D. Resultaat.

19. Het voorafgaand onderzoek dwingt ons tot het kiezen van een ander

uitgangspunt en tot het volgen van eene andere methode. Het wezen

en de oorsprong der religie zijn bij de historische en psychologische

methode niet te verklaren; haar recht en waarde kan daarbij niet worden

gehandhaafd. Het gaat niet aan, om de religie te begrijpen zonder God.

God is de groote onderstelling van den godsdienst. Zijn bestaan en

openbaring is de grondslag, waarop alle religie rust. Nu heet het

wel onwetenschappelijk, om bij de verklaring van eenig verschijnsel tot

God terug te gaan; en inderdaad mag Hij ook niet dienstdoen als asylum

ignorantiae. Maar het is toch eene arme wetenschap, die met God geen

rekening houden mag en alle dingen zoekt te verklaren buiten en zonder

Hem. Bij de wetenschappelijke verklaring van den godsdienst geldt dit

in dubbelen zin. Want God is hier het eigenlijke en direkte object.

Zonder Hem is alle religie eene ongerijmdheid. De keuze staat hier

slechts tusschen deze twee, dat of de religie eene dwaasheid is, wijl

God niet bestaat of volstrekt onkenbaar is, of dat zij waarheid is maar

dan het bestaan en de openbaring onverbiddelijk en in streng logischen

en wetenschappelijken zin eischt en onderstelt. Wie het eerste niet

aanvaarden kan, wordt gedwongen het tweede aan te nemen en God te

erkennen als het principium essendi van alle religie. Er is godsdienst,

alleen omdat God is en van schepselen gediend wil worden. Dan alleen,

als het bestaan Gods vaststaat, is wezen en oorsprong, recht en waarde

der religie te begrijpen.

Maar de religie eischt nog meer. Zij onderstelt niet alleen, dat God

bestaat, maar ook dat Hij zich op de eene of andere wijze openbaart en

kennen doet. Alle godsdiensten hebben dit begrip van openbaring. Het

wordt niet van buiten af aan de religie opgedrongen, maar vloeit uit

haar oorsprong en wezen vanzelve voort. Er is geen religie zonder

openbaring; openbaring is het noodwendig correlaat der religie. Het

wezen der religie bestaat niet alleen subjectief in eene religieuse

gezindheid, die zich naar welgevallen uit, maar ook in eene religio

objectiva, in een dogma, moraal en cultus, die daarom alleen gezag

hebben voor den geloovige, wijl zij naar zijne overtuiging den wil en den

dienst Gods bevatten. De oorsprong der religie is historisch niet aan

te wijzen en psychologisch niet te verklaren, maar wijst noodzakelijk naar

de openbaring als haar objectieven grondslag heen. Het onderscheid

tusschen religie aan de eene en wetenschap en kunst aan de andere zijde

doet ons datzelfde begrip van openbaring aan de hand. De natuur, de

wereld rondom ons heen is de bron onzer kennis en artis magistra. Maar

in de religie komt diezelfde wereld nog onder een ander gezichtspunt in

aanmerking, n.l. als openbaring Gods, als bekendmaking zijner eeuwige

kracht en goddelijkheid. Het is den mensch in de religie om iets gansch

anders te doen dan in wetenschap en kunst. In de religie zoekt hij

niet eene vermeerdering van zijne kennis noch eene bevrediging van zijne

phantasie, maar een eeuwig leven in de gemeenschap met God, eene reëele

verandering van zijn, eene bevrijding van zonde en ellende. Het is hem

in de religie om God zelven te doen, omdat hij beseft, dat hij in God

alleen rust en vrede vinden kan. Daarom eischt de religie een andere

bron dan wetenschap en kunst; zij onderstelt eene openbaring, die God

zelven tot hem komen doet en in gemeenschap met Hem brengt. De religie

is in haar wezen en oorsprong een product van openbaring. Langzamerhand

begint dit ook erkend te worden. De wijsbegeerte van den godsdienst,

die het begrip der openbaring een tijd lang geen ernstige bespreking

waardig keurde en het alleen aan eene negatieve kritiek onderwierp,

wordt gedwongen er mede te rekenen. De opvatting van die openbaring is

nog zeer verschillend en soms zeer onjuist; maar het feit spreekt toch

sterk, dat velen dit begrip weder opnemen en er een positieven zin aan

trachten toe te kennen, cf. Pfleiderer, Grundriss § 13 f. Rauwenhoff,

Wijsb. 46. Hartmann, II 69 f. Biedermann, Dogm. I 264. Lipsius, Dogm.

§ 53. Nitzsch, Dogm. 127. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 136 v. enz. De H.

Schrift gaat van het bestaan en van de openbaring Gods uit. God laat

zich niet onbetuigd, en daarom is er van ’s menschen zijde een zoeken,

of hij Hem vinden en tasten mocht. Openbaring was er volgens de Schrift

zoowel voor als na den val. Openbaring is het principium cognoscendi

externum van de religie.

Als wezen en oorsprong van de religie alzoo uit openbaring worden

verklaard, mag dit niet in den sociniaanschen zin worden verstaan,

alsof de religie niet in ’s menschen natuur ware gegrond maar uit

eene uitwendige meedeeling van leer ware ontstaan, Fock, Der Socin.

291 f. In dat geval zou Schelling, Philos. der Mythol. I 141 terecht

de opmerking hebben gemaakt: wäre der ursprüngliche Mensch nicht an

sich schon Bewusstseyn von Gott, müsste ihm ein Bewusstseyn von Gott

erst durch einen besonderen Actus zu Theil werden, so müssten die,

welche diess annehmen, selbst einen ursprünglichen Atheïsmus des

menschlichen Bewusstseyns behaupten. De religie ware dan een donum

superadditum, niet wezenlijk eigen aan de menschelijke natuur. Maar de

mensch is mensch wijl hij het beeld Gods is; hij is terstond als mensch

een religieus wezen. De godsdienst is niet het wezen van den mensch,

gelijk des Amorie van der Hoeven Jr. zich minder juist uitdrukte,

want de religie is geen substantia maar een habitus of virtus; maar

zij is toch eene wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, zoo

vanzelve met haar gegeven en zoo onafscheidelijk aan haar verbonden,

dat zij door de zonde wel is verwoest, maar niet uitgeroeid is kunnen

worden. Daarom is de religie ook algemeen en heeft ze ook zoo groote

macht in het leven en de geschiedenis. Of men wil of niet, altijd

stuit men ten slotte in den mensch op een zekeren godsdienstigen

aanleg. Men kan dien verschillend noemen, semen religionis, sensus

divinitatis (Calvijn), godsdienstig gevoel (Schleiermacher, Opzoomer),

geloof (Hartmann, Relig. Philos. II 67) enz., maar altijd is het toch

eene zekere vatbaarheid van de menschelijke natuur, om het goddelijke

gewaar te worden, waar het wijsgeerig onderzoek naar de religie toe

terugkeeren en in eindigen moet. Daarachter kan het niet doordringen.

Want één van beide: de godsdienst is wezenlijk eigen aan de menschelijke

natuur en dus met deze van huis uit gegeven, of de mensch was

oorspronkelijk geen religieus wezen, dus ook geen mensch maar een dier

en heeft zich langzamerhand tot een godsdienstig wezen ontwikkeld;

en dan is de godsdienst toevallig en een voorbijgaand moment in het

proces der evolutie. De vraag, waartoe het wijsgeerig onderzoek ten

slotte afdaalt, is deze: is de mensch van den aanvang af mensch,

beeld Gods, Gode verwant, een godsdienstig wezen geweest, of heeft

hij langzamerhand daartoe zich ontwikkeld? Is cultuur of ruwe, woeste

natuur de eerste toestand van het menschelijk geslacht geweest? Is de

aanvang der menschheid absoluut of relatief? Cf. Schelling, Vorles.

über die Meth. des akad. Studiums, Werke I 5 S. 286 f. Wie de religie

in haar wezen handhaven wil, en ze beschouwt en erkent als eene

wezenlijke eigenschap van de menschelijke natuur, neemt den aanvang

van den mensch absoluut en laat hem van huis uit Gode verwant en

godsdienstig aangelegd zijn. Zulk een kan ook geen bezwaar meer hebben

tegen den status integritatis, waarin de Schrift den eersten mensch

laat optreden. Volgens de Schrift is de mensch van het eerste oogenblik

van zijn bestaan af mensch geweest, naar Gods beeld geschapen, en dus

van datzelfde oogenblik af ook een religieus wezen. De religie is er

niet later bijgekomen door afzonderlijke schepping of in den langen weg

der evolutie, maar ligt in het naar Gods beeld geschapen zijn van den

mensch vanzelf opgesloten. Wel is die oorspronkelijke toestand door de

zonde bedorven en verwoest, maar de mensch blijft toch Gode verwant, hij

is θεου γενος en blijft Hem zoeken, of hij Hem tasten en vinden mocht.

Aan de objectieve openbaring Gods correspondeert dus in den mensch

eene zekere facultas, aptitudo zijner natuur, om het goddelijke op te

merken. God doet geen half werk. Hij schept het licht niet alleen,

maar ook het oog, om dat licht te aanschouwen. Aan het uitwendige

beantwoordt het inwendige. Het oor is aangelegd op de wereld der tonen.

De logos in de schepselen correspondeert met den logos in den mensch

en maakt wetenschap mogelijk. Het schoone in de natuur vindt weerklank

in zijn schoonheidsgevoel. En zoo is er niet alleen eene uitwendige,

objectieve, maar ook eene inwendige subjectieve openbaring. Gene is het

principium cognoscendi externum van de religie, en deze het principium

cognoscendi internum. Beide principia staan ten nauwste met elkaar in

verband, zooals het licht met het oog, de gedachte in de wereld met

de rede in den mensch. De vraag, welk van beide het eerst is geweest,

de uitwendige of de inwendige openbaring, is geheel overbodig. In

hetzelfde moment, dat God zich openbaarde aan den mensch doordat Hij hem

schiep naar zijn beeld, kende deze God en diende Hem en omgekeerd. En

de ware, echte religie kan alleen bestaan in eene volkomene harmonie

van de inwendige met de uitwendige openbaring; waarlijk religieus,

beeld Gods, dienstknecht Gods, kind Gods, mensch in vollen zin is hij,

die God, gelijk Hij is en zich door openbaring kennen doet, liefheeft

met geheel zijn hart en met geheel zijne ziel en met al zijne krachten.

Evenals in de wetenschap, zijn er dus ook in de religie drieërlei

principia te onderscheiden. Er is religie, omdat God God is en als God

door zijne redelijke schepselen gediend wil worden. Daartoe openbaart

Hij zich aan den mensch in woord en daad -- principium cognoscendi

externum, en maakt hem subjectief bekwaam om door die openbaring

God te kennen en lief te hebben -- principium cognoscendi internum.

De vormen, waarin de openbaring uit- en inwendig geschiedt, kunnen

gewijzigd worden overeenkomstig den verschillenden toestand, waarin de

mensch als creatura mutabilis verkeeren kan. Zij zijn andere in den

status integritatis en corruptionis, in den status gratiae en gloriae.

Maar de drie principia blijven dezelfde. Er is geen religie, dan

doordat God zich objectief en subjectief kennen doet aan den mensch.

En wederom vinden deze principia ook bij de religie hun grondslag in

het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die in den Zoon en door

den Geest zich openbaart. Niemand kent den Vader, dan wien het de

Zoon door den Geest wil openbaren, Mt. 11:27, Joh. 16:13, 14, 1 Cor.

2:10. Cf. Schleiermacher, Der Christ. Gl. § 4. Schelling, Philosophie

u. Religion, Sämmtl. Werke Abth I. Bd. VI 26 f. Einleitung in die

Philosophie der Mythologie, Sämmtl. Werke, Abth. II. Bd. 1-4. I 74 f.

119 f. Ulrici, Gott und die Natur, 2e Aufl. Leipzig 1866 S. 767 f. J.

A. Dorner, Christ. Glaubenslehre, Berlin, Hertz. 1879 I S. 552 f. Aug.

Dorner, Ueber das Wesen der Religion, Stud. u. Krit. 1883 S. 217 f. J.

T. Beck, Vorles. über Christl. Glaubenslehre, Gütersloh 1887 I 149 f.

186 f. M. Kähler, Wissenschaft der Christl. Lehre, Erl. 1883 I 122. J.

Köstlin, Der Glaube, sein Grund, Wesen und Gegenstand. Gotha 1859 S. 13

f. Id. Der Ursprung der Religion. Stud. u. Krit. 1890 S. 213-294. Id.

Die Begründung unserer sittlich-religiösen Ueberzeugung. Berlin 1893 S.

54 f. Gloatz, Spekulative Theologie, Gotha 1883 I 1 S. 130 f. Heman,

Der Ursprung der Religion, Basel 1886. C. Pesch, Der Gottesbegriff,

Freiburg 1885. Dr. T. Cannegieter, De taak en methode der Wijsb. v. d.

godsd. 1886. Dr. Francken in Geloof en Vrijheid 1887 aflev. 1, 2. Drijber

ib. 1890 afl. 5. bl. 426-455. Pressensé, Les Origines 449 S.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 15 / 28 题