16. Van den oorsprong der religie is er nog evenmin als van dien
der taal eene bevredigende verklaring. De afleiding der religie uit
vrees, uit priesterbedrog, uit onkunde, is nog wel altijd in sommige
atheistische kringen gangbaar, maar vindt toch geene wetenschappelijke
verdediging. Darwin, de Afstamming des menschen, vert. door Dr.
Hartogh Heys van Zouteveen 3e dr. 1884 I p. 127 v. zoekt de religie
in kiem, embryonisch, reeds bij de dieren, in de liefde bijv. welke een
hond gevoelt voor zijn meester, en die gepaard gaat met een gevoel van
ondergeschiktheid en vrees. Maar deze analogie gaat om verschillende
redenen niet op. Vooreerst weten wij van het inwendig, psychisch
leven der dieren weinig af; verder is godsdienst altijd verbonden met
vereering, cultus, en eene godsdienstige handeling, zooals gebed,
offer enz. komt bij de dieren niet voor; en voorts zijn er in de dieren
ongetwijfeld zekere eigenschappen van trouw, aanhankelijkheid enz., maar
deze maken toch nog evenmin de religie uit, als diezelfde eigenschappen
onder menschen tegenover elkander reeds religie zijn; het eigenlijk
object der religie, eene bovenzinlijke macht, is aan de dieren geheel
onbekend. Het blijft daarom vooralsnog bij het woord van Lactantius,
Instit. div. 7, 9 religio est paene sola, quae hominem discernit a
brutis, cf. Hegel, Vorlesungen über die Religion I 207. Abr. d. A.
v. d. Hoeven, De godsdienst het wezen van den mensch. 1848. bl. 29
v. Hartmann, Religionsphil. I S. 3-11. Saussaye, Lehrb. d. Relig.
gesch. I 10 f. Lamers, Wet. v. d. godsd. II 150 v. Hoekstra, Wijsg.
godsdienstleer I 1 v. De verklaring der religie uit het animisme, E.
B. Tylor, Primitive Culture 1872, uit het feticisme, Fr. Schultze, Der
Fetischismus, ein Beitrag zur Anthropologie und Religionsgeschichte
1871, en uit de vereering der voorouders, H. Spencer, Ecclesiastical
Institutions, being part VI of the principles of sociology, Londen
1886, § 583 etc. gaat uit van de geheel willekeurige onderstelling, dat
de laagste vormen van religie de primitieve zijn, en houdt begeleidende
verschijnselen van de religie voor haar wezen. Ook de poging van Max
Müller, bv. in zijn De oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst
nagegaan in den godsdienst van Indië, Utrecht 1879, om den godsdienst
af te leiden uit het gevoel van het oneindige, heeft terecht weinig
ingang gevonden; de waarneming van het eindelooze in de natuur leidt
immers op zichzelf en zonder meer nog volstrekt niet tot het begrip van
het oneindige en nog veel minder tot de vereering van den Oneindige,
van God. Even onaannemelijk is de hypothese, welke den oorsprong der
religie zoekt in den causaliteitsdrang, in de behoefte des menschen
aan eene verklaring van wereld en leven, cf. Peschel, Völkerkunde 1881
S. 244 f. Voigt, Fundamentaldogm. 1874 S. 94 f., want religie is in
weerwil van alle verwantschap essentieel van metaphysica en philosophie
verschillend en beantwoordt aan geheel andere behoeften van den
mensch. En eindelijk zijn er ook weinigen meer, die met Cicero de nat.
deor. 1,15. 2,5. Sextus Emp. 9,18 en de optimistische rationalisten
der vorige eeuw de religie laten ontstaan uit de kinderlijke poezie,
het dankbaar gevoel, de naieve vreugde, welke bij den onschuldigen
natuurmensch werden opgewekt door de heerlijke en zegenrijke natuur, en
die hem opleidden tot de erkenning en vereering van een bovennatuurlijk
wezen, hetwelk dat alles schonk, cf. nog Pfleiderer, Relig. phil. II 24
f.; de wetenschap ziet tegenwoordig in die schildering van de onschuld
der natuurmenschen en van de schoonheid en weldadigheid der natuur
niets anders dan eene poetische idylle. De werkelijkheid toont ons
overal een moeielijken struggle for life.
Daarom heerscht er thans dan ook eene gansch andere voorstelling over
den oorsprong der religie. De natuur staat menigmaal vijandig tegen
den mensch over. Zij heeft het met haar stormen en onweders, met haar
verzengende hitte en snerpende koude, met haar woedende krachten en
onbeteugelde elementen op het bestaan en het leven van den mensch
toegelegd. Hij ziet zich voortdurend verplicht, om tegenover haar
zijn leven te beschermen, zijn bestaan te handhaven. Maar hij is zwak
en machteloos. En zoo roept hij dan in het bange conflict tusschen
zichzelf en de natuur, tusschen zelf- en noodgevoel, eene onzienlijke
macht te hulp, die boven de natuur staat en hem helpen kan in den
strijd. De mensch wil gelukkig zijn, maar hij is het niet en kan het ook
door eigen kracht niet worden; daarom tracht hij in den godsdienst al
die persoonlijke machten gunstig voor zich te stemmen, welke naar zijne
voorstelling in de natuurverschijnselen aanwezig zijn. Deze verklaring
van den godsdienst heeft het eigenaardige, dat zij de religie laat
ontstaan niet uit theoretische maar bepaald uit practische motieven;
niet uit voorstellingen, maar uit aandoeningen van vrees, angst,
noodgevoel enz. Zij is in zoover een terugkeer tot het primus in orbe
deos fecit timor van Petronius. Voorts wordt zij reeds aangetroffen bij
Hume, cf. Stud. u. Krit. 1890, 2tes Heft S. 245, en in het Système de
la nature, cf. Stöckl, Gesch. der neueren Philos. 1883 I 386, maar
is vooral in den nieuweren tijd in zeer wijden kring aangenomen als de
beste oplossing van de vraag naar den oorsprong der religie. Toch
komt zij niet bij allen in denzelfden vorm voor. Sommigen zeggen, dat
de godsdienst ontstond uit den Selbsterhaltungstrieb in het algemeen;
de mensch wil in den godsdienst eenig goed deelachtig worden, welk
goed dit ook zij, een zinnelijk, physisch, egoistisch goed of ook een
zedelijk, geestelijk goed; hij wil in één woord een gelukkig leven,
bevrijding van physisch of ook van ethisch kwaad. Zoo W. Bender, Das
Wesen der Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung Bonn 1886.
Ed. Zeller, Ursprung u. Wesen der Religion (Vorträge und Abhandlungen,
II 1877 S. 1-83). J. Kaftan, Das Wesen der christl. Religion, Basel,
Bahnmaier 1881. S. 38 f. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilos.
1893 S. 58 f. Anderen zoeken den oorsprong der religie bepaald in de
ethische Selbstbehauptung, in het handhaven des menschen van zijne
zedelijke vrijheid en waarde tegenover de noodwendigheid en den dwang
der physische wereld. Kant postuleerde op deze wijze reeds op grond van
’s menschen zedelijke natuur het bestaan van een God, die de wereld
der noodwendigheid dienstbaar maken kon aan die der vrijheid, de
natuurwet aan de zedewet, de physis aan den ethos. En op dezelfde wijze
redeneeren Ritschl, Die christl. Lehre von der Rechtf. u. Versöhnung,
2e Aufl. III 1883 S. 186. W. Herrmann, Die Religion im Verhältniss zum
Welterkennen und zur Sittlichkeit, Halle, Niemeyer 1879. S. 267 f. cf.
ook Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 94 v. Eindelijk zijn er ook nog, die
in de religie niet alleen een ethisch maar ook een mystisch element
erkennen, en die haar daarom niet min of meer in eene vrije wilsdaad
maar in de natuur van den mensch gegrond achten; de mensch zoekt
volgens dezen in den godsdienst wel zeker ethische Selbstbehauptung,
maar toch ook nog iets anders en meer, n.l. gemeenschap met, leven in
God, en daardoor juist ook vrijheid tegenover de wereld; de religie
is allereerst eene verhouding tot God, en daarna tot de wereld. Zoo
Pfleiderer, Religionsphilosophie, 2e Aufl. Berlin 1883. II 28 f. Id.
Grundriss der christl. Glaubens- und Sittenlehre. 3e Aufl. Berlin,
Reimer 1886 § 10. Lipsius, Lehrb. der ev. prot. Dogm. 2e Aufl. 1879 §
18. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 99 f.
17. Toch kan deze verklaring van den godsdienst, hoe algemeen ook
aangenomen, niet bevredigen. Ten eerste blijft hier de Godsidee
onverklaard. Gewoonlijk zegt men, dat de onontwikkelde, kinderlijke
natuurmensch tusschen het persoonlijke en onpersoonlijke geen onderscheid
maakt, de krachten in de natuur zich denkt naar analogie van zichzelf
en alle dingen door zielen, geesten bewoond acht. Grondslag en
onderstelling voor de religie is dan de zoogenaamde animistische
wereldbeschouwing. Maar vooreerst is het zeer onwaarschijnlijk,
dat het voor de hand liggend onderscheid tusschen persoonlijke
wezens en onpersoonlijke dingen aan de eerste menschen onbekend is
geweest. Vervolgens is het geloof aan zielen en geesten, die in de
natuurverschijnselen wonen en werken, op zichzelf nog geen religie;
religieus object worden deze zielen of geesten eerst dan, wanneer
het begrip van het goddelijke erop overgebracht wordt. Er moet in
den mensch een zeker besef van de godheid worden aangenomen, om de
zielen en geesten, die hij aanwezig dacht in de krachten der natuur, te
kunnen maken tot voorwerp van zijne religieuse vereering. Wel tracht
de psychologische methode de orde om te keeren; de natuurmensch
heeft volgens haar zich eerst tot eene of andere persoonlijk gedachte
natuurkracht in eene religieuse verhouding geplaatst, en later daaruit
het begrip van het goddelijke geabstraheerd, Hartmann, Religionsphil.
I 15. Maar in elk geval gaat het zoo niet toe bij de historische
menschen; allen ontvangen eerst door onderwijs en opvoeding het begrip
der Godheid en ontwikkelen op grond daarvan eene religieuse verhouding.
En er is geen enkel bewijs, dat het bij de eerste menschen anders
toegegaan is of ook anders toegaan kon. Eene religieuse verhouding
tot eene of andere macht onderstelt altijd reeds de Godsidee; en deze
blijft bij de bovengenoemde methode onverklaard. Daarbij komt, dat ook
het ontstaan der religie in subjectieven zin bij deze psychologische
analyse onbegrijpelijk blijft. Laat het geloof aan persoonlijke wezens
in de natuur gegeven zijn; maar waarom is en vooral wanneer wordt het
zoeken van eenig zinnelijk of zedelijk goed bij die wezens tot religie?
Religie ontstaat er toch eerst dan, wanneer niet in het algemeen hulp
wordt gevraagd, gelijk menschen die ook bij elkander en in de kunst en de
wetenschap zoeken, maar wanneer op eene gansch bijzondere wijze geloof,
vertrouwen, besef van afhankelijkheid ten opzichte van eene onzienlijke
goddelijke macht in het hart wordt gewekt. Religie onderstelt altijd eene
zekere onderscheiding tusschen God en wereld, tusschen de macht van een
wezen boven en de ondergeschikte krachten in de natuur. Wel kan dan die
goddelijke macht als inwonende in de natuurverschijnselen worden gedacht,
maar object van de religieuse vereering is toch nooit de natuurkracht
in zichzelve maar het goddelijk wezen, dat in haar zich openbaart en
werkt. Het grootste bezwaar tegen de boven genoemde verklaring ligt
echter hierin, dat God bij haar niets anders wordt dan een helper in
den nood, een wezen, wiens bestaan is uitgedacht om den mensch een
of ander goed te verschaffen. De godsdienst wordt een middel, om de
zinnelijke of zedelijke, maar altijd toch egoïstische behoeften van den
mensch te bevredigen. Egoïsme is de bron en de oorsprong der religie
geweest, Hartmann, Religionsphil. I 27. De eerste vorm, waarin deze
verklaring van den oorsprong van den godsdienst boven werd weergegeven,
spreekt dit duidelijk en onverholen uit. Bij den tweeden vorm wordt de
godsdienst niet uit zinnelijke maar zedelijke behoeften afgeleid; de
Godheid is geen product van eudaemonistische wenschen maar postulaat
der practische rede. Echter geeft dit in het wezen der zaak weinig
verschil. Het subjectieve en egoïstische uitgangspunt wordt niet
overwonnen; God blijft een dienaar van den mensch. De derde vorm tracht
dit egoïsme te vermijden, door in de religie een mystiek element te
erkennen en alzoo God te maken tot het rechtstreeksche object van de
religieuse vereering; maar ook hier is deze mystiek er later bijgekomen,
zij is niet het beginsel en de oorsprong der religie geweest. Bij de
bovengenoemde verklaring, in welken vorm zij ook wordt voorgedragen,
staat de mensch altijd eerst in verhouding tot de wereld; en uit het
conflict met die wereld wordt de religie en de Godsidee geboren. God
komt dus op de derde plaats te staan; Hij wordt een Wunschwesen, een
product van ’s menschen egoïsme, een hulpmiddel in den strijd tegen de
natuur. De verwantschap van al deze verklaringen met die van Feuerbach
springt duidelijk in het oog. Maar waarom, zoo kan er gevraagd worden,
stelt de mensch met de in de natuur aanwezige krachten zich niet
tevreden? Waarom zoekt hij niet in wetenschap, kunst, nijverheid enz.,
in al de factoren der cultuur, de hulp, die hij in den strijd tegen de
natuur behoeft? Hoe is het te verklaren, dat de mensch aan de goden,
scheppingen van zijn wenschen, gelooven blijft, ook waar zij zoo menigmaal
hem teleurstellen en overlaten aan eigen lot? Vanwaar dat hij alles,
ook het dierbaarste dat hij heeft, aan zijne goden ten offer brengt en
niets te kostbaar acht voor hunne vereering? Hoe komt het eindelijk,
dat hij de goden dienen blijft, ook als door andere middelen en wegen
zijne heerschappij over de natuur zich gaandeweg uitbreidt? Indien de
bovengenoemde verklaring van den oorsprong der religie de juiste is,
dan boet zij tegenover kunst en wetenschap hare zelfstandigheid in en is
haar einde bereikt, zoodra de mensch op andere wijze zich redden kan.
18. Maar, afgedacht van deze speciale bezwaren, er is tegen de
methode zelve, waarnaar de oorsprong der religie onderzocht wordt,
ernstige bedenking. Wat wil het zeggen, dat het ontstaan der religie
wetenschappelijk moet worden verklaard? Het kan niet beduiden, dat de
godsdienst van den eersten mensch of van de eerste menschen historisch
wordt nagevorscht. Want de historie der godsdiensten laat ons hier
volkomen in den steek; de historische methode is onbruikbaar. De
godsdienstvormen der laagste, wilde volken voor de oorspronkelijke te
houden; daartoe ontbreekt, gelijk ook meer en meer wordt ingezien,
alle recht. De methode kan dus geen andere dan de psychologische
zijn, en deze kan uitteraard het nooit verder brengen dan tot eene
hypothese, die aannemelijk schijnt en bij gebrek aan beter een tijd
lang in eene algemeene instemming zich verheugen mag. Maar welke is
de vraag, die deze psychologische methode bij het zoeken naar den
oorsprong der religie zich stelt? Toch geen andere dan deze: uit welke
oorzaken en krachten in den mensch of in de menschheid is de religie
voortgekomen? Er moet dus naar dat punt worden gezocht, wo noch nicht
religiöse Lebenskräfte des Menschen zu dem Lebenskeim der Religion
sich verbinden? Holsten, bij Rauwenhoff 50. Hypothetisch moet dus een
mensch worden aangenomen, zoo onontwikkeld en barbaarsch, dat er van
religie bij hem nog geen sprake is. Een oorspronkelijk, ingeschapen
semen religionis mag op dit standpunt niet worden erkend. Want dan
is dit oorspronkelijk gevoel, of hoe men het anders noemen wil, een
wetenschappelijk onverklaard iets, eene soort mystieke openbaring,
eene onderstelling reeds van datgene wat men zoekt te verklaren, Dr.
Bruining, Gids Juni 1884. De psychologische methode eischt dus, dat
de religie verklaard wordt uit factoren in den mensch, die op zich
zelve niet religieus zijn, maar die door zekere verbinding, onder
inwerking der natuur van buiten, de religie doen ontstaan. Maar
zulk een godsdienstlooze mensch is een puur Gedankending, eene even
ijle en ledige abstractie als de natuurmensch van Rousseau en van de
aanhangers van het contrat social; in de werkelijkheid heeft hij nimmer
bestaan. De godsdienst zelve wordt zoo geheel een product van het
toeval, evenals de moraal bij Darwin. Een „bloot toeval”, zegt Prof.
Rauwenhoff 97, cf. 193, 250, 263 kon er den mensch toe brengen, om
een of ander ding uit de natuur tot een god voor zich te maken. Eene
andere verbinding van de factoren, en er ware nimmer religie geweest.
Daarmee verliest de religie haar zelfstandige plaats, haar algemeenheid
en noodzakelijkheid; zelfs haar waarde en haar recht zijn dan niet meer
te handhaven. Want het is niet waar, wat Zeller, Vorträge und Abhandl.
II 57 f. beweert, dat de waarde der religie onafhankelijk is van de
wijze van haar ontstaan; indien de oorsprong der religie toevallig is,
verliest zij den vasten grondslag, waarop zij rusten moet. En ook haar
recht van bestaan wordt dan op ernstige wijze bedreigd. Want indien
de religie zoo wordt verklaard, dat het bestaan Gods daarbij in het
geheel niet behoeft te worden aangenomen, dan is zij, ook al ware haar
ontstaan psychologisch eene noodzakelijkheid, metaphysisch toch niets
anders dan eene absurditeit. De psychologische methode tracht inderdaad
de religie te begrijpen zonder het bestaan Gods. De mensch is louter
natuurwezen, natuurproduct. Hij is het, die door allerlei omstandigheden
geleid wordt tot de religie en de Godsidee voortbrengt. God schept den
mensch niet, de mensch schept God. De religie subjectiva is de bron der
religio objectiva. De mensch bepaalt, of hij en hoe hij God dienen wil.
De psychologische methode is hierdoor geoordeeld; zij is in beginsel met
het wezen der religie in strijd en vernietigt daarom het verschijnsel,
dat zij te verklaren heeft, Kant, Lotze, Albrecht Ritschl, eine
kritische Studie von L. Stählin, Leipzig 1888 S. 245 f. Vergelijk verder
over den oorsprong van den godsdienst Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1885
bl. 257 v. Id. Wijsb. v. d. godsd. bl. 37-109. Saussaye, Lehrb. der Rel.
Gesch. I 21 f. en de daar aangeh. litteratuur. Siebeck, Lehrb. der Rel.
Philos. 43 f. Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 136 v.