C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk.

8. De kerk en theologie draagt in het Westen van den aanvang af een

eigen karakter. Bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus komt dit reeds

duidelijk uit. In het Oosten is de heerschende gedachte in de dogmatiek

deze, dat de mensch door de zonde aan de φθορα onderworpen is en nu

door God zelven in Christus van den dood bevrijd en het leven, de

onsterfelijkheid, de goddelijke natuur deelachtig wordt gemaakt. De

ideeën van substantie, wezen, natuur, staan hier op den voorgrond en

kweeken stilstand, rust, zoowel in de leer als in het leven. In het

Westen daarentegen valt de nadruk op de relatie, waarin de mensch tot

God staat. En deze relatie is die van een schuldige tegenover een

rechtvaardig God, wiens geboden hij overtreden heeft. Christus heeft

echter door zijn werk de genade Gods, de vergeving der zonden, de kracht

tot onderhouding der wet verworven. En dit drijft uit tot een werkdadig

leven, tot gehoorzaamheid en onderwerping. In het Oosten sluit men

zich vooral bij Johannes, in het Westen bij Paulus aan. Daar ligt het

zwaartepunt in de vleeschwording, hier in den dood van Christus. Daar

staat de persoon, hier het werk van Christus op den voorgrond. In het

Oosten komt het in de eerste plaats aan op de godmenschelijke natuur,

op de eenheid van beide naturen in Christus; in het Westen daarentegen

op het onderscheid van beide naturen, op de Middelaarsplaats, welke

Christus tusschen God en mensch inneemt. Daar heerscht het mystische,

liturgische, hier het juridische, politieke element, Kattenbusch,

Confessionskunde I 103 f. Dit onderscheid is van den beginne af

aanwezig. De scheuring was eene kwestie van tijd. Met de opkomst van

Constantinopel begon de openlijke strijd. Constantinopel kon niet wijzen

op een apostolischen oorsprong en ontleende al zijne beteekenis aan de

politiek, aan het keizerlijk hof. Het wilde een tweede Rome zijn. De

bisschop van Constantinopel kreeg volgens het concilie van 381 can.

3 τα πρεσβεια της τιμης na den bisschop van Rome, δια το εἰναι αὐτην

νεαν Ρωμην. Daarmede was het tevreden, met eene plaats naast Rome. Het

Oosten wilde ééne kerk, ja, maar in twee helften, met twee keizers,

twee hoofdsteden, twee bisschoppen van gelijken rang. De grieksche kerk

noemt zich de orthodoxe, zij acht zichzelve in het volle bezit der

waarheid, zij rust en geniet. Maar zij noemt zich ook de anatolische, zij

bindt zich aan een bepaald land en is hiermede voldaan. Gansch anders

was het met Rome. Rome handhaafde zich niet als politieke stad naast

Constantinopel, maar plaatste zich als sedes apostolica hoog boven

Constantinopel. Rome vertegenwoordigde en verdedigde een religieus

belang. Het baseerde zijne aanspraken en rechten weldra op Mt. 16:18,

en eischte eene universeele, eene katholieke plaats. In de Westersche

kerk zit daarom eene aggressieve, eene wereldveroverende tendenz. Deze

tweeërlei richting dreef het Oosten en Westen uiteen. Toen daarbij nog

verschillen kwamen in gebruiken, riten en vooral in de belijdenis van

het filioque, werd het schisma hoe langer hoe meer voorbereid. In 1054

kwam het formeel tot stand.

Toch was het Westen in veel opzichten van het Oosten afhankelijk. Hier

was toch het eerst de kerk gesticht. Hier traden de Apostolische

vaders en de Apologeten op. Hier werd de machtige strijd tegen het

Gnosticisme en het Manichaeisme gestreden. Hier werden de theologische

en christologische dogmata op de conciliën vastgesteld. Synoden zijn er,

in de tweede eeuw, het eerst in Klein-Azië opgekomen. De oecumenische

conciliën, van 325 af tot het midden der 9e eeuw toe, zijn alle in het

Oosten, in Klein-Azië of Constantinopel gehouden, en worden tot dat

van 879 toe alle ook door de Westersche kerk erkend. De objectieve

grondslagen van de kerkleer zijn in het Oosten en Westen dezelfde.

Sedert de tweede helft der tweede eeuw drong de oostersche theologie

ook in het Westen door. Victorinus Rhetor, Hilarius, Ambrosius,

Hieronymus, Rufinus hebben de theologische gedachtenwereld van het

Oosten naar het Westen overgebracht. Oudtest. exegese, platonische

theologie, monnikenwezen, het ideaal der virginiteit deden in het

westen hun intocht en huwden daar met den westerschen geest. Ambrosius

† 397, bestudeerde de werken van Clemens, Origenes, Didymus, vooral

van Basilius, en bracht de Oudtest. exegese (Hexaemeron, de Paradiso,

de Cain et Abel etc. naar Basilius), het ideaal der virginiteit

in den zin van het mystieke huwelijk der ziel met Christus (de

virginitate, liber de Isaac et anima, naar Origenes, Methodius), en

ook de triniteitsleer en de christologie der Cappadociërs, (Libri V

de fide, Libri III de Spiritu S°, liber de incarnationis dominicæ

sacramento) in het Westen over. Hilarius van Pictavium † 368 verkeerde

gedurende zijne ballingschap 356-359 in Kl. Azië, lichtte in zijn werk

de Synodis seu de fide Orientalium de bisschoppen van Gallie in over

den christologischen strijd in het Oosten, verdedigt deze leer in zijn

werk de Trinitate in 12 boeken, en maakt in zijne exegetische werken

over Mattheus en enkele psalmen ruim gebruik van de typische en

allegorische exegese. Victorinus rhetor, door Augustinus, Conf. 8,2

zeer geprezen, voerde in zijne geschriften Liber ad Justinum Manichæum

contra duo principia Manichæorum et de vera carne Christi, in zijn liber

de generatione divina en in zijn strijdschrift Adversus Arium Libri IV

de neoplatonische philosophie in de theologie in en werd daardoor van

den grootsten invloed op Augustinus. Rufinus † 410 verkeerde vele

jaren in Egypte en Palestina, en ging om met de kluizenaars, met

Hieronymus, Didymus in Alexandrië, Johannes in Jeruzalem, en was vooral

daardoor van beteekenis, dat hij vele grieksche werken van Josephus,

Eusebius, Origenes, Basilius, Gregorius Naz., enz. in ’t latijn

bewerkte. Bovendien schreef hij eene Historia monachorum, biografieën

van 33 heiligen in de nitrische woestijn, en Peregrinationes ad loca

sancta; verschillende commentaren op boeken des O. T.; en eindelijk eene

Expositio symboli apostolici, wier waarde voor de historie grooter is

dan voor de dogmatiek. Eindelijk moet hier Hieronymus † 420 genoemd

worden. Schoon opgevoed in Rome, vertoefde hij ’t grootste deel van

zijn leven in Syrië en Palestina. Zijne verdienste ligt vooral in zijne

vele Schriftstudiën; in de theologie is hij weinig zelfstandig, en zeer

angstig voor zijne orthodoxie; in zijne exegese huldigt hij dikwerf de

allegorische methode van Philo en de Alexandrijnsche theologen, vooral

is hij een lofredenaar van de askese; hij verdedigde de jonkvrouwelijkheid

van Maria tegen Helvidius, de verdienstelijkheid van het vasten en van

het coelibaat tegen Jovinianus, de vereering der martelaars en van

hunne reliquiën tegen Vigilantius en spreekt naar Luthers woord in de

tafelgesprekken altijd van vasten, spijze, virginiteit en schier nooit

van geloof en hoop en liefde.

9. Heel deze dogmatische ontwikkeling van het Oosten en Westen

loopt uit op Augustinus. De triniteitsleer en de christologie van

de Oostersche theologen; de leer van mensch, zonde, genade, geloof,

voldoening, verdienste van Tertullianus en Ambrosius; het neoplatonisme

van Victorinus; de leer van Cyprianus over kerk en sacrament;

het monnikideaal van Hieronymus en Hilarius; dat alles is door

Augustinus overgenomen en door hem, in zijn rijke levenservaring, tot

zijn geestelijk eigendom gemaakt. Een theologisch, dogmatisch systeem

heeft Augustinus niet geleverd. De stof die hem van alle kanten,

uit Schrift, traditie, philosophie, toestroomt en die hij door zijn

rijke persoonlijkheid uitbreidt en vermeerdert, liet zich niet in eens

overzien en systematiseeren. Het voornaamste, dat Augustinus in dit

opzicht geleverd heeft, is zijn Enchiridion de fide, spe et caritate,

eene verklaring van de voornaamste geloofswaarheden aan de hand van

het apost. symbool. Maar aan tegenstrijdigheden ontbreekt het in zijne

leer niet, vooral niet aan die tusschen zijne kerk-en zijne genadeleer.

Reuter heeft aangetoond, dat die tegenstrijdigheden niet te vereffenen

zijn, en dat de gedachten van Augustinus zich niet in een systeem

laten samenvatten. En toch is er geen kerkvader geweest, die zoo diep

alle theol. problemen heeft ingedacht en zoo geworsteld heeft om tot

eenheid te komen, Harnack III 87. Hij is de eerste geweest, die zich

duidelijk trachtte rekenschap te geven van al die theol. vragen, welke

later in de prolegomena der dogmatiek zouden behandeld worden, en die

tot de laatste psychologische en noëtische problemen doordringt. Het

vaste punt, waarvan hij uitgaat, is de mensch, zijn zelfbewustzijn, zijne

onuitroeibare zucht naar en behoefte aan waarheid, geluk, ’t goede,

welke alle één zijn. Dit uitgangspunt is zeker en betrouwbaar (tegen de

sceptici), wijl het twijfelen zelf nog geloof aan waarheid onderstelt

en het zelfbewustzijn de laatste grond der waarheid is. Augustinus

werd zelf door zulk eene brandende waarheidsliefde verteerd. Nu neemt

Augustinus wel twee kenorganen aan, sensus en intellectus. Maar de

kennis, door ’t laatste verkregen, gaat die van het eerste ver te

boven. Het zinlijke is de waarheid zelve niet, het is er maar een beeld

van. Eeuwige, onveranderlijke waarheid is slechts door het denken te

vinden. Wel ontkent Augustinus niet, dat wij ook door het zienlijke

heen tot het onzienlijke kunnen opklimmen, maar gewoonlijk zoekt hij den

weg tot de waarheid niet buiten ons door de natuur heen, maar door ’s

menschen eigen geest. Daar vindt hij in zijne, in de aan allen eigene

rede eeuwige, onveranderlijke waarheden, welke zelve weer terugwijzen

op en zich samenvatten in God: de hoogste waarheid, het hoogste zijn,

het eenig goed, aeterna ratio, principium universorum. Daarom, wijl God

de volle waarheid, het zijn, het goede, het schoone zelf is, daarom

is er in Hem alleen rust voor den mensch, voor zijn denken en willen.

Zelfkennis en Godskennis zijn de twee polen, waartusschen al zijn denken

zich beweegt. De wetenschap der natuur wordt wel niet veracht, maar

toch achtergesteld. Deum et animam scire cupio! Noverim me noverim te!

God is de zon der geesten. We zien en kennen geen waarheid dan in en

door zijn licht.

Maar de philosophie is toch onvoldoende. Niet slechts door het

onvermogen der rede, om den weg tot de waarheid te vinden, maar vooral

ook doordat haar de superbia in den weg staat. En humilitas is alleen

de weg ten leven. Er is daarom nog een andere weg tot de waarheid, n.l.

de auctoritas, de fides. Het onderstelt eenerzijds eenig weten, maar

zoekt andererzijds naar weten en streeft naar kennis. Niet alleen het

bestaan van God en de onsterfelijkheid der ziel, maar ook de triniteit

trachtte Augustinus uit de natuur en vooral uit den mensch zelf te

bewijzen. Maar God is voor hem niet het abstracte, praedicaatlooze

zijn, maar de levende God, de hoogste waarheid en het hoogste goed,

de hoogste zaligheid, en daarom de eenige en volle bevrediging van

’s menschen hart. Heel Augustinus’ denken is religieus, theologisch;

hij ziet alles in God. In dat licht beziet hij ook de wereld; zij is

eenerzijds een niet-zijn, een beeld, vergankelijk, maar andererzijds

als schepping Gods een kunstwerk, naar de ideeën in Gods bewustzijn

geschapen, en allengs, trapsgewijze, bij graden die ideeën realiseerende,

en eene eenheid vormende, die de rijkste verscheidenheid in zich bevat;

de dingen verschillen onderling in mate van zijn en dus van waarheid

en goedheid. Ze is een kosmos, berustend op idee en getal, orde,

maat, samengehouden door één wil, één rede, een amplissima inmensaque

respublica; waarin de wonderen slechts zijn contra quam est nota

natura, waarin de zonde slechts eene privatio is, door de straf wordt

gecompenseerd, en mede bijdraagt tot de schoonheid en harmonie van het

geheel. In het pulcherrimum carmen der schepping is ook deze antithese

van noode; de zonde is aan de tegenstellingen in eene redevoering,

aan de barbarismen in de taal, aan de schaduw op de schilderij gelijk.

Augustinus tracht het kwade in te voegen in de orde van het geheel.

Maar daarmee vergoelijkt hij de zonde niet. Hij stelt n.l. ’t doel der

dingen niet in ’t ethisch goede, maar daarin dat de schepping is en

meer en meer worde een harmonische openbaring van al Gods deugden en

volmaaktheden. En daaraan wordt de zonde ook door Gods wil dienstbaar

gemaakt. Voorts weet men, hoe diep en ernstig Augustinus de zonde

opvatte. Nondum considerasti, quanti ponderis sit peccatum. Hij zag

het om zich heen en voelde het: de mensch zoekt God en heeft behoefte

aan Hem, en hij kan en wil niet tot Hem komen. Aan den mensch is nog

alleen goed, dat hij is. De menschheid is eene massa perditionis.

Zonde is vooral hoogmoed, superbia in de ziel en concupiscentia is ’t

lichaam. Zonde is in Adam ons aller daad geweest en daarom ons aller

lot geworden. Zij is carentia dei, privatio boni, eene daad niet alleen

maar een toestand, natura vitiata, een defectus, inopia, corruptio,

een non posse non peccare. Deugden der heidenen zijn splendida vitia.

Redding uit dien toestand is er alleen door de gratia, die haar aanvang

reeds neemt in de praedestinatio, die zich objectief openbaart in den

persoon en het werk van Christus, certum propriumque fidei catholicae

fundamentum, maar die ook subjectief in ons komen moet als gratia

interna, en ’t geloof en de liefde ons moet instorten. Maar die gratia

werkt bij Augustinus alleen binnen de grenzen der zichtbare kerk. Deze

is bij hem eene inrichting des heils, uitdeelster der genade, zetel der

autoriteit, waarborg der Schrift, woonplaats der liefde, stichting

des Geestes, ja het regnum Dei zelf. Augustinus heeft diep het belang

der gemeenschap voor de religie gevoeld; de kerk is de moeder der

geloovigen. De leer van de praedestinatio en van de gratia is met dit

begrip van kerk en sacrament niet overeen te brengen. Multi qui foris

videntur intus sunt et multi qui intus videntur foris sunt. Er zijn

schapen buiten en wolven binnen de kooi. Ook leerde Augustinus wel de

perseverantia sanctorum, maar hij durfde de subjectieve verzekerdheid

daarvan niet aan. En juist vanwege deze opvatting van kerk en sacrament

konden het geloof en de vergeving in de theologie van Augustinus niet

tot hun recht komen. Geloof en liefde, vergeving en heiligmaking worden

niet duidelijk onderscheiden. Het is alsof geloof en vergeving maar

voorloopig zijn; Augustinus gaat van deze terstond tot de liefde, de

heiligmaking, de goede werken over. De gemeenschap met God, de religio,

wordt daardoor het resultaat van een proces, dat geloof, liefde, goede

werken, enz. langzamerhand tot stand doen komen. De zaligheid, het

eeuwige leven, de visio en fruitio Dei, worden toch weer eene vrucht

van verdienste, en askese is een van de middelen, die den mensch dit

doel doen bereiken.

Zoo is Augustinus van de grootste beteekenis geworden voor de latere

dogmatiek. Hij beheerscht de volgende eeuwen. Elke reformatie keert tot

hem en tot Paulus terug. In elk dogma heeft hij een formule gevonden

die door allen overgenomen en herhaald wordt. Zijn invloed strekt tot

alle kerken, richtingen en secten zich uit. Rome beroept zich op hem

voor hare leer van kerk, sacrament en autoriteit; de reformatie voelde

zich aan hem verwant in de leer van praedestinatio en gratia; de

scholastiek bouwde voort op de fijnheid zijner waarneming, de scherpte

van zijn verstand, de kracht zijner speculatie, Thomas heette optimus

interpres S. Augustini; de mystiek vond stof in zijn neoplatonisme en

religieus enthusiasme; roomsche en protestantsche vroomheid sterkt zich

door zijne geschriften; askese en piëtisme vinden voedsel en steun hij

hem. Augustinus behoort niet aan ééne kerk, maar aan alle kerken te

zamen. Hij is Doctor universalis. Zelfs de philosophie kan niet dan tot

eigen schade hem verwaarloozen. En door zijn schoonen, betooverenden

stijl, door zijne fijne, nauwkeurige, hoogst individueele en toch weer

algemeen-menschelijke uitdrukking is hij meer dan eenig ander kerkvader

nog heden te genieten. Hij is de meest christelijke en de meest moderne

van alle kerkvaders, hij staat van allen het dichtst bij ons. Hij heeft

de aesthetische wereldbeschouwing vervangen door de ethische, de

klassieke door de christelijke. Onze beste, diepste en rijkste gedachten

in de dogmatiek danken wij aan hem. Augustinus is _de_ dogmaticus der

christelijke kerk geweest. Cf. Harnack. Dogm. III² 3-215.

10. Het Augustinisme was meer dan eene eeuw voorwerp van heftigen

strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond niet alleen

bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de eigenlijke Pelagianen,

maar ook bij vele monniken in Gallie, onder wie vooral genoemd worden

Joh. Cassianus, Vincentius van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet

alleen de kenmerken der traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen

het strenge Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius

van Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius van

Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis

in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve Possidius van

Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje, Marius Mercator in

Constantinopel e. a. vooral ook Prosper Aquitanus, Vigilius van Tapsus

in Numidië, Fulgentius van Ruspe, schrijver van de fide ad Petrum seu

de regula verae fidei, een korte schets van de hoofdwaarheden des

geloofs, Caesarius van Arles, Avitus van Vienna e. a. De synode te

Orange in 529 gaf in den strijd wel eenige beslissing ten gunste van

Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden hoe

langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens werd aangenomen,

maar de gratia irresistibilis en de particuliere praedestinatie toch

niet beslist aanvaard, Wiggers. Versuch einer pragm. Darstellung des

August. u. Pelag. Hamburg, Perthes, 2 Theile. 1833. Id. Zeits. f.

d. hist. Theol. 1854-1859 behandelt denzelfden strijd van Gregorius

tot Gottschalk. Harnack, D. G. III 219 f. In het vervolg bleef

er van het Augustinisme niet veel over. Paus Gregorius de Groote

† 604, naast Augustinus, Hieronymus en Ambrosius wel de vierde groote

kerkleeraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar heeft de

ideeën der vroegere kerkleeraars zich toegeeigend en voor het leven

op velerlei wijze verwerkt. Zijne richting is practisch en tegelijk

mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd, maar eenvoudig het

verkregene bewaard, de dogmata voor clerus en leek pasklaar gemaakt,

en vooral de verschillende middelaars en middelen (engelen, heiligen,

Christus, aalmoes, zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het

den verzwakten wil des menschen mogelijk maken, om van de straffen

der zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe zorg

gearbeid aan de opvoeding der nieuwe volken en aan de vorming van den

clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke religie der roomsche kerk

gesanctioneerd, en aan het middeleeuwsch katholicisme zijn eigenlijke

type gegeven. Hij is de sluitsteen der oude, de grondsteen der nieuwe

wereld. Door zijne liturgische geschriften en door zijn kerkgezang

heeft hij den roomschen cultus onder de Germanen ingevoerd. Door

populariseering van de dogmata der kerkvaders heeft hij de leer der

kerk practisch bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidensche

Germanen en bijgeloof, askese, werkheiligheid bevorderd. Met Boethius

en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan der wetenschap

bij de Germanen grooten invloed geoefend. Cassiodorius † ± 565 schreef

een Liber de artibus ac disciplinis liberalium litterarum en besprak

daarin de beteekenis van elk der 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de

institutione divinarum litterarum eene methodologie der theol. studie.

Boethius heeft door zijne vertalingen en verklaringen van de logika van

Aristoteles, de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik der

grieksche philosophie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft de

theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht, Harnack, D. G. III

233-244. Lau, Gregor. I nach seinem Leben und seiner Lehre geschildert,

Leipzig 1845, art. in Herzog². Alzog, Patrologie 500.

Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust der volksverhuizing kon er

in den eersten tijd onder de germaansche volken van een wetenschappelijk

leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn te vinden in de

bijbelvertaling en de ariaansche geloofsbelijdenis van Ulfilas † 383.

Tegen het einde der 5e eeuw waren de Oost-en Westgothen, Vandalen,

Sueven, Bourgondiers, Herculers, Longobarden enz. reeds gekerstend

in ariaanschen zin. Maar Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het

roomsche Christendom aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel

der Ieren † 465. Schotland werd gekerstend door Columba † 597. De

Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken, daarheen

gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus en Columbanus

† 615 e. a. werkten in Frankrijk en Italië; de laatste liet belangrijke

brieven en ook een regula coenobialis na. Allemannië, Beieren,

Thuringen, Friesland enz. werden in de 6e en 7e E. gekerstend.

Bonifacius is de apostel der Duitschers in de 8e eeuw † 755, J. P.

Muller, Bonif. eene kerkhist. studie, Amst. 1869. De Saksers werden

’t laatst onder Karel den Groote door oorlogen 772-804 toegebracht,

en het Noorden vooral door Ansgar † 865. Een der eerste dogmatici is

Isidorus Hispalensis † 636; zijne geschriften zijn van grammatischen,

historischen, archaeologischen, dogmatischen, moreelen en ascetischen

inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel. Hij brengt de

klassieke en patristische geleerdheid over tot zijn volk. Hij is niet

oorspronkelijk, maar geeft uittreksels uit heidensche en christelijke

werken. In zijn Originum sive etymologiarum libri XX spreekt hij in

boek 6 over de Schrift, in boek 7 over God, de engelen, profeten,

apostelen, clerici, geloovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over

de volken. Zijne Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral

geexcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld voor de

middeleeuwsche sententieverzamelaars geweest. Boek I handelt over

God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mensch, ziel, Christus, H.

Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en Nieuw Verbond, gebed, doop,

martyrium, wonderen, antichrist, wereldeinde; boek II en III zijn van

ethischen inhoud. Het is een compendium, dat het theologisch kapitaal

der vorige eeuwen aan het Germaansche volk overlevert. Maar tot eene

zelfstandige bewerking kwam het niet. Karel de Groote trachtte wel

met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk intevoeren. En inderdaad

ontbrak het in de karolingische periode niet aan mannen van groote

geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig reproduceeren

blijven toch de karaktertrekken van de periode, die met de 7e E. begint

en eerst met de kruistochten eindigt. Augustinus en Gregorius waren

de autoriteiten. De voornaamste onder deze karolingische theologen

was Alcuinus † 804, die het adoptianisme van Elipandus van Toledo

en Felix van Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri

VII contra Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef

de fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad

Fredegisum quaestiones en Libellus de processione Sp. S{i}. In al deze

werken toont Alcuinus zijne vertrouwdheid met de werken der kerkvaders,

hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met dezelfde argumenten die

vroeger tegen het Nestorianisme b.v. door Cyrillus werden gebezigd.

De studie van Augustinus leidde Gottschalk in de 9e E. tot belijdenis

der gemina praedestinatio; hij vond steun bij Prudentius van Troyes,

Remigius van Lyon, Ratramnus, Lupus van Ferrières e. a., maar werd

tevens heftig bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque

kwam uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ’t symbool.

Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging, dat het

symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen verdedigd,

Alcuinus de processione Sp. S{i}., Theodulf van Orleans de Spiritu

S°. De synode te Aken 809 besliste, dat ’t filioque in het symbool

behoorde. De beeldenvereering vond in het Frankenrijk tegenkanting,

de 7e oecumenische synode, die servitium en adoratio der beelden

verlangde, werd niet erkend, maar na de 9e eeuw zweeg allengs de

oppositie. En eindelijk werd in de karolingische periode ook nog de mis

verder ontwikkeld, vooral door Pachasius Radbertus, liber de corpore

et sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en Ratramnus.

Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium de fide, spe et

caritate, dat geloofswaarheden tot een zeker geheel samenvat. Vooral

verdient in deze periode nog genoemd te worden Joh. Scotus Erigena

† ± 891, ofschoon hij meer thuis hoort in de philosophie dan in de

theologie. Hij is niet de vader der scholastiek maar der speculatieve

theologie. Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek

van Pseudo-dionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer.

In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie en

philosophie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas

strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia καταφατικη,

affirmativa, in Schrift en traditie, maar de rede, als theologia

negativa, ἀποφατικη, ontdoet deze waarheid van hare omhulselen en

spoort er de idee van op. Zoo verandert hij de dogmatische waarheid in

een kosmisch en theogonisch proces. Al ’t zijnde vat hij samen onder één

begrip, natura, welke in 4 Stufen van ’t zijnde, door den Logos heen, in

de verschijningswereld zich openbaart en weer tot God terugkeert.

11. Na de tiende eeuw, het saeculum obscurum, ontwaakt er overal

een nieuw leven. Van het klooster te Clugny gaat er eene religieuse

reformatie uit, die in de bedelorden der 12e eeuw zich voortzet. De

vroomheid wordt opgevat als een navolgen en nabootsen van het leven

van Jezus, vooral in zijne laatste lijdensweek. De kruistochten brengen

nieuwe gedachten en verruimen den gezichtskring. De macht der Pausen

neemt toe en stelt zich niets minder dan de wereldheerschappij tot

haar ideaal. De wetenschap krijgt in de Universiteiten eene eigen

kweekplaats en treedt in de theologie op als scholastiek. Theologia

scholastica duidt, in onderscheiding van de theologia positiva, die

de dogmata in eenvoudigen, thetischen vorm voordraagt, aan, dat de

dogmatische stof naar eene wetenschappelijke, in de scholen gebruikelijke

methode, verwerkt wordt. Scholastiek is op zichzelve niets anders dan

wetenschappelijke theologie. Zij begint, waar de theologia positiva

eindigt. Deze is tevreden, als zij de dogmata heeft uitgesproken en

bewezen. Maar de theologia scholastica gaat van die dogmata als hare

principia uit, Thomas, S. Theol. I qu. 2 en 8, en tracht van daar uit

door redeneering den samenhang der dogmata op te sporen, dieper in

de kennis der geopenbaarde waarheid in te dringen, en ze tegen alle

bestrijding te verdedigen. In de Middeleeuwen kreeg de scholastiek

echter door verschillende omstandigheden een bepaald karakter, dat haar

in discrediet heeft gebracht. Ten eerste was het in de Middeleeuwen

met bronnenstudie zeer droevig gesteld. De waarneming werd in theorie

niet als principium der kennis geloochend, maar feitelijk legde men

zich eenvoudig bij de overlevering neer en meende men, dat de vroegere

geslachten de waarneming al voldoende hadden toegepast en volledig in

de boeken hadden neergelegd. Physica, medicijnen, psychologie enz.,

alles werd uit boeken bestudeerd. In de theologie lag de stof volledig

voor oogen in de Schrift, maar vooral in de traditie, in de kerkvaders,

conciliën enz. De scholastiek stond daar niet kritisch en skeptisch,

maar kinderlijk geloovig tegenover. Het geloof was uitgangspunt der

scholastiek. Men zocht de dogmatische stof in de Schrift en de traditie

en nam ze aan zonder eenige kritiek. Van de Schrift kwam daarbij

dikwerf niet veel te recht. Hebreeuwsch en grieksch kende men niet.

Grammaticale en historische zin ontbrak schier geheel. Men haalde de

stof vooral uit de kerkvaders, uit Augustinus, Hilarius, Ambrosius,

Hieronymus, Gregorius, Isidorus, Pseudodionysius, Damascenus en

Boëthius. Daarbij kwam nu in de tweede plaats, dat het denken door de

logische geschriften van Aristoteles allengs geoefend werd, om deze

dogmatische stof dialectisch en systematisch te verwerken. Eerst

waren er van Aristoteles slechts de beide logische geschriften de

categoriis en de interpretatione in latijnsche vertaling, benevens de

inleiding van Porphyrius op de categoriën, en verschillende commentaren

vooral van Boëthius bekend; van Plato had men slechts een gedeelte

van den Timaeus in vertaling en voorts aanhalingen bij Augustinus,

pseudo-Dionysius e. a. De wetenschap buiten de theologie was in het

trivium en quadrivium verdeeld en was vervat in het encyclopaedisch

werk van Cassiodorius. Eerst sedert ’t midden der 12e eeuw werd het

Organon van Aristoteles volledig bekend en in ’t begin der 13e eeuw ook

zijne andere werken over metaphysica, physica, psychologie en ethiek.

Aan deze philosophie ontleende men de dialectische methode, maar voorts

ook allerlei problemen en kwesties over de verhouding van geloof

en rede, theologie en philosophie, over de realiteit der algemeene

begrippen, over de eigenschappen Gods, de wonderen, de schepping

van eeuwigheid, de ziel enz. Aristoteles werd praecursor Christi

in naturalibus, evenals Johannes de Dooper in gratuitis. Allerlei

kosmologische, natuurkundige, psychologische, philosophische stof werd

daardoor in de dogmatiek opgenomen. De dogmatiek was geen geloofsleer

meer maar werd een systeem der philosophie, eene encyclopaedie der

wetenschap, waarin allerlei wijsgeerige stof werd opgenomen maar waarin

de religie dikwerf te kort kwam. En eindelijk werd heel dit scholastiek

systeem voorgedragen in een vorm, die hoe langer hoe meer tot ernstige

bedenkingen aanleiding gaf. Niet alleen werd de stof zoo dialectisch

bewerkt, zoo haarfijn uitgeplozen en zoo juristisch behandeld, dat de

samenhang met het religieuse leven der gemeente geheel werd verbroken;

bij voorkeur hield men zich bezig met allerlei spitsvondige kwestiën

over engelen en duivelen, hemel en hel enz. Maar de questionaire vorm,

waarin alles gegoten werd, bevorderde den twijfel en liet auctoritas en

ratio dikwerf geheel uiteengaan en vijandig tegenover elkander staan.

Menigmaal schijnt de zaak van een dogma geheel verloren; maar een enkel

beroep op een tekst, op een kerkvader maakt alles weer goed. De indruk

blijft echter, dat het er met het dogma hopeloos bijstaat. De taal

was op den duur niet geschikt, om met den inhoud van het systeem te

bevredigen. Het barbaarsch latijn, dat men schreef was naar de opmerking

van Paulsen wel een bewijs, dat men zelfstandig dacht en vrij de woorden

vormde, die men voor zijne denkbeelden van noode had, maar kon toch niet

voldoen, zoodra de zin voor het klassieke, het eenvoudige schoon weer

eenigermate ontwaakte.

12. De scholastiek verloopt in drie perioden, in eene aetas vetus,

media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het naïef

vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden, en

beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium, en voor de

menschwording en voldoening in zijn Cur Deus homo. Hij doet het nog

niet in den aristotelisch-scholastischen vorm, maar meer in den zin

van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische speculatie bij hem

een aanvang. Lombardus gaf in zijne Sententiarum libri IV niet enkele

tractaten, zooals Anselmus, maar een volledig dogmatisch en ethisch

handboek. Hij leverde den tekst voor de scholastieke theologie, en maakt

zelf reeds een ruim gebruik van de philosophie, tot verduidelijking

en verdediging der waarheid. Alexander Halesius schreef eene Summa

universae theologiae, welke eigenlijk reeds een commentaar is op het

werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp in eens ten

einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachten in een streng

dialectischen, syllogistischen vorm. Daarmede was de scholastische

methode voorgoed gevestigd. Het ging niet geheel zonder strijd. Velen

hadden bezwaar tegen het gebruik van Aristoteles in de theologie. Er

bleven ten allen tijde Platonici, die Plato veel meer in overeenstemming

achtten met de kerkleer. Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van

St. Victor, Petrus Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne

e. a. wezen op de gevaren der philosophie; en Abaelard scheen een

afschrikwekkend voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde

mannen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte, ofschoon

hier en daar gewijzigd, de beste verdediging der kerkleer geacht. Het

volledigst werd naar deze methode de dogmatiek bewerkt door Albertus

Magnus † 1280, Thomas Aquinas † 1274 en Bonaventura † 1274. Alle drie

schreven een commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin

later door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244.

Bovendien schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een

Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid), en Summa

de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura een Breviloquium.

Alle drie hebben de scholastiek algemeen in eere gebracht, aan de

theologie eene eereplaats verzekerd onder de wetenschappen, en met

buitengewone denkkracht de diepste problemen behandeld. Maar de

scholastiek heeft zich niet op die hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus

† 1308 is het vertrouwen al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar

bestrijdt Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. De Franciscaner

de Rada † 1608 telde later in zijne Controversiae theol. inter Thomam

et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86 punten van geschil op. De

voornaamste daarvan waren die over de kenbaarheid Gods, het onderscheid

in de goddelijke eigenschappen, de erfzonde, de verdiensten van

Christus, enz. en vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria.

Scotus is nog wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst

theologie en philosophie naast elkaar, Werner, Joh. Duns Scotus, Wien

1881. De philosophie bereikt God niet, de theologie rust alleen op

gezag, op openbaring. Maar vooral het nominalisme droeg tot verval

der scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus, Berengarius,

maar won vooral terrein in de 14e en 15e eeuw. Petrus Aureolus

† 1321, schrijver van een commentaar op Lombardus en van Quodlibeta

zei, dat de universalia niet objectief in de dingen bestonden, maar

slechts gedachten waren; het werkelijke is altijd individueel. Willem

Durand de St. Porciano † 1332 ontkende de universalia en loochende ’t

wetenschappelijk karakter der theologie, ze is geen eenheid, ze kan

de waarheid der dogmata niet aantoonen en de gronden er tegen niet

weerleggen. Willem van Occam † 1349, die den paus alle macht ontzegde

over wereldlijke vorsten, dezen in hun verzet tegen den paus steunde

maar ook op zijn beurt bescherming van hem vroeg, viel zoowel de school

van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep er behagen in, om de

onzekerheid der theologie aan te toonen; bestaan, eenheid, almacht

Gods, eindigheid der wereld, onstoffelijkheid der ziel, noodzakelijkheid

der openbaring enz., alles is onbewijsbaar. Alles is alleen, wijl God het

zoo wil. Er zijn geen redewaarheden. God kon mensch maar hij kon ook een

steen worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie.

Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in skepticisme. Al bleef

in de scholen ook meest het realisme heerschen: het had toch geen

scheppende kracht meer, de vorm werd stijver, de taal barbaarscher, de

methode spitsvondiger; subtiliteit verving grondigheid, ostentatie

kwam in de plaats van wetenschappelijken ernst, dogmatiek ontaardde

in een eindeloos dispuut. Daarbij kreeg het nominalisme van Occam

aanhangers, Adam Goddam, Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien

het gezegde herkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in

de philosophie valsch kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en

Gabriël Biel † 1495, den laatsten scholasticus. Litteratuur over de

Scholastiek: Alsted, Theol. schol. didact. 1608 p. 4-8. Voetius, Disp.

I 12-29. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philos. Band II. 6e Aufl.

1881. Windelband, Gesch. der Philos. 1892 S. 207-274. Ritter, Gesch.

der Philos. Bd. VII-VIII. Erdman, Grundriss der Gesch. der Philos. I

240 f. Bach, Dogm. gesch. des M. A. 2 Bde., Wien, 1873, ’75. Schwane,

Dogm. gesch. der mittl. Zeit. 1882. Harnack, Dogm. gesch. III 312 f.,

en andere dogmenhistor. werken van Hagenbach, Thomasius, Seeberg,

Nitzsch enz. Prantl., Gesch. der Logik. Bd. II-IV. H. Siebeck, Gesch.

der Psychol. 2e Abth. 1884. Reuter, Gesch. der relig. Aufklärung im M.

A. 2 Bde., Berlin, 1875-77. Werner, Die Schol. des späteren M. A. 3

Bde., Wien, 1881. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A., 3 Bde., Mainz,

1864-66. Hauréau, Histoire de la philos. schol. 2e ed., Paris, 1872,

’80. Rousselot, Etudes sur la philos. du moyen-âge., Paris, 1840-42.

Pierson, Gesch. van het R. Kath. 3e deel. Id. De Nomin. et real. 1855.

Nitzsch, art. Schol. Theol. in Herzog². H. v. Eicken, Gesch. der

mittelalt. Weltanschauung, Stuttgart, 1888. W. Kaulich, Gesch. der

Schol. Philos. Prag, 1863. J. H. Löwe, Der Kampf zwischen Nom. u. Real.

im M. A., sein Ursprung und sein Verlauf, Prag, 1876. M. Maywald, Die

Lehre von der doppelten Wahrheit, Berlin, 1871, enz.

13. Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die

vroeger wel als der scholastiek vijandig werd beschouwd maar thans

beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici hebben de

scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als Hugo en Richard van

St. Victor hebben in hun traktaten verschillende deelen der theologie

naar dezelfde methode behandeld als Lombardus, en omgekeerd hebben

scholastici zooals Halesius, Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele

mystieke geschriften nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de schol.

theol. opgenomen, Thomas S. Th. II, 2 qu. 179 sq. Van een strijd en

antagonisme is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie

ten allen tijde tusschen ware en valsche mystiek hebben onderscheiden;

het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart,

Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften van

pseudo-Dionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd geprezen en

goedgekeurd door de Roomsche kerk. Er moet dus onderscheid zijn tusschen

de orthodoxe en de pantheïstische mystiek. De eerste nu stond niet

vijandig tegenover de scholastiek. Maar ze was er wel van onderscheiden.

Ten eerste in methode: de scholastiek volgde de analytische methode

van Aristoteles en trachtte door redeneering uit de eindige dingen

tot God op te klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode

van Plato en trachtte uit de hoogere aanschouwing, die de ziel door

de genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs.

In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend worden

der geschriften van Aristoteles, en had tot object de sententiae van

Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het bekend worden der

werken van pseudo-Dionysius, die in ’t Westen ingang vonden door de

vertaling van Erigena. In wezen: de scholastiek is de poging, om

met behulp van de philosophie wetenschappelijke kennis te verkrijgen

van de geopenbaarde waarheid; de mystische theologie had tot object

de mystieke gemeenschap met God, die aan enkele bevoorrechten door

bijzondere genade geschonken werd, en beschreef nu hoe en langs welken

weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van uit

die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de waarheden des

geloofs. De mystiek in dezen zin had ten allen tijde in de christelijke

kerk hare vertegenwoordigers, en komt in meerdere of mindere mate bij

alle kerkvaders voor; ze hangt ten nauwste samen met het monnikideaal;

ze gaat uit van de onderstelling dat er niet alleen eene kennis van God

is door ’t verstand, maar ook eene ervaring, bevinding, gemeenschap

Gods is door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan

bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had gepeild

en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij pseudo-Dionysius,

die de trappen en mijlpalen had aangewezen langs welke de ziel uit

de eindigheid tot den oneindigen God opklimmen kon. Door practische

oefeningen, zooals askese, reiniging, zelfpijniging, wereldvlucht,

enz. of ook door theoretische bespiegeling, zooals auditio, lectio,

oratio, cogitatio, consideratio, meditatio, kan de ziel hier op aarde

reeds komen tot een toestand van aanschouwen of genieten van God. Zoo

wordt de mystiek opgevat en beschreven in verschillende werken van

Bernard van Clairvaux, Hugo en Richard van St. Victor, Bonaventura,

Thomas, Gerson en Thomas à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat

de mystiek, alzoo den nadruk leggende op de contemplatie, de kennis

ging geringschatten; in de genieting des harten ging de helderheid

des bewustzijns, de waarde der kennis te loor; ze kwam onder invloed

menigmaal van ’t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart † 1327 e. a.

een pantheïstischen trek, W. Preger, Gesch. der deutschen Mystik im

M. A., 2 Bde. Leipzig 1875-81. Görres, Die christ. Mystik, 2e Aufl. 5

Bde. Regensburg 1880. Harnack, D. G. III 314 f. 374 f. Art. Myst. in

Herzog². De dogmengesch. en philos. werken, boven bij de schol. genoemd,

benevens de monographieën over Tauler, Eckhart, enz. Kleutgen, Theol.

der Vorzeit IV 49 f. Verdere litter. bij Kihn, Encycl. u. Methodol. der

Theol. 1892. S. 453 f.

14. Het ontbrak echter in de Middeleeuwen niet aan protesten tegen de

richting, waarin kerk en theologie zich ontwikkelden. Verschillende

secten traden er op, Katharen, Albigenzen, de volgelingen van Amalrik

van Bena, David van Dinant, Ortlieb, de secte des vrijen geestes enz.

en vernieuwden de oude manicheesche en gnostische dwalingen, Reuter,

Gesch. der relig. Aufklärung im M. A. Berlin 1875-’77. L. Flathe,

Gesch. der Ketzer im M. A. 3 Bde. Stuttgart 1845. Kurtz, Lehrb. der

Kirch. gesch. § 108. Döllinger, Beiträge zur Sektengesch. des M. A. 2

Th. München, Beck, 1890. De Waldenzen kwamen met Rome in conflict door

hun leer van de vrijheid der prediking, Comba, art. in Herzog², Haupt,

Waldenzerthum und Inquisition im südöstl. Deutschl. Freiburg, Mohr,

1890. In vele kringen was er een terugkeer tot Augustinus en Paulus.

Bradwardina † 1349 trad in een geschrift de causa Dei contra Pelagium

op als een moedig verdediger van de genade Gods, Lechler, De Th.

Bradwardina commentatio, Lips. 1863 en art. in Herzog². Wiclif † 1384

was van hem afhankelijk gelijk Hus † 1451 op zijn beurt weder van Wiclif.

Wiclifs werken worden sedert 1882 uitgegeven door de Wiclif Society te

Londen. Zijne leer wordt het best gekend uit zijne Summa in 12 boeken,

verkort en systematisch samengevat in zijn Trialogus, uitgeg. door

Lechler, uit zijne verhandeling de Christo et suo adversario Antichristo

uitgeg. door Buddensieg, en uit zijn tractaat de ecclesia uitgeg. door

Loserth. Dat Hus geheel van Wiclif afhankelijk is, is aangetoond door

Loserth, Hus und Wiclif, Prag. u. Leipz. 1884. Zelfs binnen de kerk

stonden velen op, die een reformatie in capite et membris verlangden.

Petrus d’ Ailly † 1425, Gerson † 1429, Nic. van Clémanges † 1414,

Nicolaus Cusanus † 1464 e. a. verdedigden het episcopale stelsel; en de

reformatorische concilien van Pisa 1409, Constanz 1414 en Bazel 1431

spraken zich uit in dien geest. Het concilie te Constanz in de 4e en 5e

zitting verklaarde, dat een oecumenisch concilie zijn gezag onmiddellijk

van Christus had en dat de paus ook daaraan onderworpen was. Maar

al deze reformatiën hadden weinig succes. Ze waren kritiek van ’t

bestaande van uit eenzelfde beginsel, Harnack D. G. III 408 f. 570 f.

En toen in de 16e eeuw de Protest. reformatie opkwam, nam de Roomsche

kerk ook weldra tegen haar positie. Vóór het concilie te Trente waren

de voornaamste theologen Cajetanus † 1534, Dr. Eck † 1543, Cochlaeus

† 1552, Sadoletus † 1547 e. a. Ze onderscheiden zich nog daardoor,

dat ze vrijmoedig de gebreken der kerk erkennen. Hun geschriften zijn

meest polemisch tegen de Hervormers. ’t Merkwaardigst is Dr. Eck’s

Enchiridion locorum omnium adv. Lutherum et alios hostes ecclesiae

1525, dat tot 1576 toe 46 maal werd herdrukt, Hugo Lämmer, Die

vortrident. kath. Theol. des Reformationszeitalters, Berlin 1858. De

theologie was, vooral door den spot der Humanisten, in discrediet; op

de Middeleeuwen zag men terug als een tijd van gothische barbaarschheid;

en ook de vromen verlangden meer eenvoud en waarheid, meer practisch

Christendom. Er behoorde voor de Roomsche theologen eenige moed toe

en er was ook eenige tijd voor noodig, om tot bezinning te komen en

den draad der scholastiek weer op te vatten. Het concilie te Trente

nam wel verschillende besluiten ter reformatie, maar koos zoo sterk

mogelijk tegen de Prot. reformatie partij. De dogmata, waarover met de

reformatie geschil was, zooals de leer van de traditie, de zonde, den

vrijen wil, de rechtvaardiging, de sacramenten, werden kras en duidelijk,

in roomschen zin, geformuleerd; maar de onderlinge verschillen liet men

rusten. De kwestie van paus en concilie, van Thomisme en Scotisme enz.

werd niet besproken of zoo omzichtig mogelijk behandeld, Harnack, D. G.

III 588 f. Herzog² 16, 4 f. en de daar aangeh. litt. Bij gelegenheid,

dat men te Trente beraadslaagde over het houden van voorlezingen

over de H. Schrift in alle kloosters, stelde een Benedictijnerabt

voor, om een verbod der scholastiek daaraan toe te voegen. Maar de

Dominikaan Soto nam het woord, weerlegde de bezwaren, prees het nut der

scholastiek en vond algemeen instemming, Kleutgen, Theol. d. Vorzeit IV

80. Langzamerhand werd de scholastiek in hare eere hersteld, maar met

wijziging. Melchior Canus † 1560 wijdt in zijn werk de locis theologicis

een geheel boek aan de verdediging der scholastiek, lib. VIII: de

auctoritate scholasticorum doctorum en geeft toe dat vele scholastici

aan verschillende fouten zich hebben schuldig gemaakt; hij keurt die

gebreken af maar verdedigt beslist de scholastische methode. Ze werd

vereenvoudigd en van overdrijving ontdaan, maar overigens behouden.

Eene tweede verandering bestond hierin, dat Lombardus meer en meer

voor Thomas plaats maakt. In de Middeleeuwen waren de Sententiae van

Lombardus het dogmatisch handboek geweest; en ook na de hervorming

schreven Soto † 1560, Maldonatus † 1583, Estius † 1608 en anderen

nog commentaren op dat werk. Maar de beroemde Cajetanus leverde een

commentaar op de Summa van Thomas. En Franziscus Vittoria † 1566,

Hiëronymus Perez † 1556, Barth. van Torres † 1558 e. a. volgden zijn

voorbeeld. Tegen het einde der 16e eeuw was Lombardus in de meeste

scholen door Thomas vervangen; deze was zuiverder, uitgebreider,

methodischer, en drong dieper in de dogmata door dan Lombardus.

Voorts was ook dit nog een onderscheid tusschen de oude en de nieuwe

scholastiek, dat de laatste veel nauwer met de positieve theologie

zich verbond. In de Middeleeuwen werd de positieve dogmatiek, d.

i. het bewijs voor de waarheid uit Schrift en traditie, bijna geheel

verwaarloosd; maar nu werd deze in de dogmatiek opgenomen en met groote

geleerdheid bewerkt. Canus schreef een eigen werk over de bewijsbronnen,

die hij loci theologici noemt; door alle neo-scholastici Greg. van

Valentia, Suarez, Bannez, Diego Ruyz, enz. wordt de studie van Schrift

en traditie ijverig beoefend. Exegese, kerkhistorie, patristiek,

archaeologie, enz. worden eigene, zelfstandige wetenschappen. Theologie

is nog iets anders en meer dan dogmatiek. En omdat eindelijk de nieuwe

scholastici niet die rust genoten als de theologen in de Middeleeuwen,

maar van alle zijden werden aangevallen en op alle punten de Roomsche

leer hadden te verdedigen, bleef er voor de subtiele kwesties en de

spitsvondige onderscheidingen geen plaats en geen tijd meer; vorm,

methode, taal, uitdrukking werd eenvoudiger; de werken van Canisius,

Canus, Petavius, Bellarminus, enz. zijn geschreven in zuiver latijn, en

in een aangenamen stijl, en zijn in dit opzicht gunstig onderscheiden

van de werken der Middeleeuwsche theologen. Maar wat ook veranderd

en verbeterd werd, de geest bleef dezelfde. Rome heeft zichzelf niet

verloochend en ook door de reformatie niets geleerd. Zelfs is het

eigenlijke karakter der Roomsche leer na en door de reformatie nog

duidelijker aan het licht getreden. Het Pelagianisme en het Curialisme

hebben na het concilie van Trente zich verder ontwikkeld en hebben

eene volledige overwinning behaald. Vergelijk voor de geschiedenis der

Roomsche theologie na Trente: Walch, Bibl. theol. sel. I 148 sq. Pfaff,

Introductio in Hist. theol. liter. 1724 p. 194 sq. 206 sq. M. Brühl,

Gesch. der kath. Liter. Deutschl. vom 17 Jahrh. 2e Aufl. Wien 1861.

H. Hurter, Nomenclator literarius recentioris theol. cathol. 4 vol.

Innsbr. 1871-’83. Karl Werner, Gesch. der apol. u. polem. Lit. der

christl. Theol. 5 Bde. Schaffh. 1861-67. Id. Gesch. der kath. Theol.

Deutschl. seit dem Trienter Concil bis zur Gegenwart, München, 1866,

2e Aufl. 1889. Id. Der heilige Thomas von Aquino, 3 Bde. Regensburg

1858-59. Bd. I Leben und Schriften. Bd. II Lehre. Bd. III Geschichte

des Thomismus. Id. Franz Suarez und die Schol. der letzten Jahrh. 2

Bde. Regensburg 1861, 62. Schwane, Dogmengesch. der neueren Zeit,

Freiburg 1890 S. 16 f. A. Stöckl, Gesch. der Philos. des M. A. III 1866

S. 628 f. Herzog² 15, 589 f. Harnack, D. G. III 617 f.

15. De neo-scholastische theologie kwam op in Spanje en werd daar

vooral beoefend aan de hoogescholen van Salamanca, Alcala (Complutum)

en Coimbra. Franz de Vittoria 1480-1566, geboortig uit Vittoria in

Cantabrië, behoorde tot de Dominikanen en werd van wege zijne orde naar

Parijs gezonden om zich toe te leggen op de theologie. Daar bestudeerde

hij vooral Thomas. In Spanje teruggekeerd, werd hij hoogleeraar te

Salamanca en verbreidde daar de leer van Aquinas, op wiens Summa

hij ook een commentaar schreef. Onder zijne leerlingen behoorden de

beroemdste theologen van Spanje, Melchior Canus † 1560, Loci theolog.

1563; Dominicus Soto † 1560, Comm. in 4{m} librum Sent. 1557-60 en

de natura et gratia libri III 1547 tegen den Scotist Catharinus;

Barthol. Medina, Expositio in I 2 Thomae 1576. De thomistische

theologie werd vooral beoefend door de orde der Dominikanen, tot wie

behalve de bovengenoemden ook behoorden: Petrus de Soto, prof. te

Dillingen † 1563, Institutiones christ. 1548, Methodus confessionis

1553, Compendium doctrinae cathol. 1556, Defensio cathol. confessionis

1557 tegen Brenz; Dom. Bannez, Comm. in I Thomae, 2 tomi 1584, ’88;

Didacus Alvarez, de auxiliis gratiae div. et humani arbitrii viribus

et libertate etc. Lugd. 1611, de incarn. verbi div. Lugd. 1614;

Vincentius Contenson, Theologia mentis et cordis, 2 tom. Colon. 1687;

J. Baptista Gonetus † 1681, Clypeus theol. thomist. 1659-69, diss.

theol. de probabilitate casuistarum; Natalis Alexander, Theol. dogm.

et mor. sec. ordinem catech. Conc. Trid. Paris 1703; Billuart † 1757,

Summa S. Thomae hodiernis academiarum moribus accommodata, 19 tom.

Leodii 1747-59, nieuwe uitgave bij Palmé te Parijs in 8 vol.; en verder

nog Fr. de Sylvestris, Joh. Viguerius, Joh. Gonsalez, Martin Ledesma,

Joh. Vincentius, Balt. Navarretus, Raphael Ripa, Franz en Dominicus

Perez, Gazzaniga † 1799, Praelect. theol. Bononiae 1790 e. a. Bij de

Dominikanen sluiten zich de Karmelieten aan, van wie vooral beroemd is

Salmanticensis collegii Carmelitarum discalceatorum cursus theol. in D.

Thomam, 10 vol. Lugd. 1679 sq. Maar ook de scotistische theologie vond

in den nieuwen tijd nog aanhang en verdediging, bij Ambrosius Catharinus

† 1553, Fr. Lychetus, Comm. in I II III librum Sent. Scoti, Venet.

1589; Frassenius † 1711, Scotus Academicus, 4 tom. Paris 1662-77;

Dupasquier † 1718, Summa theol. scotisticae; Barth. Durandus, Clypeus

Scoticae doctrinae; Thomas van Charmes, Theol. universa; en voorts bij

Brancatus, Mastrius, Faber † 1630, Bonaventura Bellutus † 1676, Lukas

Wadding † 1657, uitgever van Scotus’ werken te Lyon 1639 v. e. a. De

Franciscaner de Rada, bisschop van Trani, † 1608 gaf in zijn boven reeds

aangehaald werk een overzicht van de controversen tusschen de Thomisten

en de Scotisten.

De scholastische theologie werd echter vooral beoefend door de

Jezuïten, die meer dan eenige andere orde tot haar herleving en bloei

hebben bijgedragen. Methodisch en met buitengewoon talent namen zij de

contrareformatie ter hand. Als polemici tegen de leer der Protestanten

traden onder hen op Possevinus † 1611; Bellarminus † 1621, Disput. de

controv. christ. fidei adv. hujus temporis haereticos, Ingolstadt 1581.

Gretser, Opera omnia in 17 tomi, Regensburg 1734 sq. Becanus, Manuale

controversiarum. De beroemdste theologen uit de orde der Jezuïten

zijn Petrus Canisius † 1597, Summa doctrinae et institutionis christ.

1554, in 130 jaar 400 maal uitgegeven, en een kleiner catechismus:

Institutiones christ. pietatis 1566. Franc. Toletus † 1596, In Summam

S. Thomae tom. 4, opnieuw uitgeg. te Rome 1869, Joh. Maldonatus,

leerling van Toletus en Soto te Salamanca † 1583, beroemd exegeet, en

schrijver van vele dogm. tractaten, de sacramentis, de libero arbitrio,

de gratia etc. Leonh. Lessius prof. te Leuven † 1623, Disput. de

gratia, decretis divinis, libertate arbitrii et praescientia Dei

conditionata Antw. 1610. De perfectionibus divinis libri 14, Antw.

1620. Theologia 1651 etc. Lud. Molina prof. te Evora, later te Madrid

† 1600, Liberi arbitrii cum gratiae donis, divina praescientia, provid.

praedest. et reprob. concordia 1588, de justitia et jure, en commentaar

op het eerste deel van Thomas. Greg. de Valentia prof. te Dillingen,

Ingolstadt, Rome † 1603, Analysis fidei cathol. 1585. Theol. Comment.

in Summam S. Thomae Tomi IV 1602. Mart. Becanus, prof. te Mainz † 1624.

Manuale controv. en Theol. scholastica, 3 partes 1612-’22. Roderich

Arriaga, prof. in Valladolid, Salamanca, Praag † 1667, Disputationes

theol. 8 tomi 1643 sq. Franz. Suarez † 1617, Commentaria et

disputationes in Thomam, tomi V, en vele tractaten de gratia etc.; een

kort excerpt uit zijne theologie is Theologiae R. P. Fr. Suarez S. J.,

Summa seu Compendium auctore T. Noel S. J. Tomi II Paris, Migne 1858.

Gabr. Vasquez † 1604, Comm. in Summam S. Thomae, Ingolstadt 7 vol. 1609

sq.; Didacus Ruyz de Montoya † 1632, Comment. op verschillende loci van

Thomas, Theol. scholastica 1630. Clavis Theol. 1634; Antoine, Theologia

universa speculativa et dogmatica, Paris 1713; Dion. Petavius † 1652,

De theol. dogmatibus, 5 tomi, onvoltooid Paris 1644; en verder nog

Melch. de Castro, Lusitanus, Zunniga, Tannez, Hurtado, Ripalda † 1648,

Mendoza, Lugo † 1660, Arriago, Gotti † 1742, Zaccaria † 1795 e. a.

Afzonderlijke vermelding verdient nog de door de Würzburger professoren

S. J. geschreven Theologia Wirceburgensis, dogm. polem. schol. et mor.

14 vol. Wirceb. 1766-1771, nieuwe uitg. in 10 vol. Paris 1880.

De Jezuiten volgden over het algemeen Thomas, maar weken tengevolge van

hun pelagianisme in de leer van de zonde, den vrijen wil en de genade

van hem af. Dit werd oorzaak van een langdurigen strijd. Hij begon met

Bajus, prof. te Leuven † 1589, die de leer van Augustinus over de zonde

en de onvrijheid van wil voordroeg en ook de onbevlekte ontvangenis

van Maria verwierp. Reeds in 1560 werden verschillende theses van

Bajus door de Sorbonne verworpen, en Paus Pius V veroordeelde 79

stellingen van Bajus in de bul Ex omnibus afflictionibus 1567. Bajus

herriep. Maar daarmede was de strijd niet uit. Hij ontbrandde opnieuw

in 1588 door het werk van Molina, Liberi arbitrii cum gratiae donis

... concordia. De Thomisten, meest Dominikanen, vielen dit werk aan,

vooral bij monde van een hunner beroemdste vertegenwoordigers Bannez

† 1604, die eene physische praedeterminatie leerde. Thomisten, (Bannez,

Sylvester, Alvarez, Lesmos, Reginaldi, enz.), resp. Augustinianen

(Noris † 1704, Laur. Berti † 1766, Bertieri) en Jezuiten, Molinisten

of Congruisten (Bellarminus) stonden jaren lang tegenover elkaar. Eene

menigte strijdschriften over zonde, vrijen wil, genade zagen het licht,

Walch, Bibl. theol. sel. I 179 sq. De commissie, in Rome benoemd,

werd 1607 ontbonden zonder eene beslissing te nemen; en de paus

zeide dat hij later uitspraak zou doen en dat zoolang de eene partij

de andere niet verketteren mocht. In 1640, toen het werk Augustinus

van Cornelius Jansen, bisschop van IJperen verscheen, werd opnieuw de

vonk in ’t kruit geworpen. De strijd duurde tot in de 18e eeuw voort.

De mannen van Port Royal stonden aan de zijde van Jansenius, Arnauld

† 1694, Pascal † 1662, Nicole † 1695, Sacy † 1684, Tillemont † 1698,

Quesnell † 1719. Maar geleerdheid en welsprekendheid mochten niet

baten. In verschillende bullen 1653, 1656, 1664, 1705 en 1713 werd het

Jansenisme, en daarin Augustinus, en zelfs Paulus veroordeeld, en later

werd de bul Unigenitus van 1713 nog meermalen bevestigd. En evenals in

dogmaticis het Pelagianisme zegevierde, zoo behaalde in ethicis het

Probabilisme en in ecclesiasticis het Curialisme of Papale stelsel de

zegepraal.

16. Maar in het begin der 17e eeuw was de bloeitijd der neoscholastiek

voorbij. In heel Europa kwam de rationalistische geest op. De

philosophie van Bacon en Cartesius verdrong die van Aristoteles.

Zelfs theologen, die de scholastieke dogmata aannamen, meenden, dat

er een andere methode noodig was; zooals Bossuet † 1704, de beroemde

verdediger van het gallikaansche stelsel en bestrijder der Protestanten,

Exposition de la doctrine de l’église cath. sur les matières de

controverse 1671, Histoire des variations des églises protest. 2 vol.

Paris, 1688. Fénélon † 1715, Thomassinus † 1695, Dogmata theol. De

historische en critische studiën, die vooral in Frankrijk beoefend

werden, drongen de eigenlijke theologie terug. Vele geleerde Maurinen

en Oratorianen vervielen zelfs tot ongeloof. In de scholen bleef nog

wel lang tot diep in de 18e eeuw de scholastiek heerschen. Ook bleven

de verschillende richtingen van Thomisten, b.v. Peri, Quaest. theol. 5

vol. 1719-32, Scotisten, b.v. Krisper, Theol. scolae scotisticae, 4

Tom. 1728-48, Molinisten, b.v. Anton Erber, Theol. specul. tractatus

octo 1787, en Augustianen, b.v. Amort, Theol. eclectica moralis et

scholastica, 23 tomi, Augsburg, 1752 sq. naast elkaar voortduren.

Maar de scholastiek trok zich toch meer en meer in de scholen terug.

Andere deïstische, naturalistische partijen komen op, krijgen het hoogste

woord en oefenen invloed op de Roomsche theologie. De scholastieke

philosophie werd in Frankrijk door Cartesius, in Duitschland door

Leibniz-Wolff terzijde gesteld. In Oostenrijk werd 1752 de peripatetische

leer verboden en 1759 de leiding der theol. en philos. studiën aan de

Jezuïten ontnomen. De orde werd 1773 door Clemens XIV opgeheven. Het

Gallikaansche stelsel werd in 1763 door Nic. van Hontheim, wijbisschop

van Trier in een werk de statu ecclesiae et legitima potestate Romani

Pontificis verdedigd en door Jozef II in 1781 als kerkrecht ingevoerd.

De confessioneele verschillen werden vergeten; in plaats van den strijd

tegen de Protestanten komt die tegen vrijdenkers, ongeloovigen enz. bij

Klüpfel, Fahrman, Stattler, Storchenau, Burkhauser. De theologie komt

geheel onder invloed der wisselende philosophie. De Aufklärung had

haar vertegenwoordiger in Ad. Weishaupt, prof. te Ingolstad, stichter

van de orde der Illuminaten. Kant’s invloed is merkbaar bij Ildefons

Schwarz, Peutinger, Zimmer. Jacobi’s philosophie vond aanhang bij J.

Salat en Cajetan Weiller. Thanner stond onder invloed van Schelling. De

voornaamste theoloog, die in de 18e eeuw tegen alle dwalingen pal bleef

staan, was Alphonsus van Liguori † 1787, door Pius IX in 1871 opgenomen

onder de doctores ecclesiae.

17. Ook in deze 19e eeuw bleef aanvankelijk het rationalisme nog in

vele Roomsche kringen heerschen. Er was in Duitschland eene groote

partij, die de inrichting en leer der Roomsche kerk in overeenstemming

wilde brengen met de eischen van den nieuweren tijd, Dalberg † 1817,

Wessenberg † 1860, Werkmeister e. a., Hermes, prof. te Bonn † 1831,

Einleitung in die Christkath. Theologie 1819, ’29, Christkath. Dogm.

1834, ’36 trachtte de openbaring, de autoriteit op redelijke gronden te

doen rusten, en gaf aan de rede bij de beoordeeling van wat openbaring

is dezelfde rechten, als de Wolffsche philosophie gedaan had. Eerst

had Hermes vele aanhangers, Achterfeldt, die zijne dogmatiek uitgaf,

Braun, von Droste-Hülfshof, prof. in de rechten te Bonn, Spiegel,

aartsbisschop van Keulen; maar toen paus Gregorius XVI 26 Sept. 1835

het Hermesianisme veroordeeld had, daalde zijn invloed. Anton Günther

† 1863 in Weenen, Vorschule zur specul. Theol. 1828. Peregrius Gastmahl

1830 u. s. w. sloot zich bij Hegel’s stelling aan, dat philosophie en

speculatieve theologie eigenlijk één zijn. Er is geen tweeërlei waarheid

en zekerheid. Maar gelooven is de aanvang en onderstelling van alle

weten, en alle geloof, ook aan de openbaring, kan in weten overgaan en

tot evidentie worden verheven. Ook Günther had vele aanhangers, Pabst,

Merten, Veith, Gaugauf, Baltzer, Knoodt; maar hij werd 1857 veroordeeld.

Franz von Baader † 1841, Vorlesungen über specul. Dogmatik, Sämmtliche

schriften, Leipzig 1850-57 in 15 deelen, onder invloed van Böhme en

Schelling, zocht heil niet in terugkeer, maar in nieuwe ontwikkeling

van het oude, in vernieuwing der dogmata, en wilde langs theosophischen

weg het gelooven tot weten verheffen. Zijne aanhangers waren Schaden,

Lutterbek, Hoffmann, Hamberger, Sengler, Schlüter, maar Baader werd

wegens zijn bestrijding van het primaat gecensureerd. J. Frohschammer,

Einleitung in die Philosophie und Grundriss der Metaphysik 1858

enz. verwierp de scholastieke en de idealistische philosophie,

en trachtte de metaphysica, de theologie op te bouwen niet op de

abstracte rede maar op het concreete, algemeene, historische feit van

het Godsbewustzijn in de menschheid. Theologie en philosophie vallen

dus voor hem in inhoud samen; ze verschillen alleen in methode; ’t

natuurlijke en ’t bovennatuurlijke zijn niet streng te scheiden. Pius

IX veroordeelde deze philosophie in een brief aan den aartsbisschop

te München 11 Dec. 1862. Zijne werken werden op den index geplaatst,

hijzelf in 1863 gesuspendeerd. Frohschammer onderwierp zich echter niet

en bleef in tal van geschriften voor de vrijheid der wetenschap en

tegen de aanspraken van den paus strijden. Zoo werd door Rome eenerzijds

de onafhankelijkheid der wetenschap bestreden, maar andererzijds toch

ook weer in haar betrekkelijke vrijheid erkend. Na de revolutie kwam

in Frankrijk het traditionalisme op, nl. de leer, dat de hoogere

metaphysische waarheden niet door de rede te vinden zijn, maar alleen

verkregen worden uit de openbaring, die van den eersten mensch af in de

menschheid door traditie is voortgeplant en in de taal wordt bewaard.

Deze theorie werd met talent verdedigd door de Bonald, Recherches

philos. sur les premiers objets des connaissances morales, Paris 1817,

Lamennais, Essai sur l’indifférence en matière de religion, Paris 1817,

en Bautain, de l’enseignement de la philos. en France au 19e siècle,

1833, Philos. du Christianisme, 1835. Maar ze kon te Rome geen genade

vinden. Bautain onderteekende in 1840 zes theses, die hem werden

voorgelegd, en herriep zijne leer. En evenzoo werd het ontologisme van

Gerdil † 1802, Gioberti † 1852, Rosmini † 1855, Gratry † 1872, Ubaghs

e. a. verworpen, dat naar het idealisme van Malebranche terugging en

alle hoogere waarheid afleidde uit de onmiddellijke aanschouwing Gods en

der ideeën.

Al deze veroordeelingen bewijzen, dat Rome na het rationalisme der

vorige eeuw hoe langer hoe meer zichzelf bewust werd en tot ontwaking

kwam. Er is na de revolutie ook eene herleving van de Roomsche kerk en

theologie geweest. Het romantisme kwam aan Rome ten goede en maakte

vele bekeerlingen, Winckelmann, Stolberg, Schlegel, Ad. Müller, Z.

Werner, Schlosser, Haller enz. In Frankrijk kwam er reactie tegen de

revolutie en het ongeloof door Chateaubriand, Génie du christianisme,

Joseph de Maistre, † 1821, Bonald, Lamennais. Het Puseyisme of

Tractarianisme, dat onder Pusey en Newman in 1833 te Oxford begon,

leidde velen tot de Roomsche kerk en versterkte de hoogkerkelijke,

ritualiseerende en romaniseerende richting in de episcop. kerk. De

geloovige theologie, die in Duitschland opkwam, sloot zich eerst in

menig punt bij Schleiermacher aan. Zijne leer van Schrift, wedergeboorte,

rechtvaardiging, kerk bevatte vele elementen, die de Roomschen ten

hunnen voordeele konden aanwenden. En dat geschiedde dan ook met talent

en ijver door Görres, Baader, Phillips, Döllinger in München; Klee in

Bonn; Möhler, Hirscher, Drey in München en Tübingen; Staudenmaier en

Kuhn in Giessen enz. De mannen van deze richting waren nog wel niet

geheel en al naar het hart van Rome en het Jezuïtisme; ze streefden

allen nog naar bemiddeling, ze zochten eene verzoening van gelooven en

weten, zij trachtten door de speculatieve methode de dogmata te bewijzen

en waren al te liberaal tegenover de Protestanten en deden nu en dan

belangrijke concessies. Maar ze hadden uitnemende woordvoerders, en

droegen veel bij tot herleving van de Roomsche theologie.

Maar toch, op den duur voldeed deze verzoenende en bemiddelende

richting niet. Langzamerhand kwam de neo-scholastieke richting op. In

1814 werd de Jezuitenorde hersteld, en haar invloed op het Pausdom nam

hoe langer hoe meer toe; haar macht breidde zich in alle landen uit. De

„vrijheid der wetenschap” werd door haar met alle macht bestreden. Al

de bovengenoemde veroordeelingen liepen uit op de beroemde encycliek

van 8 Dec. 1864, en op het Vaticanum van 1870, waarin de onfeilbaarheid

van den Paus werd uitgesproken. Deze neo-scholastieke richting werd in

Italië vooral voorgestaan door den philosoof Sanseverino, Philosophia

christiana, 7 vol. ed. nov. Neap. 1878 en door den theoloog J.

Perrone, Praelectiones theologiae, 9 vol. 1838-43; in Duitschland

door J. Kleutgen, Theol. der Vorzeit, 5 Th. 2e Aufl., Münster 1867 en

Philos. der Vorzeit, 2 Th., Innsbr. 1878 en A. Stöckl in verschillende

philosophische werken. De tegenwoordige Paus zette 4 Aug. 1879 daarop

het zegel, door in zijne encycliek Aeterni Patris de studie van Thomas

aan te bevelen. En sedert is er een machtig en algemeen streven, om

de autoriteit van Thomas op elk gebied van wetenschap te herstellen.

Staats-en rechtsleer, psychologie en ethiek, theologie en philosophie

worden in zijn geest bestudeerd. In dienzelfden geest werd de dogmatiek

behandeld door Franzelin, Scheeben, Heinrich, Bautz, enz.; hier te

lande door G. M. Jansen, prof. te Rijsenburg, Praelect. theol. fundam.

Ultraj. 1875-76, Theol. dogm. spec. 1877-79. Zie verdere litter. bij

Kihn, Enc. u. Meth. der Theol., Freiburg 1892 S. 412 f.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 8 / 28 题