6. Uitgangspunt der Erkenntnisstheorie behoort te zijn de gewone,
dagelijksche ervaring, de algemeene en natuurlijke zekerheid des
menschen aangaande de objectieviteit en waarheid zijner kennis. De
philosophie schept toch het kenvermogen en het kennen niet, maar
vindt het en beproeft het nu te verklaren; en elke solutie, die het
kenvermogen niet verklaart maar vernietigt en het kennen niet begrijpt
maar tot eene illusie maakt, is daardoor geoordeeld. Alleen zulk eene
Erkenntnisstheorie heeft kans van slagen, die eenerzijds den bodem der
ervaring niet verlaat maar andererzijds ook in heel de diepte van het
probleem indringt, Prior homo, quam philosophus vel poeta, Tertull. de
test. an 5. Primum vivere, deinde philosophari. De natuurlijke zekerheid
is de onmisbare grondslag der wetenschap. Het wetenschappelijk weten
is geen vernietiging maar eene zuivering, uitbreiding, voltooiing van
het gewone weten, Kaftan, Die Wahrheit der Chr. Rel. Basel, 1889 S.
317 f. Ieder mensch toch neemt de betrouwbaarheid der zintuigen en
het bestaan der buitenwereld aan, niet door een logisch besluit uit
de werking, in casu de voorstelling in zijn bewustzijn, tot de oorzaak
buiten zich, noch ook door eene redeneering uit den tegenstand, dien
zijn wil ondervindt, tot eene objectieve realiteit welke dien tegenstand
biedt; maar vóór alle reflectie en redeneering is elk van het reëel
bestaan der wereld ten volle verzekerd. Deze zekerheid is niet uit
een syllogisme geboren en steunt op geen bewijs, maar is onmiddellijk,
spontaan met de waarneming zelve in mij ontstaande, niet product maar
grondslag en uitgangspunt van alle andere zekerheid. Denn die ganze
Welt der Reflexion ruht und wurzelt auf der anschaulichen Welt,
Schopenhauer, Welt als W. u. V. 6e Aufl. I 78. Alleen moet hierbij
wel worden onderscheiden tusschen de zekerheid, die terstond met de
actueele waarneming van een voorwerp gegeven is, en die, welke later,
nadat de waarneming reeds lang voorbij is, uit de achtergebleven
voorstelling volgt. Over de eerste wordt hier alleen gehandeld, en
deze is geen besluit uit eene redeneering, maar onmiddellijk met de
waarneming zelve in mij aanwezig. Cf. Ed. Zeller, Ueber die Gründe
unseres Glaubens an die Realität der Aussenwelt 1884. E. L. Fischer,
Die Grundfragen der Erkenntnisstheorie 1887 S. 392 f. Paulsen,
Einl. in die Philos. 385 f. Flügel, Die Probleme der Philosophie
und ihre Lösungen, Cöthen, Schulze, 2e Aufl. 1888 S. 104 f. Schmid,
Erkenntnisslehre 1890 II 307 f. Land, Inl. tot de wijsbeg. bl. 97 v. enz.
7. Reeds dit ééne feit, de natuurlijke zekerheid aangaande de
betrouwbaarheid der zintuigen en de realiteit der buitenwereld, bewijst
dat er nog eene andere dan wetenschappelijke, demonstratieve zekerheid
bestaat. De empiristen hebben dit ten onrechte ontkend. De ervaring
leert alleen dat iets is, maar niet dat het zijn moet, leert ons alleen
het toevallige, veranderlijke, de werkelijkheid kennen. Wij hebben
echter ook algemeene, noodzakelijke waarheden, waarvan we niet door
waarneming en redeneering, maar apriori zeker zijn. De meeste wijsgeeren
hebben daarom naast de wetenschappelijke of middellijke ook nog eene
metaphysische, intuitieve, onmiddellijke zekerheid aangenomen, ook wel
eene zekerheid des geloofs, der evidentie genoemd. Aristoteles heeft
het eerst duidelijk ingezien, dat de ἐπιστημη ter laatster instantie
op onbewijsbare, evidente waarheden is gebouwd. Sommigen zooals Plato,
Cartesius, Leibniz, Rosmini hebben dit onveranderlijk, eeuwig karakter
der waarheid zoeken te verklaren door de leer der aangeboren ideeën,
cf. Spruyt, Proeve van eene gesch. van de leer der aangeb. begrippen,
Leiden 1879. Maar deze leer rust op een onhoudbaar dualisme van subject
en object, maakt den menschelijken geest onafhankelijk van den kosmos,
is in beginsel rationalistisch en leidt logisch en ook historisch tot
het absolute idealisme. Dit was de reden, waarom de leer der ideae
innatae eenparig door de scholastieke en ook door de Geref. theologen
verworpen werd, Spruyt ib. 57-60. Frohschammer, Die Philosophie des
Thomas von Aquino, Leipzig, Brockhaus 1889 S. 44 f. Liberatore, Die
Erkenntnisstheorie des H. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz,
Mainz 1861 S. 130 f. Polanus, Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera
III 636 sq. Voetius bestrijdt de leer van Cartesius opzettelijk in zijne
Disput. Sel. V 477-525. Zij namen zelfs de empiristische stelling over:
nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, en spraken
van den mensch vóórdat hij waarneemt als van eene tabula rasa, in qua
nihil scriptum est, Thomas S. Theol. I qu. 79 art. 2. Voetius, Disp.
V 459, 525. En dit handhaafden ze, omdat de mensch in onderscheiding
van de engelen lichamelijk is, zijn lichaam geen kerker is maar tot zijne
natuur behoort en hij door dat lichaam aan den kosmos gebonden is,
Thomas ib. I qu. 84 art. 3. qu. 85 art. 1. Voetius ib. V 483. Zij hebben
dus eenerzijds het rationalisme zoo beslist mogelijk verworpen, niet
alleen in den vorm van de aangeboren begrippen, waarin het door Plato,
Cartesius, Leibniz werd geleerd, maar ook in dien van de aangeboren
vormen, waarin het bij Kant, en in dien van de aangeboren idee des zijns,
waarin het bij Rosmini en de ontologisten optrad. Maar aan den anderen
kant mogen de bovengenoemde uitdrukkingen toch niet in den zin van
Locke’s empirisme worden verstaan. Als Thomas den menschelijken geest
eene tabula rasa noemt, dan wil hij daarmede geenszins ontkennen, dat
toch ipse intellectus hem aangeboren is. Leibniz voegde aan de spreuk
nihil est in intellectu quod non prius fuerit in sensu, de beperking
toe nisi ipse intellectus. Thomas drukt zich nog juister uit: species
aliorum intelligibilium non sunt ei innatae, sed essentia sua sibi
innata est, ut non eam necesse habeat a phantasmatibus acquirere, qu.
de mente art. 8 ad 1 cf. Liberatore, ib. 144. En Voetius verklaart de
bovengenoemde spreuk alzoo, dat daarmede niet uitgesloten wordt, dat
het intellect in de zinnelijk waargenomen wereld ook het eeuwige en
onveranderlijke, bijv. in de werken der natuur ook haar auteur, n.l. God
opmerken en kennen kan. En dit is dan ook de eigenlijke gedachte van
hunne Erkenntnisstheorie: de menschelijke geest is niet bij machte en in
elk geval niet in de gelegenheid, om buiten de zinnelijke wereld om,
uit eigen fonds, met eigen middelen, de kennis der dingen, ook niet
de kennis der principia aeterna, κοιναι ἐννοιαι voort te brengen. Hij
is van huis uit aan het lichaam en hierdoor aan den kosmos gebonden,
en daarom kan ook de intellectus tot geene werkzaamheid komen dan
door en op grond van den sensus. De intellectus is bij den aanvang
zuivere potentia, tabula rasa, zonder eenigen inhoud, en wordt eerst
van buiten door de zinlijke wereld tot werkzaamheid, tot actualiteit
opgewekt. De stoot gaat dus van de zinlijke wereld uit; deze werkt
in op den menschelijken geest, roept hem wakker, en dringt hem tot
actie. Maar zoodra de intellectus werken gaat, werkt hij terstond
en vanzelf ook op zijne eigene wijze en naar zijn eigen aard. En de
natuur van den intellectus bestaat daarin, dat hij de vis, facultas,
inclinatio, aptitudo bezit, om in en met de waarneming terstond,
vanzelf, onwillekeurig, sine ullo labore, sine praevio studio, sine
ratiocinatione die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke
apriori, vóór elke redeneering en vóór alle bewijs vaststaan, en daarom
veritates aeternae verdienen te heeten. Zoo voelt het denken zelf,
zoodra het werken gaat, vanzelf zich aan de wetten van het denken
gebonden; in het denken zelf liggen de wetten van het denken opgesloten
en komen ze voor den dag. Zoo leert ons de ervaring, wat een deel en
wat een geheel is, maar het intellect begrijpt terstond, dat een geheel
grooter is dan zijn deel. Zoo leert ons de ervaring, wat goed en wat
kwaad is, maar de intellectus practicus weet onmiddellijk, dat het eene
gedaan en het andere moet nagelaten worden. Dit wil niet zeggen, dat
ieder mensch nu ook van deze grondbegrippen en grondbeginselen zichzelf
of anderen duidelijk rekenschap kan geven; maar ieder mensch, ook de
eenvoudigste, past deze grondbegrippen en grondbeginselen toch, zonder
eenige wetenschappelijke reflectie, onbewust en met de meeste zekerheid
in het leven toe. Het verschil tusschen deze leer van het kenvermogen
en die van het rationalisme en empirisme is in deze twee gelegen: ten
eerste in eene eigenaardige opvatting van den intellectus, die eene
eigene natuur meebrengt en dienovereenkomstig ook op eene eigene wijze
werken gaat, en ten tweede daarin, dat deze intellectus, alzoo werkende
naar zijn eigene natuur, toch niet anders doet, dan dat logische uit de
waargenomen dingen abstraheeren, dat er van nature ook in die dingen
verborgen ligt. Het rationalisme dwingt als het ware de dingen, om
zich te richten naar het intellect, past ze in vormen waarvan het niet
weet of zij er aan passen, construeert de wereld naar een spel van
begrippen. Het empirisme dwingt den geest, om zich te richten naar de
zinnelijke wereld, kortwiekt hem in zijne ideale vlucht, en verklaart hem
ten slotte zelf uit de stof. Maar de Erkenntnisstheorie, die allengs
in de christelijke theologie is opgekomen en in grondtrekken het eerst
door Augustinus is uitgedacht, handhaaft beide, de vrijheid en de
gebondenheid van den menschelijken geest; de vrijheid om optestijgen tot
de wereld van het ideale, de gebondenheid waardoor hij ook in deze zijne
vlucht de wereld der realiteit niet onder de voeten verliest.
8. Het uitgangspunt van alle kennis bij den mensch is dus de zinnelijke
waarneming. Οὐδε νοει ὁ νους τα ἐκτος μη μετ’ αἰσθησεως ὀντα,
Arist. de sensu c. 6, Zeller Philos. d. Gr. III 198. Omnis cognitio
intellectualis incipit a sensu, Thomas S. Theol. I. qu. 84 art. 1 en
7. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate, id. C. Gent.
III 41. En alle christelijke theologen waren van dezelfde gedachte. De
fout der scholastiek, zoo bij Protestanten als Roomschen, lag alleen
hierin, dat zij met de waarneming veel te vroeg klaar was en ze schier
volledig, op ieder terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides,
Aristoteles, de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd
dacht. In die meening liet men de waarneming na en begon in eens met
de reeds verkregen begrippen, Spruyt, Proeve 36. Daarom kon het haast
eene ontdekking heeten, toen Bacon tot de zinnelijke waarneming als tot
de eenige bron der kennis terugkeerde. Toch was het geen ontdekking,
maar wel eene noodzakelijke verfrissching voor de wetenschap, want
deze moet altijd weer tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit
de werkelijke wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron
van alle echte wetenschap. Die Anschauungen sind die Kontanten, die
Begriffe die Zettel, Schopenhauer, Die Welt u. s. w. 6e Aufl. II 76
cf. 76-98. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder zintuig zijn
eigen aard en zijne eigene taak; elk zoekt in de verschijnselen het
verwante op, de tastzin doet ons de mechanische, smaak en reuk doen ons
de chemische eigenschappen kennen, het gehoor ontsluit ons de wereld
der tonen en het gezicht die der kleuren, Arist. bij Zeller, Philos.
d. Gr. III 533 f. Thomas, S. Theol. I qu. 78 art. 3. Schopenhauer,
Die Welt u. s. w. II 30-36. Land, Inleiding 63 v. Bilderdijk, Taal-en
Dichtk. Verscheidenheden, 1821 II 39 v. Verhandelingen, ziel-, zede-
en rechtsleer betreffende 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. De zintuigen
nemen dus ieder voor zichzelf niet het geheele voorwerp waar, maar
slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld,
dat in ons bewustzijn ontstaat, is saamgesteld uit vele verschillende
indrukken, die door de verschillende zintuigen ontvangen, langs de
zenuwdraden in onze hersens overgeplant, daar op eene onverklaarbare
wijze in gewaarwordingen omgezet, en tot een geheel verbonden worden.
Er zijn geen eenvoudige gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit
verschillende andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon
dien we hooren is reeds een complex van waarnemingen. De menschelijke
geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds actief; hij is
geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts schrijft wat ze wil,
geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig weerkaatst. Maar elk
waarnemingsbeeld is in ’t bewustzijn zelf gevormd uit de factoren, die
door de verschillende zintuigen uit het voorwerp worden aangebracht.
Daarom is de vraag van zoo groot belang, wat de verhouding is
tusschen het waarnemingsbeeld, de voorstelling (φαντασια, φαντασμα,
species sensibilis, perception, Vorstellung) in ons bewustzijn en de
werkelijkheid, het voorwerp, buiten ons. De Grieksche philosophie ging
over het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk
kon worden gekend; φασι γαρ γιγνωσκεσθαι το ὁμοιον τῳ ὁμοιῳ, Arist.
de an. I 2. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel des menschen uit
dezelfde elementen en atomen moest bestaan als de werkelijke wereld, en
dat er bij de waarneming stoffelijke atomen uit de voorwerpen indrongen
in de ziel. Aristoteles echter vatte dit zoo op, dat de ziel niet
actueel maar potentieel al het gedachte is --ἡ ψυχη τα ὀντα πως ἐστι
παντα, de an. III, 8-- en dat de voorwerpen door waarneming en denken
eene ideale existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit
over en zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non
per modum cogniti, d. i. de dingen gaan niet zelve in de ziel over,
maar alleen hun beeld, hun vorm, εἰδος, forma, species, similitudo,
Thomas S. Theol. I qu. 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2 qu. 23 art. 6 ad 1.
S. c. Gent. I 77 II 77, 98. Er is dus eenerzijds een wezenlijk verschil
tusschen het ding en zijne voorstelling, want het eerste is buiten ons,
heeft daar een reëel bestaan, maar de tweede bestaat in ons en heeft
slechts eene ideale existentie. Maar er was andererzijds toch ook eene
volkomene overeenstemming; de voorstelling is een beeld, eene getrouwe
ideale reproductie van het voorwerp buiten ons. De nieuwere philosophie
echter, lettende op de activiteit van ’s menschen bewustzijn bij het
vormen der waarnemingsbeelden, heeft tusschen ding en voorstelling
eene hoe langer hoe breedere klove gegraven. De waarnemingsbeelden zijn
geen species, formae, maar hoogstens nog teekens, symbolen, diagrammen
van de buitenwereld, vrij in onzen geest gevormd naar aanleiding van
de wijzigingen die van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in
onze hersencellen worden aangebracht. Indien dit zoo is, verdwijnt de
objectieve wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in
schijn; want eene controle van het waarnemingsbeeld aan de werkelijkheid
is daarom onmogelijk, wijl we haar nimmer benaderen kunnen, en het
waarnemingsbeeld altijd tusschen haar en ons zich inschuift, Land,
Inleiding 71, en de vroeger aangeh. litt. De dwaling, die aan deze
theorie ten grondslag ligt, schijnt deze te zijn, dat het eigenlijk
voorwerp van onze waarneming niet het ding buiten ons, maar een of
andere indruk of trilling van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het
zeker waar, dat er geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan
worden, zonder dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen
worden overgeplant. Maar ook het beeld, dat op het netvlies van het
oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten gevolge
van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording
en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische
onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter verklaring van
dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht. Wij staan hier
voor een, naar het schijnt, onoplosbaar raadsel. De zenuwtrillingen
kunnen tot in het centrum der hersens worden nagegaan, haar sterkte
en snelheid kan worden berekend; maar de voorstelling, die daarna
in ons bewustzijn ontstaat, is toto genere daarvan verschillend. Zij
is een psychische, geestelijke acte, uit physische verschijnselen,
gelijk de zenuwtrillingen zijn, nooit te verklaren. Zoo kunnen dan de
voorstellingen geen producten zijn, die door de zenuwtrillingen ons
zelf onbewust in ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook
geen bewuste scheppingen zijn van onzen geest, naar aanleiding van de
wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden, dat niemand
van heel dit proces der zenuwtrillingen ook maar iets bij de waarneming
weet, en eerst door opzettelijk physiologisch onderzoek daarvan kennis
krijgt. Daar komt nog bij, dat de zenuwtrillingen en wijzigingen in de
hersencellen soms wel, bij het zien zonder opmerken, bij het hooren
zonder verstaan enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze
toch bij het eigenlijk waarnemen altijd reeds van een psychische akte
vergezeld zijn. Het gaat niet zoo, dat de zenuwtrillingen eerst in onze
hersens worden overgebracht, en dat eerst daarna het bewustzijn ontwaakt
en uit die wijzigingen in de hersencellen de voorstelling vormt; maar de
waarneming zelve door de zintuigen is een akte van het bewustzijn. Het
is de geest des menschen, die ziet door het oog en hoort door het oor.
Voorwerp van de waarneming is dus niet eenig verschijnsel in mij, maar
het ding buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook,
die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom is er
ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen eene getrouwe,
ideale reproductie hebben van de voorwerpen buiten ons. Daarbij is
het tot op zekere hoogte onverschillig, of wij de voorstellingen
εἶδη, species, formae, teekens, symbolen enz. van de dingen noemen;
want ook deze woorden zijn beelden, en voor het meerendeel aan
de gezichtswaarneming ontleend. Indien maar vaststaat, dat de
voorstellingen in haar geheel en in haar deelen getrouwe vertolkingen
zijn van de wereld der werkelijkheid buiten ons.
9. Maar bij deze voorstellingen blijft de menschelijke geest niet staan.
Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen maar uit
het verstand. Niet de loutere waarneming, maar het ernstig nadenken
over de waargenomen verschijnselen hebben Kopernikus tot den vader der
astronomie en Newton tot den ontdekker der zwaartekracht gemaakt.
Het waarnemen van verschijnselen is noodig en goed, maar het is niet
het eenige en het hoogste. Object van de wetenschap is niet het
bijzondere maar het algemeene, het logische, de idee. De Grieksche
philosophie heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de
idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte van
zijne philosophie; wetenschap is kennis, niet van den schijn, maar van
het wezen der dingen, Xenophon, Memor. IV, 6.1. Plato onderscheidde
tusschen δοξα, welke tot inhoud had het gewone, empirische weten, en
ἐπιστημη, die het waarlijk zijnde der dingen tot inhoud had, Rep. V 476
D-478 D. Sympos. 202 A enz. En Aristoteles omschreef wetenschap in
denzelfden zin als kennis του ὀντος, του καθολου, των πρωτων αἰτιων και
ἀρχων (plaatsen bij Zeller, Philos. d. Gr. III 161 f). Vooral Augustinus
heeft deze intellectueele kennis op den voorgrond gesteld. Hij verwerpt
de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt hare waarheid tegen de
Academici in een afzonderlijk geschrift, en erkent dat wij de invisibilia
Dei verstaan per ea quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij
onderschat toch hare waarde, evenals Plato; het zinrijke geeft slechts
δοξα, c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelve niet, het is er maar
een beeld van, Solil. 2,32. De kennis der natuur is zonder waarde,
nihil prodest, Conf. 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn eigenlijk maar
twee dingen, die het belangrijk is te kennen, God en onszelven: deum et
animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino, Solil. 1,7. En deze
kennis verkrijgt hij niet door naar buiten, maar door naar binnen te
zien; noli foras ire, in te ipsum redi, in interiore homine habitat
veritas, de vera relig. c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming
maar door het denken; aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf.
Solil. 2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles,
heeft de waarde der zinnelijke waarneming beter ingezien, maar toch
ook de beteekenis van den intellectus voor de wetenschap ten volle
erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit, scientia non est
singularium, S. Theol. I qu. 1 art. 2, intellectus est universalium,
S. c. Gent. I c. 44. Wetenschap heeft tot object het algemeene en
noodzakelijke, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3. I qu. 84 art. 1 ad 2. I
qu. 86 art. 1 en 3, en kan daarom alleen door den intellectus worden
verschaft. Want terwijl de zinnelijke waarneming de dingen beschouwt
quantum ad exteriora ejus accidentia, is het juist het eigenaardige
van den intellectus, dat hij doordringt ad interiora rei, S. c. Gent.
I 58. III 56. IV 11, penetrat ad essentiam rei, S. Theol. II. 2 qu. 8
art. 1. Zijn eigenlijk object is de quidditas rei materialis, S. Theol.
I qu. 85 art. 5 ad 3. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens,
dat is als abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de
zinnelijke voorstellingen het algemeene los; het laat het bijzondere
eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over henen, maakt ze
intelligibel, laat het algemeene eruit kenbaar worden, en neemt dan
als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen, dat
algemeene in zich op en maakt het tot eigendom van den geest, S. Theol.
I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. S. c. Gent. II 76.77. III 45.
Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de zinlijke
waarneming maar het verstand het orgaan der wetenschap is. Ook het
empirisme heeft dit niet ontkend. Bacon, Hume, St. Mill erkennen ten
volle, dat de zinnelijke waarneming wel het eerste maar niet het eenige
is en dat het verstand door inductie het algemeene uit het bijzondere
tracht af te leiden. Het was Bacon juist te doen om eene betrouwbare
methode, waarnaar uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordeelen
konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand uit de
voorstellingen vormt, komt met dubbelen ernst de vraag terug, die
boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan: wat is de verhouding
tusschen deze begrippen des verstands en de wereld der werkelijkheid?
En hier gaan Nominalisme en Realisme uiteen. Beide richtingen komen
in het wezen der zaak reeds voor in de Grieksche philosophie. Plato
en Aristoteles waren realisten, zij het ook met onderscheid; en de
eigenlijke gedachte van het nominalisme vinden we reeds o. a. bij den
cynischen wijsgeer Antisthenes, die de realiteit der algemeene begrippen
ontkende en tegen Plato zei: ἱππον μεν ὁρῶ, ἱπποτητα δε οὐχ ὁρω,
Zeller, Philos. der Gr. II{4} 295, en bij de Stoische wijsgeeren, die de
ἐννοηματα, de gedachten, slechts hielden voor φαντασματα διανοιας, ib.
IV³ 79. 125. In de Middeleeuwen werd deze opvatting van de algemeene
begrippen vernieuwd en kreeg ze den naam van nominalisme. Roscellinus
was van oordeel, dat de algemeene begrippen slechts flatus vocis waren,
Gedankendinge, waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid
zijn er geen algemeene maar slechts bijzondere, individueele dingen, is
er geen menschheid maar zijn er alleen menschen enz. De strijd tusschen
realisme en nominalisme duurde tot de 15e eeuw voort. Cf. A. Stöckl,
Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde Mainz 1864-66 I 135 f. II
986 f. Hauréau, De la philosophie scolastique, 2 vol. Paris 1850.
Schwane, Dogmengeschichte der mittl. Zeit. Freiburg 1882 S. 4 f.
Voorts geschiedenis der dogmen van Bach, Thomasius, Münscher, Baur,
Harnack enz., gesch. der philos. van Ueberweg, Erdmann, Windelband
enz. A. Pierson, De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van
het R.-Katholic. III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66
v. Maar ook daarna is de kwestie niet uit de philosophie geweken.
Het geschil tusschen realisme en nominalisme is geen twistpunt van
scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende beteekenis.
Het nominalisme is in nieuwen vorm als empirisme weer in de nieuwere
philosophie te voorschijn getreden, Spruyt, Proeve passim. Hugo Spitzer,
Nominalismus und Realismus in der neuesten deutschen Philosophie mit
Berücksichtigung ihres Verhältnisses zur modernen Naturwissenschaft.
Leipzig 1876. Janet, Traité élémentaire de philos. Paris, Delagrave
1887 p. 162 s. Land, Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgeerig Onderzoek.
Deventer, ter Gunne 1882 bl. 200 v. Indien nu het nominalisme het
recht aan zijne zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want één
van beide: indien wij de overeenstemmende kenmerken van eene groep van
dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten, dan geschiedt dit
òf zonder grond en vertegenwoordigen die woorden en begrippen geen
waarde in de werkelijkheid; òf de dingen gelijken in de werkelijkheid
aan elkaar en hebben gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de
begrippen echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke
eigenschappen der dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom had
dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit der
algemeene begrippen aannam, niet in platonischen of ontologischen zin
ante rem, maar in aristotelischen zin in re, en daarom ook in mente
hominis post rem. Het algemeene, dat wij in het begrip uitdrukken,
bestaat niet juist zóó, als universale, buiten ons (cf. boven bl.
23); maar in ieder exemplaar der soort bijzonderlijk geïndividualiseerd
en gespecialiseerd, heeft het toch zijn grond in de dingen en wordt
daaruit door de werkzaamheid van het verstand geabstraheerd en
uitgedrukt in een begrip, Thomas, S. Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. S.
c. Gent. I 65. Met de begrippen verwijderen we ons dus niet van de
werkelijkheid, maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel,
dat we, begrippen en oordeelen en besluiten vormende, hoe langer hoe
meer den vasten grond onder het gebouw onzer kennis verliezen en hoog
gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en wonderlijk, dat we, de
voorstellingen omzettende in begrippen en deze weer verwerkende naar
de wetten van het denken, uitkomsten verkrijgen, die in overeenstemming
zijn met de werkelijkheid. En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is
verloren, Land, Inleiding bl. 250. Maar die overtuiging kan dan ook
alleen rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die èn de
werkelijkheid buiten ons èn de wetten van het denken in ons schiep, en
die beide in organisch verband zette met en correspondeeren liet op
elkaar. Zoo alleen is er wetenschap mogelijk, d. i. kennis niet slechts
van den wisselenden schijn maar van het algemeene, van het logische
in de dingen. Zeker, het zijn zelf der dingen, hun existentie, blijft
buiten ons; nooit gaan de dingen zelve realiter in ons in; het zijn is
dus nimmer door ons te benaderen, het is een factum dat aanvaard moet
worden en dat den grondslag van het denken uitmaakt. Maar in zoover
de dingen ook logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in
gedachte rusten Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn ze ook begrijpbaar en denkbaar
voor den menschelijken geest.
10. Plato helderde dit proces der wetenschap op door een schoon en
treffend beeld. Gelijk de zon objectief het voorwerp en subjectief ons
oog verlicht, zoo is God of de idee van het goede het licht, waardoor
de waarheid, het wezen der dingen, zichtbaar wordt en tevens onze geest
die waarheid aanschouwen en erkennen kan, cf. Siebeck, Geschichte
der Psychologie, I Theil, 2 Abth. Gotha, Perthes 1880, ’84 I 226.
Aristoteles, ib. II 70. Augustinus nam dit beeld over: God is de zon
der geesten. In het onveranderlijk licht der waarheid ziet en oordeelt
onze geest over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis
et intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat, de Gen.
ad litt. L. 8 cap. 25. Zooals wij met het lichamelijk oog niets kunnen
zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt, zoo kunnen wij ook
geen waarheid zien dan in het licht Gods, die de zon onzer kennis is,
Solil. I c. 8, 13, de Trin. 12 c. 15. Deus intelligibilis lux, in quo
et a quo et per quem intelligibiliter lucent, quae intelligibiliter
lucent omnia. Thomas spreekt meermalen op dezelfde wijze, en bezigt
dezelfde gelijkenis, S. Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3, qu. 79 art. 4,
qu. 88 art. 3 ad 1. II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. S. c. Gent. 3 c. 47.
Alleen wees Thomas erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden
verstaan, gelijk Averroes onder neoplatonischen invloed leerde en
daarin later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd
werd. Gelijk we, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet door zelf
in de zon te zijn, maar door het licht der zon dat ons bestraalt, zoo
zien wij ook de dingen niet in het goddelijk wezen, maar door het licht
dat van God in onzen eigen intellectus schijnt. De rede in ons is dat
goddelijk licht, zij is niet de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan
deel. Gode komt toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons
per participationem S. Theol. I qu. 79 art. 4. Dit beeld van de zon
bracht er toe, om in gezonden zin te spreken van het natuurlijk licht
der rede, cf. Polanus Synt. Theol. p. 325. Zanchius, Opera III 636
sq., waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente
eigenschap of kracht van den menschelijken geest, waardoor hij in staat
gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen die grondbegrippen
en grondbeginselen te vormen, welke hem verder bij alle waarneming en
denken leiden. Het licht der rede is alzoo in de eerste plaats gelijk
aan den intellectus agens, aan het abstractievermogen, dat over de
voorwerpen schijnt en het intelligibile daaruit te voorschijn doet treden
en voorts aan dat fonds van κοιναι ἐννοιαι, dat onze geest juist door
het vermogen der abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin
is dat licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps.
36 vs. 10, Joh. 1:9. Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan en
voortdurend onderhoudt. En zoo is het dan niet aan den mensch, die
maar instrument is, maar aan God te danken, als door de stralen van
dat licht de waarheid zich voor onzen geest onthult, Liberatore, Die
Erkenntnisslehre des h. Thomas v. A. 185 f. Kleutgen, Die Philosophie
der Vorzeit, 2e Aufl. Innsbrück 1878 I 89 f.
Deze schoone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia zijn,
waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de theologie,
gelijk de vorige § ons deed zien, maar in elke wetenschap zijn er drie
principia te onderscheiden. Ook hier is God het principium essendi;
in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën aller dingen; alle dingen
berusten op gedachten en zijn geschapen door het woord. Maar het is zijn
welbehagen, om van deze cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn
eene ectypische kennis over te brengen in den mensch, die naar zijn
beeld is gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijne
essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze ons alle
reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer der ideae innatae),
maar door ze in de werken zijner handen uittespreiden voor des menschen
geest. De wereld is eene belichaming van gedachten Gods; zij is een
schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als
letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven;
zij is geen schrijfboek, waarin wij naar de voorstelling der idealisten
de woorden zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit
God ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft. De
geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum van alle
wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien is een oog noodig. Wär’
nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten wir das Licht erblicken? Er moet
correspondentie, verwantschap zijn tusschen object en subject. Dezelfde
Logos, die schijnt in de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in
ons bewustzijn. Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den
Logos afkomstig, den Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het
principium cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio
rerum in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam
sigillatio divinae scientiae in rebus, Thomas, bij Liberatore, Die
Erkenntnisstheorie des h. Thomas v. Aq. S. 148. Zoo is het dan God
alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis der waarheid door de
schepselen heen inbrengt in onzen geest; de Vader, die door den Zoon
in den Geest zich aan ons openbaart. Multi dicunt: quis ostendet nobis
bona? Signatum est super nos lumen vultus tui, Domine!
§ 8. PRINCIPIA IN DE RELIGIE.
A. Wezen der religie.
1. Evenals de wetenschap heeft ook de religie hare principia. Om deze
te leeren kennen, is het allereerst noodig, het wezen der religie te
bepalen, vooral ook in onderscheiding van wetenschap en kunst. De
naam religie geeft weinig licht. Cicero, de nat. deor. 2, 28, leidt
het woord af van relegere, herlezen, nog eens overdoen, nauwkeurig
waarnemen, en duidt daarmede de religie aan als een voortdurend en
ijverig in acht nemen van al wat op de vereering der goden betrekking
heeft, cf. de invent. 2, 22 en 53. Lactantius, Instit. divin. 4,
28, verklaart het uit religare en verstaat dus onder religie den
band, die den mensch aan God verbindt. Eene derde afleiding, van
relinquere, komt bij Gellius, Noct. Att. 4, 9, voor en wijst aan, dat al
wat tot de religie behoort, wegens zijne heiligheid van het ongewijde
is afgezonderd. Augustinus, de civ. Dei 10, 4, brengt het eenmaal in
verband met re-eligere: in de religie kiezen we God, dien we door de
zonde hadden verloren, weder terug als de bron onzer zaligheid. J.
C. Leidenroth, Neue Jahrb. für Philologie und Pädagogik von Seebode,
Jahn und Klotz 1834 S. 455, neemt op grond daarvan dat de drie verba
diligere, negligere en intelligere een ander perfectum hebben dan lego
en zijne composita, een verloren stam ligere aan, sanscr. lok, gr.
λευσσειν, duitsch lugen, eng. look, cf. lucere, met de beteekenis van
zien; diligere zou dan beteekenen met liefde aanzien, negligere niet
zien, intelligere inzien; en daarvan zou dan ook religere, terugzien
en religio, het met vreeze omzien, cf. respectus, gekomen zijn. De
afleiding van religare, relinquere, re-eligere stuit op grammatisch
bezwaar en verklaart ook niet de eigenaardige beteekenissen, die
religio in ’t latijn bezit. Tusschen de afleiding van Cicero en
van Leidenroth is het pleit nog niet beslist; maar zakelijk komen
beide hierin overeen, dat religio den godsdienst aanduidt als eene
gezindheid van schuwe vrees tegenover de Godheid en als eene daaruit
voortvloeiende angstig-nauwgezette waarneming van wat de cultus
der goden eischt. Cf. den versregel bij Figulus (Gellius, Noct.
Att. 4, 9): religentem esse oportet, religiosum nefas, H. Voigt,
Fundamentaldogmatik. Gotha, Perthes 1874 S. 9 f. F. A. B. Nitzsch,
Lehrb. der ev. Dogm. Freiburg, Mohr, 1889 S. 83. Hoekstra, Wijsg.
Godsdienstleer I 52 v. Het woord is dus volstrekt niet geschikt, om
den vollen inhoud van den christelijken godsdienst weer te geven. Maar
het gebruik en de afleiding van Lactantius, die algemeen ingang vond,
hebben het woord gekerstend. De Vulgata nam het op Hand. 26:5, Jak.
1:27. Het woord is in alle europeesche talen overgegaan, en heeft ook
in onze taal naast godsdienst, vroomheid (van het goth. fruma, lat.
primus, op den voorgrond tredend, deugdzaam, dapper, bijv. Stat. Vert.
Gen. 42:11, enz.), godsvrucht, godzaligheid burgerrecht verkregen en
behouden.
2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen algemeen
begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie. Zij heeft
afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve zijde.
De religio objectiva is identisch met de openbaring Gods, en bestaat
in het verbond, בְרִית, hetwelk God aan Israël gaf, en dat dus in
vollen zin eene goddelijke stichting, διαθηκη, heeten mag, Exod. 20:1
v., 34:10 v., 27 v.; Jes. 54:10, enz. De ordeningen in dat verbond,
welke Israël onderhouden moet, vormen saam den inhoud der תּוֹרָה,
onderwijzing, leer, wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer
verschillende namen aangeduid. Ze heeten דְּבָרִים woorden Num. 12:6;
Ps. 33:4, enz., מִצוֹת geboden, Gen. 26:5; Ex. 15:26, enz., פִקּוּדִים
bevelen, Ps. 119:4, 5, 15, enz.; חֻקִּים inzettingen, besluiten, Ex.
15:26; Lev. 25:18; Ps. 89:32; Job 28:26, enz.; מִשְׁפָּטִים rechtszaak,
rechtsuitspraak, Num. 36:13; Ps. 19:10, enz.; דְּרָכִים, אֳרָחוֹת
wegen, paden, Deut. 5:33; Job 21:14; Ps. 25:4; enz.; מִשְׁמָרוֹת wetten
die te bewaren zijn, Gen. 26:5; Lev. 18:30, enz. De vele uitdrukkingen
wijzen aan, hoe in Israëls religie het objectieve, de inzetting Gods
op den voorgrond staat. Aan die religio objectiva beantwoordt nu
subjectief de יִרְאַת יהוה, de vreeze des Heeren. Deze drukt de
innerlijke gezindheid van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige
wetten, die hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar
deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige schuwheid,
die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten. Dat
blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat in en verbonden
is met allerlei andere godsdienstige stemmingen, zooals gelooven
הֶאֱמִין Gen. 15:6; Jes. 7:9; Hab. 2:4; vertrouwen בָּטַח Ps. 26:1,
37:3, 5; toevlucht nemen חָסָה Ps. 5:12, 37:40; steunen סָמוּךְ, zich
vastklemmen דָּבַק 2 Kon. 18:6; hopen קִוָּה, verwachten חִכָּה, ja
zelfs liefhebben van God חָשַׁק Ex. 20:6; Deut. 6:5; Ps. 91:14. De
rechten des Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze
staan buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne
liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met zijn wil.
Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe Testament treffen
we in het wezen der zaak dezelfde opvatting aan. Maar nu geeft God
zijne openbaring niet in eene reeks van wetten, maar in den persoon van
Christus. Deze is de weg en de waarheid, Joh. 14:6. De ὁδος του κυριου
Hand. 18:25, 19:9, 23, 22:4; de διδαχη of διδασκαλια Mt. 7:28, 22:33;
Joh. 7:16, 17; Hd. 2:42; Rom. 6:17; 1 Tim. 1:10, 4:6, 16, 6:1, 3; 2
Tim. 4:2, 3; Tit. 1:9, 2:1, 7, 10; het εὐαγγελιον Mk. 1:1, 14, 15,
enz.; de λογος του θεου Mt. 13:19; Mk. 2:2, 4:14 v.; 2 Cor. 9:19, enz.
concentreeren zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn
persoon en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve
gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet geschikt, om deze in
haar eigenlijk karakter weer te geven. Δεισιδαιμονια wordt door Festus
van den Joodschen Hd. 25:19, en het adjectief door Paulus van den
Heidenschen godsdienst Hd. 17:22 gebezigd. Θεοσεβεια komt maar eenmaal
voor 1 Tim. 2:10. Εὐσεβεια geeft te kennen heiligen eerbied voor God;
het is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene
stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders enz.
aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor, vooral in de
Pastoraalbrieven; wat de εὐσεβεια eigenlijk is en behoort te wezen, is
eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim. 3:16. Ook de vreeze is in
het N. T. niet geheel uit de religio subjectiva geweken Luk. 18:2; Hd.
9:31; 2 Cor. 5:11, 7:1; Rom. 3:18; Ef. 5:21; Phil. 2:12; 1 Petr. 1:17,
3:2, 3:15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving van
de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen betrekking
op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en is door de liefde
vervangen Rom. 8:15, 1 Joh. 4:18. Het gewone woord voor de religio
subjectiva in het N. T. is πιστις. Aan de blijde boodschap der vergeving
en der zaligheid in Christus beantwoordt van ’s menschen zijde het
geloof, hetwelk een kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom
ook terstond de liefde in ons hart werkt. Πιστις en ἀγαπη zijn de
grondstemmingen van de christelijke vroomheid. De woorden λατρεια Rom.
9:4, 12:1; Hebr. 9:1, 6 en θρησκεια Hd. 26:5; Col. 2:18; Jak. 1:27
duiden den cultus aan, die Gode uit het beginsel des geloofs wordt
toegebracht. J. Köstlin, Die Religion in N. T. Stud. u. Kr. 1888 S.
7-102. Nitzsch t. a. p. 85.
3. De H. Schrift geeft dus geen beschrijving van het wezen der religie,
gelijk het naar de moderne voorstelling aan alle godsdiensten ten
grondslag ligt. Maar zij teekent en beschrijft als religie alleen die
verhouding tusschen God en den mensch, welke door God zelf is geregeld
en bepaald. Evenzoo ging de vroegere theologie bij het bepalen van
het wezen der religie altijd van de religio vera uit. En deze methode
beveelt zich nog door hare juistheid aan. Zij kan alleen bestreden
worden door hen, die meenen, dat de kategorieën van waar en valsch op
de godsdiensten niet passen, wijl er geen kennis van het bovennatuurlijke
mogelijk is, en dat dus de voorstellingen hoegenaamd niets te maken
hebben met de religieuse gezindheid. Dit indifferentisme is echter,
gelijk later blijken zal, onhoudbaar; ook het kennen is een wezenlijk
element der religie. Aangenomen voor het oogenblik, dat er eene kennis
is van het bovennatuurlijke en dat er eene religio vera bestaat; dan is
er geen enkel bezwaar denkbaar, om aan haar de definitie te ontleenen
voor het wezen der religie en deze te bezigen als maatstaf bij de
beoordeeling van de andere godsdiensten. Geen enkele godsdienst kan
er op tegen hebben, om getoetst te worden aan het zuivere begrip der
religie. Het valsche wordt alleen door het echte gekend, en de leugen
wordt ontdekt door de waarheid. Er is op geen enkel gebied eene juiste
beoordeeling en waardeering der dingen mogelijk zonder een vasten,
positieven maatstaf. Zoo is het in het recht, de moraal, de aesthetica
en zoo is het ook in de religie. De studie der godsdiensten onderstelt
dat we althans eenigszins weten, wat godsdienst is. Ritschl, Rechtf. u.
Vers. III² 184.
Naar het voorbeeld der H. Schrift hebben we bij het onderzoek naar
het wezen der religie onderscheid te maken tusschen hare objectieve
en hare subjectieve zijde. Deze onderscheiding ligt voor de hand en
is in elken godsdienst aanwezig. De religio objectiva gaat vooraf.
Alle menschen vinden haar bij hunne geboorte; zij groeien er in
evenals in huisgezin, maatschappij, kerk, staat enz. Dit zijn altemaal
objectieve instellingen en machten, die niet willekeurig uit en door
den mensch ontstaan, maar die hem opnemen bij zijne geboorte, hem
vormen en opvoeden en zelfs tegen zijn wil hem blijven beheerschen zijn
gansche leven lang. Het is met de historie en met de psychologie in
strijd, om bij de bepaling van het wezen der religie uit te gaan van
de religio subjectiva en dan in de verschillende godsdiensten niets
dan wisselende vormen en indifferente uitingen van haar leven te
zien. Op die wijze wordt de dagelijksche ervaring miskend, de macht der
religio objectiva geloochend, en alle verhouding van object en subject
op revolutionaire wijze omgekeerd. Zeer zeker heeft ook de religio
objectiva haar oorsprong, welke opgezocht en verklaard worden moet.
Maar alle godsdiensten, wier oorsprong eenigermate bekend is, toonen
ons, dat zij in aansluiting aan het bestaande zijn opgekomen, en met
heel het historisch milieu ten nauwste in verband staan. Er is geen
enkele godsdienst, die zuivere uiting is van de religieuse gezindheid
en daaruit alleen zich verklaren laat. De religio subjectiva wijzigt
en vervormt de bestaande religieuse voorstellingen en gebruiken en
bezielt ze dikwerf met een nieuw leven. Maar zij schept niet, zij
ontstaat zelve altijd en overal onder den invloed en de werking der
bestaande godsdiensten. Stichters van godsdiensten zijn er daarom niet
in eigenlijken zin. De religio objectiva is de haard van de religio
subjectiva, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I. 123. Daar komt bij, dat alle
godsdiensten willen beschouwd zijn, niet als uiting en vorm van eene
religieuse gezindheid maar als vrucht van openbaring. Zij leiden hun
oorsprong niet uit den mensch af maar uit God. Men moge dit beroep
op openbaring laten gelden of niet; het feit spreekt te sterk en is
te algemeen, dan dat het niet zou moeten worden verklaard. Het wijst
aan, dat het begrip der religie aan dat der openbaring onafscheidelijk
verbonden is. Er is geen religie zonder openbaring. Openbaring is de
grondslag en de oorsprong van alle religie. Het staat daarom den man
van wetenschap niet vrij, om reeds apriori dit begrip der openbaring
te elimineeren en in de godsdiensten niets dan vormen van een zelfde
wezen, uitingen van eene zelfde religieuse gezindheid te zien. Ook de
H. Schrift leidt de religio objectiva uit openbaring af. God voortijds
veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de
profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon,
Hebr. 1:1. Trouwens ligt het ook in den aard der zaak, dat openbaring
en religie ten nauwste verbonden zijn. God alleen kan de wijze bepalen,
waarop Hij door menschen gediend wil worden. Hominum non est, instituere
et formare Dei cultum, sed traditum a Deo recipere et custodire, Conf.
Helv. II art. 19. Naar de leer der H. Schrift heeft God dat gedaan
deels door de natuur, deels door zijn Woord. De religio objectiva valt
dus saam met de thora, genomen in den ruimsten zin, d. i. met heel die
onderwijzing des Heeren, welke uit wet en evangelie, woord en feit,
historie en profetie tot ons komt. Zij is de hoofdinhoud der H. Schrift
en de stof der dogmatiek. De religio objectiva is niets anders dan de
wijze, waarop God zelf heeft bepaald, dat Hij gediend en vereerd wil
worden. Formeel komen alle godsdiensten overeen. Maar de overeenkomst
strekt zich nog verder uit. Alle godsdiensten zijn samengesteld uit
eenige bestanddeelen, die constant terugkeeren. Ten eerste is er in
elken godsdienst eene traditie aangaande haar goddelijken oorsprong;
elke godsdienst beroept zich op openbaring; dat is het historische,
het positieve element, het element van traditie. Vervolgens is er in
elke religie eene zekere leer, waarin God aan den mensch die kennis
openbaart, welke tot zijn dienst onmisbaar is; deze wordt met het woord
dogma aangeduid. Verder bevat iedere religie ook zekere wetten, welke
den mensch voorschrijven, wat hij te doen en te laten heeft om met God
in gemeenschap te kunnen leven; dat is de zedeleer, die iedere religie
medebrengt. En eindelijk zijn er in elke religie ook een grooter of
kleiner aantal van ceremoniën, d. i. van plechtige vormen en gebruiken,
die de gemeenschap van den mensch met God ook in het uitwendige
uitdrukken, begeleiden en versterken: dat is het cultisch of liturgisch
bestanddeel in den godsdienst. In de verschillende godsdiensten is de
onderlinge verhouding dezer bestanddeelen zeer verschillend; in sommige
is er veel dogma en weinig cultus en omgekeerd; in andere is er eene
rijke traditie en een gering aantal van zedelijke voorschriften, enz.
Maar in alle religies zijn alle vier elementen aanwezig. Ook de religio
vera, in de H. Schrift neergelegd, heeft haar historie en dogma, haar
moraal en haar cultus, F. A. B. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S.
101-108. H. Siebeck, Lehrb. der Religionsphilosophie, Freiburg, Mohr
1893 S. 263 f.
4. Aan die religio objectiva beantwoordt in den mensch de religio
subjectiva. Zeer gewoon was vroeger de omschrijving van den godsdienst
als recta verum Deum cognoscendi et colendi ratio. Zij komt reeds bij
Lactantius, Instit. div. 4,4 voor, en is behouden tot in deze eeuw
toe. Toch is zij niet boven kritiek verheven. Zij zegt niets aangaande
de subjectieve gezindheid, welke tot het dienen van God noodig is; zij
wijst het verband niet aan, dat tusschen het kennen en dienen van God
bestaat en stelt deze eenvoudig naast elkaar; en zij maakt van de andere
elementen, die in de religie liggen, geen melding. De scholastiek
drong dieper in de zaak door en deed onderzoek naar de subjectieve
gezindheid, waaruit de religie bij den mensch opkomt. Thomas brengt ze
tot de deugden. Deze worden door hem in drie soorten verdeeld: virtutes
intellectuales (sapientia, scientia, intellectus, etc), virtutes
morales (de vier cardinale deugden prudentia, justitia, fortitudo en
temperantia), deze twee groepen werden aan Aristoteles ontleend. En
daaraan werden als derde klasse toegevoegd de drie supranatureele
of theologische deugden geloof, hoop en liefde, Thomas, S. Theol.
II 1 qu. 57, 58, 62. De religio wordt nu door Thomas gebracht niet
onder de virtutes theologicae maar onder de virtutes morales. Want de
theol. deugden hebben dit eigenaardige, dat zij God tot rechtstreeksch
object hebben; zij ordinant nos ad Deum immediate et directe ut ad
objectum, ib. II 1 qu. 62 art. 2; maar in de religie is God niet
objectum maar finis, het eigenlijk object in de religie is de cultus,
die Gode wordt toegebracht. Zij is dus geen virtus theologica, die
God tot object heeft, maar eene virtus moralis, die verkeert circa
ea, quae sunt ad finem; zij ordinat hominem in Deum, non sicut in
objectum, sed sicut in finem. Onder de virtutes morales is ze echter
wel de voornaamste, omdat zij het nauwst in betrekking staat tot Hem,
die het doel aller deugden is, n.l. God, ib. II 2 qu. 81 art. 5, 6.
Nader wordt de religio door Thomas tot die virtus moralis gerekend,
welke justitia heet. Hij vat de religio n.l. op als die virtus, per
quam homines Deo debitum cultum et reverentiam exhibent. Al wordt
Jak. 1 vs. 27 ook het bezoeken van weezen en weduwen enz. tot den
godsdienst gerekend, toch is de religie in eigenlijken en engeren zin
alleen eene verhouding tot God en nooit tot menschen. En ofschoon
alles gedaan moet worden ter eere Gods, is de eere, die Gode in de
religie wordt toegebracht, toch in specialen zin bedoeld en omvat
strikt genomen alleen dat, wat betrekking heeft ad reverentiam Dei.
Zij is dus één met de latreia, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1-4. Deze
definitie van Thomas, die door zeer velen is overgenomen, cf. C. R.
Billuart, Summa S. Thomae -- -- sive Cursus Theologiae, Tom IV 1746
p. 5 sq. Petrus Dens, Theologia ad usum seminariorum IV p. 9 sq. P.
Collet, Instit. Theol. moralis III p. 401 sq. enz., is echter in de
eerste plaats te eng, wijl ze alleen den cultus omschrijft en dus met
latreia samenvalt. De religio subjectiva is niet alleen een dienst,
eene vereering, maar allereerst eene gezindheid, welke in dien dienst
zich uitspreekt. Voorts is de onderscheiding van virtutes morales en
virtutes theologicae te supranaturalistisch en dualistisch. Er ligt
natuurlijk eenige waarheid in, n.l. deze, dat ook in den gevallen mensch
nog overblijfselen van het beeld Gods en zedelijke deugden zijn, zelfs de
religie is niet geheel uitgeroeid. Maar de virtutes morales en ook de
religieuse gezindheid moeten vernieuwd en herboren worden, om waarlijk
goed te zijn. Thomas erkent dan ook, dat de theol. deugden, geloof,
hoop, liefde causant actum religionis, quae operatur quaedam in ordine
ad Deum, S. Th. II, 2 qu. 81 art. 5 ad 1, maar zij worden toch zelve
van de religie uitgesloten; en terwijl de virtutes intellectuales en
morales zijn secundum naturam hominis, zijn de virtutes theologicae super
naturam I, 2 qu. 62 art. 2. De Hervorming heeft deze opvatting van
de religie vooral in tweeërlei opzicht gewijzigd. Ten eerste maken de
theologen der reformatie beter en duidelijker onderscheid tusschen de
pietas als beginsel en den cultus als actio der religie. En ten tweede
worden geloof, hoop en liefde niet als afzonderlijke theol. deugden
naast de religie geplaatst, maar juist als de voornaamste akten van
den cultus internus in de religie zelve opgenomen. De religio, zegt
Zwingli, Opera ed. Schuler et Schulthess, III 155 omvat pietatem totam
Christianorum, fidem, vitam, leges, ritus, sacramenta; zij bestaat
in ea adhaesio, qua (homo) Deo utpote summo bono inconcusse fidit
eoque parentis loco utitur, ib. 175, zij is animae deique connubium,
ib. 180. Bij Calvijn treffen we drie begrippen aan: 1° de notitia, de
kennis Gods, het besef zijner deugden; 2° deze notitia is idoneus
pietatis magister; zij kweekt pietas, welke bestaat in conjuncta cum
amore Dei reverentia, quam beneficiorum ejus notitia conciliat; en
3° is het deze pietas weer, ex qua religio, in den zin van cultus,
nascitur, Inst. I. 2, 1. Evenzoo onderscheidt Zanchius, Op. IV 263 sq.
tusschen cultus, die de actio externa vel interna, qua Deum veneramur
aanduidt en de religio of pietas, welke de virtus is, waaruit de cultus
geboren wordt. Polanus zegt, Synt. Theol. 580 A, religio verschilt van
cultus Dei, ut causa ab effectu. Religio of pietas is causa interna
cultus Dei. De cultus, vrucht der pietas, wordt dan evenals bij de
scholastici onderscheiden in internus en externus; de eerste heeft tot
voornaamste daden fides, fiducia, spes, adoratio, dilectio, invocatio,
gratiarum actio, sacrificium, obedientia; en de cultus externus is
weer of moralis (belijdenis, gebed enz.) of ceremonialis (sacramenta,
sacrificia, sacra). Zanchius IV 410 sq. Ursinus, Catech. qu. 94-103 en
de explicatie daarvan, ook Tract. Theol. 1584 I p. 283 sq. Polanus,
Synt. Theol. p. 32 F. Hoornbeek, Theol. pract. Lib. 9 cap. 6-8. Id.
Summa Controv. p. 7 sq. Alsted, Theol. Catech. p. 5 sq. Moor, Comm. in
Marckii Comp. I. 44 sq. Voor de Luth. vergelijke men Calovius, Isag. ad
S. Theol. 1652 p. 301 sq. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche 6e Aufl.
S. 5 f. Hase, Hutterus Rediv. Loc. 1 § 2. Herzog² 12:645.
5. De religio subjectiva is allereerst eene ἑξις, habitus, een zekere
aanleg in den mensch, welke door inwerking van de religio objectiva
in actus (cultus in- en externus) overgaat. Zulk een habitus is er in
iederen mensch; semen religionis omnibus inditum est, Calv. Inst. I.
4, 1. Maar deze habitus is in den gevallen mensch bedorven en brengt,
door eene onware en onzuivere religio objectiva bevrucht, ook een
cultus voort, die idololatreia, ἐθελοθρησκεια is. Daarom is voor eene
zuivere religie noodig, dat ten eerste de van buiten tot ons komende
religio objectiva ons God weer kennen doe gelijk Hij werkelijk is, en
dat ten tweede de bedorven habitus religionis in den mensch wordt
herboren en vernieuwd. In dezen zin is de religio subjectiva dus eene
virtus infusa a Spiritu Sancto, Hoornbeek, Theol. pract. II p. 207,
213. Toch is hiermede nog niet genoeg gezegd. De mensch heeft vele
deugden, zoowel in zijn verstand als in zijn wil. De eigenaardigheid dier
virtus, welke in de religie werkt, moet dus nader worden aangewezen.
Vroeger omschreef men deze virtus als pietas, reverentia, timor,
fides enz., en zoo ook tegenwoordig als eerbied, ontzag, vreeze,
afhankelijkheidsgevoel. Toch zijn alle deze omschrijvingen niet bepaald
genoeg; al deze aandoeningen hebben we in meerder of minder mate ook
ten opzichte van schepselen. Er moet een wezenlijk onderscheid zijn
tusschen den cultus religiosus en den cultus civilis, tusschen λατρεια
en δουλεια, tusschen de aandoeningen van vrees, eerbied, ontzag
enz. gelijk wij die koesteren tegenover God en tegenover schepselen.
Dat onderscheid kan alleen daarin gelegen zijn, dat in de religie in
aanmerking komt de _absoluta_ dignitas et potestas Dei en de _absoluta_
subjectio onzerzijds, Hoornbeek, Theol. pract. II 205 sq. Van schepselen
zijn we slechts ten deele afhankelijk; wij staan als schepselen met
hen op gelijke lijn; maar God is een wezen, van hetwelk wij volstrekt
afhankelijk zijn en dat in elk opzicht de beslissing heeft over ons
wel en ons wee. Bij de Heidenen wordt deze absoluutheid Gods wel als
het ware onder vele goden verdeeld, maar toch is iedere god op zijn
terrein met zoodanige macht bekleed, dat de mensch voor zijn geluk of
ongeluk volstrekt van hem afhankelijk is. Het is vooral Schleiermacher
geweest, die in zijn Christ. Gl. § 4 de religie omschreven heeft
als schlechthiniges Abhängigkeitsgefühl. Tegen deze definitie zijn
vele bedenkingen ingebracht, die o. a. kort worden weergegeven door
Hoekstra, Wijsg. Godsdienstleer I 70 v. Inderdaad heeft deze omschrijving
bij Schleiermacher een zin, welke niet kan toegelaten worden. De
afhankelijkheid wordt bij hem zoo pantheïstisch opgevat, dat ze objectief
alleen betrekking heeft op het wereldgeheel en subjectief beperkt wordt
tot het gevoel. Toch ligt er in Schleiermachers definitie een gewichtig
bestanddeel van waarheid. Wat den mensch tot een religieus wezen maakt
en tot religie drijft, is het besef, dat hij tot God in eene relatie
staat, die specifiek verschilt van alle andere verhoudingen, waarin hij
geplaatst is. Deze relatie is zoo diep en teeder, zoo rijk en veelzijdig,
dat zij moeilijk door één begrip kan worden uitgedrukt. Maar zeker
komt dat van afhankelijkheid wel het eerst en het meest hiervoor in
aanmerking. Want in de religie voelt de mensch zich in betrekking tot
een persoonlijk wezen, dat zijn lot op ieder gebied van het leven en voor
tijd en eeuwigheid in de hand heeft. Daarom wordt God in de religie nog
niet uitsluitend als macht opgevat; want ook als Genadige, Barmhartige,
Rechtvaardige, Heilige enz. staat God tegen den mensch toch altijd als
Souverein, als Absolute, als God over. En de mensch staat tegenover Hem
altijd als schepsel; hij is dat tegenover niemand en niets anders, hij is
dat alleen tegenover God. En daarom is deze creatuurlijke afhankelijkheid
niet het wezen maar toch de grondslag van de religie. De mensch is
echter niet alleen schepsel, maar ook een redelijk en zedelijk schepsel;
zijne verhouding tot God is daarom eene gansch andere dan van engelen en
dieren. De volstrekte afhankelijkheid, waarin de mensch tot God staat,
sluit daarom de vrijheid niet uit. Hij is afhankelijk, maar op eene andere
wijze dan de andere schepselen; hij is zoo en in dien zin afhankelijk, dat
hij tegelijk een redelijk en zedelijk wezen blijft, dat hij Gode verwant,
zijn geslacht en zijn beeld is. Volstrekt afhankelijk is hij zoodat de
loochening dezer afhankelijkheid hem nimmer vrij maakt, en toch hare
erkenning hem nooit tot slaaf vernedert. Integendeel, in de bewuste,
vrijwillige aanvaarding van deze zijne afhankelijkheid komt de mensch tot
de hoogste vrijheid. Hij wordt in dezelfde mate mensch, als hij kind Gods
is. De H. Schrift stelt geen onderzoek in naar het wezen der religio
subjectiva, gelijk die nog in alle menschen en onder alle godsdiensten
wordt gevonden. Het zou ook een onbegonnen werk zijn. Want de religieuse
gezindheid is in de velerlei godsdiensten zoo verschillend, dat er
hoogstens een zeer algemeen en vaag begrip voor aangegeven kan worden.
De Schrift bestempelt echter die religieuse gezindheid, welke de
Christen tegenover God en zijne openbaring gevoelt, met den naam van
geloof. Dat is het centrale begrip in de religio subjectiva van den
Christen. Over de natuur van dat geloof is in de christelijke kerk ten
allen tijde groot verschil geweest. Het religieuse leven is zoo rijk
en diep, dat het telkens van eene andere zijde kan worden beschouwd.
Maar in het geloof liggen toch altijd deze twee elementen opgesloten,
ten eerste, dat de mensch tegenover God en zijne openbaring geheel
receptief en volstrekt van God afhankelijk is, en ten andere, dat hij
juist door erkenning dezer afhankelijkheid de vergeving, het kindschap,
de zaligheid uit genade deelachtig wordt. Analogie van deze religio
subjectiva in het Christendom is er zeker ook bij andere godsdiensten,
maar alleen in de christelijke religie is de subjectieve relatie van den
mensch tot God volkomen normaal. Afhankelijkheid en vrijheid zijn hier
met elkander verzoend. De souvereiniteit Gods blijft hier ten volle
gehandhaafd en de verwantschap des menschen met God wordt toch volledig
erkend. De mensch is te religieuser en wordt te meer den beelde Gods
gelijkvormig, naarmate hij zijne afhankelijkheid dieper beseft en erkent.
Daarom kunnen alle deugden ten opzichte van schepselen overdreven
worden; maar met betrekking tot God is er geene overdrijving mogelijk.
Men kan Hem nooit te veel gelooven, vertrouwen, liefhebben enz., nooit
kan ’t geloof te veel verwachten, Voigt, Fundamentaldogmatik 65 f. Aug.
Dorner, Stud. u. Kr. 1883 S. 217 f. Kahnis, Die luth. Dogm. 2e Ausg.
1874 I 81 f. Abr. des Amorie van der Hoeven Jr. De godsdienst het wezen
van den mensch, Leeuwarden, 1848 bl. 38 v.
6. De religio subjectiva gaat door de inwerking der religio objectiva
uit haar habitueelen toestand in daden over. Deze daden zijn in- of
uitwendig, en maken alzoo onderscheid tusschen den cultus internus en
externus. Religio en cultus verhouden zich als oorzaak en gevolg. Toch
is hiermede niet bedoeld dat de cultus eene vrije vinding en uiting is
van de subjectieve religie. Alle ἐθελοθρησκεια is verboden, Mt. 15:9.
Mk. 7:7. Col. 2:23. Zoowel het antinomistisch Anabaptisme als het
nomistisch Romanisme is hier te vermijden. God bepaalt alleen, hoe Hij
wil gediend worden. En de wedergeboorte van de door de zonde bedorven
religio subjectiva, van den habitus religionis, bestaat juist daarin,
dat de geloovigen een oprechten lust ontvangen, om niet alleen naar
sommige maar naar alle geboden Gods in volmaaktheid te leven. Het is
hunne spijze, om den wil des Vaders te doen. Jezus sprak en deed nooit
iets, dan waartoe Hij een gebod van den Vader had ontvangen. Daarom
legt de Schrift op het wandelen in Gods geboden, op het onderhouden
van zijne inzettingen enz. zoo sterken nadruk. En daartoe wederbaart
God den mensch, om hem, die afkeerig is van zijn dienst, wederom in het
innerlijkste van zijn wezen in overeenstemming te brengen met zijn wil
en wet, in de religio objectiva neergelegd. De cultus internus omvat
de daden van geloof, vertrouwen, vreeze, liefde, gebed, dankzegging
enz., en de cultus externus openbaart zich in belijdenis, gebed, gezang,
dienst des woords en der sacramenten, gelofte, vasten, waken enz. Deze
is dus deels moreel, deels ceremonieel; en kan wederom solitarius
en socius zijn. In het laatste geval is hij privaat of publiek; de
gemeenschappelijke, openbare cultus wordt in de kerkenordeningen
geregeld. In al deze religieuse handelingen is het besef der absolute
afhankelijkheid de religieuse grondgedachte, het bezielend element.
Daarvan losgemaakt worden ze letterdienst, lippenwerk, koud en dood
formalisme. Maar daardoor bezield, krijgen zij alle haar specifiek
religieus karakter. Ook schepselen zijn voorwerp van ons geloof, van
onze hope, van onze liefde enz. Wat al deze handelingen tot religieuse
stempelt, is, dat zij ons in betrekking stellen tot een Persoon, van
wien wij met alle dingen in volstrekten zin en toch weer op eene eigene
wijze, d. i. als redelijke schepselen afhankelijk zijn. Het wezen der
religie kan toch in niets anders gelegen zijn, dan daarin dat God juist
als _God_ wordt verheerlijkt en gedankt. Elke religie, die hierin te
kort schiet, komt de eere Gods te na en houdt in diezelfde mate ook
op, echt religieus te zijn. Daarentegen bestaat de echte religie in
eene zoodanige gezindheid van den mensch, welke eenerzijds wortelt in
het diep besef zijner volstrekte afhankelijkheid van God als Schepper,
Verlosser, Heiligmaker enz., en andererzijds zich uitstrekt, om naar
alle Gods inzettingen in oprechtheid te wandelen.
B. Zetel der religie.
7. Nadat het wezen der religie is onderzocht, moet de plaats worden
bepaald, welke zij in den mensch, te midden van zijne faculteiten en
functiën inneemt. Meteen wordt dan de verhouding duidelijk, waarin
de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en zedelijkheid. Reeds de
scholastiek stelde de vraag, of de religio eene virtus intellectualis
of moralis was, en Thomas zeide het laatste, S. Theol. II 2 qu. 81 art.
5. Maar eerst in de nieuwere philosophie, vooral nadat de godsdiensten
der volken meer bekend zijn geworden, is het wezen der religie tot een
voorwerp van psychologisch en historisch onderzoek gemaakt. Lessing’s
Erziehung des Menschengeschlechts 1780 en Herder’s Ideen zur Philos.
der Gesch. der Menschheit 1784 maakten er een aanvang mede. En sedert
is de historie en de philosophie der godsdiensten een geliefkoosde
studie geworden. Ter bepaling van het wezen der religie gaat het
tegenwoordig onderzoek bijna altijd uit van de religio subjectiva,
en het recht, de macht, de waarde der religio objectiva wordt bijna
algemeen miskend. Dit is gevolg van eene wijsgeerige praemisse, dat
alle godsdiensten in wezen gelijk zijn en slechts in vorm verschillen.
Maar dit religieuse indifferentisme is daarom onhoudbaar, wijl alle
religie noodwendig een kennen insluit en de realiteit poneert van zijn
object; zoodra echter dit het geval is, valt een godsdienst onder de
kategorie van waar en onwaar. Indien de religie niets ware dan gevoel
en phantasie, zou ze aan haar scheppingen ook slechts eene aesthetische
waarde hechten. Maar elke religie is overtuigd van de realiteit en de
waarheid harer objecten (goden, profeten, heilige plaatsen enz.), en
is zonder dat geloof onbestaanbaar, cf. Dr. Bruining, Theol. Tijdschr.
Nov. 1894 bl. 563 v. 598 v. Feitelijk past ieder dan ook de kategorie
van waar en onwaar op de religies toe; de religionsphilosoof gelooft
niet aan de waarheid van de goden der volken, al waardeert hij ook de
religieuse gezindheid, die in hun vereering zich menigmaal uitspreekt.
Voorts staan de verschillende godsdiensten zelve lang niet indifferent
tegenover elkaar; zij beschouwen zichzelve en elkander niet als staande
in verhouding van lager en hooger, maar van waar en valsch. De wijsgeer
staat met zijn indifferentisme vrij wel alleen. Frederik de Groote moge
zeggen: in meinem Reiche soll Jeder nach seiner Façon selig werden,
de godsdiensten zelve denken er gansch anders over. En ze kunnen niet
anders; wat de een poneert, negeert de andere. Zij sluiten elkaar uit,
en kunnen niet beide waar zijn. Indien Christus de Gezondene is des
Vaders, dan is Mohammed het niet. En eindelijk berust het religieuse
indifferentisme nog op de zondige gedachte, dat het Gode onverschillig
is, hoe Hij gediend wordt. Het ontneemt Hem het recht, om de wijze van
zijn dienst te bepalen. In elk geval gaat het uit van de gedachte,
dat God zijn dienst niet heeft voorgeschreven, dus van de apriorische
loochening der openbaring. De stelling, dat de godsdiensten in wezen
overeenkomen en in vorm verschillen, is omgekeerd veel juister; zij
verschillen in wezen maar komen in vorm overeen. Daarbij moet ten slotte
nog de opmerking worden gemaakt, dat het indifferentisme in zake de
religie zich meer of minder ver uitstrekken kan. Het syncretisme houdt
het kerkelijke, het deïsme houdt het christelijke, het modernisme houdt
de religio objectiva, de morale indépendante houdt al het religieuse
voor indifferent. Feitelijk en objectief is er echter niets indifferent,
noch in de natuur, noch in den staat, noch in wetenschap of kunst.
Alles, ook het geringste, heeft zijne bepaalde plaats en beteekenis in
het geheel. Indifferent is de mensch alleen voor wat hij niet kent; wat
hij weet, wordt ook vanzelf door hem getaxeerd en gewaardeerd. God is
onverschillig voor niets, omdat hij alles kent. Cf. Lamennais, Essai sur
l’indifférence en matière de religion, 9e éd. Paris 1835, vooral tome
premier, waarvan de introduction begint: le siècle le plus malade n’est
pas celui qui se passionne pour l’erreur, mais le siècle qui néglige,
qui dédaigne la vérité.
8. Het algemeen geloof, dat de godsdiensten verschillende vormen zijn
van één wezen, gaat uit van de gedachte, dat het wezen der religie
niet in de religio objectiva, maar in de religio subjectiva ligt. De
eerste is onverschillig, op de laatste, op de religieuse gezindheid
of stemming komt het aan. Naar die gezindheid moet dus onderzocht,
om het wezen der religie te bepalen. Maar waar en hoe moet dat
onderzoek geschieden? Twee methoden dienen zich aan, de historische
en de psychologische. De historische, voorgestaan bv. door Dr. A.
Bruining, Wijsbeg. v. d. godsd. Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v. wil uit
historisch onderzoek en vergelijkende waarneming van de godsdienstige
verschijnselen het wezen van de religie bepalen. Maar deze methode is
feitelijk onmogelijk, omdat elk onderzoek van de godsdiensten reeds eene
notie van den godsdienst onderstelt; een vergelijkend onderzoek van alle
godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is; en in de godsdiensten juist
de religieuse gezindheid het diepst is verborgen en schier aan alle
waarneming ontsnapt. Wat weten wij nog van de stemming en gezindheid,
die in de verschillende richtingen en kerken binnen het Christendom aan
de godsdienstige verschijnselen ten grondslag ligt! De psychologische
methode, o. a. door. Hugenholtz, Studiën op godsd. en zedek. gebied
II 83 v. en Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsdienst 41 v. verdedigd,
wil het wezen van den godsdienst zielkundig verklaren en verlangt
daarom, dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig
mensch zij en als zoodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme en
beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen. Bij de studie der
godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn buiten rekening te laten,
gelijk Dr. Bruining wil, ware hetzelfde naar de goede opmerking van
Dr. Hugenholtz, als zichzelven de oogen uit te steken uit vrees voor
gezichtsbedrog. Maar dan mag toch geeischt, dat zulk een onderzoeker
der godsdiensten geen valsche maar een ware en zuivere opvatting van
den godsdienst meebrenge; anders toetst hij alle godsdiensten slechts
aan zijn eigene misschien zeer verkeerde voorstelling en aan die zijner
geestverwanten, bv. aan de moderne opvatting der religie. Indien de
vraag echter zoo staat, dan is er tusschen orthodoxen en modernen geen
kwestie meer van methode, maar alleen van de waarheid of onwaarheid
der godsdienstige voorstelling, waarvan beiden uitgaan. En dan is
de waarborg voor de waarheid der godsdienstige voorstelling, welke
de orthodoxe meebrengt minstens even groot als die voor de moderne
opvatting der religie; want gene ontleent haar aan de H. Schrift en is
in overeenstemming met de kerk van alle eeuwen, en deze is van korten
tijd en slechts in een kleinen kring van geestverwanten geldig.
9. De wijsbegeerte van den godsdienst heeft nu vooral drie opvattingen
van het wezen der religio (subjectiva) voorgedragen. Ten eerste de
intellectualistische, die ’t wezen der religie stelt in de kennis, en
haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme zei al, dat de
gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio interioris hominis,
Irenaeus adv. haer. I cap. 21. Dit gnosticisme heeft ten allen tijde
in de christelijke kerk verdedigers gevonden, maar is vooral weer
opgekomen in de nieuwere philosophie. Spinoza houdt verstand en wil
voor unum et idem, Eth. II prop. 49, laat den amor Dei geboren worden
uit de heldere en duidelijke kennis des menschen van zichzelf en zijne
affecten, ib. V prop. 15, en noemt dezen amor intellectualis, ib.
prop. 32. Summa mentis virtus est Deum cognoscere V prop. 27, en onze
mens is pars infiniti Dei intellectus II prop. 11. Deze kennis Gods,
d. i. der dingen sub specie aeternitatis II prop. 44 is summa mentis
acquiescentia V prop. 27. Volgens Schelling in zijn eerste periode is er
van het Absolute, als identiteit van het eindige en oneindige, alleen
een absoluut weten mogelijk; de religie verliest hier dus geheel hare
zelfstandigheid, het geloof is eene onjuiste, onzuivere opvatting van
de idee, Philosophie u. Religion (Sämmtl. Werke, Erste Abth. VI S. 11
f.). Vooral Hegel heeft deze intellectualistische bepaling van het
wezen der religie uitgewerkt. Bij hem is het Absolute het denken zelf,
dat in de tegenstellingen ingaat en uit deze weer tot de identiteit met
zichzelf terugkeert. Heel de wereld is dus eene ontwikkeling van den
geest, eene logische ontvouwing van den inhoud der rede, een proces,
waarin de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in
den geest weer tot zichzelve terugkeert. Een van de momenten, welke
dit proces doorloopt, is de religie. De menschelijke geest is het, in
wien het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf bewust wordt.
En dit zelfbewustzijn van den absoluten geest in den eindigen geest is
religie. Religie is dus wezenlijk weten, geen gevoelen en geen handelen,
maar weten en wel van God door den eindigen geest of objectief weten
Gods van zichzelven door en in den eindigen geest. Der Mensch weiss
nur von Gott, insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess
Wissen ist Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben
vom Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des
Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen, ist
nur der Geist Gottes selbst, Vorles. über die Philos. der Religion,
herausg. v. Marheinecke 1832 Werke XII S. 428. Religie is echter niet
’t hoogste weten; het is maar een weten van het absolute in den vorm
van zinnelijke, historische voorstellingen. Het hoogste, ware weten
wordt eerst bereikt in de philosophie. De religie is daarom tijdelijk,
een lagere vorm, voor de onontwikkelden geschikt. Maar de philosophie
maakt uit de zinnelijke voorstellingen der religie de idee los en komt
alzoo tot een absoluut, adaequaat, begrifflich weten van God, ib. S. 15
f. cf. Strauss, Christl. Gl. I 12. Feuerbach, Wesen des Christenthums
1841 en Strauss, Christliche Glaubenslehre 1840, Der alte und der neue
Glaube, 2e Aufl. 1872 trokken de consequentie en voltooiden de breuke
met de christelijke religie. Het idealisme sloeg in materialisme om.
Evenals reeds in de vorige eeuw door La Mettrie, cf. Stöckl, Gesch. der
neueren Philos. I 378, zoo werd ook nu weer door velen het geloof aan
God voor de grootste en schadelijkste dwaling gehouden. Bruno Bauer,
Arnold Ruge, Edgar Bauer, Max Stirner predikten het naaktste egoïsme.
Het materialisme, dat ongeveer 1850 in Duitschland opkwam, oordeelde
niet anders, Büchner, Kraft und Stoff 1855, 16e Aufl. 1885 S. 392
f. Specht, Theol. u. Naturwiss. 3e Aufl. 1878 S. 71 f. Moleschott,
Kreislauf des Lebens 1852. Carl Vogt, Köhlerglaube und Wissenschaft
1854. Czolbe, Neue Darstellung des Sensualismus 1855.
10. Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis bevat
en dat godsdienst en metaphysica ten nauwste verwant zijn. De aard der
zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd eene verhouding des
menschen tot eene boven hem staande, goddelijke Macht. Religie is er
dus niet en kan er niet zijn zonder eene bepaalde voorstelling van God;
en deze sluit weer andere voorstellingen in omtrent wereld en mensch,
oorsprong en einddoel der dingen. Deze godsdienstige voorstellingen
hebben voor den geloovige transcendentale beteekenis; hij is ten
diepste overtuigd van haar objectieve realiteit en waarheid. Zoodra
hij deze voorstellingen gaat houden voor producten zijner phantasie,
voor idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het
metaphysische wanhoopt, is het met zijne religie gedaan. Het skepticisme
vernietigt het voorwerp der religie en daarmede deze zelve. Ook met het
verstand moet God worden gediend; maar als het verstand inziet, dat
de religieuse voorstellingen niet beantwoorden aan eene werkelijkheid,
houdt het op godsdienstig te zijn. Religieuse en theoretische
wereldbeschouwing, theologie en wetenschap zijn niet hetzelfde maar
kunnen toch onmogelijk met elkander strijden. Zulk een dualisme is met de
eenheid van den menschelijken geest in onverbiddelijken strijd, Hartmann,
Religionsphilosophie. II. Die Religion des Geistes, 2te Aufl. Leipzig,
Friedrich S. 3-27.
Maar Hegel dwaalde toch hierin dat hij godsdienst en wijsbegeerte tot
elkander in verhouding stelde als lager en hooger, als voorstelling en
begrip, en ze dus opvatte als successieve momenten van één proces. De
Hegelianen zooals Strauss, Glaub. I 12 f. en Biedermann, Christl. Dogm.
2e Aufl. I 184 f. zagen het onjuiste hiervan zelven in. Inhoud en vorm
zijn nooit zoo mechanisch en uitwendig verbonden, dat geheele wijziging
van dezen genen onveranderd laat. De omzetting der godsdienstige
voorstellingen in philosophische begrippen tast ook den godsdienstigen
inhoud zelven aan. De historie van de Hegelsche philosophie bracht dit
spoedig aan het licht. Er bleef bij haar van de christelijke dogmata zoo
goed als niets over; triniteit, menschwording, voldoening behielden
de orthodoxe namen maar werden geheel anders geïnterpreteerd. De
feiten van het Christendom werden tot den vorm gerekend en waardeloos
geacht. In de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer
hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan religie en
philosophie een gelijken inhoud gaf en toch de eerste voor een lageren
vorm hield van de tweede. De religie werd daardoor verlaagd tot een
relatief goed, dat alleen nog maar waarde had voor de eenvoudigen en de
onontwikkelden. De wijsgeeren waren er verre boven verheven en hadden
aan de philosophie genoeg. Dit nu berust op eene totale miskenning
van het wezen der religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant
maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben ze ook menigmaal
een zelfden inhoud en voorwerp, dezen komen toch in beide onder een
geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is het om kennis,
in de religie is het om troost, vrede, zaligheid te doen. De religie
en philosophie zijn evenmin als de état théologique, métaphysique en
positive van A. Comte elkaar historisch opvolgende toestanden van den
menschelijken geest, maar zijn verschillende gezichtspunten, waaronder
dikwerf eene zelfde zaak beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste
wijsgeer komt daarom met al zijne kennis boven de religie niet uit;
door de wetenschap kan hij nimmer zijne religieuse behoefte bevredigen.
De wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen door de
religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn Vader is. De wetenschap
moge hem leeren dat er zonde is en genade; alleen door de religie wordt
hij de zaligheid der vergeving en van het kindschap Gods deelachtig.
Al kon de wetenschap alles weten, en al kon ze alle metaphysische
problemen oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en
geen persoonlijk deelgenootschap aan de goederen des heils. Niet aan
het weten, maar alleen aan het gelooven is de zaligheid verbonden.
Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de wijsbegeerte
het zoover brengen kan. Juist op de belangrijkste vragen blijft zij het
antwoord schuldig. De verwachting, die Renan in 1848 van de wetenschap
koesteren kon, bleek hemzelven in 1890 niets dan eene illusie te
zijn, Renan, L’avenir de la science. Pensées de 1848. 2e éd. Paris
1890. De wetenschap zegt ons noch wat God noch wat de mensch is; zij
laat ons onbekend met den oorsprong en de bestemming der dingen. De
verschijnselen neemt ze waar, maar het noumenon blijft haar verborgen.
Zij kan de religie nimmer vervangen en nooit haar verlies vergoeden,
Voigt, Fundam. dogm. 120 f. Hartmann, Religionsphilosophie II S. 3-27.
H. Siebeck, Lehrbuch der Religionsphilosophie, Freiburg 1893 S. 1-11.
Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer, Grundriss der christl. Gl. u.
Sittenlehre § 11.
11. Anderen hebben daarom de religie omschreven door zedelijk
handelen en haar zetel in den wil gezocht. Het Pelagianisme in zijne
verschillende vormen, Semipelag. Socin. Remonstr. Deisme, Ration. enz.
heeft deze opvatting voorbereid, inzoover de fides bij deze richting
aangevuld wordt door of zelfs alleen bestaat in eene nova obedientia.
De leer is dan slechts middel en ondergeschikt, hoofdzaak is de liefde,
op een deugdzaam, zedelijk leven komt het aan. Ook Spinoza heeft naast
de intellectualistische deze moralistische opvatting. De H. Schrift
is Gods woord, omdat ze de vera religio, de lex divina bevat, Tract.
theol. pol. cap. 12 § 18 sq. Zij bedoelt niets praeter obedientiam,
cap. 13 en deze obedientia erga Deum bestaat in solo amore proximi,
ib. § 8. Philosophie en geloof zijn zoo onderscheiden, dat gene tot
doel heeft de veritas, dit de obedientia en pietas, cap. 14 § 38.
De intellectualis sive accurata Dei cognitio is geen gave aan alle
geloovigen, maar wel de obedientia, deze wordt van allen geeischt, cap.
13 § 9. Maar vooral Kant heeft aan dit moralisme ingang verschaft.
De theoretische rede kan n.l. het bovenzinnelijke niet bereiken. God,
vrijheid, onsterfelijkheid zijn wetenschappelijk niet te bewijzen. Zij zijn
alleen postulaten van de practische rede tot vervulling van de zedewet
en tot verkrijging van het hoogste goed, d. i. de met deugd verbondene
zaligheid. Gelooven is dus voor waar houden niet op theoretische
maar op practische gronden. De moraal wordt grondslag der religie.
En religie ist subjektiv betrachtet das Erkenntniss aller unserer
Pflichten als göttlicher Gebote. De religie is hier niet rechtstreeks
en onmiddellijk gegrond in de menschelijke natuur, maar alleen door het
zedelijke heen. Ze heeft ook geen eigen inhoud en stof, maar is niets
dan eene nadere bepaling van het zedelijke; niet in het object maar
alleen in den vorm ligt het onderscheid tusschen beide. Kant moest dan
ook erkennen, dat geen godsdienst zich met zijne religie heeft tevreden
gesteld. Alle godsdiensten bevatten behalve het zuivere redegeloof
nog vele andere dogmata, een doktrinalen historischen Glauben. Maar
hij verklaart dit uit de zwakheid der menschelijke natuur, die niet
licht te overtuigen is, dat een zedelijke wandel alles is, wat God
van ons eischt. Roeping is het, om den Kirchenglauben meer en meer
te reinigen en in den zuiveren Vernunftglauben te doen overgaan,
Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, herausg. van
K. Rosenkranz 1838. Kant’s religie bestond daarom feitelijk in niets
anders dan de rationalistische trilogie God, deugd, onsterfelijkheid.
Maar J. G. Fichte ging verder en leidde uit het zedelijk bewustzijn geen
ander postulaat af, dan dat het ik het gansche niet-ik, de wereld,
aanzie als het „versinnlichte Material” van zijn plicht, ze erkenne
als zoo geordend dat zijn zedelijk willen en handelen op de lijn ligt
van het zedelijke doel van het geheel, m. a. w. dat er eene zedelijke
wereldorde is. Hier is de religie geheel in ’t zedelijke opgegaan. Cf.
Ueber den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung 1798.
Dit moralisme is in het ethicisme verdiept, doordat het moreele niet
alleen psychologisch maar ook metaphysisch opgevat wordt. De wil, het
goede, de liefde is dan het eigenlijke zijn, het Ursein, het Absolute;
daaruit is alles, de triniteit, de wereld, de verlossing te verklaren;
die macht van het goede realiseert zich in de menschenwereld door
middel van het zedelijke. Dat is de grondgedachte, waarvan Schelling
in zijne tweede periode uitging: es gibt in der letzten und höchsten
Instanz gar kein anderes Sein als Wollen, Wollen ist Ursein, Ueber das
Wesen der menschl. Freiheit, Sammtl. Werke VII 331 f. Vooral Rothe
heeft dit ethicisme in de theologie overgebracht; de Frömmigkeit heeft
geen eigen inhoud maar valt in concreto met de ware zedelijkheid saam,
Theol. Ethik § 114-126; de kerk gaat daarom ook over in den staat §
440. Sedert heeft deze ethische richting grooten invloed verkregen.
Het ethische wordt beurtelings als grondslag (Neokantianen), inhoud
(Ethischen onder de Vermittelungstheologen en onder de Modernen), of
zelfs als geheele vergoeding (Morale indépendante. De ethische beweging
in de religie) van de religie beschouwd. De ethische richting onder
de Vermittelungstheologen trad in het voetspoor van Schleiermacher en
Rothe, cf. mijne Theol. van D. Ch. de la Saussaye, Leiden 1884, bl. 20
v. Hier te lande zocht Hoekstra den grondslag van het godsdienstig
geloof in de practische rede, in den wil, Bronnen en grondslagen
van ’t godsd. geloof 1864 bl. 23 v. 49 v. 63 v. De bij hem zich
aansluitende ethische Modernen omschrijven den godsdienst als toewijding
aan het zedelijk ideaal, als reine zedelijkheid, Dr. Hooijkaas, God in
de geschiedenis 1870. Godsdienst volgens de beginselen der ethische
richting onder de Modernen, vier voorlezingen van Hooijkaas, Hooijkaas
Herderschee, Oort en van Hamel, ’s Bosch 1876. cf. Rauwenhoff, Wijsb.
v. d. godsd. 1887 bl. 116 v. Rauwenhoff zelf stelt het wezen van
de religie in het geloof aan eene zedelijke wereldorde, Wijsb. v. d.
godsd. 373 v. Verwant daarmede is de leer der Morale Indépendante,
cf. C. Coignet, La morale indépendante dans son principe et dans son
objet, Paris 1863. Vacherot, La religion, Paris 1869 cf. Bibl. v. mod.
Theol. 1870 I 333 v. Caro, La morale indép. Paris 1876. E. Bersier,
sur la question de la mor. indép. in de Handelingen der Ev. Alliantie
1867. Cramer, Christendom en Humaniteit 1871 bl. 159 v. en evenzoo
die ethische beweging, welke uit Amerika in Engeland en Duitschland
is doorgedrongen, en onverschillig voor allen godsdienst geen dogma
erkent dan de liefde tot het goede. Zie W. M. Salter, De godsdienst der
moraal, holl. door Dr. Hugenholtz 1889, cf. Lamers, De godsd. evenmin
moraal als metaphysica 1885. Bibl. v. mod. Theol. 1887, 4e st. bl.
579. Kuenen in de Hervorming 1888, antwoord van Salter ib. 15 Dec.
1888. Dr. Felix Adler, Die ethischen Gezellschaften, Berlin, Dümmler
1892. Die ethische Bewegung in Deutschland, vorbereitende Mittheilungen
eines Kreises gleichgesinnter Männer u. Frauen zu Berlin, ib. 1892.
St. Coit, Die ethische Bewegung in der Religion, vom Verf. durchges.
Uebersetzung v. Gizycki. Leipzig, Reisland 1890. Daartegen: Dr. M.
Keibel, Die Religion u. ihr Recht gegenüber dem modernen Moralismus.
Halle, Pfeffer, 1892. Ook Otto Dreyer, Undogmatisches Christenthum,
Braunschweig 1888; Egidy, Ernste Gedanken, Leipzig 1890 (cf. Gids Mei
1893); H. Drummond, Summum Bonum, Pax Vobiscum, The spiritual law in
the natural world; Tolstoi, Vernunft u. Dogma, Wie ist mein Leben?
beide bij Otto Janke, Berlin. Worin besteht mein Glaube, Leipzig 1885
enz. ijveren voor een ondogmatisch, practisch, zedelijk Christendom, een
Christendom der Bergrede.
12. Nu lijdt het geen twijfel dat godsdienst en zedelijkheid met elkaar in
’t nauwste verband staan. Die verwantschap blijkt ten eerste hieruit dat
de religie zelve eene zedelijke verhouding is. De religie berust wel op
eene mystieke unie van God en mensch, maar is zelve geen substantieele
gemeenschap van beiden, maar een ethische relatie van den mensch tot
God. God heeft geen religie; maar Gods inwoning in den mensch kweekt
van zijne zijde die relatie tot God, welke wij religie noemen, Hoekstra,
Wijsg. Godsdienstleer I 57 v. 64. Deze relatie is daarom van ethischen
aard; zij is geregeld in die zelfde lex moralis, welke ook de andere
verhoudingen des menschen tot zijne medeschepselen bepaalt; alle
religieuse handelingen des menschen zijn zedelijke plichten, en heel
de religie is een zedelijk gebod. Omgekeerd is het zedelijk leven ook
weer een dienst Gods. Weduwen en weezen te bezoeken Jak. 1:27, is geen
in eigenlijken zin godsdienstige handeling, maar kan toch godsdienst
heeten, omdat de godsdienst zich daarin betoonen en bevestigen moet.
De scholastiek maakte daarom onderscheid tusschen actus eliciti en
actus imperati van de religie, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 81 art. 1.
Geloof zonder werken, zonder liefde, is een dood geloof. De liefde
tot God bewijst zich voor ons in de liefde tot den naaste Jer. 22:16.
Jes. 1:11 v. 1 Joh. 2:3 v. Jak. 2:17 enz. Heel ons leven behoort een
dienst Gods te wezen. Het opschrift: Ik ben de Heere uw God, staat ook
boven de geboden der tweede tafel. Liefde is het ééne groote beginsel,
dat de gansche wet vervult, Rom. 13:13. De zedewet is één organisch
geheel, zoodat wie één gebod overtreedt, de geheele wet schendt Jak.
2:10. De naaste moet om Gods wil bemind worden, en de zonde tegen den
naaste is ook eene zonde tegen God. Deze verhouding van godsdienst en
zedelijkheid maakt het reeds duidelijk, dat de zedelijkheid nooit den
inhoud noch ook den grondslag der religie uitmaken kan. In weerwil
toch van hunne innige verwantschap, zijn beide wezenlijk onderscheiden.
Godsdienst is altijd eene verhouding tot God, zedelijkheid tot de
menschen; godsdienst heeft tot principe de πιστις, zedelijkheid de
ἀγαπη; godsdienst openbaart zich in die religieuse handelingen, welke
samen een cultus in- en externus vormen, zedelijkheid betoont zich in
de daden van gerechtigheid, barmhartigheid, eerlijkheid enz. tegenover
den naaste; de religie is geregeld in de eerste, de zedelijkheid in
de tweede tafel der wet. Dit onderscheid tusschen religie en ethos
kan door het pantheïsme niet gehandhaafd worden, omdat God hier niet
een eigen, van de wereld onafhankelijk bestaan heeft; eene persoonlijke
relatie tusschen God en mensch is er hier niet mogelijk; de liefde tot
God kan zich dan niet anders uiten dan in de liefde tot den naaste.
Ook het deïsme kan, wegens de loochening der gemeenschap van God en
mensch, geen eigenlijke religie kweeken. Er is nog wel geloof aan God,
maar geen dienen van God anders dan in de vervulling der zedelijke
geboden. Maar op theïstisch standpunt staat de mensch in relatie tot
de wereld maar ook in eene eigene, onderscheidene relatie tot God
als een persoonlijk wezen. Religie is daarom iets wezenlijk anders
dan zedelijkheid en openbaart zich in eene eigen reeks van daden.
Indien dit echter zoo is, dan kan ook de moraal niet de grondslag der
religie zijn, maar moet omgekeerd deze de basis vormen voor gene. De
relatie tot God is dan de primaire en de centrale, welke alle andere
verhoudingen des menschen bepaalt. Zoowel historisch als logisch is
de moraal altijd in de religie gegrond. De religie dringt de zedelijke
plichten aan, en de moraal zoekt de sanctie der religie. Eene autonome
moraal komt in de werkelijkheid nergens voor. Overal en bij alle volken
vindt de zedelijkheid haar laatsten grond en haar laatste doel in den
godsdienst. De zedelijkheid verliest den bodem onder haar voet, als
ze van de goddelijke autoriteit in de conscientie wordt beroofd. Alle
Moral hat sich geschichtlich aus der Religion entwickelt, und wenn auch
die so entwickelten geistigen Anlagen der Menschheit zur Sittlichkeit
Dank ihrer Herkunft eine Zeit lang selbstständig fortbestehen können,
wenn sie von ihrem Mutterboden abgelöst werden, so ist doch diese
selbstständige Existenzfähigkeit zeitlich sehr begrenzt und schon in
der zweiten Generation machen zich deutlich die Symptome des Verfalls
der Sittlichkeit bemerkbar, E. v. Hartmann, Relig. philos. II 59.
Materieel zijn natuurlijk lang niet alle verplichtingen en handelingen,
die de menschen voor zedelijk houden, in overeenstemming met den wil
van God. Maar het formeele, dat wat allen plicht tot onvoorwaardelijken
plicht maakt, wat den mensch in de conscientie bindt, dat is van God.
Er is geen moraal zonder metaphysica. Menschen, gewoonten, zeden enz.
kunnen niet absoluut verplichten in de conscientie. Dat kan God alleen.
Daarom is het geweten sacrosanct en gewetensvrijheid een onverbiddelijke
eisch en een onvervreemdbaar recht. De geboden en verboden, die niet
vastliggen in de conscientie, worden niet als zedelijk gevoeld. Eene
wet, die geen fundament heeft in het volksgeweten, is machteloos.
Krachtens dit verband is er ook eene wederkeerige inwerking van
godsdienst en zedelijkheid op elkander. Tijdelijk kunnen ze zoowel in een
individu als in een volk uiteenvallen en zelfs met elkaar strijden.
Maar ze kunnen niet rusten, voordat ze in harmonie en evenwicht zijn.
Wat in de religie wordt goedgekeurd, kan in de moraal niet worden
veroordeeld, en omgekeerd. De verhouding tot God en tot de menschen
moet beide éénzelfde zedelijk karakter dragen, in éénzelfde zedewet
geregeld zijn. Religie en moraal, cultus en cultuur moeten wortelen
in éénzelfde beginsel. Dat is in het Christendom het geval. De
liefde is de vervulling der wet, en de band der volmaaktheid. H.
Schultz, Religion und Sittlichkeit in ihrem Verhältniss zu einander,
religionsgeschichtlich untersucht (Stud. u. Kr. 1883 Heft 1 S. 60-130).
J. Köstlin, Rel. u. Sittl. (Stud. u. Kr. 1870). Pfleiderer, Moral u.
Religion, Haarlem 1872. Rothe, Theol. Ethik § 114 f. Martensen, Die
christl. Ethik 3e Aufl. 1878 I 19-33. Janet, La morale, Paris 1874 p.
596 s. Hoekstra, Godsdienst en zedelijkheid Theol. Tijdschr. II bl. 117
v. Id. Wijsg. Godsdienstleer I 251 v. Lamers, Godsd. en zedel. Amst.
1882. Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Religionsgesch. I 166 f. C. Stage,
Relig. u. Sittl. Vortrag. Berlin, Bibliogr. Bureau 1894. Lamers, De
Wetenschap v. d. godsd. II 167 v. Hugenholtz, Studiën op godsdienst- en
zedekundig gebied, Amst. 1884 I passim. Hartmann, Religionsphilosophie
2e Aufl. II 55-64. Siebeck, Handbuch der Rel. Phil. S. 243 f. Kaftan,
Das Wesen der christl. Religion, Basel 1881 S. 124 f. Nitzsch, Lehrb.
der ev. Dogm. S. 96 f.
13. Eindelijk zijn er ook nog, die aan de religie eene plaats geven in
het gevoel en daarvoor soms zelfs een afzonderlijk vermogen in den
mensch aannemen. Mysticisme en pietisme hadden in vroeger tijd daarvoor
reeds den weg gebaand. Maar eerst door de Romantiek der vorige eeuw is
deze opvatting een tijd lang tot heerschappij gekomen. De Romantiek was
in het algemeen eene reactie van het vrije, ongebondene gemoedsleven
tegen het objectieve, alles bindende en regelende klassicisme. Het
subject verhief zich boven de wetten, die op ieder terrein van het
leven aan zijn spontane uiting waren gesteld; de phantasie hernam hare
rechten tegenover het verstand; de organische beschouwing kwam in de
plaats van de mechanische; de idee van het worden verdrong die van het
maken. Op elk gebied ging het oog open voor het vrije, het natuurlijke,
het geniale; wording, groei, ontwikkeling was de wijze, waarop de
dingen ontstonden; niet het nuttige maar het schoone, niet proza maar
poëzie, niet arbeid maar spel, niet Machwerk maar kunst had de hoogste
waarde. De gemaniereerdheid van vroeger sloeg om in eene oppervlakkige
sentimentaliteit. Zoodanig was de beweging, die in Engeland haar tolk
vond in Young, Southey, Wordsworth, S. T. Coleridge. In Frankrijk werd
ze ingeleid door Rousseau, die in zijne profession de foi du vicaire
Savoyard (Emile, livre 4) heel zijne deistische dogmatiek en moraal
opbouwt uit het gevoel: le sentiment est plus que la raison, notre
sensibilité est antérieure à notre intelligence. In Duitschland opende
Winckelmann de oogen voor de schoonheid der grieksche kunst; Lessing
stelde tegen de poëzie van het Fransche klassicisme het genie van
Shakespeare over; Herder wees in de historie de openbaring en werking
aan der eeuwige, goddelijke natuur; Hamann, Claudius, Lavater, Stilling
gingen uit van de rijke subjectiviteit en stelden deze tegenover de
platte, mechanische opvatting van de Aufklärung; Kant en Fichte
plaatsten het ik van den mensch op den voorgrond. Overal was er eene
breuke met de objectiviteit; het subject werd absoluut principe. Onder
dezen invloed beriep Jacobi zich op het gevoel, als het unmittelbare
Vernehmen des Göttlichen. Religie is gevoel voor ’t ware, schoone en
goede; bewondering, liefde, achting voor het goddelijke; en zulk een
gevoel is ons aangeboren als Grundtrieb der menschlichen Natur, Werke
II 59 f. 194 f. enz. Het aesthetisch rationalisme van Jacobi werd door
Fries en de Wette zoo uitgewerkt, dat ze eene strenge scheiding maakten
tusschen de empirisch-mathematische wereldbeschouwing des verstands
en de ideale, aesthetisch-religieuse wereldbeschouwing des gevoels.
Schleiermacher’s opvatting van de religie is uit diezelfde romantische
richting te verklaren. In de tweede rede uit zijne Reden über die
Religion 1799 omschrijft hij de religie als het onmiddellijk bewustzijn
van het zijn van al het eindige in en door het oneindige. Zij is geen
weten en geen doen, geen metaphysica en geen moraal, maar gevoel van
het oneindige. Object van dat gevoel is geen persoonlijk God, met wien
de mensch in gemeenschap leeft, maar het universum, de wereld als
geheel, als eenheid gedacht. En orgaan voor het gewaarworden van dat
oneindige is niet verstand, rede of wil, maar het gevoel, de richting
van het gemoed op en de zin voor het oneindige. Nader wordt dit gevoel
niet omschreven. En nog vager is het antwoord op de vraag, wanneer
dat gevoel bepaald religieus gevoel wordt. Schleiermacher antwoordt
daarop in de 3e rede slechts in overdrachtelijke taal: men moet zijn
gevoel zoo wijd mogelijk voor de wereld als geheel ontsluiten, alles in
het eene en het eene in alles beschouwen, al het bijzondere opvatten
als eene openbaring van het oneindige enz. Dit alles zegt niet veel;
het schijnt, dat ten slotte ieder gevoel religieus is, hetwelk door
het wereldgeheel wordt opgewekt en ons de hoogste eenheid openbaart.
In elk geval is het religieus gevoel niet duidelijk tegenover het
aesthetische begrensd. In de Glaubenslehre treffen we in den grond
der zaak dezelfde opvatting aan. Ook hier is de vroomheid gevoel §
3, en wel volstrekt afhankelijkheidsgevoel § 4. Maar er is toch een
dubbel verschil. In de Reden was God het geheel, in de Glaub. is Hij
de absolute causaliteit der wereld; dienovereenkomstig was het gevoel
daar zin voor het oneindige, en hier onmiddellijk zelfbewustzijn en
volstrekte afhankelijkheid. God krijgt hier meer een eigen, van de
wereld onderscheiden bestaan, en de religie daarom ook een eigen, van
het gevoel voor de wereld, onderscheiden inhoud. Er is dus eenige
toenadering tot het theisme te bespeuren. Maar de grondgedachte is toch
in zoover dezelfde, als God niet transcendent gedacht wordt boven maar
alleen immanent in de wereld, en het orgaan voor het goddelijke niet is
de rede, het geweten enz. maar het gevoel. Deze opvatting der religie
is niet alleen door sommige Vermittelungstheologen, zij het ook met
wijziging overgenomen, maar wordt in beginsel gevonden bij allen, die
naast de mechanische nog eene aesthetische wereldbeschouwing trachten
op te bouwen en daarin de religie opnemen of zelfs geheel laten opgaan.
Lange Gesch. des Mater. S. 830 zegt, dat de kern der religie bestaat,
niet in eene leer over God enz., maar in de verheffing des gemoeds
boven de werkelijkheid en in de Erschaffung einer Heimath der Geister.
Boven de wereld der feiten, die Welt des Seienden, bouwt de mensch door
zijne phantasie eene Welt der Werthe, eene Welt der Dichtung. Pierson,
Eene levensbeschouwing, huldigt eene dergelijke ideaalvorming; het
gevoel des menschen, van buiten opgewekt, schept uit de voorstellingen,
die het verstand uit de zinlijk waarneembare wereld verkrijgt,
religieuse, ethische, aesthetische idealen, die wel geen onafhankelijk
van ons bestaande realiteiten maar toch van groote waarde zijn voor
ons leven, bl. 113-179. Opzoomer nam zelfs een afzonderlijk religieus
gevoel aan en zag daarin de bron der religieuse voorstellingen, De weg
der wetenschap, een handboek der logika 1851 § 15. De Godsdienst bl.
126-140. Het wezen der kennis, leerboek der logica § 14. Rauwenhoff
acht het wezen der religie wel gelegen in het geloof aan eene zedelijke
wereldorde maar schrijft toch den vorm der religie, vereering van een
persoonlijk God, toe aan de phantasie. Cf. ook Guyau, L’irreligion de
l’avenir, Paris, Alcan, 1887. Dr. R. Koch, Natur und Menschengeist,
Berlin 1891 enz.
14. Ook bij deze opvatting is het zonder tegenspraak, dat het gevoel in
de religie eene belangrijke plaats inneemt. Religieuse voorstellingen
op zich zelve en zonder meer zijn nog geen religie; eerst dan ontstaat
deze, wanneer de mensch tot het object dier voorstellingen in eene
werkelijke, persoonlijke relatie treedt. En zulk eene persoonlijke
verhouding tot God kan niet anders dan inwerken op het gevoel; zij
laat den mensch niet koud en onverschillig, maar roert hem tot in het
diepste van zijn gemoed; zij wekt in hem een sterk gevoel van lust en
onlust en kweekt eene gansche reeks van aandoeningen, schuldbewustzijn,
smart, berouw, leedwezen, droefheid, vreugde, blijdschap, vertrouwen,
vrede, rust enz. De religie maakt de diepste en teederste aandoeningen
wakker in het menschelijk hart. Geen macht is er, die dieper,
algemeener, sterker aangrijpt en roert. Alle deze door de religieuse
voorstellingen opgewekte aandoeningen, geven aan de religie warmte,
innigheid, leven, kracht, in tegenstelling met de doodigheid van het
intellectualisme en de koudheid van het moralisme. Het hart is het
centrum der religie.
Maar daarom is het gevoel nog niet de eenige religieuse functie,
niet de eenige zetel en bron der religie. Het gevoel, hier genomen
niet als een afzonderlijk vermogen, wat het niet is, maar als het
geheel der hartstochten en aandoeningen, is uitteraard passief;
het reageert alleen op datgene, wat door het bewustzijn er mede in
aanraking wordt gebracht, en wordt dan tot een gevoel van lust of
onlust. Het heeft niets in zichzelf en brengt niets uit zichzelf voort,
maar beoordeelt de dingen, de voorstellingen, die van buiten komen,
alleen daarnaar of ze aangenaam of onaangenaam zijn. Op zichzelf is
het gevoel, is elke aandoening noch goed noch kwaad, noch waar noch
onwaar. Dit zijn kategorieën niet eigenlijk van de aandoeningen, maar
van de voorstellingen. Van de aandoeningen kunnen ze alleen gebruikt
worden, inzoover deze door ware of onware voorstellingen worden
opgewekt, en door goede of kwade wilsrichtingen worden begeleid. In de
religie is daarom ook niet het gevoel, maar het geloof, de religieuse
voorstelling, het eerste; maar dat geloof werkt dan ook in op het
gevoel. Wanneer echter, gelijk bij Schleiermacher, het gevoel van het
geloof, van de religieuse voorstelling wordt losgemaakt en tot eigen
en eenige bron en zetel van de religie wordt gemaakt, dan verliest het
gevoel zijne qualiteit, wordt het geheel onafhankelijk van de kategorie
van waar en onwaar, van goed en kwaad, en is eigenlijk elk gevoel
als zoodanig reeds religieus, waar, goed en schoon. En dat was de
schromelijke fout van heel de romantiek.
Natuurlijk ligt dan ook de dwaling voor de hand, om het religieus
gevoel te verwarren en te vereenzelvigen met het zinnelijk en met het
aesthetisch gevoel. Uit de historie is aan ieder de verwantschap en
de overgang bekend van religieuse en zinnelijke liefde. Maar even
gevaarlijk is de vermenging van religieus en aesthetisch gevoel, van
godsdienst en kunst. Beide zijn wezenlijk onderscheiden. Religie is
leven, werkelijkheid; de kunst is ideaal, schijn. De kunst kan de klove
niet dempen tusschen ideaal en werkelijkheid. Zij heft ons wel een
oogenblik boven de werkelijkheid, en doet ons leven in het rijk der
idealen. Maar dit heeft alleen plaats in de phantasie. De werkelijkheid
blijft er dezelfde om. De kunst toont ons wel in de verte het rijk der
heerlijkheid, maar zij brengt er ons niet in en maakt er ons geen burgers
van. Zij verzoent niet onze schuld, zij droogt niet onze tranen, zij
troost ons niet in leven en sterven. Zij maakt het Dort niemals Hier.
Dat doet de religie alleen. Zij is en geeft realiteit. Zij schenkt leven
en vrede. Zij poneert het ideaal als waarachtige werkelijkheid en maakt
er ons deelgenoot van. Daarom kan het aesthetisch gevoel nooit het
religieus gevoel, de kunst nooit de religie vervangen. Wel staan beide
in verband. Religie en kunst zijn van den aanvang af nauw verbonden
geweest; het verval der eene bracht dat der andere mede; de laatste
drijfkracht der kunst lag in de religie. Cf. G. Portig, Religion und
Kunst in ihrem gegenseitigen Verhältniss, Iserlohn 1879-’80. I 5. 85.
90. 225 enz. Paulsen, System der Ethik, Berlin, Hertz 1889 S. 434 f.
In de religie, bepaald ook in den cultus, heeft de phantasie haar
recht en haar waarde. Beim religiösen Process ist allerdings auch die
Phantasie betheiligt, aber nicht als Erzeugingsprincip, sondern nur als
Belebungsprincip. Die Einbildungskraft kan immer nur bereits gegebene
Stoffe und Triebe gestalten, aber nie kan sie die Religion selbst erst
schaffen, Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 91. Maar de Schaubühne is
allerminst voor moralische Anstalt (Schiller) geschikt. Het theater kan
de kerk en Lessings Nathan den Bijbel niet vervangen (Strauss). Idealen
en scheppingen der phantasie zijn geen vergoeding voor de realiteit,
die de religie biedt. Het religieus gevoel, hoe innig en diep het
overigens ook zijn moge, is dan alleen zuiver, wanneer het door ware
voorstellingen opgewekt wordt, Hartmann, Religionsphilosophie II 27-55.
S. Hoekstra, Godsdienst en Kunst 1859. Lamers, Wetenschap v. d. godsd.
II 164 v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. S. 97 f.
15. Resultaat is derhalve, dat de religie niet tot één van ’s menschen
vermogens beperkt is, maar den ganschen mensch omvat. De verhouding tot
God is een totale en centrale. Wij moeten God liefhebben met geheel ons
verstand en met geheel onze ziel en met al onze krachten, enz. Juist
wijl God God is, eischt hij ons geheel op, naar ziel en lichaam, met alle
vermogens en in al onze relatiën. Wel is er orde ook in deze verhouding
van den mensch tot God. Ook hier bestaat en werkt iedere faculteit in
den mensch naar haar eigen aard. De kennis is het eerste; geen rechte
dienst van God zonder rechte kennis. Ignoti nulla cupido. Onbekend is
onbemind. Die tot God gaat, moet gelooven, dat Hij is en een belooner
dergenen die Hem zoeken, Hebr. 11:6. Het geloof is uit het gehoor, Rom.
10:13, 14. De Heidenen kwamen tot afgoderij en ongerechtigheid, omdat
ze God niet in erkentenis hielden, Rom. 1:18 v. Maar die kennisse Gods
dringt door in ’t hart en wekt daar allerlei aandoeningen van vreeze
en hope, droefheid en vreugde, schuldgevoel en vergeving, ellende en
verlossing, gelijk ze heel de Schrift door, bovenal in de psalmen, ons
worden geteekend. En door het hart heen werkt ze weder op den wil;
het geloof openbaart zich in de liefde, in de werken, Jak. 1:27. 1
Joh. 1:5-7. Rom. 2:10, 13. Gal. 5:6. 1 Cor. 13, enz. Hoofd, hart en
hand worden gelijkelijk, schoon ieder op zijne wijze, door de religie in
beslag genomen; zij neemt den ganschen mensch, ziel en lichaam, in haar
dienst. Daarom komt de religie ook met alle andere machten der cultuur
in aanraking, inzonderheid met wetenschap, zedelijkheid en kunst.
Proudhon zei eenmaal: il est étonnant, qu’au fond de toutes les choses
nous retrouvons la théologie. Maar Donoso Cortes heeft daarop terecht
geantwoord: dans ce fait il n’y a rien d’étonnant que l’étonnement de
Mr. Proudhon. De religie als Verhouding tot God wijst de plaats aan,
waarin de mensch tegenover alle andere schepselen staat. Zij bevat
dogma, wet en cultus en staat daarom met wetenschap, zedelijkheid en
kunst in nauw verband. Ze omvat den ganschen mensch, in zijn denken,
gevoelen en handelen, in zijn gansche leven, overal en ten allen tijde.
Er valt niets buiten de religie. Zij breidt haar macht uit over heel
den mensch en de menschheid, over gezin en maatschappij en staat. Zij is
de grondslag van het ware, het goede en schoone. Zij brengt eenheid,
samenhang, leven in wereld en geschiedenis. Uit haar namen wetenschap,
zede en kunst haar oorsprong; tot haar keeren ze weer en vinden ze
rust. Zij is het begin en het einde, de ziel van alles, het hoogste en
diepste. Wat God voor de wereld is, dat is de religie voor den mensch,
Staudenmaier, Encyklopädie der theol. Wiss. 1834 S. 114 f. 146.
En toch is ze van alle machten der cultuur onderscheiden en bewaart
ze tegenover die alle hare zelfstandigheid. De religie is centraal,
wetenschap, zede en kruist zijn partieel. De religie omvat den ganschen
mensch, maar wetenschap, zede, kunst wortelen in de verschillende
vermogens van verstand, wil en gemoed. De religie bedoelt niets minder
dan eeuwige zaligheid in de gemeenschap met God; wetenschap, zede en
kunst zijn tot de schepselen beperkt en willen dit leven verrijken door
het ware en goede en schoone. Zoo is dan de religie met niets gelijk te
stellen; zij neemt in ’t leven en de geschiedenis der menschheid eene
eigene en zelfstandige, eene eenige en allesbeheerschende plaats in.
Haar onmisbaarheid kan zelfs daaruit worden bewezen, dat de mensch op
hetzelfde oogenblik dat hij de religie als een waan verwerpt, toch een
of ander creatuur weer maakt tot zijn God, en op andere wijze vergoeding
zoekt voor zijne religieuse behoefte, in den dienst der menschheid
(Comte), in zedelijk idealisme (Salter), in ideaalvorming (Lange,
Pierson), in spiritisme, theosophie (Mad. Blavatzky, Mrs. Besant), of
in andere religies zooals het Buddhisme, Mohammedanisme enz. Cf. H.
Druskowitz, Moderne Versuche eines Religionsersatzes. Heidelberg 1886.
Id. Zur neuen Lehre. 1888.