huiselijk, maatschappelijk leven enz.
werden uit die gratia communis afgeleid en met dankbaarheid erkend
en geprezen, Calv. Inst. II, 2. § 12 v. II 3. § 3 v. Zanchius, Opera
VIII 646 sq. Wttewrongel, Christ. Huishoudinge I 288-299. Witsius,
Oec. foed. III 12. § 52. Id. Twist des Heeren met zijn wijngaart cap.
19. Turret, Theol. El. 10:5. Vossius, Hist. Pelag. 3:3. Pfanner,
Systema Theol. Gentilis cap. 22 § 33. Trigland, Antapologia cap.
17. Moor, Comm. in Marckii Comp. IV 826-829. Cf. mijne rede over De
algemeene Genade, Kampen 1894. Gewoonlijk werd deze werking der gratia
communis nu wel gezien in ’t zedelijk en verstandelijk, maatschappelijk
en staatkundig leven, maar minder dikwijls in de religies. Dan werd
alleen van eenige religio naturalis, insita en acquisita gesproken,
maar het verband tusschen deze en de religies niet aangetoond. De
godsdiensten werden uit bedrog of daemonische invloeden afgeleid. Maar
niet alleen in wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in
de religies is er eene werking van Gods Geest en van zijne algemeene
genade op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis,
een sensus divinitatis, Inst. I, 3, 1-3. I, 4, 1. II, 2, 18. Immers,
de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen werktuigen van
Satan, maar mannen die religieus aangelegd voor hun tijd en voor hun
volk een roeping hadden te vervullen, en op het leven der volken een
gunstigen invloed hebben uitgeoefend. De verschillende godsdiensten,
met hoeveel dwaling ook vermengd, hebben tot op zekere hoogte de
religieuse behoeften bevredigd en troost in de smart van het leven
geschonken. Niet alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van
vertrouwen, hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz.
komen ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die
essentieel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn, behoefte
aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus, gebed enz.
komen verbasterd maar komen toch zoo ook in de heidensche godsdiensten
voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar niet aan onbewuste voorzeggingen
en treffende verwachtingen van een betere en zuiverder religie. Daarom
staat het Christendom niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom
over; het is er ook de vervulling van. Het Christendom is de ware maar
daarom ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle
godsdiensten. Wat in het Ethnicisme caricatuur is, is hier het levende
origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat daar gezocht wordt, is
hier te vinden. Het Christendom is de verklaring van het Ethnicisme.
Christus is de Beloofde aan Israel en de Wensch aller heidenen.
Israel en de gemeente zijn uitverkoren ten bate der menschheid. In
Abrahams zaad worden alle geslachten der aarde gezegend. Zie behalve
de bovengenoemde werken van Fabri, Sepp, Tholuck e. a. ook nog Clemens
Alex. Strom. 1, 1. 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes § 6. Orig. c. Cels. 4, 4.
Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2. Beck,
Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2e Aufl. 1870 S. 45 f.
Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. l. S. bl. 31 v. 46 v. 83
v. V. von Strauss und Torney, Das unbewusst Weissagende im vorchristl.
Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens VIII). Staudenmaier,
Encycl. der theol. Wiss. 1835 § 428 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm.
134 f. Kuyper, Encycl. III 445 v. 563 v.
10. Maar de revelatio generalis heeft niet alleen voor de heidenwereld,
maar ook nog in en voor de christelijke religie beteekenis. Haar waarde
is echter niet daarin gelegen, dat zij ons eene theologia of religio
naturalis, een moralischen Vernunftglauben verschaft, die op zich
zelve voldoende zou wezen en al het positieve in den godsdienst zou
kunnen missen. Zulk een religio naturalis wordt er nergens gevonden en
is ook niet bestaanbaar. Evenmin is het de bedoeling der revelatio
generalis dat de Christen uit haar zijn eerste kennis over God, wereld
en mensch zou putten, om deze dan later aan te vullen met de kennis
van Christus. Ritschl en zijne volgelingen stellen het zoo voor, alsof
de dogmaticus in de loci de Deo en de homine de stof alleen nam uit de
revelatio generalis, en dan de stof voor de volgende loci eerst putte
ging uit de H. Schrift. De dogmaticus zou dan eerst staan buiten en
voor het christelijk geloof, en dan bij de latere dogmata in dat geloof
zijne positie nemen, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4. Maar dit is
de methode van de reformatorische dogmatiek althans in den beginne
niet geweest. Als de Christen zijn geloof belijdt in God den Vader, den
Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, dan is dat in den vollen
zin christelijk geloof. En de dogmaticus ontdoet zich niet eerst van
dit zijn geloof, om uit de algemeene openbaring eene redelijke leer over
God en den mensch saam te stellen en deze later met de openbaring in
Christus aan te vullen. Maar hij put zijne kennis enkel en alleen uit de
revelatio specialis, d. i. uit de H. Schrift. Deze is zijn principium
unicum. Maar hij beperkt deze bijzondere openbaring niet tot den persoon
van Christus, gelijk die in enkele gedeelten der Schrift, bijv. in
de Synopt. Evangeliën of alleen in de Bergrede geteekend wordt. De
gansche openbaring, die in de Schrift is samengevat, is eene revelatio
specialis, welke in Christus tot ons komt. Christus is middelpunt en
inhoud van heel die bijzondere openbaring, welke bij het Paradijs begint
en in de Apocalypse zich voltooit. De bijzondere revelatie heeft nu
de algemeene erkend en gewaardeerd, en heeft ze zelfs overgenomen
en als het ware geassimileerd. En zoo doet ook de Christen, zoo ook
de dogmaticus. Hij staat in het christelijk geloof, in de revelatio
specialis en ziet van daar uit ook in de natuur en geschiedenis. En
nu ontdekt hij daar sporen van dienzelfden God, dien hij in Christus
leerde kennen als zijn Vader. Juist als Christen, door het geloof, ziet
hij de openbaring Gods in de natuur veel beter en duidelijker, dan hij
ze vroeger opmerken kon. De psychische mensch verstaat de sprake Gods
in de natuur en de geschiedenis niet. Hij doorzoekt het gansch heelal,
zonder God te vinden. Maar de Christen, gewapend met de bril der H.
Schrift, R. de Sabunde, Theol. Natur. in den Prologus, Calvijn, Inst.
I 6, 1., ziet God in alles en alles in God. Daarom treffen we in de
Schrift eene natuurpoëzie en eene geschiedbeschouwing aan, zooals die
nergens wordt gevonden. De geloovige vindt dus met zijne christelijke
belijdenis ook in de wereld zich terecht; hij is er geen vreemdeling in,
en ziet daar geen andere macht heerschen, dan die hij ook in Christus
als zijn Vader aanroept. Door die algemeene openbaring voelt hij zich
in de wereld thuis; het is Gods vaderlijke hand, uit welke ook in het
natuurlijke alle dingen hem toekomen.
In die algemeene openbaring heeft hij verder een vasten bodem, waarop hij
alle niet-christenen ontmoeten kan. Hij heeft eenzelfden grondslag met
hen gemeen. Door zijn christelijk geloof moge hij eene geïsoleerde positie
innemen, hij moge zijne geloofsovertuigingen niet aan anderen kunnen
bewijzen; in de algemeene openbaring heeft hij toch een aanknoopingspunt
met al wie den naam van mensch draagt. Gelijk de klassieke propaedeuse
eene gemeenschappelijke basis legt bij alle mannen van wetenschap, zoo
houdt de algemeene openbaring alle menschen saam trots alle verschil
van religie. Subjectief is bij den geloovige de kennisse Gods uit de
natuur posterieur aan die uit de H. Schrift. Wij worden allen in een
bepaalden positieven godsdienst geboren. Alleen het oog des geloofs
ziet God in de schepping; ook hier geldt, dat slechts de reine van
hart God ziet. Maar objectief gaat toch de natuur aan de genade,
de revelatio generalis aan de revelatio specialis vooraf. Gratia
praesupponit naturam. De ontkenning, dat de religio en theologia
naturalis voldoende is en een eigen, zelfstandig bestaan heeft, doet
niets te kort aan het feit, dat er uit de schepping, uit natuur en
geschiedenis, uit hart en geweten eene sprake Gods komt tot iederen
mensch. Aan de macht der revelatio generalis ontkomt niemand. De
religie behoort tot het wezen van den mensch. De idee en de existentie
Gods, de geestelijke zelfstandigheid en de eeuwige bestemming van den
mensch, oorsprong en doel der wereld, de zedelijke wereldorde en haar
eindelijke triumf zijn problemen, die den menschelijken geest geen rust
laten. Het metaphysische Bedürfniss laat zich niet onderdrukken. De
wijsbegeerte zoekt altijd weer er aan te voldoen. Het is de revelatio
generalis, die deze behoefte levendig houdt. Zij belet, dat de mensch
zich verlage tot een dier. Zij bindt hem aan de bovenzinlijke wereld.
Zij handhaaft in hem het besef, dat hij naar Gods beeld is geschapen
en geen ruste vindt dan in God. De revelatio generalis bewaart de
menschheid, opdat en totdat zij door Christus gevonden en hersteld
wordt. Inzoover werd de theologia naturalis vroeger terecht eene
praeambula fidei, eene goddelijke voorbereiding en opvoeding tot het
Christendom genoemd. De algemeene openbaring is de grondslag, waarop de
bijzondere zich verheft.
En eindelijk komt de rijke beteekenis der algemeene openbaring nog daarin
uit, dat zij natuur en genade, schepping en herschepping, de Welt der
Wirklichkeit en de Welt der Werthe met elkander in onverbrekelijk
verband houdt. Zonder de algemeene openbaring verliest de bijzondere
den samenhang met heel het kosmische zijn en leven. Dan ontbreekt de
schakel, die het rijk der natuur en het koninkrijk der hemelen aan
elkander verbindt. Wie met de kritische philosophie de revelatio
generalis ontkent, doet vergeefsche moeite, om langs den weg der
practische Vernunft of der phantasie te herwinnen, wat hij verloor. Hij
heeft het steunpunt voor zijn geloof verloren. Het religieuse leven
staat los naast het gewone, menschelijke zijn; het beeld Gods wordt
een donum superadditum; de religie wordt evenals bij de Socinianen
vreemd aan de menschelijke natuur; het Christendom wordt een sectarisch
verschijnsel en van zijne katholiciteit beroofd; de genade staat vijandig
tegenover de natuur. Consequent is het dan, om met de ethische modernen
eene radikale scheiding aan te nemen tusschen de macht van het goede
en de natuurmacht. Ethos en physis liggen totaal gescheiden. De wereld
der Wirklichkeit en die der Werthe hebben niets met elkander te maken.
In beginsel wordt het Parsisme, het Manichaeisme vernieuwd. Daarentegen
handhaaft de revelatio generalis de eenheid van natuur en genade,
van wereld en Godsrijk, van de natuurlijke en de zedelijke orde, van
schepping en herschepping, van physis en ethos, van deugd en geluk, van
heiligheid en zaligheid, en in dit alles de eenheid van het goddelijk
Wezen. Het is eenzelfde God, die in de algemeene openbaring zich aan
niemand onbetuigd laat en die in de bijzondere openbaring zich kennen
doet als een God van genade. Algemeene en bijzondere openbaring werken
dus op elkander in. Praemisit Deus naturam magistram, submissurus
et prophetiam, quo facilius credas prophetiae discipulus naturae
(Tertullianus). Natura praecedit gratiam, gratia perficit naturam.
Ratio perficitur a fide, fides supponit naturam. Cf. Hofstede de Groot,
Institutio theol. nat. ed. 4. 1861. Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e
dr. I bl. 270 v. Kuyper, Nat. Godskennis, Uit het Woord III. Voigt,
Fund. dogm. 172 f.
§ 10. BIJZONDERE OPENBARING.
A. Middelen der bijzondere openbaring.
1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene
openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich
op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio
specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring uitdrukt,
zijn voornamelijk deze: גלה ontdekken, ni. ontdekt worden, zich
vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. 35:7; 1 Sam. 2:27,
3:21; Jes. 53:1, 56:1; Hos. 7:1, enz. ראה zien, ni. gezien worden,
zich vertoonen, schijnen, Gen. 12:7, 17:1, 18:1, enz.; ידע kennen,
ni. pi. hi. hithp. bekend maken, onderwijzen, Num. 12:6; ἐπιφαινειν
verschijnen Luk. 1:79; Tit. 1:11; subst. ἐπιφανεια, verschijning, vooral
van Christus in zijne wederkomst 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim.
4:1; Tit. 2:13; 2 Tim. 1:10 van Christus’ eerste komst; ἐμφανιζειν
openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen Mt. 27:53;
Joh. 14:21, 22; γνωριζειν bekend maken Luk. 2:15; Rom. 9:22; Ef. 3:3,
5, 10; δηλουν bekend maken 1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:14; δεικνυναι
toonen Joh. 5:20; λαλειν spreken Hebr. 1:1, 2:2, 5:5; vooral ook
ἀποκαλυπτειν en φανερουν. Beide woorden zijn niet te onderscheiden als
subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige vertooning
of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K. 4e dr. I 165 v. 299. Dogm.
Christ. Initia I 26 sq. meende: want ἀποκαλυπτειν wordt meermalen van
objectieve openbaring gebezigd Luk. 17:30; Rom. 1:17, 18, 8:18; Ef.
3:5; 2 Thess. 2:3, 6, 8; 1 Petr. 1:5, 5:1. Ook ligt het onderscheid
niet daarin, dat φανερουν de algemeene openbaring Gods in de natuur,
en ἀποκαλυπτειν de bijzondere openbaring der genade aanduidt, Neander,
Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche durch die
Apostel, 5te Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want φανερουν wordt
menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd Joh. 17:6; Rom. 16:26;
Col. 1:26; 1 Tim. 3:16; 2 Tim. 1:10, enz.; en ἀποκαλυπτειν komt Rom.
1:18 ook van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in
het gebruik van beide woorden laat zich in het N. T. moeilijk aanwijzen.
Maar etymologisch geeft ἀποκαλυπτειν te kennen het wegnemen van het
bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen was, en φανερουν het openbaar
maken van eene zaak, die verborgen of onbekend was. Bij het eerste valt
daarom de nadruk op het uit den weg ruimen van de verhindering, die
het kennen van het verborgene belette; op het mysterieus karakter van
datgene, hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke
daad, die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede
woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en onbekend
was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. Ἀποκαλυψις
neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen was; φανερωσις maakt
de zaak zelve openbaar. Daarmede hangt saam, dat φανερωσις altijd van
objectieve, ἀποκαλυψις beide van objectieve en subjectieve openbaring
wordt gebezigd; dat φανερωσις meermalen èn de algemeene èn de bijzondere
openbaring aanduidt, maar ἀποκαλυψις meest altijd de bijzondere en
slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn dan van
γνωριζειν en δηλουν wederom zoo onderscheiden, dat de beide eerste
de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming brengen, en
de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu ook maken tot inhoud van
ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F. G. B. van Bell, Disput. theol. de
patefactionis christianae indole ex vocabulis φαν. et ἀποκ. in libris
N. T. efficienda 1849. Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff,
De zelfstandigheid van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet.
Theol. 1870 bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s. v. Herzog² 12, 654. Voigt,
Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.
De christelijke religie komt dus daarin met alle historische
godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar de
overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en wijzen
toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen kunnen
tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats verlangt het
religieus geloof een God van nabij en niet van verre Hd. 17:27; het was
daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning der goden in eene of
andere gedaante, onder een of ander teeken, op eene of andere plaats.
Heilige plaatsen, heilige tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen
godsdienst. De goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met
hen op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd;
maar de goden wonen toch bij en onder de menschen op bepaalde plaatsen,
in bijzondere voorwerpen, en deelen hun zegen op bepaalde tijden mede. De
idololatrie, opgevat in den ruimsten zin, is geboren uit de behoefte
aan een God van nabij, Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54
f. 114 f. In de tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen,
dat de goden op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren,
hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels,
droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig en
uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden der
offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het toevallig
opslaan en openvallen van een boek, enz., μαντικη, divinatio. Nemo
vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic. de nat. deor. 2,
66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de defectu oraculorum, A.
Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l’antiquité, 4 vol.
1879-82. Saussaye t. a. p. 93 f. En eindelijk is in alle godsdiensten
het geloof aanwezig aan bijzondere tusschenkomst en hulp der goden
in tijden van nood; algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst,
waardoor menschen met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen,
amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar maken
en wonderbare werkingen te voorschijn brengen, Ennemoser, Gesch. der
Magie, 2e Aufl. Leipzig 1844. Alfr. Maury, La magie et l’astrologie
dans l’antiquité et au moyen-âge 1860. Lenormant, Les sciences occultes
en Asie, 2 vol. 1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn
de wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen
religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is zeker niet,
in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische werking,
noch ook uit onbekendheid met de natuurorde te verklaren, maar is een
noodzakelijk element in alle religie. De religieuse behoefte zoekt
bevrediging; en waar ze deze niet vindt in eene haar tegenkomende,
reëele openbaring Gods, zoekt ze haar in den weg der ἐθελοθρησκεια.
Zij neemt die geheimzinnige krachten in den mensch zelf of buiten hem
in de natuur in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene
bovennatuurlijke wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte
religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de πιστις. De hedendaagsche
verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie, magnetisme,
hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en toonen misschien ook
aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde van de menschelijke natuur
krachten verscholen liggen, welke een meer onmiddellijk rapport bewerken
kunnen met eene bovenzinlijke wereld en in elk geval het geloof aan
zoodanig rapport, zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz.
genoegzaam kunnen verklaren. There are more things in heaven and
earth, than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). Cf. art.
Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt aan
dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, Gen. 41:8;
Ex. 7:8; Deut. 13:1, 2; Mt. 7:22, 24:24; 2 Thess. 2:9; 2 Tim. 3:8;
Apoc. 13:13-15. Maar de religie in O. en N. T. wil beslist met alle
deze godsdienstige verschijnselen niets gemeen hebben. Zij staat er
principieel tegenover. Zij erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten
stelligste Lev. 19:26, 31, 20:27; Num. 23:23; Deut. 18:10, 11; Hd.
8:9, 13:6, 16:16, 19:13 v.; Gal. 5:20; Apoc. 21:8, 22:15. Profeten en
apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn geplaatst te
worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars. Er moge soms, b.v.
in de verschijningen aan de aartsvaders, overeenstemming van vorm zijn,
maar er is verschil in wezen. Theophanie, mantiek, magie zijn evenals
offerande, tempel, priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen
in de religie. Ze komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van
Israel, en in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft
haar offerande Ef. 5:2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor. 3:16,
enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de andere godsdiensten
ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke elementen der religie daar
ontbreken, maar is hierin gelegen, dat alwat in ’t Heidendom voorkomt
in caricatuur, in Israel tot schaduw en beeld, en hier tot waarachtige,
geestelijke realiteit is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat
Israels godsdienst eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel,
priesterschap, enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche
godsdiensten en andererzijds principieel ervan onderscheiden is,
zoodat alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel
onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie
niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de heidensche
godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd. 17:27; hij tracht op
allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, en trekt Hem neer in
het stof Rom. 1:23; hij poogt door allerlei middelen macht over God te
verkrijgen. Maar in de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt.
Hij schept hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt
Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten. Hij roept
en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij zondert de apostelen
af. Hij oordeelt eens levenden en dooden. Het Ethnicisme leert ons den
mensch kennen, in zijne rusteloosheid, in zijn ellende, in zijn onvrede,
en ook in zijne edele aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch
beide in zijne armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne
kracht; het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. Maar
de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en zoeken van den
mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn recht en zijne liefde. Maar
theophanie, profetie en wonder zijn ook hier de middelen, waardoor God
zich openbaart en geeft aan den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss
der altt. Prophetie zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882
S. 29 f. 753 f. Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 § 1.
Staudenmaier, Encycl. § 231 f. § 271 f. Schultz, Altt. Theologie, 4e
Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f.
2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is er in de H.
Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms zonder eenige nadere
omschrijving, Gen. 12:7, 17:1, 22, 26:2, 24, 35:9; Ex. 6:2, cf. ook
Gen. 11:5; Ex. 4:24, 12:12, 23, 17:6; Num. 23:4, 16; 1 Sam. 3:21; 2
Sam. 5:24; maar elders in den droom, Gen. 20:3, 28:12 v. 31 vs. 24;
1 Kon. 3:5, 9:2; of ook in het profetisch visioen, 1 Kon. 22:19 v.
Jes. 6. Ezech. 1:4 v., 3:12 v., 8:4 v., 10:1 v., 43:2 v., 44:4; Am.
7:7, 9:1; Dan. 7:9 v. Luk. 2:9; 2 Petr. 1:17; en menigvuldiger nog in
wolken van rook en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo
aan Abraham, Gen. 15:17 v., aan Mozes, Ex. 3:2, 33:18 v., op Sinaï,
Ex. 19:9, 16 v., 24:16, cf. vs. 9-11, Deut. 5:23, 9:15; Hebr. 12:28,
over het volk, Ex. 13:21 v., 14:19-24, 40 vs. 38; Num. 9:21, 14:14;
Deut. 1:33; Neh. 9:12, 19; Ps. 78:14, boven den tabernakel, Ex. 33:9,
40:34 v. Lev. 9:23; Num. 9:15-23, 11:17, 25, 12:5, 17:7, 20:6; Deut.
31:15; Ps. 99:7; Jes. 4:5, en in het heilige der heiligen Ex. 25:8,
22, 29:45, 46; Lev. 16:2, 26:11, 12; Num. 7:89, cf. ook nog aan Elia
1 Kon. 19:11 v. Deze verschijningen onderstellen geene lichaamlijkheid
Gods, Ex. 20:4, 33:20; Deut. 4:12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare
teekenen, waardoor zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de
H. Geest op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er
is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk uit het
goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen zich openbarende
tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt de goddelijke heerlijkheid,
כָּבוֹד, δοξα openbaar, Ex. 16:20, 24:17; Lev. 9:6, 23, 24; Num. 14:10,
16:19, 20:6; en daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een
verterend vuur Ex. 24:7; Lev. 9:23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8 vs.
10, 11; Jes. 6:4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke
teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn volk. Omgeven en
gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6 vs. 2, 6, zendt Hij dezen in
menschelijke gedaante naar deze aarde heen, om zijn woord en wil bekend
te maken. Zij komen reeds voor in Gen. 18, 19, 28:12, 32:1, 2; Deut,
33:2; Job 33:23; 1 Kon. 13:18 en hebben volgens Hd. 7:53; Gal. 3 vs.
19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der openbaring
vooral na de Ballingschap, Dan. 8:13, 9:11, 10:5; Zach. 1:7-6:5. Nog
vaker treden ze op in het N. Test.; ze zijn tegenwoordig bij de geboorte
van Jezus, Mt. 1:20, 2:13, 19; Luk. 1:11, 2:9, telkens in zijn leven,
Joh. 1:52; Mt. 4:6, bij zijn lijden, Mt. 26:53; Luk. 22:43, bij zijne
opstanding en hemelvaart, Mt. 28:2, 5; Luk. 24:23; Joh. 20:12; Hd.
1:10. In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd.
5:19, 8:26, 10:3, 11:13, 12:7, 23:9, 27:23; Apoc. 22 vs. 6, 16. En bij
zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen vergezeld Mt. 16:27,
25:31; Mk. 8:38; Luk. 9:26; 1 Thess. 3:13 enz. Onder al deze gezanten
Gods neemt de מלאך יהוה eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan
Hagar, Gen. 16:6-13, 21:17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24:7, 40;
aan Jakob, Gen. 28:13-17, 31:11-13, 32:24-30 cf. Hos. 12:4; Gen. 48:15,
16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3:2 v. 13:21, 14:19, 23:20-23,
32:34, 33:2 v. cf. Num. 20:16; Jes. 63:8, 9, en voorts nog Jos. 5:13,
14; Richt. 6:11-24, 13:2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig
symbool, noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke, adaequate
openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex. 23:20-23,
33:14 v.; Jes. 63:8, 9, en toch met Hem één in naam Gen. 16:13, 31:13,
32:28, 30, 48:15, 16; Ex. 3:2 v., 23:21; Richt. 13:1, 2; in macht Gen.
16:10, 11, 21:18, 18:14, 18; Ex. 14:21; Richt. 6:21; in verlossing en
zegening, Gen. 48:16; Ex. 3:8, 23:20; Jes. 63:8, 9; in aanbidding en
eere, Gen. 18:3, 22:12; Ex. 23:21. Na de verlossing uit Egypte treedt
de Malak Jhvh terug. God woont onder zijn volk in den tempel 1 Kon.
8:10 v.; 2 Chron. 7:1 v.; Ps. 68:17, 74:2, 132:13 v., 135:21. Daarheen
gaat het zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27:4, 42, 43,
48, 50, 63:3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen.
God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon. 8:27; Jer. 7:4;
Mich. 3:11; Hd. 7:48, 17:24. In het heilige der heiligen mocht slechts
de hoogepriester eenmaal ’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in
het O. T. nog niet haar einde en haar doel. Daarom wordt er nog eene
andere en heerlijker komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot
verlossing als tot gericht, Ps. 50:3, 96:13; Jes. 2:21, 30:27, 40 v.
passim. Mich. 1:3, 4:7; Zeph. 3:8; Joel 3:17; Zach. 2:10 v.; 14:9. De
Engel des verbonds treedt wederom op in de profetie Zach. 1:8-12, 3;
en zal komen tot zijnen tempel Mal. 3:1. De theophanie bereikt haar
hoogtepunt in Christus, die de ἀγγελος, δοξα, εἰκων, λογος, υἱος του
θεου is, in wien God ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken,
Mt. 11:27; Joh. 1:14; 14:9; Col. 1:15, 2:19, enz. Door Hem en den
Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in zijn volk
reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14:23; Rom. 8:9, 11;
2 Cor. 6:16. De gemeente is het huis Gods, de tempel des H. Geestes,
Mt. 18:20; 1 Cor. 3:16, 6:19; Ef. 2:21. Maar ook deze inwoning Gods
in de gemeente van Christus is nog niet het laatste en hoogste. Zij
bereikt haar volle verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan
is de tabernakel Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij
zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zij zullen
zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden wezen, Mt.
5:8; 1 Cor. 15:28; 1 Joh. 3:2; Openb. 21:3; 22:4. Cf. art. Theophanie
en Schechina in Herzog². Art. Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl.
Realwört. Trip, Die Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T.
Leiden 1858 en de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl.
1889 S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2te Aufl. 1882 S. 195 f. Smend,
Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System der
altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer, Wörterb.
s. v. δοξα. Delitzsch, Bibl. Psychol., 2e Aufl. 1861 S. 49 f. Keerl,
Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Van
Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.
3. Profetie. Onder profetie verstaan wij hier de mededeeling Gods van
zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor de naam van
inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister, als het begrip van
profetie ruimer is dan dat van inspiratie en ook de verkondiging
van die gedachten aan anderen omvat. Maar inspiratie is op grond
van 2 Tim. 3:16 vooral van de beschreven openbaring gebruikelijk. En
het woord profetie werd vroeger meermalen in onzen zin gebezigd,
Thomas, S. Theol. II 2 qu. 171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen
der gedachten van God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord
verkondigt. En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods
uitkomen, waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf
een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten Gods
nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking hebben
op het verleden, gelijk in de historische boeken der Schrift of op het
heden of op de toekomst. Maar altijd stelt de profetie de gedachten Gods
tegenover die der menschen, zijne waarheid tegenover hun leugen, zijne
wijsheid tegenover hun dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten
aan den mensch kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende
wijze. Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem en
taal, Gen. 2:16, 3:8-19, 4:6-16, 6:13, 9:1, 8 v., 32:26 v.; Ex. 19:9
v.; Num. 7:89; Deut. 5:4; 1 Sam. 3:3 v.; Mt., 3:17, 17:5; Joh. 12:28,
29. Op vele plaatsen wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere
omschrijving van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of
inwendig, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter draagt
dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch nedervalt als God
tot hem spreekt, maar met wien God sprak van mond tot mond, en omging
als een vriend met zijn vriend, Num. 12:6-8; Ex. 33:11, 34:29; Deut.
5:5, 18:15, 18; 2 Cor. 3:7; Gal. 3:19; Hebr. 3:5. Cf. Thomas S. Theol.
II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius, Instit. Theol.
III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kōl, eene hemelsche stem,
waardoor God zich openbaarde; maar deze stond lager dan de vroegere
profetie, en was gekomen nadat de geest der profetie had opgehouden,
Weber, System der altsyn. pal. Theol. 187, Herzog² 2, 130. Maar
dikwerf sluit God in de mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere
vormen aan, onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden
hun wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene
overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de Urim en Thummim,
de droom en het visioen. Het lot werd bij vele gelegenheden gebruikt,
op den grooten verzoendag Lev. 16:9, bij verdeeling van het land, Jos.
13:6, 14:2 enz., Neh. 11:1; van de Levietensteden, Jos. 21:4; van buit
Joel 3:3; Nah. 3:10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27:35; Joh. 19:23; bij
beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14:42; Spr. 16:33,
18:18; Jon. 1:7; bij verkiezing tot een ambt, 1 Sam. 10:19; Hd. 1:26;
1 Chron. 24:5; Luk. 1:9, enz.; ook het Godsoordeel, Num. 5:11-31 kan
hierbij gerekend worden, Herzog² 8 762. De Urim en Thummim, LXX δηλωσις
και ἀληθεια, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen 7 maal
voor Ex. 28:30; Lev. 8:8; Num. 27:21; Deut. 33:8; 1 Sam. 28:6; Ezra
2:63; Neh. 7:65. De U. en Th. zijn niet met de 12 edele steenen op den
borstlap des hoogepriesters identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8,
9 en velen na hem meenen, maar waren volgens Ex. 28:30 en Lev. 8:8
voorwerpen, die in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3.
Maar hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen,
door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden, in
twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in eene van
edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om te loten, is
geheel onbekend. De laatste meening heeft in den nieuweren tijd steun
gekregen in den door Thenius 1842 naar de LXX veranderden tekst van 1
Sam. 14:41. De U. en Th. zouden dan loten geweest zijn met ja en neen
en ook gebruikt zijn Richt. 1:1, 20:18; 1 Sam. 22:10, 15, 23:6, 9-11,
30:7 v.; 2 Sam. 2:1, 5:19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden, niet van
ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding Richt. 20:27; 1
Sam. 30:7 v.; 2 Sam. 5:23, 21:1; Richt. 1:1, 20:18; 2 Sam. 2:1, vooral
1 Sam. 10:22{b}; 2 Sam. 5:23; 1 Chron. 14:14, niet goed te verklaren.
De U. en Th. behoorden echter zeker wel tot eene zelfde categorie van
openbaring als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en
schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art. U.
en Th. in Herzog². Winer Realwört. Riehm, Wörterb. Keil, Archaeol. §
35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler, Altt. Th. S. 334 f.
Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1892 p.
717 etc.
Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel voor.
Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden, Homerus, Od. 19:560
v. Il. 1:63, 2:22, 56. Aristoteles, περι της καθ’ ὑπνον μαντικης.
Cicero, de divinatione 1:29. Philo, de somniis, enz. Herzog² 15:733. En
nog wordt door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber,
Schlaf und Tod, 2e Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten allen tijde, dat
droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus Od. 19:560 v. Arist. t. a.
p., en ook de H. S. wijst telkens op het ijdele der droomen Ps. 73:20;
Job 20:28; Jes. 29:7; Pred. 5:2, 6; Sirach 31:1 v., 34:1 v.; en schrijft
ze dikwerf aan de valsche profeten toe Jer. 23:25, 29:8; Mich. 3:6;
Zach. 10:2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen om zijn wil
bekend te maken, Num. 12:6; Deut. 13:1-6; 1 Sam. 28:6, 15; Joel 2:28
v.; zij komen bij Israelieten, maar ook meermalen bij niet-Israelieten
voor Gen. 20, 31, 40, 41; Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord,
eene mededeeling Gods, Gen. 20:3, 31:9, 24; Matth. 1:20, 2:12, 19, 22,
27:19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen verklaring
behoeft Gen. 28. 37:5, 40:5, 41:15; Richt. 7:13; Dan. 2, 4. Litter,
bij Herzog² 15:734. G. E. W. de Wijs, De droomen in en buiten den Bijbel
1858. Witsius, de proph. I cap. 5.
Met den droom is het visioen verwant Gen. 15:1, 11; 20:7; Num.
12:6. Reeds de namen רֹאֶה, חֹזֶה, נָבִיא en misschien ook צֹפֶה
waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten I 49, 51 v.
97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. II² 5 v. König, Der
Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch, Genesis³ 634. Schultz, Altt.
Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en de namen מַרְאֶה en חָזוֹן voor het
profetisch gezicht duiden waarschijnlijk aan, dat het visioen een niet
ongewoon middel der openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf
hunne oorspronkelijke beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als
er geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3:15; Jes. 1:1; Ob.
1; Nah. 1:1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens vermeld en
beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe. Gen. 15:1, 46:2; Num.
12:6, 22:3, 24:3; 1 Kon. 22:17-23; Jes. 6, 21:6; Jer. 1:24; Ezech. 1-3,
8-11, 40; Dan. 1:17, 2:19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth. 2:13,
19; Luk. 1:22, 24:23; Hd. 7:55, 9:3, 10:3, 10, 16:9, 22:17, 26:19; 1
Cor. 12-14; 2 Cor. 12:1; Apoc. 1:10, enz. Het visioen was menigmaal
van eene zekere geestvervoering vergezeld. Muziek, dans en extase
gaan saam; profetie en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10:5 v., 19:20-24;
2 Kon. 3:15; 1 Chr. 25:1, 25; 2 Chr. 29:30. Als de hand des Heeren op
de profeten valt, Jes. 8:11; Ezech. 3:14, 11:5 of de Geest over hen
komt, geraken zij menigmaal in een toestand van verrukking Num. 24:3;
2 Kon. 9:11; Jer. 29:26; Hos. 9:5, en vallen ter aarde Num. 24:3, 15,
16; 1 Sam. 19:24; Ezech. 1:28, 3:23, 43:3; Dan. 10:8-10; Hd. 9:4; Apoc.
1:17, 11:16, 22:8. In dien toestand worden hun de gedachten Gods in
symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In beelden en gezichten
wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1:13 v., 24:1 v.; Am. 7-9; Zach.
1-6; Apoc., enz.; vooral aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon.
22:17; 2 Kon. 5:26, 8:11 v.; Jer. 4:23 v., 14:18; Ezech. 8; Am. 7, enz.
Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden, 1 Kon.
18:41; 2 Kon. 6:32; Jes. 6:3, 8; Jer. 21:10, 49:14; Ezech. 1:24, 28,
2:2, 3:12; Apoc. 7:4, 9:16, 14:2, 19:1, 21:3, 22:8, enz. Zelfs worden
zij in den geest opgenomen en verplaatst, Ezech. 3:12 v., 8:3, 43:1;
Dan. 8:2; Matth. 4:5, 8; Hd. 9:10, 10, 11, 22:17, 23:11, 27:23; 2 Cor.
12:2; Apoc. 1:9, 12, 4:1, 12:18. Daniel was na het ontvangen van een
visioen eenige dagen krank, 7:28, 8:27. Toch was de extase waarin de
ontvangers der openbaring menigmaal verkeerden, geen toestand, waarbij
het bewustzijn geheel of gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de
toestand, waarin de grieksche μαντεις hunne godspraken gaven, Tholuck,
Die Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres, Just.
Martyr, Dial. c. Tryph, c. 135. Coh. ad Graecos c. 37. Athenagoras,
Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en in den nieuweren
tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner Christol. des A. T. III.
2. 158 f. hebben de extase der profeten alzoo opgevat. Maar dezen
ontvangen visioenen niet in slapenden maar in wakenden toestand, niet
alleen in de eenzaamheid, maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8:1. Onder
het visioen blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken,
vragen en antwoorden Ex. 4-6, 32:7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6 enz.
en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig mede, König,
Der Offenbarungsbegriff, I 160 f. II 83 f. Kuenen, De profeten I 96 v.
Oehler, Altt. Theol. § 207 f. Orelli in Herzog² 16:724. Daarom werd de
psychische gesteldheid der profeten onder het visioen door de meeste
theologen gehouden voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing,
voor eene alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene
alienatio a mente; zoo o. a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad
Simplic. II qu. 1. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de proph.
I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5 en in den nieuweren tijd
door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het O. T. Oehler, Altt.
Theol. § 210. Tholuck, Die Propheten S. 64 f. Kueper, Das Profetenthum
des Alten Bundes S. 51 f. Orelli bij Herzog² 16, 724. König, Offenb. II
132 f. Alleen heeft König, ten einde de objectiviteit te handhaven,
daaraan de eigenaardige meening toegevoegd, dat alle visioenen
uitwendig, lichamelijk en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn
vele verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling
der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid tusschen
theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde visioenen, 1
Kon. 22:17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.; Amos 7-9; Zach. 1-6,
enz. zeker inwendig en geestelijk. Vele zijn van dien aard, dat ze niet
zinnelijk voorstelbaar en waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij
van het uitwendige der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat
afhangen, en geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen
denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet dat er
ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het uitwendige
als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus de zekerheid der
openbaring door haar uitwendig karakter alleen niet voldoende bewezen
wordt, Orelli bij Herzog² 16:724 f. Kuenen H. C. O. II² 13. Van Leeuwen,
Bijb. Godg. 62 v. Borchert, Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit.
1895, 2tes Heft.
Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden de inwendige
verlichting. Hengstenberg, Christol. des A. T. III² 2 S. 158 cf. ook
Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase de gewone toestand was,
waarin de profeet bij het ontvangen der openbaring verkeerde. Maar dit
gevoelen is door velen, o. a. door Riehm, Mess. Weissagung² S. 15
f. König, Der Off. begriff II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans
algemeen verworpen. De extase is niet de regel, maar de uitzondering,
Kuenen, Prof. I 98. H. C. O² II 11. De meeste openbaringen aan de
profeten ook in ’t O. T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij
Jesaja, Hagg., Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel wordt dan
voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht” gebezigd, maar dit
geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien Jes. 1:1, 2:1; Amos
1:1; Hab. 1:1, 2:1; 1 Sam. 3:15; Ob. 1; Nah. 1:1 enz. De openbaring
geschiedt dan inwendig door den Geest, als Geest der openbaring. Wel
heeft König, Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest
niet is principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie,
d. i. dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring
subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook daardoor
de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven wilde en den
subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve woord van Jahveh.
Maar Num. 11:25-29; Deut. 34:9, 1 Sam. 10:6, 19:20 v.; 2 Sam. 23:2; 1
Kon. 22:24; 1 Chron. 12:18, 28:12; 2 Chron. 15:1, 20:14 v., 24:20; Neh.
9:30; Jes. 11:1, 30:1, 42:1, 48:16, 59:21, 61:1, 63:10 v., Ezech. 2:2,
3:24, 8:3, 11:5, 24; Micha 3:8; Hos. 9:7; Joël 2:28; Zach. 7:12, laten
zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve bekwaammaking
des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk, dat de profeten niet alleen
door maar uit den Geest spraken, dat de profetie voortkwam uit den
Geest in hen. Er was ook wel eene den profeet subjectief bekwaam
makende werkzaamheid des Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is
niet van de andere openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden
als König doet, zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel
uitwendig is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O² 14. En de leugengeest 1
Kon. 22:22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.²
16:721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen de bron der
verlichting, maar ook van de openbaring en profetie. Weber, System der
altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N. Test. verklaart even duidelijk,
dat de O. T. profeten spraken uit en door den Geest Gods, Hd. 28:25;
1 Petr. 1:11; 2 Petr. 1:21. Wel echter is er onderscheid in de wijze,
waarop de H. Geest in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt.
Onder het O. T. daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand
neer. Hij komt over de profeten, Num. 24:2; 1 Sam. 19:20, 23; 2 Chr.
15:1, 20:14; wordt vaardig over hen, Richt. 14:19, 15:14; 1 Sam. 10:6;
valt op hen, Ez. 11:5; trekt hen aan als een kleed, Richt. 6:34; 1 Chr.
12:18; de hand, d. i. de kracht des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8:11;
Ez. 1:3, 3:22, 8:1, 37:1, 40:1. Tegenover deze werking des Geestes
zijn de profeten dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde,
ontzetten zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen
toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend bezit van
de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen beiden; en de
stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover het volk. Heel de
profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom ook vooruit en verwacht
een profeet, op wien de Geest des Heeren rusten zal Deut. 18:18; Jes.
11:2, 61:1; ja zij voorspelt de vervulling van Mozes’ wensch, dat al
het volk des Heeren profeten mochten zijn Num. 11:29; en getuigt van
eene toekomstige woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren,
Jes. 32:15, 44:3, 59:21; Joël 2:28; Ez. 11:19, 36:27, 39:29. In het N.
T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet. Hij is als
Logos de volle en voltooide openbaring Gods, Joh. 1:1 v. 18, 14:9,
17:6; Col. 2:9. Hij ontvangt geen openbaring van boven of buiten, maar
is zelf de bron der profetie. De H. Geest komt niet over Hem en valt
niet op Hem neer. Hij woont in Hem zonder mate Joh. 3:34. Uit dien Geest
is Hij ontvangen, door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij,
Mt. 3:16, 12:28; Luk. 1:17, 2:27, 4:1, 14, 18; Rom. 1:4; Hebr. 9:14.
En dien Geest schenkt Hij, aan zijne discipelen, niet alleen als Geest
der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der openbaring en
verlichting, Mk. 13:11; Luk. 12:12; Joh. 14:17, 15:26, 16:13, 20:22;
Hd. 2:4, 6:10, 8:29, 10:19, 11 vs. 12, 13:2, 18:5, 21:4; 1 Cor. 2:12
v.; 12:7-11. Door dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd
tot het ambt van profeet, Rom. 12:7; 1 Cor. 14:3; Ef. 2:20, 3:5 enz.
Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T. niet, Mt. 24; Hd.
20:23, 21:8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc. Maar alle geloovigen zijn
toch de zalving des Geestes deelachtig, 1 Joh. 2:20; en zijn van den
Heere geleerd, Mt. 11:25-27; Joh. 6:45. Allen zijn profeten, die de
deugden des Heeren verkondigen, Hd. 2:17 v.; 1 Petr. 2:9. De profetie
als eene bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13:8. In het
nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn. De leugen
is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21:27, 22:4, 15. Litteratuur over
de profeten en de profetie bij Schultz Altt. Theol. 4e Aufl. 213 f;
en verder König, Der Offenbarungsbegriff des A. T. Leipzig, Hinrichs
1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek, 2e uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend,
Lehrbuch der altt. Religionsgesch. 1893. S. 79 f. Kuyper, Encycl. II
362 v. 429 v. C. H. Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894.
4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning en zijn
woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart zich God
ook niet alleen door zijn woorden maar ook door zijne werken. Woord en
daad staan in nauw verband. Gods woord is een daad, Ps. 33:9; en zijn
doen is een spreken, Ps. 19:2, 29:3; Jes. 28:26. Beide, woord en daad,
verzellen elkaar in schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk
gaat het woord vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat
de daad als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar
doet wat Hem behaagt, Jes. 55:10, 11. Het woord eischt de daad; het
wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook het zijn
moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de Schrift de daden, de
werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend. Naar hunne uitwendige
verschijning zijn ze נִפְלָאוֹת Ex. 3:20, 34:10; Ps. 71:17; פֶּלֶא Ex.
15:11; Jes. 25:1, insignia, ingentia, of מוֹפְתִים Ex. 4:21, 7:19; Ps.
105:5, splendidum quid, beide gr. τερατα, iets bijzonders, ongewoons,
dat van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten
גְּבוּרוֹת Deut. 3:24; Ps. 21:14, 54:3, 66:7, δυναμεις, מַעֲשִׂים
Ps. 8:7, 19:2, 103:22; Jes. 5:19 of עֲלִילוֹת Ps. 9:12, 77:13 ἐργα
μεγαλεια, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in openbaart.
Vooral worden ze ook genoemd אוֹת Ex. 3:12, 12:13, enz. omdat ze een
bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid Gods. Die werken Gods zijn
allereerst op te merken in zijne schepping en onderhouding. Al Gods
werken zijn wonderen. Ook de werken der natuur worden menigmaal in de
Schrift met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13, 97:3, 98:1,
107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme
in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme Leiden 1867 bl. 9
v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen onderscheid kent tusschen
natuur en wonder. Zeker, de gedachte, dat een wonder in strijd zou zijn
met de wetten der natuur en dus onmogelijk zou wezen, komt niet op.
Veeleer gaat heel de Schrift uit van het geloof, dat voor God niets
te wonderlijk is, Gen. 18:14; Deut. 8:3 v.; Mt. 19:26. Maar daarom
ontbreekt het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde
der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T. kent eene
vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en aarde gelden, die
vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26, 28, 8:22; Ps. 104:5,
9, 119:90, 91, 148:6; Pred. 1:10; Job 38:10 v.; Jer. 5:24, 31:25 v.,
33:20, 25. En het N. T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8:27,
9:5, 24, 33, 13:54; Luk. 5:9, 7:16, 8:53; Joh. 3:2, 9:32, enz. Wonderen
zijn een בְּרִיאָה eene schepping, iets nieuws, dat anders nooit
gezien wordt, Ex. 34:10; Num. 16:30. De feiten, die in de H. S. als
wonderen zijn vermeld, worden ook door ons nog als wonderen beschouwd;
over de qualificatie dier feiten is er geen verschil, cf. Herzog²
17:360. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10
v. Gloatz in Stud. u. Krit. 1886, 3tes Heft S. 403 f. W. Bender, Der
Wunderbegriff des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol.
577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring
ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen kunnen geschieden,
Ex. 7:11, 22, 8:7, 18, 9:11; Mt. 24:24; Apoc. 13:13 v.; een teeken of
wonder is op zichzelf dus niet genoeg tot verzegeling van een profeet,
Deut. 13:1-3. Maar toch is het alleen Israels God, die wonderen doet,
Ps. 72:18, 77:15, 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf
rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of engelen.
Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne δυναμις wordt daarin openbaar,
Luk. 5:17, 14:19; Mk. 7:34; Luk. 11:20; Joh. 3:2, 5:19 v., 10:25, 32;
Hd. 2:22, 4:10. Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12:28;
Hd. 10:38.
De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de schepping en
onderhouding aller dingen, welke een voortdurend werk en wonder Gods
is, Ps. 33:6, 9; Joh. 5:17. Al wat geschiedt, heeft zijn laatsten grond
in den wil en de macht van God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet
met ’t heir des hemels naar zijn welbehagen, Jes. 55:8 v. Ps. 115:3.
Deze macht en vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22,
10:12, 14:22, 27:5; Jes. 40:12, 50:2, 3; Ps. 33:13-17, 104; Job 5:9
v., 9:4 v., enz. maar komt vooral uit in de geschiedenis van zijn
volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2, 32:12 v.; Ps. 66:5 v., 74:13 v.,
77:15 v., 78:4 v., 135:8 v.; Jes. 51:2, 9; Jer. 32:20 v.; Hd. 7:2 v.
In deze geschiedenis treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met
verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen. 6:6
v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10:1; Num. 11:30 v., 14:21, 16:1 v., 21:6,
enz. Mt. 8:32, 21:19; Hd. 13:11, enz. Dan, om Gods volk te redden en
te verlossen, om heil en genezing aan te brengen, zooals de plagen in
Egypte, de doortocht door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de
genezingen van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of
zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid van
hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, Ex.
4:1-9; Deut. 13:1 v.; Richt. 6:37 v.; 1 Sam. 12:16 v.; 1 Kon. 17:24; 2
Kon. 1:10, 20:8; Jes. 7:11, enz.; Mt. 14:33; Luk. 5:24; Joh. 2:11, 3:2,
5:36, 6:14, 7:31, 9:16, 10:38, 12:37; Hd. 2:22, 10:38, enz. Profetie
en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen hebben het
bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot ook in zijne wonderen
geweest, Ex. 5-15; Deut. 34:10-12. Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel
aan Gods wondermacht, Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een
cyclus van wonderen, 1 Kon. 17-2 Kon. 13. Bij de latere profeten nemen
de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen zij zich
van zoogenaamde symbolische handelingen, om daarmede hunne profetie te
bevestigen en als het ware aanvankelijk te realiseeren, 1 Kon. 11:29-39,
20:35 v., 22:11; Jes. 7:3, 8:1, 20:2 v., 21:6, 30:8; Jer. 13, 16, 18,
19, 25:15, 27, 28:10 v., 32:6, 43:8; Ezech. 4, 5, 6:11, 7:23, 12:3,
17:1; Hos. 1-3; Hd. 21:10 v., Schultz, Altt. Theol. 250 f. Smend,
Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der Offenbarungsbegriff II 111
f. Maar toch worden ook van hen nog wonderen verhaald en hebben ze de
overtuiging, wonderen te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7
cf. 2 Kon. 20; Jer. 22:12, 30, 28:16, 29:22, 36:30, 37:7 v.; Dan. 1-6.
Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt eene verheffing,
eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne werking gehad. Zij hebben
de menschheid beurtelings gestraft en gezegend, en in ieder geval voor
den ondergang bewaard. Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd,
uit de dienstbaarheid van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de
Heidenen bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende
macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij, verminderden
in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn gewoon verloop. De
natuur scheen te zegepralen. Toen verhief de profetie hare stem en zij
sprak, dat Israel niet onder kon gaan en vervloeien in ’t natuurleven
der Heidenen. God zal op nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk
komen. God zal zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond,
Ps. 89:1-5; Jes. 54:10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over in
den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. Het is de
יוֹם יהוה, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid openbaren en
zijne wondermacht ten toon spreiden zal. God geeft dan wonderteekenen
aan den hemel, Am. 8:8 v.; Joel 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde,
zullen bewogen worden, Am. 9:5; Jes. 13:10, 13, 24:18-20, 34:1-5; Joel
2:2, 10, 3:15; Mich. 1:3 v.; Hab. 3:3 v.; Nah. 1:4 v.; Ezech. 31:15 v.,
32:7 v., 38:19 v. Het gericht zal gaan over de goddeloozen, Jes. 24:16
v. enz. maar het zal ook louteren en bevrijden. God zal zijn volk redden
door zijne wonderen, Jes. 9:3, 10:24 v., 11:15 v., 43:16-21, 52:10,
62:8. Hij doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43:19, brengt Israel weer
uit den dood, Ezech. 37:12-14, en doet het deelen in eene volheid van
geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving der zonden, heiligheid,
een nieuw verbond, Jes. 44:21-23, 43:25; Ezech. 36:25-28; Jer. 31:31
v.; Zach. 14:20, 21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel
zijn. Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v.; Joel
3:18; Jer. 31:6, 12-14; Jes. 11:6-8, 65:25; Ezech. 34:29, 36:29 v.;
Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de vorige
dingen zullen niet meer gedacht worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom
Jhvh, deze עֹלָם הַבָּא, αἰων μελλων, in tegenstelling met den עֹלָם
הַזֶּה, αἰων οὑτος, is naar de voorstelling der Schrift met het N.
Test. aangebroken. De komst van Christus is het keerpunt der tijden.
Een nieuwe wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf
het absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige,
volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer hersteld, uit
haar val wederom opgeheven tot haar vroegere heerlijkheid. Zijne wonderen
zijn σημεια van de tegenwoordigheid Gods, bewijs van den Messiaanschen
tijd, Mt. 11:3-5, 12:28; Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanschen
arbeid. In Christus treedt eene goddelijke δυναμις op, die sterker
is dan alle verdervende en verwoestende macht der zonde. Deze macht
valt Hij aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen
te genezen en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar
centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en voldoening,
zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden Gods.
Zij zijn de principieele herstelling van het rijk der heerlijkheid. Deze
heilsfeiten zijn geen middelen alleen, om iets te openbaren, maar zij
zijn de openbaring Gods zelve. Het wonder wordt hier tot historie, en
de historie zelve is een wonder. De persoon en het werk van Christus
is de centrale openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich
daar omheen. Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de
discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16:18; Luk. 8. En niet alleen in de
Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2:43, 3:5, 5:12-16, 6:8,
8:6, 7, 13, 9:34, 40, 13:11, 14:3, 16:18, 19:11, 20:10, 28:5, 8; maar
ook Paulus legt getuigenis af van deze wondermacht der apostelen, Rom.
15:18, 19; 1 Cor. 12:9, 10; 2 Cor. 12:12; Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4.
Een tijd lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente. Maar
ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de kerk het
voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade verheerlijkt, Aug. de
civ. 22:8, de util. cred. 16, de vera relig. 25. De geestelijke wonderen
zijn het, in welke God thans zijne macht en zijne heerlijkheid openbaart,
Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L. H. K.
I 143. Toch wijst de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder
op nieuw zijne werking zal doen. De αἰων μελλων voleindt zich eerst
in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis zijn verzoend.
Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld is een, Op. 21-22. Cf.
Oehler Theol. des A. T. 1882 S. 210 f. Schultz, Altt. Theol. 270 f.
534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der
Wunderbegriff des N. T. Frankf. a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus,
het wonder der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u.
Leitung der Chr. K. 5e Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck,
Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f.
B. Begrip der bijzondere openbaring.
5. Het openbaringssysteem, dat de Schrift ons kennen doet, is in de
christelijke theologie al te veel miskend en verwaarloosd. Eerst in
den nieuweren tijd is het begrip en het wezen der openbaring voorwerp
van dieper onderzoek geworden. Vroeger werd daaraan geen behoefte
gevoeld. Tusschen de Christenen en de Heidenen was de mogelijkheid der
openbaring niet in geschil. Strijd was er alleen over de waarheid van
die openbaring, welke in O. en N. Test. werd geleerd. En deze werd op
allerlei gronden door de apologeten tegenover de aanvallen vooral van
Celsus en Porphyrius betoogd. Overigens kwamen de gedachten over de
openbaring neer op dit schema: God kan alleen door God worden gekend.
Alle kennis en dienst Gods berust dus op openbaring zijnerzijds. Maar de
openbaring Gods in natuur en geschiedenis is onvoldoende. Daarom is
er eene bijzondere openbaring noodig, die in Christus haar hoogtepunt
bereikt, Harnack, Lehrb. der Dogmengesch. I² 420 f. 436 f. 453 f. De
volgende theologen, vooral ook de scholastici, besteedden alle zorg
aan het bepalen en omschrijven van de verhouding tusschen natuur en
openbaring, weten en gelooven, philosophie en theologie, maar dachten
het begrip der openbaring niet in en brachten het ook slechts in
het voorbijgaan ter sprake, cf. Thomas S. Theol. I qu. 57 art. 5 ad
3. II 2 qu. 2 art. 6. III qu. 55 art. 3. Ook de Protest. theologen
hebben aan dit begrip te weinig aandacht gewijd. Zij vereenzelvigden de
openbaring terstond met de H. Schrift en ontkwamen niet geheel aan
de abstract-supranaturalistische en eenzijdig-intellectualistische
opvatting, welke allengs in de theologie van haar gevormd was. Cf.
Gerhard, Loci Theol. I § 12. Calovius, Isagoge ad theol. p. 101
sq. 142 sq. Polanus, Synt. Theol. VI 9. Maresius, Syst. Theol. I §
15 sq. Heidegger, Corpus Theol. XII 46. Het Socinianisme dreef dit
bovennatuurlijk en verstandelijk begrip van de openbaring op de spits,
Fock, Der Socin. 296 f. 314 f. Het Remonstrantisme had wezenlijk
dezelfde voorstelling, Limborch, Theol. Christ. II 9, 18. Tusschen het
rationalisme en supranaturalisme was over het begrip der openbaring
geen verschil; voor beide bestond zij in eene uitwendige mededeeling
van leer. Het was niet te verwonderen, en ook ten volle verdiend, dat
zulk een openbaringsbegrip de kritiek van het deïsme en rationalisme
niet kon doorstaan. Wat was de religieuse waarde van eene openbaring,
welke niets gaf dan eenige verstandelijke waarheid, die misschien later
door de rede zelve nog gevonden zou zijn? Toch bleek het, dat men al
te spoedig met het begrip der openbaring had afgerekend. Religie en
revelatie toonden bij dieper historisch en wijsgeerig onderzoek eene veel
nauwere verwantschap, dan men vroeger gemeend had. Zoo kwam het begrip
der openbaring in de nieuwere theologie en philosophie weer meer tot
eere en werden verschillende pogingen tot reconstructie beproefd.
Hamann, Claudius, Lavater, Herder, Jacobi e. a. wezen op de
verwantschap van religie en kunst en brachten de openbaring met de
geniale inspiratie in verband. Het begrip der openbaring werd zoo
uitgebreid, dat alles openbaring werd. Religie, poëzie, philosophie,
geschiedenis, taal zijn verschillende uitingen van eenzelfde
oorspronkelijk leven. Omnia divina et humana omnia. En in het midden
van al deze openbaringen staat Christus; naar Hem wijst alles heen,
om Hem groepeert zich alles, Ehrenfeuchter, Christenthum und moderne
Weltanschauung, Göttingen 1876 S. 243 f. Ook Schleiermacher, Glaub. §
10, 13 verwierp beslist de rationalistische leer van de openbaring.
Hij zocht haar eigenaardigheid niet in het al of niet bovennatuurlijk
karakter, dat ze draagt, maar in het nieuwe en oorspronkelijke, waarmede
een persoon of eene gebeurtenis in de historie optreedt. Openbaring
is daarom verwant met poëtische en heroïsche bezieling, en bestaat
feitelijk in het wekken van nieuwe, oorspronkelijke aandoeningen van
het religieus gevoel. Door Schleiermacher werd die opvatting van de
openbaring voorbereid, welke haar bestaan laat niet in meedeeling
van leer maar van leven. Rothe, Zur Dogmatik 1862 S. 55-120 heeft
aangaande de openbaring als inspiratie dezelfde gedachte, maar hij neemt
daarbij als constitutief element van de openbaring nog eene uitwendige,
historische manifestatie aan, opdat de inwendige openbaring, de
inspiratie, niet magisch en mechanisch zij. De eigenaardigheden van
het begrip der openbaring bij de theologen, die min of meer aan
Schleiermacher zich aansluiten, bestaan dan vooral hierin: openbaring
is van de theopneustie, van de H. Schrift te onderscheiden, de Schrift
is niet de openbaring maar haar oorkonde; openbaring is een religieus,
nader nog een soteriologisch begrip, met geniale, poëtische, heroïsche
bezieling wel verwant maar niet identisch; zij is correlaat der religie
alleen; uitgaande van God als Verlosser, heeft ze geen leer over
allerlei physische, historische en metaphysische dingen tot inhoud,
maar alleen religieus-ethische waarheid, zij is meedeeling van leven,
zelfmededeeling Gods; zij is niet in strikten zin bovennatuurlijk, maar
echt natuurlijk en menschelijk; zij is eindelijk niet alleen uitwendig
(manifestatie), maar ook inwendig en geestelijk (inspiratie). Daarbij is
er nog wel verschil over begin, omvang, einde der openbaring, maar in
hoofdzaak is dit toch de opvatting, gelijk ze gevonden wordt bij Nitzsch,
System der chr. Lehre § 22. Twesten I 341 f. Martensen § 11, 12. Lange
I § 56 f. Dorner I 569 f. Frank, System der chr. Wahrheit 2e Aufl. II
8 f. Kähler, Wiss. der chr. Lehre I 192 f. Saussaye, mijne theologie
35 v. Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 21 v. enz. Maar niet
alleen Schleiermacher en zijne school hebben het openbaringsbegrip tot
nieuw leven gebracht, maar ook Schelling en Hegel hebben hetzelfde op
hunne wijze beproefd. Door hen kreeg het rationalisme een speculatief
karakter. Zij trachtten de christelijke openbaring niet door eene
verstandskritiek te vernietigen, maar zochten speculatief de diepe
idee op te sporen, welke aan haar en aan alle christelijke dogmata ten
grondslag lag, en stelden zich alzoo als speculatief rationalisme
tegenover het vulgaire rationalisme van vroeger tijd. Volgens Schelling
in zijne eerste periode was heel de wereld de zelfopenbaring Gods. De
natuur is de zichtbare geest, de geest de onzichtbare natuur. Gods
wezen wordt den mensch kenbaar uit heel de natuur, vooral echter
uit de ontwikkeling van den menschelijken geest in kunst, religie en
wetenschap. En zoo leerde ook Hegel, dat God zich niet aan den mensch
openbaart door eene voorbijgaande gebeurtenis in den tijd, maar Hij
openbaart zich in den mensch zelf, en wordt zichzelf in den mensch
bewust. En dit zichzelf bewust worden van God in den mensch, is het
weten des menschen van God, is religie, Religionsphilosophie 1832 I
29. II 158. Encyclop. S. 576. Openbaring is bij Hegel dus gelijk met de
noodwendige zelfopenbaring, met het zich zelf bewust worden van het
Absolute in den menschelijken geest; de geschiedenis der godsdiensten
is de geschiedenis van het tot zichzelf komen van het Absolute in het
menschelijk bewustzijn, en bereikt haar hoogtepunt in het Christendom,
dat de eenheid uitspreekt van God en mensch. Aan deze gedachte over de
openbaring, als zelfmededeeling Gods aan een iegelijk mensch sluit in
hoofdzaak die opvatting van de openbaring zich aan, welke wij vinden bij
Marheineke, Grundlehren der chr. Dogm. § 206. Rosenkranz, Encycl. der
theol. Wiss. 2e Aufl. 1845 S. 1 f. Erdmann, Glauben und Wissen 1837.
Strauss, Glaubenslehre § 19. Feuerbach, Wesen des Christ. 2e Ausg.
S. 174. Biedermann, Chr. Dogm. I 264 f. Pfleiderer, Grundriss § 16.
Lipsius, Dogm. § 52, Philos. und Religion 1885 S. 266 f. Scholten,
Initia, ed. 2. p. 26-39. L. H. K. I 165 v. 233, 299. Gemeenschappelijk
is aan dezen de ontkenning van het bovennatuurlijk karakter der
openbaring, maar overigens is er groot onderscheid over inhoud,
uitgestrektheid en wijze. Van beide groepen onderscheidt zich nog weer
het begrip van openbaring in de school van Ritschl. Het eigenaardige
van deze opvatting ligt hierin, dat er zeer weinig waarde gehecht wordt
aan de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, dat
nadruk gelegd wordt op het positief karakter van elke religie en op het
historische, uitwendige in de openbaring, en dat voor het Christendom
die historische openbaring vooral of zelfs uitsluitend gevonden wordt
in den persoon van Christus, Ritschl Rechtf. u. Vers. III³ 190 f. 599
f. Kaftan, Wesen der chr. Religion 171 f. 295 f. Herrmann, Der Begriff
der Offenbarung Giessen 1887. G. v. Schulthess-Rettberg, Der Gedanke
einer göttlichen Offenbarung, Zurich 1893. Nitzsch, Lehrbuch der ev.
Dogm. S. 131 f. Cf. de Groninger school hier te lande, Hofstede de
Groot, De Groninger Godgeleerden in hunne eigenaardigheid 42 v.
Aan een duidelijk en helder begrip van de openbaring ontbreekt het nog
in de dogmatiek. Er is onder de theologen verschil over alles, wat bij
dat begrip in aanmerking komt. Misschien is er eene grens te trekken
tusschen hen, die eene bovennatuurlijke of alleen eene natuurlijke
openbaring aannemen. Maar ook dan rijst de vraag, of het bovennatuurlijk
karakter der openbaring ligt in de wijze, waarop zij tot ons kwam, of in
het nieuwe, oorspronkelijke van den inhoud (Schleiermacher). Waarin is
verder de bovennatuurlijke openbaring onderscheiden van de natuurlijke
openbaring in natuur en geschiedenis, vooral van de religieuse,
poëtische, heroïsche inspiratie, die ook buiten het Christendom
wordt aangetroffen en zoo dikwerf met de christelijke openbaring in
verband is gebracht (Hamann, Herder, Jacobi, Schleiermacher)? Waar
is vervolgens die bovennatuurlijke openbaring te vinden, ook in de
religies der Heidenen, of alleen in Israel, of zelfs uitsluitend in
den persoon van Christus (Schleiermacher, Ritschl). Hoever strekt zij
zich uit na Christus, is zij tot Hem beperkt, of is ook de werking
des H. Geestes in wedergeboorte, bekeering enz. nog onder het begrip
van openbaring te rekenen (Frank)? Is haar inhoud in de eerste
plaats kennis, zoodat zij het verstand verlicht (Hegel, Biedermann,
Scholten), of is ze voornamelijk mystisch van aard, eene werking op het
gemoed, eene aandoening, opwekking van het gevoel (Schleiermacher,
Lipsius, Opzoomer, Ethischen)? Is bij de openbaring het uitwendige, het
historische, de manifestatie, hetzij dan in natuur (Hegel, Scholten),
hetzij in de historie (Schelling, Ritschl), of bepaald ook als wonder
(Rothe) de hoofdzaak, of ligt het zwaartepunt in het subject in de
zelfopenbaring van den absoluten Geest, van God, aan den mensch
(Biedermann, Lipsius)?
6. De openbaring, welke de Schrift ons kennen doet, bestaat niet in
enkele onsamenhangende woorden en feiten, maar is één historisch en
organisch geheel, een machtig wereldbeheerschend en wereldvernieuwend
systeem van daden Gods. Zij treedt, gelijk wij zagen, in drie vormen op,
theophanie, profetie en wonder, שְׁכִינָה, נְבוּיָה en בְּרִיאָה.
Maar deze drie staan niet los naast elkaar; zij vormen één geheel en
beoogen samen één doel. Reeds door de revelatio generalis laat God
zich aan den mensch niet onbetuigd; Hij openbaart zich in natuur en
geschiedenis, Hij spreekt in hart en geweten; Hij werkt wonderen van
mogendheid. Ook de revelatio generalis mag openbaring heeten. Want in
ruimen zin is openbaring alle actie, die van God uitgaat, om den mensch
te stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. Maar door de zonde
wordt eene andere openbaring van noode, die wel in velerlei verband
staat met de revelatio generalis maar die er toch wezenlijk, in vorm
en inhoud, van onderscheiden is. Zij richt zich toch tot den gevallen
mensch, en moet dus zijn eene openbaring van genade. De revelatio
specialis is het zoeken Gods van en het komen Gods tot den mensch. Hij
moet zich nu zoo openbaren en zoo spreken en zoo werken, dat de mensch
weer vernieuwd wordt naar zijn beeld. Daarom komt God tot den mensch op
menschelijke wijze. De menschwording is het centrale feit in de revelatio
specialis, hetwelk licht verspreidt over heel haar gebied. Reeds in de
schepping maakt God zich den menschen gelijk. Maar in de herschepping
wordt Hij mensch en gaat in onzen toestand in. En deze menschwording,
die de eigenlijke inhoud is van de revelatio specialis, neemt reeds in
zekeren zin terstond na den val haar aanvang. De bijzondere openbaring
Gods gaat in in de historie, en vormt eene geschiedenis, die de
eeuwen doorloopt. Zij neemt zulk een historisch karakter aan, wijl de
menschheid zelve, tot wie zij zich richt, alleen in den historischen
vorm bestaat. Zij leidt haar leven mede, volgt haar op hare gangen,
doorwandelt met haar de tijden tot den einde toe. Zij grijpt diep in
het leven der schepping terug, sluit aan de voorzienigheid zich aan
en doet haar licht stralen door het prisma van menschelijke personen,
toestanden en gebeurtenissen heen. Zij bedient zich van alle karakter
en individualiteit, van alle aanleg en gave, die in de schepping
gegeven zijn. Zij hult zich in de vormen van type en schaduw, van beeld
en symbool, van kunst en poëzie, van briefvorm en kroniek. Zij neemt
in de religie de gebruiken over, die in andere godsdiensten gevonden
worden, zooals besnijdenis en offerande, tempel en priesterschap. Zij
acht zelfs lot en droom en visioen niet te gering om ze te bezigen als
instrument. Zoo diep daalt het goddelijke in het menschelijke neer, dat
de grenzen tusschen de openbaring en de pseudoreligie schijnen te worden
uitgewischt. Godspraak en orakel, profetie en mantiek, wonder en magie
schijnen elkander te naderen.
En toch is het een ander hart, dat in Israels religie klopt. De
peripherische en atomistische beschouwing beroept zich op zulke feiten
van overeenkomst tusschen de religie der Schrift en de godsdiensten
der volken, maar zij verklaart de openbaring niet in haar karakter
en beteekenis, en weet ten slotte met de Schrift geen raad. Daarom
moet deze beschouwing wijken voor de centrale en organische, welke
van uit het middelpunt het licht laat stralen tot aan den buitensten
omtrek. En dat centrum is de menschwording Gods. Hij is het, die in
de revelatio specialis nederdaalt en zich den menschen gelijk maakt.
Subject van de bijzondere openbaring is in eigenlijken zin de Logos, de
Malak Jhvh, de Christus. Hij is de middelaar der schepping, Joh. 1:3;
Col. 1:15, maar ook der herschepping. Του γαρ δια της ἰδιας προνοιας
και διακοσμησεως των ὁλων διδασκοντος περι του Πατρος, αὐτου ἠν και
την αὐτην διδασκαλιαν ἀνανεωσαι, Athan. de incarn. c. 14. Cf. Iren.
adv. haer. IV 6. Hij is het subject der openbaring ook reeds in het O.
Test., de engel des verbonds, die Israel leidde, Ex. 14:19, 23:20,
32:34, 33:2; Jes. 63:8, 9, de inhoud der profetie Joh. 5:39; 1 Petr.
1:11; Apoc. 19:10. Door theophanie, profetie en wonder bereidt Hij zijne
komst in het vleesch voor. De O. Test. openbaring is de geschiedenis
van den komenden Christus. Theophanie, profetie en wonder loopen op Hem
uit. In Christus vallen ze saam. Hij is de openbaring, het woord, de
kracht Gods. Hij toont ons den Vader, verklaart ons zijn naam, volbrengt
zijn werk. De menschwording is de afsluiting, het doel en het einde
beide van Israels geschiedenis, en tevens het middelpunt van alle
geschiedenis. Bis hierher und von daher geht die Geschichte (Joh. von
Müller). De incarnatie is het Centralwunder; es ist das Wunder aller
Wunder, da das Göttliche unmittelbar mit dem Menschlichen sich berührt,
Ranke, Weltgeschichte VIII 72.
Als de openbaring Gods in Christus, in zijn persoon en werk, verschenen
en in de Schrift beschreven is, treedt er eene andere bedeeling in.
De H. Geest ging wonen in de gemeente; daarmede was het karakter der
tijden veranderd. De αἰων οὑτος ging over in den αἰων μελλων. Gelijk
in de eerste periode alles op Christus voorbereid werd, zoo wordt nu
alles van Hem afgeleid. Toen werd Christus gevormd tot het hoofd der
gemeente, nu de gemeente tot het lichaam van Christus. Toen werd het
Woord, de H. Schrift, af-, nu wordt het uitgewerkt. Maar toch neemt
ook deze bedeeling eene plaats in in het systeem der openbaring.
De openbaring is voortgezet, ofschoon gewijzigd naar den aard der
bedeeling. De openbaring, als bedoelende en voortbrengende den
Christus, heeft haar einde bereikt. Want Christus is er, zijn werk is
volbracht, en zijn woord is voltooid. Nieuwe, constitutieve elementen
van de revelatio specialis kunnen er niet meer bijkomen. De vraag is
daarom ook van ondergeschikt belang, of in de christelijke kerk nog de
gave der voorspelling en der wonderen voortduurt. De getuigenissen
der kerkvaders zijn zoo talrijk en krachtig, dat voor de oudste tijden
deze vraag moeilijk ontkennend kan beantwoord worden, Thomas II 2 qu.
178. Voetius, Disp. II 1002 sq. Gerhard, Loci, loc. 22 sectio 11. Dr.
C. Middleton, A free inquiry into the miraculous powers, which are
supposed to have subsisted in the Christian Church, 3 ed. Lond. 1749.
Tholuck, Ueber die wunder der Kath. Kirche, Verm. Schriften I 28-148.
J. H. Newman, Two essays on scripture miracles and on ecclesiastical, 2
ed. Lond. 1870. H. Müller, Natur und Wunder, Strassb. 1892 S. 182. Maar
al zijn die gaven gebleven, de inhoud dier revelatio specialis, welke
in Christus zich concentreert en in de Schrift is neergelegd, wordt er
niet rijker door; en indien zij naar de gedachte van Augustinus, de civ.
22, 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25 verminderd en opgehouden
zijn, die openbaring wordt er niet armer door. Hoe dit echter ook zij,
de revelatio specialis in Christus zet toch in zekeren zin in deze
bedeeling zich nog voort. Al is alle voorspelling in de christelijke
kerk opgehouden en alle wonder in eigenlijken zin voorbij, de kerk zelve
is van oogenblik tot oogenblik product der openbaring. De geestelijke
wonderen duren voort. De genade Gods in Christus verheerlijkt zich in
verlichting en wederbaring, in geloof en bekeering, in heiligmaking en
bewaring. Christus is middelaar; het is Hem om de gemeente te doen; Hij
kwam om de wereld te vernieuwen en de menschheid te herscheppen naar
het beeld Gods. De revelatio specialis vindt haar doel in het tot stand
brengen eener nieuwe orde van zaken. En daarom zet zij, in gewijzigden
vorm. d. i. in geestelijken zin ook thans nog zich voort. Haar rustpunt
vindt zij eerst in de epiphanie van Christus, in den nieuwen hemel en de
nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.
De openbaring naar de Schrift is dus een historisch proces, een
organisch systeem, eene voortdurende goddelijke actie tot breking van
de macht der zonde, tot stichting van zijn rijk, tot herstel van den
kosmos, tot ἀνακεφαλαιωσις των παντων ἐν Χριστῳ, Ef. 1:10. In de
theophanie stelt God zichzelf wederom als den eenigen en waarachtigen
God tegenover de afgoden van ’s menschen eigen versiering; in de
profetie plaatst Hij zijne gedachte als de waarheid tegenover de leugen
van Satan, en in het wonder betoont Hij zijne goddelijke kracht tegenover
alle werken der ongerechtigheid. In de openbaring poneert en handhaaft
God zijn Ik tegenover alle niet-ik, en brengt het trots allen tegenstand
tot algemeene erkenning en tot volkomen triumf. Soteriologisch is dus
heel de openbaring. Zij gaat uit van Christus, zoowel in O. als in N.
T. Maar soteriologisch dan opgevat in den zin der Schrift, niet in
religieus-ethischen zin, alsof de openbaring slechts religieuse en
ethische waarheid bevatten zou; nog veel minder in intellectueelen
zin, alsof de openbaring slechts in leer bestond. Maar soteriologisch
in schriftuurlijken zin, zoo n.l. dat de inhoud der openbaring niet
is leer of leven of aandoening des gemoeds maar dat ze is dat alles
te zaam, een goddelijk werk, eene wereld van gedachten en daden,
een ordo gratiae, die de ordo peccati op alle terrein bestrijdt en
verwint. Doel der openbaring is niet alleen, om den mensch te leeren
en zijn verstand te verlichten (rationalisme), om hem de deugd te doen
beoefenen (moralisme), om religieuse aandoeningen in hem te kweeken
(mysticisme). Maar het doel Gods met zijne openbaring strekt zich
veel verder en breeder uit. Het is geen ander dan om den mensch, de
menschheid, de wereld aan de macht der zonde te onttrekken, en den Naam
Gods weer te doen uitstralen in alle creatuur. De zonde heeft alles
bedorven en verwoest, verstand en wil, ethische en physische wereld. En
daarom is het ook de gansche mensch en heel de kosmos, om wiens redding
en herstel het God met zijne openbaring te doen is. Soteriologisch is
dus zeer zeker Gods openbaring, maar object van die σωτηρια is de
kosmos, en niet alleen het ethische of de wil met uitsluiting van
het verstand en niet het psychische alleen met uitsluiting van het
somatische en physische, maar alles te zamen. Want God heeft allen
onder de zonde besloten opdat Hij allen barmhartig zou zijn, Rom. 5:15
v., 11:32; Gal. 3:22.