C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring.

7. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen

onvoldoende. Ook hierin zijn alle christelijke theologen eenstemmig.

Irenaeus adv. haeres. 2, 28 betoogt tegenover de gnostieken de

beperktheid der menschelijke kennis. Justinus Martyr, Dial. c. Tryph.,

inleiding, Tertullianus, de an. c. 1. Lactantius, Instit. div. 3, 1.

4, 1. Arnobius, adv. nat. I, 38. II, 6. schilderen de zwakheid der

rede in zeer sterke kleuren. Augustinus ontkent niet, dat er ook bij de

Heidenen eenige waarheid is, waarmede de Christenen hun winst kunnen

doen, de doctr. chr. 2, 60. Maar de philosophie is niet de ware weg

tot de zaligheid. Ze kan slechts weinigen en slechts weinig leeren,

de trin. 13, 12. de civ. 12, 20. de util. cred. 10, 24. Ze kent wel

het doel, maar niet den weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7,

26. de civ. 10, 29. Dikwerf leidt ze op een dwaalweg en houdt de

waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze niet op

vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde die tot kennis der waarheid

noodig is, de civ. 9, 20, wordt door haar eigen superbia verhinderd

in de kennis der waarheid, want alleen humilitas is de weg ten leven,

de civ. 2, 7. Daarom is er nog een andere weg tot de waarheid noodig,

nl. de auctoritas, de vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas S.

Theol. I qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I, 4. betoogt de noodzakelijkheid

der openbaring zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti.

De Roomsche kerk heeft de insufficientia der theol. nat. duidelijk

uitgesproken in de voorrede van den Catech. Romanus, en in ’t

Vaticanum sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En de Protest.

theologen oordeelden over deze insufficientia der algemeene openbaring

niet anders, Calv. Inst. I. 5 § 11 sq. en cap. 6. Heidegger, Corpus

Theol. I § 9-13. Trigland, Antapologia cap. 17. Owen, Θεολογουμενα I

cap. 6. Turret. Theol. Elenct. I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp.

I 61 39. De genoegzaamheid der algemeene openbaring en der daarop

gebouwde religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de

Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de lex

naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de christelijke kerk

altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen oordeelden en

ook aan de mogelijkheid hunner zaligheid geloofden, zooals Justinus,

Clemens Alex. Erasmus, Zwingli enz. cf. Vossius, Historia Pelag.

1655 p. 383 sq. Maar bij dezen rustte dit geloof meestentijds niet op

de leer van de genoegzaamheid der algemeene openbaring, maar op de

onderstelling, dat God ook met zijne bijzondere genade onder de Heidenen

hetzij dan in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen

genoegzaamheid der algemeene openbaring en van de natuurlijke religie in

de 18e eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zooals Cherbury,

Tindal, Collins, Rousseau, Kant enz. Litt. bij Lechler, Gesch. des engl.

Deïsmus 1841 en art. Deïsmus in Herzog². Bretschneider, System. Entw.

aller in der Dogm. vork. Begriffe 1841 S. 35 f. Clarisse, Encycl. 1835

p. 405 sq. Doedes, Inleiding tot de Leer van God 1880 bl. 197 v.

Over de insufficientia der algemeene openbaring kan er haast geen

twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring ons

hoogstens eenige kennis verschaft van Gods bestaan en van sommige

zijner eigenschappen, zooals goedheid en gerechtigheid; maar ze laat

ons volstrekt onbekend met den persoon van Christus, die alleen

is de weg tot den Vader, Mt. 11:27. Joh. 14:6, 17:3. Hd. 4:12. De

algemeene openbaring is daarom onvoldoende voor den mensch als zondaar;

zij weet van geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs eene

openbaring van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die het wezen

der religie moeten zijn, is een daad van welbehagen, niet van natuur

en noodzakelijkheid. De algemeene openbaring kan hoogstens eenige

waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis, en

verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn eenigszins

en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur van mensch en

wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen vertrouwen en liefde,

Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218. In de tweede plaats is de kennis,

welke de algemeene openbaring verschaffen kan, niet alleen gering en

onvoldoende, maar ze is ook onzeker, steeds met dwaling vermengd, en

voor verreweg de meeste menschen onbereikbaar. De geschiedenis der

philosophie is eene geschiedenis van elkander afbrekende systemen

geweest; en is bij de Grieken in het skepticisme, in de Middeleeuwen

in het nominalisme, en thans in het agnosticisme geëindigd. De voor

de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen Gods, oorsprong

en bestemming van mensch en wereld, zonde en vergeving, loon en straf

zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er is in de philosophie over al

deze vragen geen genoegzame zekerheid te verkrijgen. Cicero, Tusc. 1,5

vraagt daarom terecht: ex philosophis nonne optimus et gravissimus

quisque confitetur multa se ignorare, multa sibi etiam atque etiam

esse discenda? Maar ook al kwamen sommige denkers tot eenige ware

en zuivere kennis, zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd.

Elk wijsgeerig systeem heeft zijne leemten en gebreken. Plato, wiens

systeem volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom

verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen, de

paederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal is er

groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées, erreur

au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici potest,

quod non dicatur ab aliquo philosophorum, Cic. de divin. 2,58. En

al waren de wijsgeeren ook in het bezit geweest van de schoonste en

zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben ontbroken, om haar

onder het volk ingang te verschaffen. Dikwerf sluiten zij daarom

zelf in de practijk van het leven toch weer bij het volksgeloof en de

volkszeden zich aan; of zij trekken met een Odi profanum vulgus et

arceo van het volk in hoogheid zich terug. Hun onderlinge strijd en de

tegenstelling tusschen hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al

ware ook dit alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer

der wijsgeeren nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of

blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel clericalisme en

eene wetenschappelijke hierarchie onverdragelijk is. Daarom had Thomas

volkomen gelijk, als hij zeide, dat ook zelfs in die waarheden, welke

de algemeene openbaring ons kennen doet, nog openbaring en autoriteit

van noode is, omdat die kennis slechts voor weinigen geschikt is, te

langen tijd van onderzoek vereischen zou en ook dan nog onvolkomen en

onzeker bleef, S. Theol. I qu. 1 art. 1, II 2 qu. 2 art. 4. S. contra

Gent. I, 4. In de derde plaats wordt het onvoldoende der natuurlijke

openbaring duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met

de zoogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemeene

religie der deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de pietas

en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties, die in

de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren de vijf artikelen

van Herbert of de rationalistische trilogie van Kant volkomen zeker en

streng wetenschappelijk bewijsbaar geweest, dan nog zouden ze tot het

stichten van eene religie, van een kerk onbekwaam zijn geweest. Want

religie is iets wezenlijk anders dan wetenschap, zij heeft een andere

bron en grondslag. De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden

en ijdele abstracties behagen vinden. De negentiende eeuw met haar

historischen zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis

nergens bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt algemeen

toegestemd, dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring,

Schleiermacher, Glaub. § 10 Zusatz. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 4,

500. Id. Unterricht in der christl. Religion³ S. 20. Frank, System der

chr. Wahrheit. I² 512 f. Doedes, Encyclopaedie 190, 191. W. Bender, Zur

Geschichte der Emancipation der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol.

1883 S. 529{4}-592. R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion

u. vom Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 S. 1-48. Hoekstra, Wijsg.

Godsd. I 19 v.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 17 / 28 题