HOOFDSTUK I.

Principia in het algemeen.

§ 6. BETEEKENIS DER PRINCIPIA.

1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van Aristoteles,

Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne Refutatio omnium

haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller, Historia philos. graecae

1886 p. 16, 17, was Anaximander de eerste, die den grond der dingen,

waarvoor hij het ἀπειρον hield, aanduidde met den naam van ἀρχη.

Misschien gaf hij echter daarmede alleen nog te kennen, dat het

ἀπειρον de aanvang en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die

Philosophie der Griechen, 4e Aufl. I 203. Maar in de philosophie van

Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van laatste oorzaak

der dingen. Aristoteles verstaat onder ἀρχαι in het algemeen de eerste

dingen in eene reeks, en dan vooral de eerste oorzaken, die uit geen

andere zijn af te leiden; hij geeft Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze

definitie: πασων μεν οὐν κοινον των ἀρχων το πρωτον εἰναι ὁθεν ἠ ἐστιν

ἠ γινεται ἠ γιγνωσκεται, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur.

Zulke oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van het

zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika. Het zijn

der dingen werd door hem uit vier ἀρχαι afgeleid, nl. ὑλη, εἰδος, ἀρχη

της κινησεως en τελος, Phys. II, 3, 194_{b}, 16 enz. Maar evenzoo nam

hij zulke laatste oorzaken in de logika aan. Aristoteles merkte nl.

op, dat er lang niet van alles een bewijs kan gegeven worden; van vele

zaken toch hebben we niet een middellijk weten door bewijsvoering maar

een onmiddellijk weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet

een regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen,

die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het ook niet

behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ἀρχαι ἀποδειξεως, ἀρχαι

συλλογιστικαι, ἀρχαι ἀμεσοι, of ook wel als algemeene onderstelling

van alle bewijsvoering ἀξιωματα, Anal. post. I 2, 72a, 7, enz. en

hij zegt er daar zelf van: λεγω δ’ ἀρχας ἐν ἑκαστῳ γενει ταυτας, ἁς

ὁτι ἐστι μη ἐνδεχεται δειξαι. In denzelfden zin werd het latijnsche

principium gebezigd. Cicero spreekt b.v. van rerum principia Acad. IV

36, principia naturae Off. III 12, principia naturalia Fin. II 11,

principium philosophiae Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz.

In overeenstemming met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles

werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden,

principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het zijn,

de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders moest worden

afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo onderscheiden, dat

causa het principium aanduidde als influxu suo determinans aliquid

sibi insufficiens ad existendum, en als tempore of ten minste natura

prius dan de zaak die zij veroorzaakte. Causa is dus een bijzondere soort

van principium; alle causa is principium, maar niet alle principium

is causa, J. F. Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5a

1714, I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8a Romae

1855 I 217.

2. Ook in de Theologie werd dit spraakgebruik overgenomen. In de H.

Schrift heeft ἀρχη niet alleen dikwerf temporeele Marc. 1:1, Joh. 1:1

enz., maar ook enkele malen causatieve beteekenis. In de LXX heet

de vreeze des Heeren de ἀρχη της σοφιας Spr. 1:7, en in Apoc. 3:14

en Col. 1:18 wordt Christus de ἀρχη der schepping en der opstanding

genoemd. De kerkvaders spreken dikwerf van den Vader als ἀρχη, πηγη,

αἰτιον van Zoon en Geest, Athan. C. Arianos II. Basilius, adv. Eunom.

I. Damasc. de fide orthod. I 9, enz., gelijk ook Augustinus den Vader

principium totius divinitatis noemt, de S. Trin. IV cap. 20. Zoo was

God dus het principium essendi of existendi van al het geschapene,

dus ook van de wetenschap, en bepaald nog weer van de theologie.

Op dit laatste terrein werd het altijd uitdrukkelijk herhaald, dat

God het principium essendi was der theologie. Er was hiervoor eene

bijzondere reden. Er is geen kennis van God mogelijk, dan alleen uit en

door God Matth. 11:27; 1 Cor. 2:10 v. Het was een axioma der vroegere

theologie: a deo discendum quid de ipso intelligendum, quia non nisi

ipso auctore cognoscitur. Dat er in het schepsel eenige kennis van God

is, dat is alleen aan God te danken. Hij is kenbaar alleen omdat en

inzoover Hij dat zelf wil. Reeds de analogie van een mensch bewijst de

waarheid hiervan. Een mensch is tot op zekere hoogte het principium

essendi van onze kennis aangaande zijn persoon, 1 Cor. 2:11; hij moet

zich openbaren, zich door verschijning, woord en daad te zien geven,

opdat we hem eenigszins kunnen leeren kennen. Maar bij een mensch is

dit altijd relatief; hij openbaart zich dikwerf geheel onwillekeurig

en zijns ondanks; hij openbaart zich menigmaal in karaktertrekken en

eigenaardigheden, welke hem zelven onbekend zijn; hij openbaart zich

somtijds ook anders dan hij is, valsch en onwaar enz. Maar dat alles valt

in God niet. Hij is in absoluten zin principium essendi, causa efficiens

principialis van onze Godskennis, want Hij is volstrekt vrij, zelfbewust

en waarachtig. Zijne zelfkennis, zijn zelfbewustzijn is het principium

essendi onzer Godskennis. Zonder zelfbewustzijn Gods geen kennis Gods in

de schepselen. Het pantheïsme is de dood der theologie. De verhouding

nu van deze zelfkennis Gods tot onze Godskennis werd vroeger zoo

uitgedrukt, dat gene de theologia archetypa was van deze, en deze de

theologie ectypa van gene. Onze kennisse Gods is een afdruk van die

kennis, welke God van zichzelven heeft, maar dan altijd in creatuurlijken

zin. De kennisse Gods in zijne schepselen is maar eene zwakke gelijkenis,

eene eindige, beperkte, naar het menschelijk of creatuurlijk bewustzijn

geaccommodeerde schets van het absolute zelfbewustzijn Gods. Maar hoe

groot de afstand ook zij, principium essendi van onze Godskennis is

alleen God zelf, die zich vrij, zelfbewust en waarachtig openbaart.

3. Van dit principium essendi is nu het principium cognoscendi te

onderscheiden. Dat er theologie is, danken we alleen aan God, aan zijn

zelfbewustzijn, aan zijn welbehagen. Maar het middel, de weg, waardoor

die kennisse Gods tot ons komt, is Gods openbaring, hier nog genomen

in gansch algemeenen zin. De aard der zaak brengt dit met zich. Een

mensch wordt voor ons alleen daaruit kenbaar, dat hij zich aan ons

openbaart, d. w. z. dat hij zichzelf te zien geeft, spreekt of handelt.

Verschijning, woord en daad zijn de drie openbaringsvormen van den

eenen mensch aan den ander. Alzoo is het ook bij den Heere onzen God;

ook zijne kennis vloeit ons alleen uit zijne openbaring toe; en ook

die openbaring kan alleen zijn verschijning, woord en daad. Principium

cognoscendi der theologie is dus de zelfopenbaring of zelfmededeeling

Gods aan zijne schepselen. Of die zelfopenbaring Gods nu individueel

tot elk mensch komt of voor de gansche menschheid neergelegd is in

de Schrift of in de kerk, kan eerst later worden onderzocht. Thans

volsta, dat de zelfopenbaring Gods, krachtens den aard der zaak, het

eenige principium cognoscendi van onze Godskennis kan zijn. Alleen zij

er de opmerking aan toegevoegd, dat, indien die zelfopenbaring Gods is

neergelegd in de Schrift of in de kerk, die Schrift en die kerk alleen

kunnen hebben eene instrumenteele, en dus in zekeren zin toevallige,

voorbijgaande beteekenis. De H. Schrift is dus hoogstens causa efficiens

_instrumentalis_ der theologie.

Immers, doel der theologie kan geen ander zijn, dan dat het redelijk

schepsel God kenne en kennend Hem verheerlijke Spr. 16:4, Rom. 11:36, 1

Cor. 8:6, Col. 3:17. Het is zijne εὐδοκια, om door menschen gekend te

worden Matth. 11:25, 26. De zelfopenbaring Gods bedoelt dus, om in het

menschelijk bewustzijn zijne kennis in te brengen en daardoor heen weer

aan God zelf heerlijkheid en eere te bereiden. Maar die zelfopenbaring

Gods kan dan ook niet eindigen buiten, voor, bij den mensch, maar

moet zich voortzetten tot in den mensch zelf, d. i. de openbaring

kan niet alleen uitwendig maar moet ook inwendig zijn. Daarom werd

vroeger onderscheid gemaakt tusschen principium cognoscendi externum

en internum, verbum externum en internum, revelatio en illuminatio, de

werking van Gods Woord en van zijn Geest. Het verbum internum is het

verbum principale, want dit brengt de kennisse Gods in den mensch,

en dat is het doel van alle theologie, van heel de zelfopenbaring

Gods. Het verbum externum, de openbaring neergelegd in de H. Schrift,

doet daarbij den dienst van een middel; het is verbum instrumentale,

noodzakelijk misschien om allerlei bijkomstige redenen in deze

bedeeling, maar toch naar zijn wezen tijdelijk en toevallig.

4. Zoo leerden we dus drie principia kennen. Ten eerste God als het

principium essendi der theologie. Vervolgens het principium cognoscendi

externum, n.l. de zelfopenbaring Gods, die, in zoover ze neergelegd

is in de H. Schrift, een instrumenteel en tijdelijk karakter draagt. En

eindelijk het principium cognoscendi internum, de illuminatie van den

mensch door Gods Geest. Deze drie zijn daarin één, dat ze God hebben

tot auteur, en dat ze ééne zelfde kennis Gods tot inhoud hebben. De

theologia archetypa in het Goddelijk bewustzijn; de theologia ectypa,

in de openbaring geschonken en in de H. Schrift neergelegd; en de

theologia in subjecto, de kennis Gods, voorzoover ze uit de openbaring

in het bewustzijn van den mensch ingaat en opgenomen wordt, zijn alle

drie uit God. Het is God zelf, die zijne zelfkennis ontsluit, door

openbaring meedeelt, en in den mensch inbrengt. En ook zakelijk zijn

ze één, want het is ééne zelfde zuivere en waarachtige kennis van

God, die Hij heeft van zichzelf, die Hij meedeelt in de openbaring en

die Hij inbrengt in het menschelijk bewustzijn. Ze mogen en kunnen dus

nimmer van elkander gescheiden en losgemaakt worden. Maar andererzijds

dienen ze toch wèl te worden onderscheiden. Want de kennis, die God

van zichzelven heeft, is absoluut, eenvoudig, oneindig, en in haar

absoluutheid onmededeelbaar aan het eindig bewustzijn. Daarom werd

vroeger de theologia archetypa ook wel beperkt tot dat gedeelte der

zelfkennis God, dat Hij besloten had aan schepselen mede te deelen. Maar

deze distinctie maakt de verhouding tusschen theologia archetypa en

theologia ectypa tot eene mechanische, en vergeet, dat absoluut niet

alleen ligt in de quantiteit, maar ook in de qualiteit. Desniettemin

ligt er de ware gedachte in, dat de theologia ectypa, welke door

de openbaring aan schepselen geschonken wordt, niet is de absolute

zelfkennis Gods, maar die kennis Gods, gelijk ze geaccommodeerd

is, naar en geschikt gemaakt is voor het eindig bewustzijn, dus

geanthropomorphiseerd. Deze theologia ectypa, welke objectief in de

openbaring voor ons ligt, is externa maar is bestemd om overgeleid

te worden in het bewustzijn van de redelijke schepselen, om te worden

theologia ectypa interna, theologia in subjecto, maar ondergaat ook

daarin weer veranderingen naar den aard van het subject. Zij is niet

re et ratione, maar toch gradu et modo in Christus (theol. unionis),

in de engelen en de gezaligden (theol. visionis), in de menschen op

aarde (theol. viatorum, viae, revelationis) en dan weer onder dezen in

profeten en apostelen, in theologen en leeken verschillend. Zij is in

ieders bewustzijn naar zijne vatbaarheid gemodificeerd. Maar zakelijk is

en blijft het toch ééne zelfde kennis, die van God uitgaat en langs den

weg der openbaring in het bewustzijn zijner redelijke schepselen wordt

overgeplant. Deze drieërlei principia, onderscheiden en toch wezenlijk

één, berusten in het trinitarisch wezen Gods. Het is de Vader, die door

den Zoon, als Logos, in den Geest aan zijne schepselen zich meedeelt.

Cf. over deze principia der theologie: Thomas S. Theol. qu. 1; Fr.

Junius, de vera theologia, Op. Omnia, Gen. 1607 I fol. 1375-1424, ed.

Kuyper p. 45 sq.; Gomarus, Disput. Theol. thesis 1; Voetius, Diatribe

de Theologia Ultraj. 1668; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu

... verae theol. libri 6, Oxon. 1661; Alsted, Methodus Sacros. Theol.

octo libris tradita, Hanov. 1623 I Praecognita Theol. p. 1-138, en

voorts de eerste hoofdst. over theol. in verschillende dogmatieken van

Turretinus, Coccejus, Marck, Moor, Vitringa, enz. Dr. A. Kuyper, Enc.

der H. Godg. II 177 v.

§ 7. PRINCIPIA IN DE WETENSCHAP.

A. Het Rationalisme.

1. Wetenschap bestaat altijd in eene logische relatie tusschen subject

en object. De verhouding, waarin we deze beide tot elkander stellen,

bepaalt onze opvatting van de wetenschap. Ten allen tijde zijn er twee

richtingen geweest, die te dezen opzichte lijnrecht tegenover elkander

staan, het Rationalisme en het Empirisme. Ze zijn al opgekomen in

de Grieksche philosophie. Reeds daar werd de tegenstelling gemaakt

van αἰσθησις en λογος, van zinlijke waarneming en denken, en dus ook

van δοξα en ἐπιστημη. De school van Elea, Plato, de Neoplatonici

stonden aan de zijde van het rationalisme; de zinlijke waarneming geeft

geen kennis, zij heeft tot object wisselende verschijnselen, en leert

ons alleen kennen dat iets is en zoo is, maar niet waarom het zoo

is; bovendien bedriegt zij ons menigmaal en verschaft ons valsche

voorstellingen, b.v. den krommen stok in het water, de opgaande

zon enz., welke alleen door het denken van hare onwaarheid kunnen

gereinigd worden. Daarom staat het denken ver boven de zinlijke

waarneming. Dit alleen levert ons ἐπιστημη; wetenschap komt niet van

buiten, zij is een product van den menschelijken geest. In de nieuwere

philosophie is deze rationalistische richting weer opgekomen met

Cartesius, die, alles wegwerpende, ten slotte zijn vast uitgangspunt

vond in het denken en daaruit concludeerde tot het zijn, cogito ergo

sum. Daarmede werd de denknoodwendigheid, het logisch verband, de

mathematische orde van grond en gevolg bij Spinoza de maatstaf der

waarheid. De zinnelijke wereld is hoogstens aanleiding maar geen bron

onzer kennis, de menschelijke geest kan alle kennis uit zichzelf, met

eigen middelen, denkende, voortbrengen. Nos idées, même celles des

choses sensibles, viennent de notre propre fond, Leibniz, Nouveaux

essais sur l’entendement humain I ch. 1. Kant heeft nu dit rationalisme

wel in zoover getemperd, als hij niet de stof maar alleen de vormen

der waarneming afleidde uit den menschelijken geest (transcendentaal,

kritisch idealisme). Maar Fichte zag terecht in, dat zulk eene

onderscheiding onmogelijk was, en sprak daarom uit dat alle elementen

onzer kennis, tot zelfs de waarneming toe, apriorisch waren en door het

Ik werden geponeerd (absoluut idealisme). Nu werd dit rationalisme bij

deze wijsgeeren nog altijd beperkt tot het gebied van het kenvermogen,

en dus alleen bedoeld in erkenntniss-theoretischen zin. Maar dit

subjectief rationalisme werd door Fichte, Schelling en Hegel tot een

objectief rationalisme uitgebreid; niet slechts de kennis, maar ook

het zijn, niet alleen de voorstellingen maar ook de dingen zelve zijn

alleen uit het denken voortgekomen, denken en zijn zijn één (metaphysisch

idealisme). Er is gang in deze historie van het rationalisme; het

denken, niet de zinlijke waarneming, geeft waarheid; het brengt daartoe

in zichzelf de principia, de semina van alle kennis, mede; het schept

den vorm onzer gedachtenwereld (Kant), en ook haar stof en inhoud

(Fichte), ja het schept en construeert de gansche wereld, niet alleen

van het denken, maar ook van het zijn.

2. In welke verschillende vormen dit rationalisme ook is opgetreden,

het heeft toch altijd ééne grondgedachte, n.l. dat de oorsprong der

kennis te zoeken is in het subject. Het is goed te begrijpen dat men

tot deze gedachte kwam. Afgedacht toch van de onbetrouwbaarheid der

zinlijke waarneming, er is tusschen de voorstellingen in ons en de

dingen buiten ons zulk een wezenlijk verschil, dat de eerste niet uit de

laatste zijn te verklaren. Stof kan niet werken op den geest; geestelijke

verschijnselen, zooals de voorstellingen zijn, zijn alleen uit den geest

te verklaren; gelijk kan alleen door gelijk worden gekend. Daaruit volgt,

dat het bestaan en de samenwerking van stof en geest, van dingen buiten

ons en voorstellingen in ons òf alleen nog kan gehandhaafd worden door

hypothesen als het occasionalisme (Geulinx), de harmonia praestabilita

(Leibniz), de aanschouwing der ideeën in God (Malebranche) enz., òf

dat eenvoudig de tweeheid van stof en geest moet worden ontkend, en

dat ding en voorstelling, zijn en denken beschouwd worden als wezenlijk

één. Immers, zoo zegt het idealisme, indien ding en voorstelling twee

zijn, dan moeten we aan de kennis van het ding wanhopen; wij kunnen toch

nooit onze voorstelling van het ding aan het ding zelf toetsen; wij

kunnen nooit uit onszelf, uit onze voorstellingswereld, uitkomen; nous

ne pouvous nous mettre à la fenêtre, pour nous voir passer dans la rue

(Scherer). Wij blijven altijd binnen den kring onzer voorstellingen en

komen nooit met het ding zelf, maar altijd weer met onze voorstelling

van het ding, in aanraking; alleen het bewuste bestaat voor ons; ik

kan alleen het gedachte, niet het ding, denken; wat niet mijn gedachte

is, is voor mij ondenkbaar, onkenbaar, bestaat voor mij niet. En dit

idealisme is dan nog versterkt door wat de physiologie der zintuigen

thans leert. Reeds Democritus maakte onderscheid tusschen zulke

eigenschappen als zwaarte, dichtheid, hardheid, die objectief zijn en

in de dingen zelve liggen, en andere, zooals warmte, koude, smaak,

kleur, die alleen subjectief in onze gewaarwordingen aanwezig zijn,

Zeller, Philos. der Gr. I{4} 783. Deze onderscheiding van objectieve

en subjectieve, quantitatieve en qualitatieve eigenschappen is

door Cartesius, Hobbes, Locke, die ze het eerst noemde primaire en

secundaire eigenschappen, An essay concerning human understanding, II

ch. 8 § 19 etc. overgenomen, en dan in deze eeuw vooral uitgewerkt door

Helmholtz in zijn Handbuch der physiol. Optik, Leipzig 1865-66 en Lehre

von den Tonempfindungen, Braunschw. 1862, 4e Aufl. 1877, cf. ook Lange,

Gesch. des Mater. 4e Aufl. 1882 S. 712 f. Pierson, Gids Juni 1871.

Volgens dit zoogenaamd semi-idealisme zijn er buiten ons in de wereld

alleen mechanische bewegingen der atomen, de materie is qualiteitloos.

Onze zintuigen ontvangen slechts indrukken door de beweging en golving

der atomen; die indrukken zijn qualitatief gelijk; maar in onze hersenen

brengen we uit die eenvormige bewegingen de oneindige verscheidenheid

der waarnemingswereld voort. Licht, geluid, kleur, smaak, warmte,

koude, alle qualitatieve eigenschappen, die wij in de dingen meenen

waar te nemen, bestaan niet buiten maar ontstaan en bestaan alleen in

den menschelijken geest. Een zelfde beweging der materie, onzen tastzin

rakend, maakt den indruk van warmte; en vallend in het oog, verschaft

zij ons de gewaarwording van licht. De wereld is in haar substantie

niet, maar toch in haar vorm een product van den mensch. Zoo heeft het

idealisme hoe langer hoe meer in de philosophie veld gewonnen en zelfs

van de natuurwetenschap krachtigen steun ontvangen.

3. Toch zijn er tegen het idealisme zeer ernstige bezwaren. In de

eerste plaats is het met alle ervaring in strijd. Wij zijn van nature

allen realisten, en de idealisten zelven zijn het ook in de practijk.

Feitelijk is het idealisme eene zaak, eene opinie der school, die met

het leven en de ervaring in lijnrechten strijd is. Het verklaart niet,

hoe en waarom ieder mensch er vanzelf en onwillekeurig toe komt,

om aan de waargenomen verschijnselen objectieviteit en zelfstandige

realiteit toe te schrijven, en ze niet louter op te vatten als innerlijke

bewustzijnstoestanden, terwijl we toch duidelijk onderscheid maken

tusschen inwendige toestanden en uitwendige dingen, tusschen wat in en

buiten ons is, tusschen droom (hallucinatie) en werkelijkheid. Daarbij

komt, dat de mensch nooit en op geen enkel gebied autonoom is, maar

overal en altijd afhankelijk is van de natuur rondom hem heen. Door

zijn lichaam is hij aan de aarde gebonden. Deksel, voedsel, kleeding

ontvangt hij van haar; het zou vreemd zijn, als het intellectueel

anders met hem gesteld ware. Zooals wij voedsel en kleeding wel met

onze hand bereiden, maar toch de stof ervoor aan de natuur buiten ons

ontleenen, zoo ook ontvangen we met het intellect de stof van buiten.

Het intellect is ook hier instrument, geen bron. Het idealisme

vereenzelvigt het orgaan met de bron der kennis, maakt als het ware het

oog tot de bron van het licht, leidt het gedachte af uit het denken.

Dat kan echter niet, omdat een ding en zijne voorstelling, zijn en

denken, esse en percipi twee zijn en niet kunnen vereenzelvigd worden.

Ze zijn immers beide toto genere verschillend. Een ding stijgt niet

in ons op als een droom, en volgt ook niet logisch uit voorafgaande

voorstellingen, maar komt dikwerf plotseling van buiten af tot mij en

breekt de reeks mijner voorstellingen af, het is onafhankelijk van mij,

en heeft een bestaan buiten mij; het heeft eigenschappen, die niet

aan de voorstelling ervan kunnen worden toegeschreven. Het ding, dat

men een kachel noemt, is b.v. warm, maar de voorstelling, die van

dat ding in mijn bewustzijn is, heeft zulk een eigenschap niet. Indien

desniettemin ding en voorstelling met elkaar vereenzelvigd worden,

moet het idealisme leiden tot absoluut illusionisme; niet alleen de

wereld buiten mij wordt schijn, maar ook ik zelf ben niets dan een

voorstelling, een verschijnsel voor mij zelf. Alles wordt een droom, er

is geen werkelijkheid maar ook geen waarheid meer. Het idealisme moge

nu op handel en gedrag zijner aanhangers geen invloed oefenen, Land,

Inleiding tot de wijsbegeerte, ’s Grav. 1889 bl. 92 v. Fr. Paulsen,

Einleitung in die Philosophie, Berlin 1892, S. 363, wijl het leven

menigmaal beter en sterker is dan de leer, toch is niet in te zien,

hoe b.v. godsdienst en zedelijkheid nog theoretisch te rechtvaardigen

zijn, als beide geen reëele verhoudingen zijn tot buiten mij bestaande

wezens maar slechts tot voorstellingen in mij. Het dualisme van denken

en zijn, waarvan het idealisme bij Plato, Cartesius, Kant uitgaat, slaat

dan ook altijd weer in de identiteit van beide bij Spinoza, Fichte,

Schelling en Hegel om; het subjectief rationalisme leidt tot absoluut

en objectief rationalisme. Maar het abstracte, inhoudlooze denken, het

alleralgemeenste principe van substantie, ’t absolute, ’t zijnde, het

denken, waarvan de idealistische philosophie dan haar uitgangspunt

neemt, is niet bij machte het rijke volle zijn te produceeren. Uit dat

dorre abstractum is niet de levende wereld, uit dat levenloos ééne

niet de veelheid der verschijnselen te verklaren. De klip, waarop alle

pantheïsme strandt, is de veelheid; er is geen overgang te vinden van

het abstracte tot het concreete, van het algemeene tot het bijzondere.

Schelling sprak het dan ook open uit, dass es schwer sei an die

Wirklichkeit heran zu kommen, bij Liberatore, Die Erkenntnisstheorie

des h. Thomas v. Aquin, deutsch von Eugen Franz, Mainz 1861 S. VII.

Eindelijk, eene onderscheiding als van Kant tusschen den vorm, dien

we zelf bij de waarneming meebrengen, en de stof, die van buiten tot

ons komt, of als die van het semi-idealisme tusschen objectieve,

primaire en subjectieve, secundaire verschijnselen is daarom onhoudbaar,

wijl eene grens tusschen beiden niet is aan te wijzen. De stof eener

voorstelling behoort, zooals Fichte dan ook uitsprak, evengoed tot de

voorstelling als haar vorm. En de primaire quantitatieve eigenschappen,

ja ook de lichamen zelf, zijn evengoed waargenomen verschijnselen als

de qualitatieve eigenschappen van toon en kleur enz. Er bestaat geen

reden om de getuigenis van één zintuig, den tastzin, aan te nemen en

die van de andere vier te verwerpen, en dus voor de eigenschappen der

uitgebreidheid, hardheid enz. alleen eene uitzondering te maken. Er is

geen bezwaar, om aan de vormen der waarneming, tijd en ruimte, en aan de

kategorieën van het denken ook objectieve realiteit in de dingen zelve

toe te kennen. En de physiologie der zintuigen verhindert ons niet, om

juist in de verschillende quantitatieve verhoudingen en bewegingen den

objectieven grond der qualitatieve verschijnselen te zien, F. Pillon,

L’évolution historique de l’idéalisme, de Démocrite à Locke, in L’année

philosophique, sous la direction de F. Pillon 3e année, Paris, Alcan,

1893, p. 77-212. Georges Lyon, L’idéalisme en Angleterre au 18e siècle,

Paris, Alcan, 1888. Dr. Glossner, Der moderne Idealismus, Münster 1880.

Ernst Laas, Idealismus und Positivismus, 3 Theile Berlin 1879 f. E.

von Hartmann, Kritische Grundlegung des transcendentalen Realismus,

Berlin 1885. Id. Das Grundproblem der Erkenntniss-theorie, Leipzig,

Bd. I Abth. 2 van de Ausgewählte Werke, S. 40 f. Id. Neukantianismus,

Schopenhaueranismus und Hegelianismus, Berlin 1877. Stöckl, Lehrbuch

der Philos. 6e Aufl. I 363 f. E. L. Fischer, die Grundfragen der

Erkentniss-theorie 1887 S. 49 f. Id. Theorie der Gesichtswahrnemung,

Mainz, Kirchheim 1891. Al Schmid, Erkenntnisslehre 2 Bde. Freiburg

1890 II 134-141. L. Strümpell, Die Einleitung in die Philosophie,

Leipzig, 1886, S. 165 f. Paulsen, Einleitung in die Philos. Berlin

1892 S. 354 f. C. A. Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der modernen

specul. Theol. 1851 S. 1-48. Flügel, Die specul. Theol. der Gegenwart

1888. J. T. Beck, Vorlesungen über Chr. Glaubenslehre, I 1887, S. 44

f. F. J. Stahl, Philos. des Rechts, 5e Aufl. 1878 I 90 f. Nathusius,

Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885, S. 265 f. Gretillat, Exposé

de théol. systém. 1885 I p. 63 s. Pierson, Bespiegeling, gezag en

ervaring, 1855, cap. 1 § 1. Opzoomer, Wetenschap en Wijsbegeerte, 1857,

hoofdst. 1. Land, Inleiding tot de wijsbeg. 1889, bl. 82 v. Bilderdijk,

Verhandelingen, ziel-, zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 121 v:

over de oorzakelijkheid, bl. 141 v. van het menschelijk verstand, enz.

B. Het Empirisme.

4. Lijnrecht tegenover het Rationalisme staat het Empirisme, dat

reeds bij de Grieken in de Atomisten zijne voorloopers had, dan in de

Middeleeuwen als Nominalisme optrad, vervolgens als philosophische

richting in den nieuwen tijd met Fr. Bacon zijn intrede deed, en over

Locke, Hume en de Fransche Encyclopaedisten heen in deze eeuw is

uitgeloopen op het Positivisme van A. Comte, de ervaringswijsbegeerte

van Stuart Mill, het Agnosticisme van H. Spencer en het Materialisme

van Büchner, Czolbe, Moleschott enz. Ook het empirisme treedt in

verschillende vormen en stelsels op, maar heeft toch altijd dit beginsel

tot uitgangspunt, dat alleen de zinlijke waarneming de bron onzer

kennis is. Terwijl het rationalisme de objectieve wereld zich geheel

of ten deele richten laat naar den menschelijken geest, onderwerpt het

empirisme het bewustzijn geheel en al aan de wereld buiten ons. De

mensch brengt bij het streven naar kennis niets mede dan alleen het

vermogen van waarnemen; daaruit neemt alle intellectuele werkzaamheid

haar aanvang en oorsprong. Aangeboren begrippen zijn er dus niet; alle

vooropgevatte meeningen moet de wetenschappelijke onderzoeker ter

zijde stellen. Uit den tempel der waarheid, dien hij in zijn bewustzijn

opbouwen wil, moet hij alle idola verwijderen; geen anticipatio

mentis, maar interpretatio naturae, mera experientia moet hem leiden

(Bacon). De menschelijke geest is en moet zijn eene tabula rasa, in

qua nihil scriptum est, volkomen voraussetzungslos. Dan slechts is

de kennis betrouwbaar, als ze enkel en alleen uit de waarneming is

opgebouwd. Begriffe ohne Anschauungen sind leer. Hoe verder de mensch

van de ervaring zich verwijdert en boven haar uitgaat, hoe minder hij

in zijn wetenschappelijk streven te vertrouwen is. Daarom is er ook

geen wetenschap mogelijk van het bovenzinlijke (noumena) en van het

bovennatuurlijke. Metaphysica, theologie, de geestelijke wetenschappen in

het algemeen, zelfs volgens Comte de psychologie, zijn geen wetenschap

in eigenlijken zin. Wetenschap is tot de sciences exactes beperkt.

En zelfs binnen den kring van de waarneembare verschijnselen bepaalt

zich onze kennis tot het dat en hoe; het wat en het waarom blijft

verborgen. Oorzaak en doel, oorsprong en bestemming der dingen liggen

buiten ons bereik; alleen de onderlinge betrekking der dingen, de

relations invariables de succession et de similitude, A. Comte, Cours

de philos. positive I p. 8 s. zijn het voorwerp van het wetenschappelijk

onderzoek. Of er achter en boven de waarneembare verschijnselen nog

iets anders is, of de ziel, God, het jenseits bestaat, moge misschien

langs anderen weg, door de practische rede, het geloof, de phantasie

enz. aannemelijk kunnen gemaakt worden, maar wetenschappelijk is en

blijft dat alles eene terra incognita. Het doel der wetenschap kan dus

niet meer daarin gelegen zijn dat men eene Welterklärung geve, maar

strekt zich slechts uit naar eene zoodanige kennis der werkelijkheid,

dat we daarnaar ons leven kunnen inrichten en er practisch nut van

trekken. Savoir, c’est prévoir; science, d’où prévoyance; prévoyance,

d’où action. Maar deze absolute gebondenheid van den geest aan de

waarnemingswereld, heeft anderen tot de poging geleid, om niet alleen

den denkinhoud des geestes, maar ook het bewustzijn en den geest zelf

uit de wereld te verklaren, het empirisme is in materialisme geëindigd.

Ook hier is dus gang, geschiedenis, ontwikkeling op te merken. Eerst

wordt de gedachteninhoud, dan de faculteit, eindelijk ook de substantie

des geestes uit de stoffelijke wereld afgeleid. E. Laas, Idealismus und

Positivismus, 3 Bde 1879-84. Kuno Fischer, Francis Bacon und seine

Nachfolger, 2e Aufl. Leipzig 1875. A. Comte, Cours de philosophie

positive, 2e ed. 1861-64. Die positive Philosophie von A. Comte, im

Auszuge von Jules Rig, übersetzt von J. H. von Kirchmann, Heidelberg,

Weiss, 2 Bde. Littré, Aug. Comte et la philosophie positive, Paris

1863. Id. Analyse raisonnée du Cours de philos. positive de M. A.

Comte, Utrecht, Kemink 1845. J. Stuart Mill, Aug. Comte et le

Positivisme, fransche vert. door Clémenceau, Paris 1868. Henri Taine,

De l’intelligence, 2 vol. 3e ed. Paris, Hachette, 1878. l’Ange Huet,

De methode der posit. filosofie, Leiden 1866. Id. Nieuwe oplossing van

een oud vraagstuk, Leiden 1872. Algemeene grondslagen der stellige

wijsbegeerte door A. Comte, ’s Hage, 1846 (bevat de twee eerste lessen

uit Comte’s werk). Pünjer in Jahrb. f. prot. Theol. 1878 S. 79-121.

1882 S. 385-404. (Bibl. voor mod. Theol. 1883 bl. 243 v). H. Gruber, A.

Comte, der Begründer des Positivismus, Freiburg. Id. Der Positivismus

von A. Comte bis auf unsere Tage 1857-91, Freiburg 1891. Herzog²

art. Positivismus, van Zöckler. J. Stuart Mill, System of Logic,

ratiocinative and inductive, 2 Bde 9th ed. Lond. 1875, duitsche vert.

van Gomperz, 2e Aufl. Leipzig 1884. Opzoomer, De weg der wetenschap,

een handboek der logica 1851, 3e omgewerkte druk onder den titel Het

wezen der kennis, een leerboek der logica 1863. Id. Wetenschap en

wijsbegeerte 1857. Id. De waarheid en hare kenbronnen 1859. Pierson,

Bespiegeling, gezag en ervaring 1855. Id. Eene levensbeschouwing 1875

bl. 65 v. H. Spencer, A. system of synthetic philosophy, Vol. I First

principles, 5th ed. Williams and Norgate, London 1887. F. A. Lange,

Geschichte des Materialismus, 4e Aufl. Iserlohn 1882. L. Büchner, Kraft

und Stoff, 16e Aufl. Leipzig 1888 enz.

5. Dit empirisme heeft nu wel een machtigen steun in de afhankelijkheid

des menschen van de hem omringende natuur, maar wordt toch ook door

wichtige bezwaren gedrukt. Vooreerst staat het vast, dat de geest des

menschen bij zijne intellectueele werkzaamheid nooit in volstrekten

zin passief of zelfs receptief is, maar altijd ook in meerdere of

mindere mate actief optreedt. Het is toch niet het oog dat ziet en

het oor dat hoort, maar de mensch zelf, die door het oog ziet en

hoort door het oor. De eenvoudigste gewaarwording en voorstelling

onderstelt reeds de bewustheid, en dus eene werkzaamheid der ziel.

Tabula rasa, waarop de buitenwereld schrijven kan wat ze wil, is de

menschelijke geest nooit; hij is het zelf, die waarneemt, de waarnemingen

verbindt, vergelijkt, beoordeelt. Maar er is meer; Kant, Kritik der

reinen Vernunft, Einleitung § 2 zegt terecht: Erfahrung lehrt uns

zwar, dass etwas so oder so beschaffen sei, aber nicht, dass es

nicht anders sein könne. Nu hebben we echter niet alleen bijzondere

en toevallige, maar ook algemeene en noodwendige waarheden, in de

logika, de mathesis, enz., die de empiristen tevergeefs uit de

ervaring hebben trachten af te leiden. Het principe der causaliteit

bijv. is naar waarheid het bolwerk der intuitieve school genoemd; en

alle moeite, die er aangewend is om dit principe en fundament aller

wetenschap uit de wilsbepaling, uit de gewoonte, enz. te verklaren,

is vruchteloos geweest, Dr. G. Heijmans, Schets eener kritische gesch.

van het causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte, Leiden, Brill

1890. Dr. E. Koenig, Die Entwicklung des Causalproblems von Cartesius

bis Kant, Leipzig, Wigand 1888. Spruyt, Proeve van eene geschiedenis

van de leer der aangeboren begrippen, Leiden, Brill 1879. Ja, alle

wetenschappen gaan van eene reeks onbewezene en onbewijsbare stellingen

uit, die apriori aangenomen worden en tot uitgangspunt dienen voor

alle redeneering en bewijs. Aristoteles heeft dit reeds ingezien;

er is geen regressus in infinitum; juist om bewijskracht te hebben,

moeten de bewijzen ten slotte rusten in eene stelling, die geen bewijs

behoeft, die in zichzelve rust, en die daarom als ἀρχη ἀποδειξεως,

principium argumentationis dienst kan doen, Zeller, Philos. der Gr.

III 190 f. 235 f. Schopenhauer, Die Welt als Wille u. Vorstellung, 6e

Aufl. Leipzig 1887 I 78. Een gebouw kan niet in de lucht staan, en

eene redeneering kan alleen rusten op een fundament dat vast ligt door

evidentie, en niet door bewijs. Het uitgangspunt van het empirisme is

hiermede geoordeeld, maar ook zijne opvatting van de wetenschap is aan

ernstige bedenking onderhevig. Immers, het is der wetenschap naar haar

aard om de kennis van het algemeene, het noodzakelijke en eeuwige, het

logische, de idee te doen. Kennis van verschijnselen, personen, feiten

enz. is goed, maar is toch slechts een voorbereidende arbeid; analyse

ga voorop, maar de synthesis moet volgen. Wetenschap is er dan eerst,

als wij de dingen in hun oorzaak en wezen, in hun doel en bestemming

doorzien, als we niet slechts het ὁτι maar ook het διοτι kennen en

alzoo rerum dignoscimus causas. Het empirisme is echter genoodzaakt, om

aan alle wetenschappen den naam van wetenschap te ontzeggen en dezen

alleen over te laten voor de sciences exactes. Maar deze beperking

is om eene dubbele reden onmogelijk. Eerst omdat er behalve, en dan

nog maar in zekeren zin, de zuiver formeele wetenschappen (logika,

mathesis, mechanica, astronomie, chemie) geene wetenschap mogelijk is

zonder een wijsgeerig element, en in elke wetenschap dus de vinding, de

intuitie, de phantasie, i. e. w. het genie en in verband daarmede de

wetenschappelijke hypothese eene zeer gewichtige plaats inneemt. En ten

andere, wijl de naam van wetenschap dan ten slotte alleen behouden kan

blijven voor enkele subsidiaire vakken, en juist die kennis, welke voor

den mensch het belangrijkste is en waarom het hem bij het onderzoek in de

eerste plaats te doen is, van de erve der wetenschap verbannen wordt.

Het blijft toch waar, wat op het voorbeeld van Aristoteles, Ethic.

10,7; de part. an. 1,5; de coelo et mundo 2,5. Thomas Aquinas zeide S.

Theol. I qu. 1 art. 5, ad. 1, Minimum quod potest haberi de cognitione

rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima cognitio, quae

habetur de minimis rebus. En Schopenhauer sprak in gelijken geest: Sie

hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik

zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewiss und zuverlässig zu

wissen, daran mir gar nichts gelegen ist, bij Van Oosterzee, voor Kerk

en Theol. I 101. Trouwens, de wereld der geestelijke dingen, de Welt

der Werthe, van goed en kwaad, recht en zede, religie en moraal, van

al wat ons liefde en haat inboezemt, ons opbeurt en troost of ook

neerslaat en smart, die gansche rijke onzienlijke wereld is even goed

voor ons eene realiteit, als de Welt der Wirklichkeit, die we waarnemen

met onze zintuigen. Haar macht op ons leven en in de geschiedenis

der menschheid is nog veel grooter dan die van de zienlijke dingen

rondom ons heen. Vrij moge men dan den mensch den eisch stellen, dat

hij zich in zijn onderzoek beperke wijl op dit terrein geen kennis

mogelijk is; die eisch stuit af op wat Schopenhauer genoemd heeft das

metaphysische Bedürfniss van den menschelijken geest. De mensch is

niet alleen een verstandelijk maar ook een willend en gevoelend wezen;

hij is geen denkmachine maar heeft bij zijn hoofd ook een hart, een

wereld van aandoeningen en hartstochten. Deze brengt hij mede bij zijn

wetenschappelijk onderzoek, hij kan bij zijne werkzaamheid in studeerkamer

en laboratorium zichzelf niet buitensluiten. Het kan geen eisch zijn,

dat de mensch bij den wetenschappelijken arbeid, dat is, bij eene van de

edelste en hoogste werkzaamheden zijns geestes, aan zijn gemoed, aan zijn

hart, aan het beste dat in hem is het zwijgen oplegge, en zichzelf

alzoo verminke. Dit alleen mag altijd en zoo ook bij den beoefenaar der

wetenschap worden geeischt, dat hij een goed, een waar mensch zij, een

mensch Gods, tot alle goed werk, ook tot dit werk der wetenschap,

bekwamelijk toegerust (verg. boven bl. 29). Indien men echter de

wetenschap zoowel in subjectieven als in objectieven zin beperkt, zal

men niet anders verkrijgen dan dat toch langs andere wegen voorziening

in het metaphysische Bedürfniss wordt gezocht. Kant sloeg den weg der

practische Vernunft in, Comte voerde een dienst der menschheid in en

wijdde zichzelf tot hoogepriester, Spencer buigt zich in ootmoed neer

voor The Unknowable. Allen zoeken op de eene of andere wijze, tot in

het spiritisme, de magie, de theosophie toe, vergoeding voor wat de

wetenschap hun niet schenkt. En de religie met alle geestelijke kennis,

eerst smadelijk ter voordeur uitgejaagd, wordt, maar dan menigmaal

in superstitieusen vorm, wederom ter achterdeur ingelaten. Naturam

expellas furcâ, tamen usque recurret. Het onvermijdelijk gevolg is dan

alleen dit, dat de wetenschap onverdedigd en ongewapend overgelaten

wordt aan het materialisme. Daartoe heeft feitelijk het empirisme ook

geleid. Indien de inhoud en straks ook de intellectueele faculteit

der ziel geheel en al uit de buitenwereld voortkomt, waarom zou dan

ook de substantie der ziel ten slotte niet uit haar kunnen worden

verklaard? Daartegenover staan echter nog altijd de „sieben Welträthsel”

tot eene kwelling en eene ergernis voor het materialistisch denken.

Het geestelijke is nog niet uit het stoffelijke verklaard, evenmin als

het aan het rationalisme gelukt is, om het zijn af te leiden uit het

denken. De overgang tusschen beide is niet gevonden. Hier is eene

klove, die noch idealisme noch materialisme overbruggen kan. Het is

zelfs niet gewaagd, hier niet alleen van een Ignoramus maar ook van een

Ignorabimus te spreken. Maar als we zien hoe empirisme en rationalisme,

trots de groote beloften en de nog grooter verwachtingen, in deze eeuw,

op niets anders dan materialisme en illusionisme zijn uitgeloopen, en

in weerwil van hun tegenstelling toch elkander bevorderd en in de hand

gewerkt hebben --het idealisme van Hegel liep bij Feuerbach en Strauss op

materialisme uit, en het materialisme gaat bij vele natuuronderzoekers

weer in half of heel idealisme over,-- dan is er in elk geval wel reden

om te vragen, of er niet herziening noodig is van heel de nieuwere

philosophie, zoowel in haar Cartesiaansche als in haar Baconische

richting; of er niet andere en betere principia der wetenschap zijn, die

ons voor materialisme en idealisme beide behoeden? Schopenhauer, Die

Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. 1887, I 505 f. II 192 f. E.

v. Hartmann, Naturwissenschaft u. Philosophie, Gesammelte Studien und

Aufsätze, Berlin 1876, S. 421 f. E. L. Fischer, Die Grundfragen der

Erkenntnisstheorie, Mainz 1887, S. 314 f. Schmid, Erkenntnisslehre,

Freiburg 1890 I 111 f. 243 f. II 13 f. Stöckl, Lehrb. der Philos. I 345

f. Paulsen, Einl. in die Philos. 394 f. Strümpell, Einl. in die Philos.

75 f. W. Dilthey, Einleitung in die Geisteswissenschaften, Leipzig,

Duncker u. Humblot 1883. Emil du Roys-Reymond, Uber die Grenzen des

Naturerkennens. Die sieben Welträthsel. Leipzig, Veit u. C. 1882.

Pressensé, Les Origines, Paris Fischbacher 1883 p. 1-128. P. Vallet,

Le Kantisme et le Positivisme, Paris 1887. Gretillat, Exposé de théol.

systém. I p. 42 s. D. Chantepie de la Saussaye, Leven en Rigting 1865.

Id. Empirisch of ethisch (Ernst en Vrede. 1858 bl. 193 v.) enz.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 12 / 28 题