HOOFDSTUK II.

Principium externum.

§ 9. ALGEMEENE OPENBARING.

A. Begrip der openbaring.

1. De religie, in haar wezen en oorsprong onderzocht, leidt zelve tot

het begrip der openbaring heen. De geschiedenis der godsdiensten doet

ons dit begrip kennen als het noodzakelijk correlaat van alle religie.

De wijsbegeerte van den godsdienst kan dit begrip niet langer met

stilzwijgen voorbij gaan. Maar de wijze, waarop de openbaring in theologie

en philosophie wordt opgevat, is niet altijd met dat begrip zelf in

overeenstemming. Het begrip openbaring brengt een zekeren inhoud mede,

welke in zijne waarheid erkend moet worden, om van openbaring nog te

kunnen blijven spreken. Het mag niet gebezigd worden als eene vlag, die

eene valsche lading dekt. In de eerste plaats is openbaring een door en

door religieus begrip; niet de wijsbegeerte, maar de godsdienst, niet de

rede maar de historie doet het ons aan de hand. Aan de wetenschap en de

wijsbegeerte moet dus het recht worden ontzegd, om apriori dit begrip

te bepalen en daarnaar de historische en religieuse verschijnselen, die

onder den naam van openbaring worden samengevat, pasklaar te maken.

Het spreekt van zelf, dat wijsgeerige systemen zooals het pantheisme

en het materialisme dit begrip niet in zijn recht kunnen erkennen. In

deze stelsels is er voor openbaring geene plaats. Beide zijn krachtens

hun beginsel onbekwaam, om de openbaring en alzoo ook de religie, met

wie ze onverbrekelijk verbonden is, naar waarde te beoordeelen. Als God

niet bestaat en naar Feuerbach’s gezegde, Wesen des Christenthums,

2e Aufl. 401, het geheim der theologie de anthropologie is, dan is

religie en openbaring daarmede vanzelf geoordeeld en niets dan eene

hallucinatie van den menschelijken geest. En evenzoo kan het pantheisme

uit den aard der zaak aan de openbaring geene realiteit toekennen. Als

God en mensch in substantie één zijn, is er eene relatie van den mensch

tot God, gelijk die in de religie tot stand komt, niet mogelijk meer. De

religie is dan hoogstens het tot zelfbewustzijn komen van God in den

mensch, de terugkeer van het Absolute tot zichzelf in het menschelijke

bewustzijn. Openbaring kan hier niets anders zijn dan een naam voor de

religie in den mensch, van haar objectieve zijde beschouwd. Zoo zegt

b.v. Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie II 71, 75 u. s. w., dat

openbaring objectief en geloof subjectief één en dezelfde akte zijn,

van de goddelijke en van de menschelijke zijde opgevat. Eene uitwendige,

objectieve openbaring is er dan niet. Openbaring is niets dan het wonen

en werken Gods in iederen mensch. Daargelaten nu de vraag, of ook

hierin niet eene waarheid ligt opgesloten en de objectieve openbaring

niet subjectief in de illuminatie zich voltooien moet, is het toch

duidelijk, dat de openbaring naar de idee, welke de religie en de

historie der godsdiensten ons kennen doen, hierbij geheel te loor gaat.

De religie immers is altijd eene relatie van den mensch tot een Goddelijk

persoon, wiens objectief en reëel bestaan voor het religieus bewustzijn

boven allen twijfel verheven is. Zoodra de mensch twijfelen gaat aan het

onderscheiden en zelfstandig bestaan van het voorwerp zijner vereering,

is het met zijne religie gedaan. Deze verhouding van den mensch tot God

in de religie is van ethischen aard (boven bl. 193). Religie is geen

physische of metaphysische gemeenschap van God en mensch, gelijk zoo

dikwerf gezegd wordt. Zij bestaat niet in eene wezenseenheid, eene unio

of communio physica van den mensch met God. Zij is geene substantie van

den mensch, en maakt zijn wezen, zijne essentia niet uit. De religie

onderstelt juist altijd, dat God en mensch, ofschoon verwant, toch

onderscheiden zijn. En zij zelve bestaat dan, niet in eene verhouding

van God tot den mensch, want God heeft geen religie, maar in eene

verhouding van den mensch tot God. Deze verhouding is uitteraard

niet physisch, metaphysisch, realis, maar ethisch, moreel van aard.

Zij bestaat daarin dat de mensch God kent en liefheeft en voor Hem

leeft, Denzinger, Vier Bücher von der religiösen Erkenntniss, Würzburg

1856 I S. 1-10. Hoekstra, wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Godsdienst

onderstelt wel, dat God en mensch in verwantschap en in goeden zin

ook in gemeenschap met elkander staan, maar is zelf toch niet twee-

maar eenzijdig. Hoe innig godsdienst en openbaring dan ook met elkander

samenhangen, zij zijn toch twee; zij zijn niet twee zijden van eene en

dezelfde zaak, maar wezenlijk en zakelijk van elkander verschillend.

Gelijk het oog en het licht, het oor en de toon, de logos in ons en de

logos buiten ons verwant en toch onderscheiden zijn; zoo is het ook met

de religie en de openbaring. Het is op religieus gebied evenals op

elk ander terrein. Wij komen naakt in de wereld en brengen niets mede.

Wij ontvangen al ons voedsel zoowel in geestelijken als in natuurlijken

zin van buiten. En ook in de religie komt de inhoud van buiten door

openbaring tot ons.

2. Openbaring, gelijk dit begrip door de religie ons aan de hand wordt

gedaan en hier nog in den ruimsten zin genomen wordt, is alle aktie,

welke van God uitgaat, om den mensch te brengen en te houden in die

eigenaardige relatie tot Hem, welke met den naam van religie aangeduid

wordt. Het komt er hierbij allereerst op aan, om deze openbaring altijd

en overal op te vatten als eene aktie, als eene daad van Gods zijde.

God doet nooit iets onbewust; Hij doet alles met gedachte en heeft bij

alles een doel. Openbaring is nooit eene onbewuste emanatie, eene

onwillekeurige doorschijning Gods in zijne werken; maar altijd een bewust,

vrij, actief zich kenbaar maken aan den mensch. Religie en openbaring

rusten beide naar heur aard op den grondslag van het theisme, d. i. op

het geloof, dat God en mensch niet afgescheiden maar wel onderscheiden

bestaan. Sterk gesproken, heeft openbaring steeds tot onderstelling,

dat er twee werelden zijn, eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke, eene

hemelsche en eene aardsche. En nu is openbaring elke werking, die van

die andere onzienlijke wereld in deze zienlijke wereld uitgaat, om den

mensch te doen bedenken de dingen, die boven zijn. De wijzen en vormen,

waaronder God zich openbaart, kunnen verschillend zijn, evenals de eene

mensch aan den ander zich in verschillende manieren kan kenbaar maken.

God kan rechtstreeks en onmiddellijk zich openbaren; en Hij kan daarbij

van gewone of buitengewone middelen zich bedienen. Deze vormen zijn in

zekeren zin van ondergeschikte, wijl van instrumenteele beteekenis.

Maar altijd is de openbaring, hetzij ze op gewone of ongewone wijze tot

ons komt, eene daad van Gods zijde. Wie ze zoo verstaat, is in beginsel

supranaturalist, hij moge de mogelijkheid van het wonder aannemen of

niet. De kwestie van het naturalisme en het supranaturalisme wordt

niet eerst bij de zoogenaamde bovennatuurlijke openbaring, maar wordt

eigenlijk reeds hier bij den ingang, bij het begrip der openbaring in

algemeenen zin, beslist. Het deisme is onhoudbaar. Er is maar keuze

tusschen het theisme en het pantheisme (materialisme). Het pantheisme

heeft geene openbaring en daarom ook geen religie meer. Het theisme is

vanzelf supranaturalistisch, niet in de historische beteekenis van dat

woord, maar in dezen zin, dat het eene ordo supra hanc naturam erkent

en eene werking van gene wereld in deze aanneemt. Religie, openbaring,

supranaturalisme, theisme staan en vallen met elkaar. Het doel der

openbaring is geen ander, dan om religie te wekken en te kweeken in den

mensch. Alles, wat dit bedoelt en daaraan dienstbaar is, is openbaring

in eigenlijken zin. De openbaring valt saam met alle werken Gods in

natuur en genade. Zij omvat de gansche schepping en herschepping. Al

wat er is en geschiedt, is voor den vrome een middel, om hem op te

leiden tot God. De gewone definities, dat de openbaring bestaan zou in

mededeeling van leer of van leven enz. blijken reeds hier veel te eng

te zijn. Het is er God bij zijne openbaring om te doen, om den mensch te

stellen in eene religieuse verhouding tot Hem. De religie omvat echter

den ganschen mensch met al zijne vermogens en krachten. In de openbaring

nadert God tot den geheelen mensch, om hem geheel te winnen voor zijn

dienst der liefde. Ja, de openbaring kan niet ten doel hebben, om den

enkelen mensch in eene religieuse verhouding tot God te plaatsen.

De menschheid is één geheel. Zij is het voorwerp van Gods liefde. De

openbaring heeft dus tot einddoel, om de menschheid zelve als één

geheel te maken tot een koninkrijk, tot een volk Gods. De openbaring is

geen geisoleerd feit, dat in de geschiedenis op zichzelf staat. Zij is

een systeem van daden Gods, beginnend met de schepping, eindigend in

den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Zij is onderwijzing, opvoeding,

leiding, regeering, vernieuwing, vergeving enz., zij is dat alles te

zamen. Openbaring is al wat God doet, om de menschheid te herscheppen

tot zijn beeld en gelijkenis.

B. Algemeene en bijzondere openbaring.

3. De christelijke theologie kwam er spoedig toe, om in deze openbaring

eene gewichtige onderscheiding te maken. Eenerzijds kon de samenhang en

de overeenstemming van de religie der Christenen en den godsdienst der

Heidenen, van theologie en philosophie, niet geheel worden ontkend;

en andererzijds was het Christendom toch een eigen, zelfstandige

godsdienst, in elk opzicht van dien der Heidenen verschillend. Zoo

werd men geleid tot de onderscheiding van de revelatio (religio,

theologia) naturalis en supernaturalis. Zakelijk wordt zij reeds bij

de oudste kerkvaders aangetroffen. Justinus Martyr spreekt van eene

ἀνθρωπειος διδασκαλια, die verkregen wordt door το ἐμφυτον παντι γενει

ἀνθρωπων σπερμα του λογου en van eene γνωσις και θεωρια, die alleen

door Christus ons deel wordt, Apol. II 8, 10, 13. Tertullianus heeft

eene afzonderlijke verhandeling de testimonio animae, en spreekt van

eene kennis Gods uit de werken der schepping, en van eene andere

meer volledige door mannen, met Gods Geest vervuld, Apolog. II c.

18. Irenaeus spreekt meermalen in denzelfden zin, adv. haer. II c.

6, 9, 28. III 25. IV 6. Augustinus erkent eene openbaring Gods in de

natuur, de Gen. ad. litt. 4, 32, de civ. Dei 8, 11 sq. 19, 1 enz.

maar stelt naast de ratio de auctoritas, de fides, c. Acad. 3,20 de

util. cred. 11, die alleen tot de ware kennisse Gods leidt, Conf.

5,5, 7,26, de civ. 10,29. Bij Damascenus, de fide orthod. I. c. 1 sq.

draagt deze onderscheiding al het karakter van een dogma. Ook de latere

indeeling van de theologia naturalis in insita en acquisita is reeds

bij de oudste kerkelijke schrijvers te vinden. Tertullianus beroept zich

op het inwendig getuigenis der ziel en op de beschouwing van Gods

werken. Augustinus zegt uitdrukkelijk, dat God uit de zienlijke dingen

kan worden gekend, de Gen. ad. litt. 4,32 maar wijst vooral op het

zelfbewustzijn en de zelfkennis als den weg tot de eeuwige waarheid, de

vera relig. 72, de mag. 38, de trin. 4,1. Damascenus, de fide orth. I

c. 1 en 3, stelt de ingeschapene en de verkregene kennisse Gods reeds

duidelijk naast elkaar. Niet zoo spoedig waren de grenzen tusschen beide

soorten van openbaring afgebakend. Langen tijd beproefde men nog, om de

christelijke dogmata uit natuur en rede te bewijzen. Augustinus trachtte

de triniteit, de trin. lib. 9-15, Anselmus in zijn Cur deus homo de

menschwording en voldoening, Albertus Magnus, cf. Stöckl, Philos.

des M. A. II. 384 f., en Thomas, S. c. Gent. II. 15 sq. de schepping

aposteriori te bewijzen. Het verst ging hierin Raymund de Sabunde, die

in zijn Liber naturae sive creaturarum, later ten onrechte Theologia

naturalis genoemd (ed. van J. Sighart, Solisbaci, 1852 zonder den

proloog, die 1595 werd veroordeeld) heel de christelijke geloofsleer uit

de natuur des menschen trachtte op te bouwen, zonder hulp van Schrift

en traditie en met vermijding der scholastische methode. Maar deze

rationeele argumentatie was toch maar eene hulp, die achteraan kwam;

de dogmata stonden apriori vast op grond der openbaring; adjuvantur in

fide invisibilium per ea, quae facta sunt, Lombardus, Sent. I dist. 3,

6. cf. 2, 1. Overigens werd de kennis, welke uit de natuur verkregen

kon worden, tot eenige articuli mixti beperkt, die zich concentreerden

om de drie begrippen God, deugd en onsterfelijkheid, Thomas, S. c.

Gent. Lib. 1-3. De onderscheiding tusschen de theol. naturalis en

supernaturalis werd echter in de scholastiek hoe langer hoe strakker

gespannen en ging in eene volstrekte tegenstelling over. Door de

natuurlijke openbaring was er van God en goddelijke zaken eenige streng

wetenschappelijke kennis te verkrijgen, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1

art. 5, cf. Bellarminus, Controv. IV p. 277 sq. Thomas is hiervan zoo

vast overtuigd, dat hij de vraag opwerpt, of in dat geval het aannemen

van deze uit de natuur bekende waarheden dan niet al zijn verdienste

verliest. Gelooven is toch alleen verdienstelijk, als het geen weten is

maar een voor waar aannemen op gezag, eene daad des verstands ex motu

voluntatis motae per gratiam, ib. II 2 qu. 2 art. 9. Het antwoord op

die vraag luidt, dat het weten inderdaad de ratio fidei vermindert;

maar dat toch altijd in den geloovige de ratio caritatis blijft, d.

i. de gezindheid, om het gewetene ook steeds weer op Gods gezag als

waar aan te nemen, ib. II 2 qu. 2 art. 10; en deze gezindheid, om de

articuli mixti op gezag te gelooven, blijft om bijzondere omstandigheden

(zie straks onder N° 7), ook altijd noodig. Aan deze kennis uit de

natuur en rede is nu door de bovennatuurlijke openbaring de kennis der

mysteria toegevoegd, maar deze rust uitsluitend op gezag en is en

blijft van het begin tot het einde eene zaak des geloofs. De mysteriën

des Christendoms behooren tot eene orde, die niet om eene toevallige

reden, door de zonde, maar die uitteraard voor ieder mensch, ook voor

den zondeloozen mensch, ja zelfs voor de engelen in eigenlijken zin

bovennatuurlijk is en daarom nooit anders dan door openbaring gekend

worden kan. Bij de bijzondere openbaring komt deze eigenaardige Roomsche

leer nader ter sprake. Maar hier zij reeds opgemerkt, dat weten en

gelooven, ratio en auctoritas, natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring

bij Rome dualistisch naast elkander staan. Rome erkent dus eenerzijds het

recht van het rationalisme op het terrein van de natuurlijke openbaring

en veroordeelt het excessieve supranaturalisme, dat ook in de articuli

mixti geen kennis mogelijk acht dan door openbaring. En andererzijds

huldigt het het supranaturalisme op het terrein van de mysteriën zoo

streng mogelijk en veroordeelt het alle rationalisme, dat apriori of

aposteriori in de dogmata aan het gezag en aan het geloof zoekt te

ontkomen en ze in weten tracht te doen overgaan. Het verwerpt beide

Tertullianus en Origenes en veroordeelt zoowel het traditionalisme van

de Bonald als het rationalisme van Hermes (boven bl. 94 v). De Roomsche

kerk belijdt, volgens het Vaticanum, sess. III Const. Dogm. de fide

cath. cap. 2, Deum.... naturali humanae rationis lumine e rebus creatis

certo cognosci posse, maar dat het Gode behaagd heeft, alia, eaque

supernaturali via, se ipsum ac aeterna voluntatis decreta humano generi

revelare.

4. De Reformatie heeft deze onderscheiding van revelatio naturalis en

supernaturalis overgenomen en er toch in beginsel eene geheel andere

beteekenis aan gegeven. Wel namen de Hervormers eene openbaring Gods

in de natuur aan. Maar de mensch was door de zonde zoo verduisterd

in zijn verstand, dat hij ook deze openbaring niet recht kon kennen en

verstaan. Er was dus tweeërlei noodig, n.l. dat God die waarheden,

welke op zich zelve uit de natuur kenbaar zijn, ook weer in de bijzondere

openbaring opnam; en dat de mensch, om God wederom op te merken in de

natuur, eerst door Gods Geest moest worden verlicht. Om de algemeene

openbaring Gods in de natuur te verstaan, was objectief de bijzondere

openbaring in de H. Schrift van noode, welke daarom door Calvijn met

eene bril werd vergeleken, en subjectief had de mensch behoefte aan

het oog des geloofs, om God te aanschouwen ook in de werken zijner

handen. Even belangrijk was de wijziging, door de Reformatie in de

opvatting der bovennatuurlijke openbaring aangebracht. Deze was niet in

de eerste plaats daarom bovennatuurlijk, wijl zij an sich tot eene andere

orde behoorde en het verstand ook van den zondeloozen mensch en van

de engelen te boven ging; maar bovennatuurlijk was ze vooral daarom,

wijl zij de gedachten en wenschen van den zondigen, gevallen mensch

verre overtrof, gelijk later zal worden aangetoond. Bij de Hervormers

verloor de theologia naturalis dus hare rationeele zelfstandigheid.

Ze werd niet afzonderlijk behandeld maar opgenomen in de christelijke

geloofsleer, Zwingli, Comm. de vera et falsa relig. Op. ed. Schuler

et Schulthess III 156 sq. Calvijn, Inst. I c. 1-5. Polanus, Synt.

Theol. I cap. 10. Martyr, Loci Comm. loc. 2 etc. Maar verschillende

oorzaken waren er, die dit reformatorisch beginsel tegenhielden in zijne

ontwikkeling en volledige toepassing. Er was excessus, overspanning,

aan de ééne zijde. Het Anabaptisme verwierp geheel de ordo naturalis

en trachtte op revolutionaire wijze een koninkrijk der hemelen op aarde

te stichten. De Socinianen verwierpen de theologia naturalis geheel

en al, en leidden alle Godskennis uit openbaring af, Catech. Racov.

qu. 46-49. Fock, Der Socin. 307 f. Luther kwam door zijne bestrijding

van de scholastieke leer, naturalia mansisse integra, zoover, dat

hij aan Aristoteles, aan de rede, aan de philosophie in theologicis

alle recht van spreken verbood en de Vernunft in religieuse dingen

stock-, starr-und gar blind noemde, Köstlin, Luthers Theologie II 287

f. Luthardt, Ethik Luthers, 14 f. Strauss, Glaubenslehre I 311 f. De

strenge Lutheranen volgden den Meester; en de Formula Concordiae,

ofschoon erkennend dat humana ratio seu intellectus naturalis hominis

obscuram aliquam notitiae illius scintillulam reliquam habet, quod sit

Deus, et particulam aliquam legis tenet, II Pars. Sol. Decl. II. de

lib. arb., J. T. Müller, Die symb. Bücher der ev. luth. K. 5e Aufl.

1882 S. 589, legt toch zoo eenzijdig op de duisternis en de onmacht

van den natuurlijken mensch in zaken van religie den nadruk, dat de

samenhang en het verband van de bijzondere met de algemeene openbaring

geheel wordt verbroken; de mensch is in rebus spiritualibus et ad

conversionem aut regenerationem niets meer dan een lapis, truncus aut

limus, ib. bij Müller S. 594.

De reactie daartegen kon niet uitblijven. Bij het Anabaptisme en het

Socinianisme sloeg het excessieve supranaturalisme in rationalisme

om. Luther was gedwongen, wijl hij aan de rede toch niet alle inzicht

en oordeel ontzeggen kon, om eene scherpe scheiding te maken tusschen

het geestelijke en het wereldlijke, het hemelsche en het aardsche, het

eeuwige en het tijdelijke, Köstlin, Luthers Theol. II 244 f. En op

zijn voetspoor maakten de Luth. theologen onderscheid tusschen duo

hemisphaeria, quorum unum inferius, alterum superius; in aardsche

dingen is de rede nog vrij en tot veel goeds in staat, hier is zij tot op

zekere hoogte zelfstandig en van het geloof onafhankelijk, Schmid, Dogm.

der ev. luth. K. 192 f. Ook Calvijn, ofschoon door zijne leer van de

gratia communis in veel gunstiger conditie dan Luther, kwam toch niet

altijd de oude dualistische tegenstelling van de revelatio naturalis en

supernaturalis te boven, Inst. II, 2, 12, 13. De rede kreeg daardoor

weer eenige zeggenschap naast het geloof. Het scheen, dat zij niet

altijd door het geloof moest worden geleid, maar op een, zij het ook nog

zoo klein en onverschillig gebied, vrij en onafhankelijk was. Met dit

haar toegestaan, althans niet ernstig betwiste recht heeft ze winste

gedaan; gaandeweg heeft zij haar macht uitgebreid. Eerst in burgerlijke

zaken, dan in de wetenschap, straks in de philosophie, en eindelijk

ook in de theologie verheft zij zich naast en tegenover het geloof.

Alsted gaf eene Theol. naturalis 1615 afzonderlijk uit, en telde als

haar inhoud een zevental dogmata op: deus est, super omnia diligendus,

honeste vivendum est, quod tibi non vis fieri alteri ne feceris, suum

cuique tribuendum est, nemo laedendus est, plus est in bono communi

positum quam in particulari, cf. Praecognita 1623 p. 37-114. Vele

Geref. theologen volgden dit voorbeeld, vooral toen de philosophie van

Cartesius aan invloed won, Doedes, Inl. tot de leer van God, 2e dr.

1880 bl. 200 v. Door het Engelsche deisme en het Duitsche rationalisme

nam de theologia naturalis of rationalis zoo in macht en aanzien toe,

dat zij de theologia revelata als geheel onnoodig verwierp. Herbert

van Cherbury 1581-1648, gaf aan de religio naturalis vijf artikelen

tot inhoud: esse deum summum, coli debere, virtutem pietatemque esse

praecipuas partes cultus divini, dolendum esse ob peccata ab iisque

resipiscendum, dari ex bonitate justitiaque divina praemium vel poenam

tum in hac vita tum post hanc vitam, Lechler, Gesch. des engl. Deismus

42. Maar nadat zij de theologia revelata gebannen had, is zij op haar

beurt ook zelve geoordeeld. Kant betoogde in zijne kritiek der zuivere

rede, dat deze tot de zinnelijk-waarneembare verschijnselen beperkt is en

noch tot het bovenzinnelijke noch tot het bovennatuurlijke doordringen

kan. De geschiedenis der godsdiensten toonde aan, dat geen enkele

godsdienst aan de revelatio naturalis genoeg had, dat er nergens eene

religio naturalis bestond en dat alle godsdiensten positief waren.

En de kritiek der Schrift ondermijnde de revelatio supernaturalis en

wischte de grenzen tusschen haar en de revelatio naturalis uit. De

overtuiging werd daardoor algemeen, dat er, om eenige kennis van God

te bekomen, een andere weg dan die der rede en der wetenschappelijke

bewijsvoering moest worden ingeslagen, n.l. die des geloofs of der

zedelijke ervaring of der phantasie. De theologia en religio naturalis,

en daarmede ook de revelatio naturalis verloor hare waarde. De bewijzen

voor Gods bestaan, de ziel, de onsterfelijkheid werden prijsgegeven en

gebannen uit de dogmatiek. Pierson, Eene levensbeschouwing 83, zeide

zelfs, dat onderwijs in de theol. naturalis aan de rijkshoogescholen eene

wanbesteding was van ’s lands penningen. Desniettemin is ze in de wet

op het hooger onderwijs toch weer onder den naam van geschiedenis der

leer aangaande God en van wijsbegeerte van den godsdienst opgenomen.

Prof. Doedes verwierp ze in zijne Encyclopaedie bl. 190 v., maar

behandelde ze toch feitelijk weer in zijne Inleiding tot de leer van

God, 2e dr. 1880 en De Leer van God 1871. Alles wijst er op, gelijk

in den locus de Deo zal worden aangetoond, dat de bewijzen voor Gods

bestaan weer in waarde rijzen. De goede gedachte, die er ligt in de oude

theologia naturalis, wordt langzamerhand weer beter erkend.

5. De Schrift kent wel het begrip van eene vaste natuurorde, maar

maakt toch bij de openbaring tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke

geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde woorden, b.v. גלה,

φανερουν en ἀποκαλυπτειν ook voor de revelatio naturalis Job 12:22,

33:16, 36:10; Rom. 1:18, 19. Nösgen, Beweis des Glaubens, Nov. 1890

S. 416-417 maakt daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring

Gods in de natuur reeds den naam van openbaring te geven. Eigenlijk is

op het standpunt der Schrift alle openbaring, ook die in de natuur,

bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de wijze,

waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets, hetwelk

verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein duidt het

aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur onderscheiden leven

bezit en nu uit zijne verborgenheid op eene of andere wijze voor het

oog van redelijke schepselen te voorschijn treden kan. Van openbaring

kan dus in eigenlijken zin alleen spreken, wie het supranatureele, een

ordo supra hanc naturam erkent; en elk, die het woord in dezen zin

bezigt, is in beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts eene

openbaring aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio

naturalis en supernaturalis is niet ontleend aan de aktie Gods, die

in de eene en in de andere openbaring zich uit, maar aan de wijze,

waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam. In

oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd Joh. 5:17.

Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de schepping. De creatie

is de eerste revelatie Gods, aanvang en grondslag van alle volgende

openbaring. Het bijbelsch begrip der openbaring wortelt in dat der

schepping, Oehler, Theol. des A. T. 1882 S. 21. Door de schepping is

God het eerst voor schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich

aan schepselen geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord

en levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen

van alle volgende openbaringen geteekend. Maar aan de schepping sluit

terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze is eene almachtige en

alomtegenwoordige kracht en daad Gods. Al wat is en geschiedt, is een

werk Gods in eigenlijken zin, en voor den vrome eene openbaring van zijne

deugden en volmaaktheden. Zoo beziet de Schrift natuur en geschiedenis.

Schepping, onderhouding en regeering zijne ééne machtige, voortgaande

openbaring Gods. Geen natuurpoëzie heeft die van Israel overtroffen of

geëvenaard, Pierson, Geestel. Voorouders I Israel bl. 389 v. Alles in

de natuur spreekt den vrome van God. De hemelen vertellen Gods eer,

het uitspansel zijner handen werk. Gods stem is op de groote wateren.

Die stem verbreekt de cederen, dreunt in den donder, loeit in den

stormwind. Het licht is zijn kleed, de hemel zijn gordijn, de wolken zijn

wagen. Zijn adem schept en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft

zonneschijn over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras,

regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen

komen den geloovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke hand. De

natuur- en geschiedbeschouwing der Schrift is religieus en daarom ook

supranatureel.

Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring ten

nauwste saam. Zij verhaalt van zulk eene openbaring niet eerst na, maar

ook reeds vóór den val. De verhouding van God en mensch in den status

integritatis wordt als een persoonlijke omgang geteekend. God spreekt

tot den mensch Gen. 1:28-30, geeft hem een gebod dat hij van nature

niet weten kon Gen 2:16 en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe

hem toe, Gen. 2 vs. 22. Ook het foedus operum is niet in dien zin een

foedus naturae, dat het vanzelf uit ’s menschen natuurlijken aanleg

opkomt, maar is eene vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En wijl het

foedus operum nu niets anders is dan de vorm der religie bij den naar

Gods beeld geschapen mensch die het hoogste nog niet had verkregen,

zoo kan gezegd worden, dat de Schrift de zuivere religie zich niet

denken kan zonder revelatio supernaturalis. Het bovennatuurlijke strijdt

niet met ’s menschen natuur, noch met de natuur der schepselen; het

behoort, om zoo te spreken, tot het wezen van den mensch. De mensch

is beeld Gods en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in

eene rechtstreeksche verhouding. De aard dezer verhouding sluit in,

dat God zich aan den naar zijn beeld geschapen mensch beide objectief

en subjectief openbare. Er is geen religie zonder traditie, dogma,

cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring saamgeweven.

Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet alleen op

natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende bovennatuurlijke

openbaring. En alle menschen erkennen van nature het supranatureele.

Het naturalisme is evenals het atheïsme eene vondst der wijsbegeerte,

maar het heeft geen steun in de menschelijke natuur. Zoolang de religie

zal behooren tot het wezen van den mensch, zal de mensch ook zijn en

blijven supranaturalist. Elk geloovige, van welke richting ook, hij moge

naturalist zijn met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart.

Wie uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening

met God het supranatureele bannen wil, doodt de religie zelve. Want

religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap met God en

is met hart en ziel supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk van

het geloof, dat God supra naturam staat en dat Hij met haar doen kan

naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde dienstbaar maakt aan de

zedelijke orde, de rijken der wereld aan het koninkrijk der hemelen,

de physis aan den ethos. Er is daarom terecht gezegd, dat de bede

om een rein hart even supranaturalistisch is als die om een gezond

lichaam (Pierson). De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de

bovennatuurlijke openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog

volstrekt niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of

hij moet vooruit en ook de mogelijkheid der bovennatuurlijke openbaring

aannemen. Er is geen religio naturalis. De rationalistische trilogie

is onhoudbaar. De eenig ware tegenstelling van de erkenning van het

supranatureele is dan ook niet het rationalistisch deïsme, maar het

naturalisme, d. i. het geloof, dat er geen andere hoogere kracht

bestaat dan die in de tegenwoordige natuurorde aanwezig is en zich

openbaart. Maar dan valt ook alle recht, om aan den triumf van het

goede, aan de eindelijke zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de

zedelijke wereldorde te gelooven. Want het goede, het ware, de zedelijke

wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen macht hebben,

om zich te realiseeren. De hoop, dat de menschen ze tot heerschappij

zullen brengen en voor de macht der waarheid zwichten zullen, wordt

iederen dag door de ervaring teleurgesteld. Dan alleen is hun triumf

verzekerd, als God een persoonlijk, almachtig wezen is en heel de

schepping, trots allen tegenstand, heenleiden kan tot het door Hem

beoogde doel. De religie, de moraal, de erkenning van eene bestemming

voor menschheid en wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede,

de theïstische wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God

zijn alle onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van

God en van de religie involveert die van de openbaring. Pierson, Gods

wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v. James Orr, The

christian view of God and the world, Edinb. 1893 p. 60 etc. 91 etc. Cf.

Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v.

6. Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke

openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van middellijke

en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillenden zin

genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring genoemd, die

zonder tusschenpersoon tot den ontvanger zelven kwam; en middellijk

die, welke door engelen of menschen aan anderen werd overgebracht,

Witsius, Misc. Sacra I. 16. Inzoover nu de openbaring tot profeten

en apostelen meest persoonlijk kwam, daarentegen tot ons slechts komt

door hunne geschriften heen, kon de eerste als revelatio immediata

tegen de laatste, als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de

rationalistische en moderne theologen hebben deze benamingen dikwerf

een geheel anderen zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de

opvatting der openbaring doen toenemen, Rothe, zur Dogm. 55 f. 64

f. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 163 f. In strikten zin is er geen

onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade. Altijd

bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen genomen hetzij

vrij gekozen, waardoor Hij zich aan menschen openbaart. Door teekens

en symbolen doet Hij hen zijne tegenwoordigheid gevoelen; door daden

verkondigt Hij hun zijne deugden; door spraak en taal maakt Hij hun zijn

wil en gedachte bekend. Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich

openbaart in het bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd

organisch en dus langs middellijken weg. De afstand tusschen Schepper

en schepsel is veel te groot, dan dat de mensch God rechtstreeks

gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in den

status gloriae eene visio Dei per essentiam zal zijn, kan eerst

later worden onderzocht. Maar in deze bedeeling is alle openbaring

middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelven, kan Hij door geen

schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring is daarom altijd

eene daad van genade; in haar daalt God tot zijn schepsel af, dat

naar zijn beeld is gemaakt. Alle openbaring is anthropomorphisme, is

eene zekere menschwording Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen,

in bepaalde modi. In de revelatio naturalis zijn zijne goddelijke en

eeuwige gedachten op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd,

zoodat ze door den mensch denkende kunnen verstaan worden. En bij de

revelatio supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij

aan menschelijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke

middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., 21 v., 3:8 v. En door deze media heen

vernam en verstond de mensch God even goed en even duidelijk, als nu de

vrome de sprake Gods verneemt in heel de natuur. Zoo weinig onmogelijk

en bedriegelijk de openbaring Gods in natuur en geschiedenis is voor

den geloovige, is het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God

van ongewone middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere

wijze de oogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring gaan dus

naar de leer der Schrift in den status integritatis saam. Zij zijn geen

tegenstelling maar vullen elkander aan. Zij zijn beide middellijk en aan

bepaalde vormen en middelen gebonden. Zij berusten beide op de gedachte,

dat God in genade zich nederbuigt tot den mensch en hem gelijkvormig

wordt. En zij hebben beide deze modi, dat God zijne tegenwoordigheid

gevoelen, zijne stemme hooren, zijne werken aanschouwen doet. Door

verschijning, woord en daad maakte God van den aanvang af aan menschen

zich openbaar.

Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door den eersten mensch

intreedt in de wereld, in het feit zelf der openbaring geen verandering

brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet terug. Allereerst

wordt ons door heel de Schrift heen eene revelatio naturalis geleerd.

Gods openbaring is begonnen in de schepping en zet in de onderhouding

en regeering aller dingen zich voort. Hij openbaart zich in de natuur

rondom ons henen; spreidt daarin zijne eeuwige kracht en goddelijkheid

ten toon, en bewijst in zegeningen en oordeel en beurtelings zijne

goedheid en zijn toorn, Job 36, 37. Ps. 29, 33:5, 65, 67:7, 90, 104,

107, 145, 147. Jes. 59:17-19. Mt. 5:45. Rom: 1:18. Hd. 14:16. Hij

openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen Deut. 32:8.

Ps. 33:10, 67:5, 115:16. Spr. 8:15, 16. Hd. 17:26. Rom. 13:1. Hij

openbaart zich ook in het hart en geweten van een iegelijk mensch Job

32:8, 33:4. Spr. 20:27. Joh. 1:3-5, 9, 10. Rom. 2:14, 15, 8:16. Deze

openbaring Gods is algemeen, op zichzelve waarneembaar en verstaanbaar

voor iederen mensch. Natuur en geschiedenis zijn het boek van Gods

almacht en wijsheid, van zijne goedheid en rechtvaardigheid. Alle

volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend. Zelfs de

afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods δυναμις en θειοτης zich

openbaart. Wijsgeeren, natuuronderzoekers en geschiedvorschers hebben

menigmaal op treffende wijze van deze openbaring Gods gesproken, b.v.

Xenophon, Memor. I 4, 5. Cicero, de nat. deor. II 2, de divinat. II

72. Zöckler, Gottes Zeugen im Reich der Natur, 2 Th. Gütersloh 1881.

Door de christelijke theologie is deze algemeene openbaring ten allen

tijde eenparig aangenomen en verdedigd, Iren. adv. haer. II 6. Tertull.

de testim. animae, adv. Marc. I 10. August, de civ. Dei 8:9 sq. 19:1,

de trin. 4:20 enz. Joh. Damasc. de fide orthod. I c. 1 en 3. Thomas,

S. c. Gent. lib. 1-3. S. Theol. I qu. 2 enz., cf. verder H. Denzinger,

Vier Bücher von der relig. Erk. II S. 27-45. Inzonderheid door de

Geref. theologen werd deze algemeene openbaring gehandhaafd en hoog

gewaardeerd, Calv. Inst. I c. 4 en cf. voorts Schweizer, Gl. der ev. K.

I 241 f. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 1 f. Scholten, Leer der Herv.

Kerk I{4} 304-326. Doedes, Inleiding tot de leer van God 2e dr. bl.

107-252.

Maar volgens de Schrift is deze algemeene openbaring niet in

strikten zin natuurlijk alleen, maar bevat zij ook bovennatuurlijke

elementen. De openbaring, die terstond na den val geschiedt, draagt

een supranatureel karakter Gen. 3:8 v. en wordt door traditie het

eigendom der menschheid. De oorspronkelijke kennis en dienst Gods blijft

nog langen tijd in min of meer zuiveren toestand bewaard. Aan Kain

wordt genade geschonken voor recht: zelfs wordt hij de vader van een

geslacht, dat met de cultuur een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond,

dat na den zondvloed met Noach en in hem met heel de nieuwe menschheid

opgericht wordt, is een verbond der natuur en toch niet natuurlijk meer,

maar vrucht van ongehoudene bovennatuurlijke genade, Gen. 8:21, 22.

9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen, die God gewrocht

heeft voor de oogen der Heidenen, in Egypte, Kanaan, Babel enz., en

van bovennatuurlijke openbaringen, die aan niet-Israelieten ten beurt

gevallen zijn, Gen. 20, 30, 40, 41. Richt. 7. Dan. 2:4 enz. Eene

werking van bovennatuurlijke krachten in de heidenwereld is apriori

noch onmogelijk noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in

het beroep op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk

is. En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein der bijzondere

genade behoort, in strikten zin bovennatuurlijk. Er verloopen gansche

perioden in de geschiedenis van Israel, vele dagen en jaren in het

leven van Jezus, en evenzoo in het leven der apostelen, waarin geene

bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en die toch een gewichtig deel

vormen in de historia revelationis. Als Jezus den armen het evangelie

verkondigt, is dit van geen minder gewicht, dan wanneer Hij kranken

geneest en dooden opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van

geen mindere beteekenis dan zijne bovennatuurlijke geboorte. Daarom is

de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring niet

identisch met die van algemeene en bijzondere. Ter aanduiding van de

tweeërlei openbaring, die aan de heidensche religies en aan de religie

der Schrift ten grondslag ligt, is de laatste onderscheiding te

verkiezen boven de eerste.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 16 / 28 题