D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk.

18. Voor de geschiedenis der Luthersche dogmatiek kunnen als

hulpbronnen dienst doen: Walch, Bibl. theol. selecta I 35 sq. Pfaff,

Introductio in historiam theol. litterariam 1724 p. 204 sq. G. Frank,

Gesch. der prot. Theol., 3 Theile 1862-75. Dorner, Gesch. d. prot. Th.

1867. Gass, Gesch. der prot. Dogm., 4 Theile 1854-67. Tholuck, Das

kirchl. Leben im 17 Jahrh. 1861-2. Id. Das akad. Leben des 17 Jahrh.

1853-4, samen vormend die Vorgesch. des Ration. Id. Gesch. des Ration.,

Ier Theil, 1865. Id. Der Geist der luth. Theologen Wittenbergs im 17

Jahrh. 1852. Kahnis, Der innere Gang des deutschen Protest., 2 Th.,

Leipzig 1874. Ritschl, Gesch. des Pietismus, 3 Th. 1880-6. Harnack,

Dogmengesch. III 691 f. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss., Supplement

144 f. Luther was geen systematische natuur; eene dogmatiek liet hij

niet na. Des te meer was hij een oorspronkelijke, een scheppende geest.

Hij heeft het Christendom van Paulus en Augustinus opnieuw ontdekt,

het Evangelie weer als eene heerlijke boodschap der genade en der

vergeving verstaan, en de religie in de religie hersteld. Daardoor

is hij vruchtbaar geworden voor heel de theologie, en voor de gansche

dogmatiek, zelfs de oude dogmata zijn wel door hem opgenomen maar met

een nieuw religieus leven bezield, Th. Harnack, Luthers Theologie,

2 Th., Erlangen 1862-66. J. Köstlin, Luthers Theologie, 2e Ausg.,

Stuttgart 1883. Lommatzsch, Luthers Lehre vom eth. relig. Standp.,

Berlin 1879. Voordat de Luthersche reformatie eene confessie had, had

ze reeds een dogmatiek in Melanchton’s Loci 1521, opnieuw uitgegeven

door Augusti 1821, Plitt 1864, Bindseil in Corpus Reform. XXI p. 62.

Dit werk, ontstaan uit eene verklaring van den brief aan de Romeinen,

was practisch, eenvoudig, soteriologisch, zonder eenige scholastiek,

eigenlijk veel meer eene confessie dan eene dogmatiek. In dit werk vond

de Duitsche reformatie een tijd lang haar eenheid. Maar reeds in 1526

kwam Melanchton eenigszins van de belijdenis der strenge praedestinatie

terug, en straks begon hij ook op andere punten, vooral in zake de

avondmaalsleer, van Luther af te wijken. Deze dissensus van Luther komt

het eerst duidelijk uit in de nieuwe uitgaven der Loci van 1535 en

1543, dan in de verandering der Augustana 1540 en 1542, en eindelijk in

het Leipziger Interim en den daardoor veroorzaakten adiaphoristischen

strijd. Nu kwamen er twee partijen tegenover elkander te staan. Aan de

eene zijde de aanhangers van Melanchton, de Philippisten, vooral aan de

akademiën te Wittenberg en Leipzig, zooals G. Major, Paul Eber, Joh.

Pfeffinger, Victor Strigel † 1569, wiens Loci Theologici ontstonden uit

voorlezingen over Melanchtons Loci en door Pezel in 4 deelen 1582-5

werden uitgegeven, Christ. Pezel † 1604, schrijver van Argumenta et

objectiones de praecipuis articulis doctrinae christ., Neost. 1580-89,

Sohnius, Opera. Herb. 1609, e. a. Cf. H. Heppe, Dogm. des deutschen

Protest. im 16 Jahrh. 3 Bde. Gotha 1857. Aan de andere zijde stonden de

Gnesio-lutheranen, vooral in Weimar en Jena, zooals Nic. von Amsdorf

† 1565, Matth. Flacius † 1575, schrijver van de Solida Confutatio

et condemnatio praecipuarum sectarum en vele andere polemische

geschriften, Joh. Wigand † 1587, Joh. Marbach † 1581, Joachim Westphal

† 1574, die vooral Calvijns avondmaalsleer bestreed, Tileman Heshusius

† 1588 e. a. De velerlei dogmatische twisten, die in deze eerste

periode onder de Luthersche theologen opkwamen, over de wet met

Agricola, over de rechtvaardiging met Osiander, over de hellevaart van

Christus met Aepinus, over de obedientia activa met Parsimonius, over

de adiaphora, het synergisme en het kryptocalvinisme met Melanchton

c. s., over de goede werken met Major, over de erfzonde met Flacius,

leidden eindelijk tot en werden bijgelegd in de Formula Concordiae van

1580, Frank, Die Theologie der Konkordienformel, 2 Th., Erl. Deichert

1858-61. Ze was het werk vooral van Jakob Andreae † 1590 en van Mart.

Chemnitz † 1586, den voornaamsten Lutherschen theoloog in deze eeuw,

schrijver van het Examen Concilii Tridentini, 4 tomi 1565-73, opnieuw

uitgegeven door Preuss 1861, van een verhandeling de duabus naturis in

Christo, etc. 1571, vermeerderd 1578, en van Loci Theol., na zijn dood

door Leyser in 1592 uitgegeven.

19. Toen alzoo het Luthersche dogma gereed was, werd het in de 17e

eeuw op scholastische wijze behandeld en ontwikkeld. Heerbrand † 1600,

Compendium theologiae 1573, belangrijk vermeerderd 1578, en Hafenreffer,

Loci Theologici certa methodo ac ratione in libros tres tributi 1603

maakten daarmee reeds den aanvang. De scholastische behandeling wordt

dan voortgezet door Leonhard Hutter † 1616, Compendium locorum theol.

ex Scriptura sacra et libro Concordiae collectum 1610, Joh. Gerhard

† 1637, Loci Communes theologici, 9 tomi 1610-22, beste editie van

Cotta 1762-87, herdrukt Berlin-Leipzig 1864-75, en bereikt haar

hoogtepunt in Dannhauer † 1666, Hodosophia christiana, Hülsemann

† 1635 Breviarium theologiae 1640, Calovius † 1686 Systema loc. theol.

1655-77, Quenstedt † 1688 Theologia didact-polem. 1685, Hollaz †

1713 Examen theol. acroamaticum 1707, König † 1664 Theol. positiva

acroamatica 1664. De kracht dezer dogmatiek lag in hare objectieviteit.

De dogmata liggen gereed, het subject onderwerpt er zich aan zonder

kritiek; ze worden alleen exegetisch, dogmenhistorisch, polemisch,

scholastisch en practisch uitgewerkt en toegepast. Maar reeds in de 17e

eeuw kwam er reactie tegen deze methode. Het Philippisme was door de

Formula Concordiae niet overwonnen; het bleef zijn aanhangers houden,

vooral in Altdorf en Helmstadt. Georg Calixtus, hoogl. te Helmstadt †

1656, kwam door zijne studie van Aristoteles, door zijne kennismaking met

Roomsche en Geref. theologen en door zijn afkeer van de scholastische

orthodoxie tot eene gematigde, irenische theologie. In zijne werken de

praecipuis religionis christianae capitibus 1613, epitome theologiae

1619, de immortalitate animae et resurr. mort. 1627 kwam hij op voor

eene scherpere scheiding van philosophie en theologie, en ging hij tot

het oorspronkelijk Christendom der vier eerste eeuwen terug, om in het

gemeenschappelijke van alle christelijke confessies eene unie te zoeken

van Luth. Geref. en Roomschen.

20. Calixtus vond met zijn syncretisme natuurlijk veel bestrijding. Maar

de eeuw der objectieviteit ging voorbij. In de 18e eeuw laat het subject

zich gelden; het herneemt zijn rechten en komt tegen de macht van het

objectieve in verzet. In het Piëtisme van 1700 tot 1730 wordt de

subjectieve vroomheid het uitgangspunt, en wordt het zwaartepunt uit

het object in het subject verlegd. Spener, de vader van het Piëtisme

1635-1705, oefende door zijn persoon en door zijne werken, o. a. Pia

desideria 1678, Allgemeine Gottesgelahrtheit aller gläubigen Christen

und rechtschaffenen Theologen 1680, Tabulae Catecheticae 1683, Theolog.

Bedenken 1712 enz. ontzachlijken invloed. In Halle waren de voornaamste

piëtisten Francke † 1727, Breithaupt † 1732 Instit. theol. 1695.

Freylinghausen † 1739 Grundlegung der Theologie 1703. Joachim Lange †

1744 Antibarbarus orthodoxiae 1709. Mosaisches Licht u. Recht, Rambach

† 1735, Der wohlinformirte Katechet 1722. In Wurtemberg verbond zich bij

Hedinger † 1704, Bengel † 1752, Oetinger † 1782 het Piëtisme met een

bijbelsch realisme en met apocalyptische verwachtingen. Natuurlijk trad

de orthodoxie bijv. bij monde van Löscher in Dresden † 1749 zeer vijandig

tegen dit Piëtisme op. Maar de tijd voor de orthodoxie was voorbij. In

de jaren 1730-60 sluit zij in Buddeus † 1729 Instit. theol. dogm. et

mor., Weismann † 1760, Crusius † 1775, J. G. Walch Einleitung in die

dogm. Gottesgelahrheit 1749 en zijn zoon Ch. W. F. Walch Breviarium

theol. dogm. 1775 met het Piëtisme een verbond en gaat over in eene

gemoedelijk-vrome richting, die op de practijk des geloofs nadruk legt,

afkeerig is van scholastieke spitsvondigheid, gematigd is in polemiek

en vooral aan geleerde historische onderzoekingen haar krachten wijdt.

Met het Piëtisme is het Herrnhuttisme verwant, dat eveneens eene

reaktie was van het gevoel tegen de verstandelijke orthodoxie. De vader

van von Zinzendorf was een Speneriaan. Maar terwijl het Piëtisme door

een Busskampf tot bekeering wil leiden, tracht het Herrnhuttisme dit

te bereiken door de prediking van den lieven Heiland. Het wil van

geen wet, maar alleen van Evangelie weten. De genade dringt hier de

natuur zoo geheel op zijde, dat Jezus zelfs den Vader vervangt, Jezus

is de Schepper, de Regeerder, de Vader, de Jehova des O. Test. En zijn

persoon en lijden werd door Zinzendorf, onder Roomschen invloed, zoo

pathologisch opgevat, dat de verwantschap van mystiek en zinnelijkheid,

vooral in den eersten romantischen tijd, 1743-1750, zeer duidelijk aan

het licht trad. Met het Piëtisme loopt evenwijdig het Rationalisme.

Beiden hebben, elk op eigene wijze, aan het gezag der orthodoxie

afbreuk gedaan, beide verleggen het zwaartepunt in het subject. Het

Rationalisme nu kwam op door de philosophie van Cartesius, Spinoza,

Leibniz † 1716 en Wolff † 1754. Zij maakten klaarheid, mathematische

klaarheid tot norm der waarheid. Carpovius, prof. in de mathesis

te Weimar, poogde in zijne Oeconomia salutis N. T. seu theologia

revelata, dogmatica methodo scientifica adornata 1737-65, de kerkleer

naar mathematische methode te demonstreeren. Canz, Reusch, Schubert,

Reinbeck, vooral S. J. Baumgarten Halle † 1757, Evangel. Glaubenslehre,

uitgeg. door Semler 1759-60 en J. L. von Mosheim te Göttingen † 1755

behooren tot deze Wolffiaansche richting. In hoofdzaak waren deze

mannen nog orthodox, maar het religieus belang der waarheid wordt

niet meer gevoeld, de geloofsleer wordt een object van historische

geleerdheid en verstandelijke demonstratie. Geen wonder, dat bij

andere Wolffianen, zooals Töllner, Syst. der dogm. Theol., Heilmann,

Compendium theol. dogm. 1761, J. P. Miller, Instit. theol. dogm. 1767,

Seiler, Theol. dogm. polem. 1774 reeds eene vrijere houding tegenover de

kerkleer wordt aangenomen.

21. Als deze rationalistische richting dan van buiten af nog gevoed en

versterkt wordt door het Engelsche Deïsme en het Fransche ongeloof,

komt na 1760 in Duitschland de Aufklärung op, die het gezond verstand

van den individueelen mensch tot heerschappij tracht te brengen

over alle objectieve waarheid. Overal moet het positieve, het

traditioneele, het historisch gewordene wijken voor het rationeele,

het klaar-verstandelijke. Wolff c. s. had de openbaring nog redelijk

gevonden. Maar de Aufklärung was deïstisch en rationalistisch. Frederik

de Groote was haar koning, Berlijn haar middelpunt, de Allgemeine

Deutsche Bibliotheek 1765-1805 haar orgaan. De dogmatiek werd in

dezen rationalistischen geest bewerkt door W. A. Teller, Lehrbuch

des christl. Glaubens 1764. Religion der Vollkommneren 1792. Henke,

Lineamenta instit. fidei christ. 1793. Eckermann, Compend. theol. 1791

en vooral door Wegscheider, Instit. theol. christ. dogm. 1815, 8e Aufl.

1844. Tegen dit Rationalisme nam de orthodoxie den verzwakten vorm van

het Supranaturalisme aan. Zij durfde niet meer positief en thetisch

haar standpunt nemen in het geloof, maar had met hare tegenstanders

den grondslag van de rede gemeen; alleen trachtte ze van daaruit toch

nog tot de openbaring te komen, wier noodzakelijkheid, mogelijkheid en

werkelijkheid zij verdedigde. De inhoud der openbaring kromp echter

gaandeweg bij haar in; de dogmata worden zooveel mogelijk van al het

aanstootelijke bevrijd en door zoogenaamde bijbelsche voorstelling voor

de rede pasklaar gemaakt. Op dit standpunt stelden zich Doederlein,

Instit. theol. 1780. Morus, Epitome Theol. christ. 1789. Knapp,

Vorles. über die christ. Glaub. 1827, vooral Reinhard, Vorles. über

die Dogmatik 1801. Storr, Doctrinae christ. pars theoret. 1793. e.

a. Terwijl eene verzoening van Rat. en Supran. beproefd werd door

Tzschirner, von Ammon, Schott, en vooral door Bretschneider, Dogm. der

ev. luth. Kirche 1814.

22. Voor de Luthersche dogmatiek in de 19e eeuw komen, behalve de

bovenaangehaalde werken, in aanmerking: Mücke, Die Dogm. des 19 Jahrh.

Gotha 1857. E. Lichtenberger, Histoire des idées relig. en Allemagne.

Paris, Fischbacher. Thilo, Die Wissenschaftlickkeit der modernen

spekul. Theol. in ihren Principien beleuchtet, Leipz. 1851. O. Flügel,

Die spekulative Theol. der Gegenwart, 2e Aufl. Cöthen 1888. Hagenbach,

Ueber die sogenannte Vermittelungstheologie 1858. Carl Schwarz, Gesch.

der neueren Theol., 1857, holl. van Krabbe. Hartmann, Die Krisis des

Christ. in der mod. Theol., Berlin 1880. O. Pfleiderer, Die Entw. der

prot. Theol. in Deutschland seit Kant und in Gross-Britt. seit 1825.

Freiburg 1891. Frank, Gesch. u. Krit. der neueren Theol. u. s. w.

herausgeg. von P. Schaarschmidt. Erl. Deichert, 1894. Kattenbusch, von

Schleiermacher zu Ritschl. Giessen 1892. Voor Scandinavie: Presbyt.

and Ref. Rev. Oct. 1893. De eigenaardigheid der Luthersche dogmatiek

in deze eeuw bestaat daarin, dat ze schier geheel onder invloed staat

van de philosophie. In de vorige eeuw had ze door het Rationalisme

haar principe, methode, inhoud bijna geheel en al verloren. Ze was

een compendium geworden van rationeele gedachten over God, deugd en

onsterfelijkheid. Kant was de eerste, die door zijne scherpe kritiek

van de zuivere rede dezen rationeelen grondslag der dogmatiek geheel

ondermijnde. Zijne kritiek was ontmoedigend, vernietigend zelfs voor het

rationalisme en eudaemonisme der Aufklärung. Maar door de practische

Vernunft tracht hij te herwinnen, wat hij door de reine Vernunft verloor.

De kategorische imperatief, het zedelijk bewustzijn geeft ons recht om

het bestaan van God, vrijheid en onsterfelijkheid te postuleeren. De

dogmatiek wordt opgebouwd op de moraal, de religie wordt een middel

voor de deugd, God een noodhulp voor den mensch. De inhoud der religie

en dogmatiek, door Kant in zijne Religion innerhalb der Grenzen der

blossen Vernunft 1793 ontwikkeld, is zuiver rationalistisch; Kant

staat nog geheel in de 18e eeuw, het historische, positieve heeft

voor hem geen waarde, hij isoleert den mensch van alle invloeden,

alleen de autonome Vernunftreligion is de ware religie. Maar door zijne

kritiek van de rede, door zijn beroep op het zedelijk bewustzijn, door

zijne strenge opvatting van de moraal, die hem zelfs van het radikal

Böse in den mensch en van de noodzakelijkheid eener Art Widergeburt

deed spreken, is hij van grooten invloed geweest op de theologie. De

zedelijke bestemming van den mensch niet alleen, maar ook de onmacht

der rede, om het bovenzinnelijke te bereiken, werd een argument voor

de noodzakelijkheid der openbaring, van geloof en autoriteit. En in

dezen Kantiaanschen geest werd de dogmatiek bewerkt door Tieftrunk,

Dilucidationes ad theoreticam religionis christ. partem 1793.

Stäudlin, J. E. C. Schmidt, Ammon e. a.

23. Eene andere reactie tegen de Aufklärung kwam van de zijde des

gevoels. Sentimentaliteit was een karaktertrek van de tweede helft der

18e eeuw. Gelijk in Engeland Shaftesbury optrad tegen Hume, in Frankrijk

Rousseau tegen Voltaire, zoo deed ook in Duitschland het gevoel bij

mannen als Hamann, Claudius, Lavater, Stilling, Herder, Jacobi zijne

rechten gelden tegenover het koude Rationalisme. Zij gaan allen uit

van de onmiddellijke ervaring, van de kracht en innigheid des gemoeds;

dat is het diepste wezen, het menschelijke in den mensch, daarop rust

de religie, daaruit ontspringt het geloof, hier verneemt de mensch

het goddelijke. En van hieruit ziet en ontdekt hij het goddelijke rondom

zich in de natuur, in de geschiedenis, bovenal in Christus, den

menschelijksten van alle menschen. De inhoud des geloofs verschilde bij

deze mannen, te meer omdat ze van een systeem afkeerig waren; maar

de grond des geloofs is bij allen dezelfde. Gevoel, geloof, Vernunft,

inspiratie, Begeisterung, ervaring, of hoe men het noemen moge, is

bij allen grondslag en norm der waarheid. Jacobi wees tegenover het

voortschrijdende kriticisme op den onmiddellijken zin, waarin eene

andere, hoogere objectieviteit opging voor den mensch. Hij kwam zoo

tot een consequent dualisme van hoofd en hart, van philosophie en

geloof, van zinlijke en geestelijke wereld. In de dogmatiek werd dit

dualisme toegepast door de Wette, Bibl. Dogmatik, 3e Aufl. 1831, Dogm.

der prot. Kirche, 3e Aufl. 1840, Ueber Religion u. Theol. 2e Aufl.

1821. Das Wezen des christ. Glaubens vom Standpunkt des Glaubens 1840,

en na hem door Hase, Evang. Dogm. 1826, 6e Aufl. 1870. Aan allen is

gemeen de scheiding van gelooven en weten, van aesthetische (ethische,

religieuse) en verstandelijke (empirische) wereldbeschouwing, van

ideale en zinnelijke wereld. De waarheid, door het religieus gevoel of

bewustzijn geëischt, is onaantastbaar voor het verstand; zij behoort tot

eene andere, niet waarneembare wereld.

24. Nauw verwant aan deze richting is de theologie van Schleiermacher.

In zijne Reden über die Religion 1799 en de Monologen 1800 staat hij

geheel onder den invloed der romantiek. Godsdienst is gevoel, gevoel

voor het universum, zin voor het oneindige, de richting des gemoeds op

het eeuwige, evenals Spinoza’s cognitio Dei intuitiva. Schleiermacher

neemt dus zijn standpunt ook in het subject, maar niet in verstand of

wil, maar in het gevoel. God is hem de eenheid der wereld, geen object

van het denken, want het denken beweegt zich altijd in tegenstellingen,

maar alleen te genieten in het gevoel. En dat genieten van God in het

gevoel is religie. Maar daarmede verbindt Schleiermacher nu aanstonds

de idee der gemeenschap. Uit het wezen der religie ontspringt de zucht

naar gemeenschap, tot uitwisseling van het genotene. De godsdiensten

verschillen, naarmate het oneindige het gevoel anders bepaalt en de

gemeenschap anders vormt. In zijne Glaubenslehre zijn de wijsgeerige

grondgedachten dezelfde, maar hier wordt het gevoel nader omschreven

als volstrekte afhankelijkheid, God opgevat als absolute causaliteit,

en het Christendom omschreven als eene ethische religie, waarin alles

in betrekking staat tot de verlossing door Christus. Dogmata zijn en

blijven dus beschrijvingen van subjectieve gemoedstoestanden, maar

toch van zulke, die door de christelijke gemeenschap, en alzoo door

den persoon van Christus bepaald zijn. Door deze drie ideeën, van het

onmiddellijk zelfbewustzijn als bron der religie, van de gemeenschap als

noodzakelijke bestaansvorm der religie en van den persoon van Christus

als centrum van het Christendom is Schleiermacher van onberekenbaren

invloed geworden. Heel de theologie na hem is van hem afhankelijk;

zijne dogmatiek is door niemand overgenomen, en toch heeft hij op alle

richtingen, liberale, bemiddelende, confessioneele en in alle kerken,

Roomsche, Luth. en Geref. zijn invloed doen gevoelen. Het naast aan hem

verwant zijn de dusgenaamde Vermittelungstheologen, Nitzsch, Twesten,

Neander, J. Müller, Rothe, Dorner, Martensen, Schenkel enz. Het

eigenaardige en gemeenschappelijke van al deze mannen is het subjectieve

uitgangspunt. Zij gaan allen uit niet van eene uitwendige autoriteit

maar van het gemoed, van het religieus bewustzijn. Zij nemen de waarheid

eerst aan als inhoud der subjectieve christelijke ervaring. Maar

daarbij blijven zij niet staan; zij willen boven Schleiermacher uitgaan,

en daartoe verbinden zij het subjectieve religieuse uitgangspunt van

Schleiermacher met Hegelsche speculatie. De agnostische elementen

in Schleiermacher, die hij met Kant gemeen had, werden uitgewisseld

voor de Hegelsche leer van de kenbaarheid van het Absolute. De

waarheid, eerst als inhoud der religieuse ervaring aangenomen, moest

vervolgens op den weg der speculatie als denknoodwendig begrepen en

voor de rechtbank der philosophie gelegitimeerd worden. Zoo zou geloof

en wetenschap, het natuurlijke en het positieve, kerk en cultuur,

Schriftgezag en kritiek, antieke en moderne wereldbeschouwing met

elkander verzoend en bevredigd worden.

25. Dit was trouwens ook het streven van Hegel geweest. Hegel is de

consequenste idealist; het Cartesiaansche uitgangspunt komt hier tot

zijne laatste gevolgtrekkingen. Het denken produceert het zijn, al het

zijnde is dus logisch, redelijk. Maar deze gedachte verbindt hij met

die van het worden, van de evolutie. De realiseering der gedachte in

’t zijnde geschiedt allengs, van trap tot trap. In den mensch komt

dat denken het eerst tot bewustzijn. Maar op den laagsten trap, als

natuurlijke, eindige geest, voelt de mensch zich van God gescheiden.

In de religie, vooral in de christelijke, ziet hij echter die scheiding

opgeheven; God en mensch zijn één. Deze eenheid van God en mensch is het

wezen van alle religie, maar wordt in den godsdienst niet adaequaat

uitgedrukt; zij is daar gehuld in vormen van voorstelling en gevoel.

Eerst in de philosophie komt de idee tot haar adaequaat begrip; zij

is het absolute weten, het weten der menschheid van God, het weten

Gods van zichzelf. Naar deze wijsgeerige gedachten trachtte Hegel alle

christelijke dogmata, triniteit, menschwording, verzoening, enz. te

verklaren. Velen geloofden aan de Hegelsche verzoening van theologie

en philosophie; de zoogenaamde rechterzijde Marheinecke, Daub, Göschel,

Rosenkranz bewerkte de dogmata in zijn geest en trachtte Hegelsche

speculatie en orthodoxe theologie te vereenigen. Maar allengs werd

openbaar, wat gevaar er in de Hegelsche philosophie voor de christelijke

dogmata verscholen lag. Feuerbach, Strauss, Vatke, Bruno Bauer trokken

de consequenties en gaven de voorstelling, die het kleed is der

religie, prijs om alleen over te houden het abstracte begrip. Strauss

zag in de Evangelieverhalen onbewuste symbolische verdichtingen van de

ideale waarheid, dat het Oneindige zich uitstort in het eindige, echter

niet in een enkel mensch maar in de menschheid; deze is de ware zoon

van God, de ideale Christus. In zijne Glaubenslehre 1840 beproeft hij aan

te toonen, dat de geschiedenis van elk dogma tegelijk zijne kritiek en

ontbinding is. Religie en philosophie verschillen in vorm, maar daarom

ook in inhoud; de philosophie vervangt de religie. De neo-Hegelianen,

Biedermann, Pfleiderer, zijn wel behoedzamer geworden, maar hebben

toch van Hegel overgenomen, dat het denken staat boven het religieus

bewustzijn en dus tot taak heeft, om de religieuse voorstelling van

haar tijdelijken, zinnelijken vorm te ontdoen, in haar ideale kern

voor te stellen en in overeenstemming te brengen met onze gansche

wereldbeschouwing.

26. Terwijl Hegels philosophie alzoo tot verwerping van het Christendom

leidde, werd vooral sedert 1830 bekend, dat Schelling allengs het

identiteitssysteem verlaten had en thans eene positieve philosophie

ontwikkelde, waarin niet de noodwendigheid maar de vrijheid heerschte

en waarin de wil en de daad in de plaats trad van het logisch proces.

Evenals Hamann, Lavater, enz. in de vorige eeuw, zoo kwam Schelling

allengs tot de overtuiging, dat er nog een ander, dieper zijn en leven

is dan dat van het logisch verstand, nl. dat van den wil, van de daad,

van de vrijheid. Maar alle leven is worden, een wisselwerking van

tegenstellingen. Zoo is het in God, en zoo is het in de wereld. In God

is eerst de donkere natuurgrond, dan het verstand, en uit beiden wordt

de wil geboren. In de wereld is eerst de chaos, dan de geest, daarna

de kosmos. En zoo is in de religie eerst de natuurlijke drift in het

Heidendom, dan het Woord of het Licht in Christus, en eindelijk het zijn

van God in allen. Onder invloed van Böhme en Oetinger verbond Schelling

daarmede allerlei theosophische bespiegelingen. De theosophie houdt

zich altijd op met twee problemen, met den overgang tusschen God en

wereld en tusschen ziel en lichaam. Het eerste probleem wordt hierdoor

opgelost, dat de grond der wereld in de natuur van God wordt gezocht,

en dat de theogonie, het trinitarisch proces in God, min of meer

geidentifieerd of althans geparalleliseerd wordt met de kosmogonie.

God zelf komt eerst tot volle ontvouwing van zijn wezen in en door het

wereldproces. Het tweede probleem wordt op dezelfde wijze door de idee

der Geistleiblichkeit opgelost. Het geestelijke, God, de ziel, is niet

in strikten zin onlichamelijk, wel niet stoffelijk, maar übermateriell,

en zoo heeft de geest op zijn beurt de taak, om het lichaam, de wereld,

wier grove stoffelijkheid een gevolg der zonde is, te vergeistigen

en te vergeistlichen. Deze theosophische speculatie van Schelling

vond ingang in de theologie: Baader, Görres, Windischmann, J. F. von

Meyer, Steffens, Wagner, Stahl, Rothe, Hamberger, Fr. Hoffmann, Keerl,

Osiander, Lange, Delizsch, Bähr, Kurtz, Splittgerber, hebben allen in

meerdere of mindere mate zijn invloed ondergaan.

27. Het was natuurlijk, dat er tegen deze velerlei vermenging van

theologie en philosophie verzet kwam van de zijde der kerkelijke

orthodoxie. Op de theologie der bemiddeling moest wel eene der

scheiding volgen. De studie der confessie, de historische dogmatieken

van de Wette, Bretschneider, Hase, Schmid, Schneckenburger kwamen aan

het confessioneel bewustzijn ten goede. Altlutheraner zooals Guericke en

Rudelbach, Neolutheranen zooals Harms, Hengstenberg, Keil, Philippi,

Vilmar, Kliefoth, Höfling, Thomasius, Hofmann, mannen der positieve

Union zooals Kahnis, Luthardt, Zöckler, H. Schmidt, Frank, Grau,

enz. arbeidden aan het herstel der oude Luthersche theologie. Toch

waren ook zij kinderen van hun tijd. Het Piëtisme werkte na in mannen

als Hengstenberg en Tholuck. Vilmar, Löhe, Münchmeyer e. a. waren in

hunne opvatting van kerk. sacrament en ambt niet vrij van Roomsche

overdrijving; de Zuidduitsche theologen in Erlangen, Thomasius, Hofmann,

en ook de tegenwoordige positieve theologen staan vrijer tegenover de

confessie en wijken in belangrijke punten, Christologie, voldoening,

Schrift van de oud-luthersche dogmatiek af. Zelfs een zoo orthodox

Lutheraan als Philippi gaat evenals Hofmann en Frank van het subjectief

geloofsbewustzijn uit en heeft dus zijn uitgangspunt aan Schleiermacher

ontleend. Naast deze confessioneele staan de Bijbelsche theologen,

onder wie Beck de voornaamste is, die het dogmatisch systeem niet uit

het geloovig bewustzijn noch ook uit de confessie maar alleen uit de

Schrift willen opbouwen. Maar Beck vatte die Schrift op in den zin dier

mystieke theosophie, welke sedert Oetinger en Michael Hahn in Zwaben

beoefend werd, als een systeem van hemelsche waarheden, die afdruk

waren van hemelsche krachten en deze door de werking des H. Geestes

in de ziel des menschen inplantten, en kwam daardoor dikwerf tot eene

vrij willekeurige exegese, en tot een systeem, dat wel diep en origineel

was maar ook van een eenzijdig ascetisme en individualisme niet vrij te

pleiten was.

28. Nog van eene andere zijde kwam er oppositie tegen de vermenging van

philosophie en theologie. Liebmann, in zijn werk Kant und die Epigonen,

Stuttgart 1865 en F. A. Lange, in zijne Geschichte des Materialismus

1866 gaven op wijsgeerig gebied het parool: naar Kant terug. De

speculatie van Hegel en Schelling had tot niets geleid; het verstand

moest wederom tot besef komen van zijne eindigheid en beperktheid, en

geen kennis van het bovenzinlijke zich aanmatigen. Er moge daarnaast

plaats over blijven voor het geloof, de verbeelding, maar de rede is tot

het zinlijk-waarneembare beperkt. Dit standpunt van het Neo-Kantianisme

werd op dogmatisch gebied ingenomen door Lipsius en Ritschl. Maar

met niet onbelangrijk verschil. Lipsius erkent, Ritschl ontkent het

mystieke element in de religie. Lipsius acht de religie eene eigene,

zelfstandige macht, Ritschl laat ze bijna geheel in het ethische opgaan.

Lipsius acht de religie in de eerste plaats eene zaak van het individu,

Ritschl van de gemeenschap. Lipsius tracht de religieuse voorstellingen

in elk geval nog in overeenstemming te brengen met de resultaten der

wetenschap, Ritschl scheidt theologie en wetenschap geheel en al.

Voor Lipsius is de genade Gods in Christus, voor Ritschl is het door

Christus gestichte Godsrijk de hoofdinhoud der openbaring enz. Maar

beiden sluiten zich toch aan bij Kant’s afkeer van metaphysica, bij zijne

leer van de beperktheid van het menschelijk kenvermogen. Daarom wil

Ritschl volledige scheiding van metaphysica (philosophie, wetenschap)

en religie (theologie). De religie en theologie spreekt geen zijns- maar

waardeeringsoordeelen uit. Zij zegt niets over het onkenbare wezen der

dingen maar spreekt alleen uit de waarde en beteekenis, die ze hebben

voor ons. Door zulk eene scheiding tracht Ritschl aan de religie en

theologie eene eigene, voor de wetenschap onaantastbare plaats te

verzekeren. De religie steunt niet op de wetenschap, maar is gegrond op

een eigen beginsel, op de zedelijke natuur van den mensch. Zij heeft een

eigen inhoud, n.l. geen zijns- maar waardeeringsoordeelen, d. i. zuiver

relig.-ethische uitspraken. Zij heeft een eigen doel, n.l. om den

mensch in ethischen zin onafhankelijk te maken van de wereld. Ritschl’s

theologie heeft thans grooten invloed, niet alleen in maar ook verre

buiten Duitschland. Verschillende oorzaken verklaren haar opgang. De

schijnbare verzoening van gelooven en weten, de religieus-ethische

opvatting der religie, de aansluiting aan de openbaring Gods in

Christus, aan de H. Schrift en aan de theologie van Luther en

Melanchton, de verwerping van alle theol. naturalis en scholastieke

dogmatiek enz. hebben aan deze theologie een plotselinge verbreiding

en een buitengewonen opgang bezorgd. Eene schare van mannen, Herrmann,

Kaftan, Häring, Harnack, Schürer, Gottschick, Kattenbusch, Stade,

Wendt, Schultz, Lobstein enz. hebben zich bij haar aangesloten, en

passen hare beginselen op heel het veld der theol. wetenschap toe. Toch

is de Ritschl’sche leer van het kenvermogen, de volledige scheiding van

theologie en metaphysica, de moralistische opvatting van de religie, de

beperking van de religie tot waardeeringsoordeelen, enz. onbevredigend.

Ook deze richting zal op den duur noch het hoofd noch het hart kunnen

bevredigen, cf. mijn opstel over de Theol. van Ritschl in de Theol.

Stud. van Dr. Daubanton e. a. 1888.

E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk.

29. Bij alle overeenstemming, tot zelfs in de belijdenis der

praedestinatie toe, was er van den aanvang af toch een belangrijk

verschil tusschen de Duitsche en de Zwitsersche reformatie. Het

onderscheid in land en volk, waar Luther en Zwingli optraden, het

verschil in afkomst, opvoeding, karakter en levenservaringen werkten

er toe mede om beide uiteen te doen gaan. Het duurde slechts kort,

eer het aan het licht trad, dat beide hervormers van een anderen

geest waren. In 1529 werd te Marburg nog wel de vrede geteekend, maar

alleen op papier. En toen Zwingli wegviel en Calvijn, in weerwil van

zijne hoogachting voor Luther en in zijne toenadering in de leer van het

avondmaal, toch principieel de zijde van Zwingli koos, toen werd de

scheuring tusschen luthersch en gereformeerd Protestantisme hoe langer

hoe grooter en een feit, dat niet meer ongedaan kon gemaakt worden. De

historische onderzoekingen naar het kenmerkend onderscheid van beide

in deze eeuw hebben duidelijk aangetoond, dat er een verschil van

beginsel aan ten grondslag ligt. In vroeger tijd somde men eenvoudig

de dogmatische verschillen op, zonder ze tot een gemeenschappelijk

principe te herleiden, Hoornbeek, Summa Controv. 1653 p. 618. Maar

Max Goebel, Die relig. Eigenthümlichkeit der luth. u. ref. K. 1837,

holl. vert. Gron. Smit 1841, leverde de eerste proeve van eene

historische en principieele verklaring van beider onderscheid. Sedert

hebben verschillende mannen dat onderzoek voortgezet, zooals Ullmann,

Semisch, Hagenbach, Ebrard, Herzog, Schweizer, Baur, Schneckenburger,

Guder, Schenkel, Schoeberlein, Stahl, Hundeshagen, wier werken

aangehaald en beoordeeld worden door Voigt, Fundamentaldogmatik, 1874

S. 397-480, Scholten, Leer der Herv. Kerk, 4e dr. II 309 v. enz. Het

onderscheid schijnt nog het best daardoor weergegeven te worden, dat

de gereformeerde theologisch, de luthersche anthropologisch is. De

gereformeerde blijft niet in de historie staan, maar klimt op tot de

idee, tot het eeuwig besluit Gods; de luthersche neemt zijn standpunt

midden in de heilsgeschiedenis en heeft geen behoefte om dieper in den

raad Gods door te dringen. Bij de gereformeerden is daarom de verkiezing

het cor ecclesiae, bij de lutherschen is de rechtvaardigmaking het

articulus stantis et cadentis ecclesiae. Daar is de eerste en

voornaamste vraag: hoe komt God tot zijne eer; hier daarentegen: hoe

komt de mensch tot de zaligheid. Daar is de strijd vooral tegen het

paganisme, de afgoderij; hier tegen het judaïsme, de werkheiligheid

gericht. De gereformeerde heeft geen rust, voor hij rugwaarts alles tot

het besluit Gods heeft herleid en het διοτι der dingen heeft opgespoord

en voorwaarts alles aan de eere Gods heeft dienstbaar gemaakt; de

luthersche is met het ὁτι tevreden en geniet in de zaligheid, die hij

door het geloof deelachtig is. Uit dit verschil in beginsel laten

zich de dogmatische controversen in de leer van het beeld Gods, de

erfzonde, den persoon van Christus, de heilsorde, de sacramenten, de

kerkregeering, de ethiek enz. gemakkelijk verklaren.

De geschiedenis der geref. dogmatiek is veel moeilijker te beschrijven

dan die van de luth. De geref. kerk is niet tot één land en volk

beperkt, maar heeft zich in verschillende landen en onder verschillende

volken uitgebreid. De geref. type is niet in ééne belijdenis neergelegd

maar heeft in tal van confessies uitdrukking gevonden. De dogmatische

ontwikkeling, bijv. in de leer der verkiezing, der rechtvaardiging,

der wedergeboorte, der sacramenten enz. is in de geref. kerk veel

rijker en veelzijdiger dan in de luth. geweest. En eindelijk is de

geschiedenis van de geref. dogmatiek veel minder beoefend dan die

van de andere kerken; er ligt hier nog een veld voor het onderzoek

open. De voornaamste werken, die over haar handelen zijn: C. M. Pfaff,

Introductio in historiam theol. literariam, Tüb. 1724 p. 258 sq. Walch,

Bibl. theol. sel. I 211 sq. B. Pictet, De Christel. Godg., holl. vert.

1728 deel III. A. Ypey, Beknopte letterk. gesch. der system. Godg. 3

deelen, 1793-98 I 200 v. II 55 v. Id. Gesch. v. d. Krist. Kerk in de

18e eeuw, Utrecht, 1797 v. deel VII en VIII. A. Schweizer, Die Glaub.

der ev. ref. K. 1844 I 1-134. Id. Die Centraldogmen der ref. K. 2 Bde.

1854, ’56. J. H. A. Ebrard, Christl. Dogm. 2e Aufl. 1862 I 44 f. J.

H. Scholten, Leer der Herv. K. I 67 v. C. Sepp, Het godg. onderwijs in

Nederl. gedurende de 16e en 17e eeuw, 2 deelen, Leiden, 1873, ’74.

Voorts de boven aangeh. werken van Gasz, Dorner, Frank, Ritschl enz. en

de later te noemen litteratuur.

30. De Gereformeerde dogmatiek begint met Zwingli. Bij hem zijn de

grondgedachten reeds aanwezig, het theol. uitgangspunt, de volstrekte

afhankelijkheid des menschen, de praedestinatie, de menschelijke natuur

van Christus, de geestelijke opvatting van kerk en sacrament, de

ethische en politieke strekking der reformatie. Maar Zwingli heeft nog

vele leemten in zijne theologie; door zijn humanisme vat hij de zonde

en de verzoening te ondiep op; door zijn spiritualisme zet hij God en

mensch, divina en humana justitia, teeken en beteekende zaak in het

sacrament enz. abstract dualistisch tegenover elkaar; zijn klaarheid

en helderheid van gedachte kan het gemis aan diepte niet vergoeden;

en tot een eenigszins afgerond en samenhangend systeem komt het bij

hem niet. Zwingli heeft slechts de algemeene omtrekken ontworpen,

binnen welke de verschillende richtingen in de Geref. kerken zich

later bewogen hebben. Eerst Calvijns organiseerende en systematische

geest gaf aan de Zwitsersche reformatie haar belijnde leer en vaste

organisatie. Zijne theologie stond reeds bij de eerste uitgave zijner

Institutie in 1536 vast. Er is uitbreiding, ontwikkeling maar geen

verandering. Calvijn onderscheidt zich daarin van Zwingli, dat hij alle

wijsgeerige en humanistische ideeën bant en zich zoo streng mogelijk

aansluit aan de Schrift. Voorts handhaaft hij beter de objectieviteit

van de christelijke religie, van het verbond Gods, van den persoon

en het werk van Christus, van Schrift, kerk en sacrament en staat

daarom sterker tegen de Wederdoopers. Verder overwint hij zoowel de

tegenstelling van Luther tusschen het geestelijke en wereldlijke als die

van Zwingli tusschen vleesch en geest, en is daarom wel rigoristisch

maar in geen enkel opzicht asceet. Eindelijk brengt hij in zijne gedachten

eenheid en systeem, iets, wat noch Luther noch Zwingli vermocht,

en vergeet daarbij toch nooit het verband met het christelijk leven.

Calvijn wist allengs heel Zwitserland, ook in zake de avondmaalsleer

(Consensus Tigurinus 1549) en de praedestinatie (Consensus Genev.

1552, Tweede Helv. Conf. 1564) voor zich te winnen, Hundeshagen, Die

Conflikte des Zwinglianismus, Lutherthums und Calvinismus in der

Bernischen Landeskirche von 1532-1558, Bern 1842. De Institutie van

Calvijn werd weldra overal bestudeerd. Die van Bern beriepen zich later

evenzeer op Calvijn als die van Genève, Zurich, Bazel en Schaffhausen.

Geheel in Calvijns geest werd de dogmatiek in Zwitserland in deze 16e

eeuw behandeld door Beza, Tractationes theol. 1570, Petrus Martyr

Vermiglius, Loci Communes 1576, Musculus, Loci Comm. 1560, 1567 en

Aretius, Theol. problemata 1579.

Van Zwitserland breidde Calvijns theologie zich naar Frankrijk uit. Hij

droeg zijne Institutie in 1536 aan Frans I met eene voorrede op. Hij werd

de ziel der Fransche reformatie. Zijne leer werd algemeen aangenomen;

zijne werken werden in ’t Fransch vertaald en verspreid; bij hem zocht

men raad en troost, en velen gingen naar Genève om opgeleid te worden

tot den dienst des woords. De voornaamste theologen in Frankrijk in deze

eeuw waren Chandieu † 1591, die onder den pseudoniem Sadeel, Zamariel

verschillende theol. tractaten schreef, de verbo Dei, de Christi

sacerdotio, de remissione peccatorum enz., Marlorat † 1562, schrijver

van Thesaurus S. Scripturae in locos comm. rerum et dogmatum, uitgeg.

in 1574 door Feugueraeus, en du Plessis Mornay † 1623, die bekend is

door zijn Traité de l’Eglise 1578, Traité de la vérité de la religion

chrétienne 1581 en vooral ook door zijn in citaten zeer onnauwkeurig Le

mystère d’iniquité c’est à dire l’histoire de la papauté 1611.

Door de uitgewekenen naar Oostfriesland, de Paltz, Kleefsland, en van

uit het Zuiden drong het Calvinisme ook in Nederland door. Calvijns

Institutie werd reeds 1560 in ’t Ned. vertaald. Dathenus, de Brès,

Modet, Marnix, Caspar Heydanus e. a. waren strenge Calvinisten. Velen

zochten in Genève en Heidelberg hun opleiding. Maar reeds 1575 werd

de akademie te Leiden, en 1585 die te Franeker gesticht. Feugueraeus,

Danaeus, Saravia, Trelcatius Sr., Bastingius, Junius waren te Leiden;

Lubbertus, Lydius en Nerdenus waren te Franeker de beroemdste

hoogleeraren in deze eeuw. De theol. arbeid bestond voornamelijk in

polemiek tegen Rome en tegen de Wederdoopers. Maar toch zagen reeds

verschillende dogmatische handboeken het licht, van Gellius Snecanus,

Methodica descriptio et fundamentum trium locorum communium S. Scr.

1584, van Bastingius de eerste verklaring van den Catechismus 1590,

van Feugueraeus Propheticae et apostolicae, i. e. totius divinae et

canonicae scripturae thesaurus 1574, van Trelcatius Sr. Loci Communes

1587, van Junius Theses Theologicae (Opera Omnia I 1592 sq.).

Ook in Engeland en Schotland vond het Calvinisme ingang. Het kwam

daar in strijd niet alleen met Rome, maar ook met de reformatie, die

van boven af door Hendrik VIII en Elisabeth ondernomen werd. De

Hervormingsgezinden, die onder Maria naar het vasteland vluchtten,

kwamen hier in kennis met de leer van Calvijn, Bullinger, Beza, Martyr

enz. en ergerden zich straks bij hun terugkeer aan de halfheid der

Engelsche reformatie. Het verschil liep eerst over de ceremoniën.

In de leer waren Puriteinen en Anglikanen het oorspronkelijk eens.

De Engelsche theologie droeg tot in het begin der 17e eeuw toe een

beslist Calvinistisch karakter. Op de Universiteiten werd Calvijns

Institutie onderwezen. Zelfs de episcopale regeeringsvorm werd door

Cranmer, Jewel, Hooker e. a. niet als de eenig ware, maar alleen

in het belang van het welzijn der kerk verdedigd, Schaff, Creeds of

Christendom, 3 vol. New-York 1881 I 602 etc. Maar toen in en sedert

1567 de nonconformisten, onder wie Pilkington, Whittingham, Thomas

Sampson en Humphrey uit Oxford de voornaamste waren, zich afscheidden,

breidde de strijd over heel de kerkregeering zich uit. De krachtigste

voorstander van den presbyterialen kerkvorm was Thomas Cartwight,

prof. te Cambridge, 1570 afgezet, 1603 gestorven. En tegen het einde

der eeuw kwam daar nog een verschil in de leer bij; William Perkins

† 1602, Alle de werken, 3 vol. Amst. 1659 v. en William Whitaker

† 1595, Opera, Genev. 1610 2 vol., hoogleeraren te Cambridge, trachtten

de praedestinatie nog te handhaven in de 9 Lambeth-artikelen, Schaff,

Creeds I 658 III 523, welke zij aan Elisabeths raadsman Whitgift

voorlegden, maar het hoogkerkelijke en het pelagiaansche gevoelen

nam hoe langer hoe meer de overhand. In Schotland werd echter het

Calvinisme door John Knox † 1572, John Craig † 1600, e. a. met kracht

ingevoerd en eindelijk ook door den Koning erkend 1581.

In Duitschland was de Geref. kerk en theologie minder afhankelijk

van Calvijn. De Heid. Catechismus, de theologie van Pareus, Ursinus,

Olevianus, Hyperius, Boquinus, ook van à Lasco vertoont in veel

opzichten een eigen karakter. Hofstede de Groot, Ebrard en Heppe hebben

deze eigenaardigheid uit Melanchton verklaard; maar deze voorstelling

is onhistorisch en voldoende weerlegd. Veel beter wordt ze door Prof.

Gooszen in twee studiewerken over den Heid. Catech. 1890 en 1893 en

door Dr. Van ’t Hooft, De Theol. van Heinrich Bullinger 1888 uit

den opvolger van Zwingli in Zurich afgeleid. Toch is er tusschen de

theologie van Calvijn en van Bullinger geen enkel zakelijk, maar alleen

een formeel en methodologisch verschil. Het is het onderscheid tusschen

het supra- en het infralapsarisme, tusschen het streng-theologisch en

het foederalistisch uitgangspunt, dat altijd in de Geref. kerken heeft

bestaan en over en weer als gereformeerd is erkend, cf. mijn opstel

Calvin. en Geref. in De Vrije Kerk, Febr. 1893, en de repliek van Prof.

Gooszen, Geloof en Vrijheid, Dec. 1894. Naast Ursinus en Olevianus

werkte dan ook in Heidelberg de streng-calvinistische Zanchius.

31. Reeds tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie

de scholastische methode op. De eenvoudige behandeling der dogmata,

gelijk we die bij Calvijn, Hyperius, Sohnius aantreffen, kon op den duur

niet voldoen. Bij Martyr, Sadeel, Junius treffen we al bekendheid aan

met de vraagstukken, die in de MiddelE. door de scholastici werden

behandeld. Vooral Zanchius † 1590 is in zijne werken De tribus Elohim,

de natura Dei, de operibus Dei, de incarnatione (Opera Omnia in 8

tomi, Geneve 1619) en Polanus a Polansdorf † 1610 in zijn Syntagma

Theologiae met de theologie der kerkvaders en der scholastici

uitnemend vertrouwd. Op schoolsche manier wordt dan de dogmatiek in

de Geref. kerken in deze eeuw behandeld, in Nederland door Trelcatius

Jr., Scholastica et methodica locorum omnium S. Scr. institutio 1604,

Nerdenus, Systema theol. 1611, Maccovius, Collegia theologica 1623,

ed. 3a 1641. Loci Comm. Theol. 1626, Fr. Gomarus, Opera theol. omnia

Amstel. 1664, Gisb. Voetius, Disputationes sel. 5 partes, Ultraj.

1648-59, en elders vooral door J. H. Alsted, prof. te Herborn en

Weissenburg † 1638, Theol. scholastica didactica, exhibens locos

communes theol. methodo scholastica 1618. De scholastieke methode

vond echter lang niet algemeene instemming. Maccovius kreeg op de

Dordsche Synode de vermaning, ut cum Spiritu Sancto loquatur, non

cum Bellarmino ant Suarezio, Heringa, De twistzaak van Maccovius,

Archief voor Kerk. Gesch. III 1831 bl. 505 v. De twist van Maccovius

en Amesius, ib. bl. 643 v. en Van der Tuuk, Joh. Bogerman bl. 229 v.

en van Maresius tegen Voetius had in dezelfde scholastieke methode

haar grond. Maresius noemde Voetius een theologus paradoxus, telde

niet minder dan 600 paradoxa in zijne theologie op, en beschuldigde

hem vooral dat hij lacum asphaltidem scholasticorum derivare in

fontem Siloe; zie zijn Theologus paradoxus retectus et refutatus

1649 en daartegen Voetius, Disput. Sel. V. 572-716. Maar ook waar

men voor wijsgeerige terminologie, scholastieke distincties en ijdele

schoolsche vragen zich wachtte en de waarheid in meer eenvoudigen

vorm voordroeg, was de 17e eeuw toch de eeuw der objectieviteit. De

stof lag gereed, ze behoefde alleen geordend te worden. De traditie

werd eene macht. Niet alleen de Schrift, maar ook de belijdenis, ja

zelfs de dogmatische behandeling kreeg eene onaantastbare autoriteit

en deed Camero de klacht slaken, dat men in de leer niet afwijken kon

ἀπο των δοκουντων εἰναι στυλοι, zonder vervolgd te worden, Schweizer,

Centraldogmen II 237. De voornaamste godgeleerden in ons land waren

Polyander, Walaeus, Thysius en Rivetus, schrijvers der Synopsis

Purioris theologiae, Trigland, Hoornbeek te Leiden; Maccovius,

Acronius, Amesius, Schotanus, Bogerman, Cloppenburg, Arnoldus te

Franeker; Ravensperger, Gomarus, H. Alting, Maresius te Groningen;

Voetius, Essenius, Mastricht, Leydecker te Utrecht; verder Bucanus

te Lausanne, Wollebius te Bazel; Danaeus, Franc. Turretinus en B.

Pictet te Genève; J. H. Heidegger en J. H. Hottinger te Zurich;

Chamier, Bérault, Garissoles te Montauban; Tilenus, Dumoulin, Beaulieu

te Sedan; voorts Benj. Basnage, David Blondel, Sam. Bochartus, Jean

Mestrezat, Charles Drelincourt, Jean Daillé en vooral de theologen te

Saumur Camero, Amyraldus, Cappellus, Placaeus, cf. Félice, Histoire

des Protestants de France 7e ed. 1880. In Engeland won in de 17e eeuw

de hoogkerkelijke en arminiaansche richting veld; zij vond steun hij

de Stuarts, bij de aartsbisschoppen, bij den adel, en werd bevorderd

door Bancroft, den opvolger van Whitgift 1604-1610, die in een preek

1589 het episcopaat als noodzakelijk verdedigde, Buckingham 1625-28,

aartsbisschop Laud 1628-45, Lord Clarendon † 1674. Daarentegen

waren er nog vele theologen in de Anglikaansche kerk, die wel het

Episcopalisme verdedigden maar toch trouw aan het Calvinisme bleven.

Zoo Whitgift, aartsbisschop van Canterbury, 1583-1604, raadsman van

Elizabeth, aartsbisschop Abbot 1604-1623, 1622 in ongenade gevallen, de

afgevaardigden ter Dordsche Synode Carlton, Hall, Davenant, prof. in

Cambridge, later bisschop van Salisbury, Determinationes quaestionum

quarundam theologicarum, Cambr. 1634, Ward, Goad, Balcanqual en voorts

mannen als Burton, Warton, Prynne, Rouse, Preston, Usher, Corpus

theologiae, Dublin 1638, holl. vert. van Ruytingius, ’t Lichaam der

Godd. leer Amst. 1656, Morton, Joh. Prideaux, Lectiones theologicae,

Scholasticae theologiae syntagma 1651, Saunderson, Hammond, Opera Omnia

Lond. 1684, Westfield, Stillingfleet, Op. Omn. Lond. 1709, Tillotson

aartsb. van Canterbury, Works Londen 1704, John Pearson, Exposition

of the Creed 1659, Lectiones de Deo et ejus attributis, Burnet † 1715

prof. in Glasgow, later bisschop van Salisbury, An exposition of the

39 articles. Roger Boyle, Summa theologiae christ. Dubl. 1687. J.

Forbesius a Corse, prof. te Aberdeen, Instructiones histor. theol.

de doctrina christ. 1699. Thomas Pierce, Pacificatorium orthodoxae

ecclesiae corpusculum 1685. Foggius, Theol. speculativae schema 1712.

W. Beveridge, Thesaurus theol. or a complete system of divinity Lond.

1710-11. Th. Bennet, Instructions for studying 1 a general system or

body of divinity, 2 the 39 articles of religion, Lond. 1715. Onder

de Puriteinen zijn uit deze periode vooral bekend Bradshaw, Raynolds,

Baynes, Byfield, Rogers, Hooker, White, Archer, Hildersham, Davenport,

Lightfoot, Seldenus, Twissus, Calamy, Gataker, Baxter, Bates,

Mead, Owen enz. Het Arminianisme had in Engeland, zoowel onder de

dissenters als onder de Anglikanen grooten invloed. En daarnaast werd

vanuit Frankrijk ook het Amyraldisme in Engeland overgebracht. Beide

vloeiden dikwerf saam en vonden hun vereeniging in de neonomiaansche

theorie, die tot een belangrijken en langdurigen strijd aanleiding gaf.

De neonomianen legden den grond der rechtvaardiging in het geloof,

zooals b.v. de Arminiaan John Goodwin, de vriend van Milton, in zijn

The banner of justification displayed, Imputatio fidei 1642, Richard

Baxter, Justifying Righteousness, Dr. Dan. Williams, Works, 1750. Benj.

Woodbridge, The method of grace in the justification of sinners 1656.

Daartegenover stonden anderen, die ten onrechte anti-nominianen werden

genoemd maar eigenlijk anti-neonomianen moesten heeten en den grond

der rechtvaardiging alleen stelden in de toegerekende gerechtigheid

van Christus, zooals Dr. Crisp, Dr. Tully, Justificatio paulina

sine operibus 1677. Isaac Chauncy, Neonomianism unmasked 1692. Id.

Alexipharmacon, a fresh antidote against neonomian bane 1700. John

Eaton, The honeycombe of free justification by Christ alone 1642,

William Eyre, Vindiciae justificationis gratuitae 1654 enz., verg.

Witsius, Misc. Sacra II p. 753 Sq. James Buchanan, The doctrine of

justification, Edinburgh Clark, 1867 p. 176, 464. Over het algemeen

genomen, lag echter het zwaartepunt der Engelsche theologie niet in

de dogmatische maar in de bijbelsche, kerkhistorische, patristische,

archaeologische en praktikale studiën. De staatkundige en kerkelijke

verhoudingen gaven daar vanzelf aanleiding toe, Gass, Gesch. der prot.

Theol. III 297 f. Ypey, Syst. Godg. II 268 v. en voorts Weingarten,

Die Revolutionskirchen Englands 1868. Neal, Historie der Puriteinen,

Rott. 1752 v. Marsden, History of the early and later Puritans from

the reformation to the ejection of the nonconf. clergy in 1662, 2

vol. London 1852. Dr. Stoughton, History of religion in England from

the opening of the long Parliament to the end of the 18th century,

8 vol. 1881. Dr. Tulloch, Rational theology and Christ. theology in

England in the 17th century, 2 vol. 1872. Rijker en krachtiger was naar

verhouding het dogmatisch leven in Schotland. Hier had het Calvinisme

een geschikten bodem gevonden en werd het in strengen, positieven geest

verder ontwikkeld. De voornaamste theologen in deze periode waren:

Rollock, sedert 1583 principal van de universiteit te Edinburgh,

schrijver van commentaren op de brieven van Paulus, de Psalmen, Daniël

en vooral ook van eene verhandeling over de krachtdadige roeping;

John Welsh, van Ayr, die tegen het Romanisme schreef; John Sharp,

die eene harmonie van de profeten en de apostelen in het licht gaf;

de gebroeders Simpson, Patrick, die eene kerkgeschiedenis gaf,

William, die over de Hebr. accenten schreef, en Archibald, die eene

uitlegging gaf van de zeven boetpsalmen; Boyd of Trochrigg, prof. te

Saumur, in 1614 principal van de universiteit te Glasgow, beroemd

door zijn commentaar op den brief aan Efeze, die niet alleen eene

uitlegging geeft maar een ware thesaurus is en allerlei dogmatische

en theologische excursen bevat, over triniteit, praedestinatie,

vleeschwording, zonde, doop, enz.; David Calderwood, die hier te lande

vertoefde en zijn Altare damascenum tegen het anglikaansche episcopaat

schreef; Samuel Rutherford, prof. te St. Andrews, bekend door zijne

Brieven niet alleen maar ook door vele andere werken, Exercitationes

apol. pro divina gratia 1637, de Providentia, Examen Arminianismi,

The spiritual Antichrist enz.; George Gillespie, schrijver van Nihil

respondes, Male audis, Aaron’s Rod blossoming, Miscellanies; en

voorts nog Baillie, Dickson, Durham, Dr. Strang, James Wood, Patrick

Gillespie, Hugh Binning e. a. cf. David Calderwood, The history of the

Kirk of Scotland, 7 vol. Edinb. 1842. Buckle, History of civilization

in England, 5 vol. Leipzig 1865, ch. 17-20. James Walker, The theology

and theologians of Scotland, Edinb. Clark 1872. Deze positieve

ontwikkeling der Geref. dogmatiek bereikt in zekeren zin haar hoogte-

en tegelijk haar eindpunt in de canones van Dordrecht 1618/19, in de

confessie en den catechismus van Westminster 1646, in den Consensus

Helveticus 1675, en de Walchersche artikelen 1693.

32. Maar reeds in de 17e eeuw waren de beginselen aanwezig, die

de Geref. theologie ondermijnden en tot verval brachten. In de

hervormingseeuw was er niet alleen eene Luthersche en Calvinistische

reformatie, maar daarnaast traden nog twee andere partijen op, nl.

de Wederdoopers en de Socinianen, die juist in de Geref. kerk en

theologie in Zwitserland, Nederland, Engeland, Amerika ten allen tijde

van grooten invloed zijn geweest. Zij vertegenwoordigen het mystieke en

het rationeele element in de religie en de theologie. Zie voor de

Wederdoopers en Mennonieten: oudere litteratuur van Luther, Melanchton,

Zwingli, Bullinger, a Lasco, de Bres, Modet, Marnix, Taffin, Caspar

Heydanus, Spanheim, Faukelius, Schotanus, Hoornbeek, Cloppenburg enz.

bij Walch Bibl. Theol. sel. II 13-29, en nieuwere litteratuur van

Arnold, Schenkel, Erbkam, Hase, Halbertsma, Blaupot ten Cate, Hoekstra,

Gorter, Cramer enz. bij Scholten, L. H. K. II 271-308. Voorts L. Keller,

Gesch. der Wiedertäufer u. ihres Reiches in Münster 1880. Goebel,

Gesch. des christl. Lebens u. s. w. I 1849 S. 134 f. Ritschl, Gesch.

des Pietismus I 1880 S. 22 f. J. H. Maronier, Het inwendig woord, Amst.

1890. L. Keller, Die Reformation u. die älteren Reformparteien, Leipzig

1885, verschillende opstellen van Sepp in zijne Geschiedk. Nasporingen,

2 deelen 1872/3 en Kerkhist. Studiën 1885. A. Brons, Ursprung, Entw.

u. Schicksale der Taufgesinnten oder Mennoniten, Norden 1884. Art.

Anabapt. en Mennon. in Herzog². Voor de Socinianen en Unitariërs van

vroeger en later tijd vergelijke men Fock, Der Socinianismus 1847.

Trechsel, Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socin, 2 Bde

1839/44. Art. Socin in Herzog². Harnack, Dogmengesch. III 653-691.

Het Arminianisme had reeds in de 16e eeuw zijne voorloopers in Coolhaes,

Coornhert, Wiggerts e. a. maar werd in ’t begin der 17e eeuw eene

macht in de kerk. Het kwam in verzet tegen de belijdenis van Gods

volstrekte souvereiniteit op de bekende vijf punten, de praedestinatie,

de voldoening, ’s menschen bedorvenheid, bekeering, en volharding.

Zie hun Remonstrantie, 1610 aan de Staten aangeboden, de Confessio en

de Apologia pro confessione, door Episcopius opgesteld, Opera II 69

sq. 95 sq.; van de confessie verscheen 1665 eene holl. uitgave door

Uytenbogaert. Arminius, Opera Theologica, Francof. 1631. Uytenbogaert,

Onderwijzing in de christ. religie 1640. Episcopius, Institut. Theol.

Opera I 11 sq. Limborch Theol. Christ. ed. 5a 1730. Curcellaeus, Opera

Theol. Amst. 1675.

Het Cartesianisme was in principe eene volkomene emancipatie van

alle autoriteit en van alle objectieviteit, en een opbouwen van heel

den kosmos uit het subject, uit het denken. Cogito, ergo sum. Het

verwerpen van alle traditie en de schijnbaar zekere mathematische

methode, langs welke Cartesius tot het bestaan van de wereld, van

God, van den geest besloot, behaagde aan velen. Cartesius kreeg vele

aanhangers, ook onder de theologen. Renerius en Regius in Utrecht;

Raey, Heerebord, Abr. Heydanus in Leiden, en voorts Roell, Bekker,

Joh. v. d. Waeyen, Hautecour, Andala, namen het Cartesianisme over

en droegen het rationalisme in de kerk in. De verhouding van rede

en openbaring werd nu de voornaamste kwestie; de rede emancipeert

zich van de openbaring en tracht hare zelfstandigheid te herwinnen,

A. C. Duker, Schoolgezag en eigen onderzoek, Leiden 1861. Daarbij

kwam nu nog het Coccejanisme, dat inderdaad aan het Cartesianisme

in methode verwant was. Het Coccejanisme was ook eene reactie tegen

de traditioneele theologie en kwam dan ook spoedig tegen het einde

der eeuw met het Cartesianisme in verbond. Het nieuwe in Coccejus †

1669 was niet zijne verbondsleer, gelijk thans algemeen erkend wordt,

want deze komt reeds bij Zwingli, Bullinger, Olevianus enz. en hier

te lande bij Snecanus, Gomarus, Trelcatius, Cloppenburg enz. voor,

maar zijne foederalistische methode. Coccejus’ Summa doctrinae de

foedere et testamento 1648 was eene bijbelsch-historische dogmatiek,

maakte de Schrift niet alleen tot principe en norma maar ook tot

voorwerp der dogmatiek, en plaatste zoo de theologia scripturaria

tegenover de theologia traditiva, het foedus tegenover het decreet,

de historie tegenover de idee, de anthropologische methode tegenover

de theologische; het gevaar dezer methode bestond daarin, dat zij het

eeuwige, onveranderlijke (substantia foederis) neertrok in den stroom

van het tijdelijke, historische (oeconomia foederis) en zoo op God zelf

de idee van het worden overbracht. Maar velen volgden de Coccejaansche

methode, Heydanus, Wittichius, Momma, Burman, Braun, Van der Waeyen,

Witsius, Camp. Vitringa, S. van Til, Joh. d’Outrein, F. A. Lampe e.

a., Diestel, Studien zur Foederaltheol. Jahrb. f. d. Theol. 1865, 2tes

Heft. De strijd van Voetianen en Coccejanen en daarna die van groene

en dorre, vrije en stijve Coccejanen duurde tot diep in de 18e eeuw

voort. Ze eindigde feitelijk met eene overwinning van het Coccejanisme

en het Cartesianisme. De scholastiek had haar tijd gehad, de bloei der

Aristotelische philosophie was voorbij. De meeste katheders werden

met Coccejanen bezet. De komst van Lampe te Utrecht 1720 was eene

overwinning der Coccejanen. De dogmatische handboeken, die nu het licht

zagen, zijn meest Coccejaansch, Melchior, Systema 1685. C. Vitringa,

Korte grondstellingen der Godg. 1688. S. van Til 1704. T. H. v. d.

Honert, Waeragtige wegen Gods 1706. Ravestein 1716, J. v. d. Honert

1735 enz. In hoofdzaak zijn ze nog orthodox, maar ze zijn meest klein van

omvang, vermijden alle scholastiek, en wijken op vele punten al van de

oude voorstelling af. Er rijst twijfel aangaande de bijzondere voldoening,

verkiezing, generatie des zoons (Roell), de triniteit (P. Maty), het

werkverbond (Alting, Vlak, Bekker, enz.), rede en openbaring (Roell).

De Voetianen werden meer en meer teruggedrongen, en trokken zich in de

stilte terug. Marck’s Merch 1686, holl. vert. 1705 en Brakels Redel.

Godsd. 1700 waren de laatste dogmatieken in hun geest, maar ook reeds

gespeend aan de kracht der vroegere. Piëtistische, labadistische,

anti-nomiaansche denkbeelden drongen in hun kringen door, Lodenstein,

Labadie, Koelman, Lampe, Verschoor, Schortinghuis, Eswijler, Antoinette

de Bourignon enz.

33. En zoo was het verloop der theologie in alle Geref. kerken.

In Frankrijk werd de akademie van Saumur middelpunt van allerlei

opzienbarende stellingen. Camero † 1625 sloot niet alleen in de

ontkenning der toerekening van Christus’ obedientia activa bij Piscator

in Herborn zich aan, maar leerde bovendien, dat de wil altijd het

verstand volgt en dat dus de buiging van den wil in de wedergeboorte

geene physische maar eene ethische daad was. Amyraldus † 1664 Traité

de la prédestination maakte de gewone leer van de voluntas signi,

van het ernstig en welmeenend aanbod der genade tot een afzonderlijk

besluit, dat aan dat der verkiezing voorafging. Hij legde daarmee een

remonstrantschen grondslag onder het Calvinistische gebouw en liep

gevaar om de onmacht des menschen tot ’t geloof tot eene zedelijke te

verzwakken. Cappellus † 1658 beweerde in zijn werk Arcanum punctationis

revelatum, 1624 anoniem uitgegeven te Leiden door Erpenius, dat de

Hebr. punten quoad figuram door de Joodsche geleerden later waren

uitgevonden en in den tekst gevoegd, en lokte tegenspraak uit van

Buxtorf 1648. In zijne Critica sacra 1650 leerde hij, dat de Hebr.

tekst niet ongeschonden was, en in zijn Diatribe de veris et antiquis

Hebraeorum literis 1645 dat ’t Samaritaansche schrift ouder was dan het

Hebr. kwadraatschrift. Placaeus, de statu hominis lapsi ante gratiam

1640 ontkende de onmiddellijke toerekening van Adams zonde. Claude

Pajon † 1685 loochende de noodzakelijkheid van de gratia interna, en

werd bestreden door Jurieu in zijn Traité de la nature et de la grâce

1687. De theologische strijd liep dus in Frankrijk vooral over den aard

der subjectieve genade. Camero beperkte haar tot verlichting des

verstands, Amyraldus maakte de objectieve genade universeel, Pajon

leerde ’t overbodige eener bijzondere subjectieve genade. Het deïsme en

rationalisme werd hierdoor voorbereid.

In Engeland was er onder de nonconformisten groote verscheidenheid.

De Presbyterianen gingen na de Westminster Synode zoowel in aantal

als in invloed achteruit, en moesten de plaats ruimen voor het

Independentisme, dat reeds in de 16e eeuw werd omhelsd door Robert

Browne, Johnson, Ainsworth en John Robinson † 1625, Works, 3 vol.

London 1851, cf. Ned. Archief v. K. Gesch. v. Kist en Royaards 1848

VIII bl. 369-407, en tijdens den burgeroorlog in macht en aanzien

toenam. Op de Westminster Synode hadden de Presbyterianen nog de

meerderheid en beschikten de Independenten nog slechts over enkele

stemmen, Thomas Goodwin † 1680, Philip Nye † 1672, Jeremias Burroughs †

1646, William Bridge † 1670, William Carter † 1658, Sydrach Simpson †

1658, Joseph Caryll † 1673 e. a. Maar reeds in Oct. 1658 waren op eene

vergadering te Londen afgevaardigden van meer dan honderd independente

gemeenten aanwezig. Daar werd de Savoy Declaration opgesteld, door

Hoornbeek 1659 in het latijn vertaald en achter zijne Epistola ad Duraeum

de Independentismo afgedrukt, Schaff, Creeds I 820-840 III 707. Hun

voornaamste theoloog was Dr. John Owen 1616-1683, Works, 21 vol.

London 1826; de Doctrina Christiana van Milton werd 1827 te Brunswijk

uitgegeven, Stud. u. Kr. 1879, 4tes Heft. Zie voorts Jos. Fletcher,

History of independency in England since the reformation 4 vol. London

1847-49, en andere litt. bij Schaff, Creeds I 820. Ook het Baptisme kwam

reeds in de 16e eeuw sporadisch in Engeland voor, maar begon toch eerst

sedert 1633 eigen gemeenten te vormen. In 1644 telde het 7 gemeenten

in en 47 buiten Londen. In 1677 gaven de Baptisten eene Confession of

faith, die alleen in de kerkregeering en den doop van de Westminster

confessie en de Savoy Declaration afweek. Op den grondslag van deze

confessie werd in 1693 door William Collins een catechismus opgesteld,

die algemeen werd aangenomen. Van de Calvinistische Baptisten zijn de

General, Arminian of Free-will Baptists onderscheiden. Het Baptisme

vond later vooral in Amerika verbreiding door Roger Williams † 1683.

Voor de dogmatiek heeft het weinig gedaan, maar het heeft in John

Bunjan † 1688, Robert Hall, John Foster, enz. machtige predikers

voortgebracht, Schaff, Creeds I 845-859, III 738-756. J. M. Cramp,

Baptist History from the foundation of the Christ. Church to the close

of the 18 century, Philad. 1868. De periode van den burgeroorlog was

in Engeland op religieus en theologisch gebied een tijd van de grootste

verwarring. Allerlei denkbeelden en richtingen woelden dooreen.

Vroeger werden deze voor even zoovele secten gehouden, maar veel beter

worden ze met Weingarten als nuanceeringen in de ééne groote partij

der Heiligen beschouwd. Arminiaansche, baptistische, chiliastische,

antinomistische, en zelfs libertijnsche gevoelens vonden ingang. Er

heerschte een religieus individualisme. In het Quakerisme bereikte

dit zijn toppunt. De emancipatie van de traditie, de confessie, het

kerkverband voltooit zich daarin, dat ieder geloovige op zich zelf

wordt gesteld, zelfs van de Schrift wordt losgemaakt, en in zich zelf,

in den Geest, in het inwendig licht de bron bezit van zijn religieuse

leven en kennen. Al het objectieve, Schrift, Christus, kerk, ambt,

sacrament wordt ter zijde gesteld; de geloovigen leven uit een eigen

beginsel en onderscheiden zich ook in de maatschappij door eigen zeden,

gewoonten, kleeding, enz. George Fox 1624-1640, Works, 3 vol. London

1694-1706 was stichter van deze secte, Robert Barclay 1648-1690,

Apologia theologiae vere christianae, Amst. 1675 was haar theoloog,

en William Penn 1644-1718 haar staatsman, William Sewel, History of

the rise, increase and progress of the christian people called Quaker,

London 1725. Th. Evans, An exposition of the faith of the religious

society of friends, Philad. 1828. Schneckenburger, Vorles. über die

Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 69 f. Weingarten,

Rev. Kirchen Englands 364 f. Möhler, Symbolik 492 f. Schaff, Creeds I

859-873. Herzog² art. Quäker.

Al deze individualistische lichtingen baanden den weg voor het Deïsme.

Het realisme van het Engelsche volkskarakter, het nominalisme van Duns

Scotus, Roger Bacon en Willem van Occam, de empiristische philosophie

van Francis Bacon † 1626 hadden het reeds voorbereid. En toen daar nu

in de 17e eeuw de verwarring bijkwam in de religieuse overtuigingen, en

heel Engeland in partijen en secten was verdeeld, ontwaakte bij velen

de gedachte, dat alleen in datgene, wat aan allen gemeen was, het

wezen der religie gelegen kon zijn. Het latitudarisme vond ingang en

liep op het deïsme uit. De rij der deïsten werd geopend door Herbert

van Cherbury † 1648, die in zijn werk de veritate 1624 en de religione

gentilium 1645 het wezen der religie tot vijf waarheden herleidde:

bestaan Gods, vereering Gods, deugd, berouw en vergelding; maar deze

oorspronkelijke, ware en zuivere godsdienst is op allerlei wijze door de

priesters vervalscht. Dit was het program van ’t deïsme. Van daaruit

werd nu vervolgens de strijd tegen de openbaring ondernomen. Locke †

1704, The reasonableness of christianity 1695, droeg aan de rede de

beslissing over de openbaring op. John Toland † 1722, Christianity not

mysterious 1696 sprak uit dat het Christ. niet alleen niets tegen maar

ook niets boven de rede bevatte. Anton Collins † 1729, Discourse on

freethinking 1713 beval het vrije, d. i. ongeloovige denken aan. Thomas

Woolston † 1731 schreef Discourses on the miracles of our saviour

1727-30 en trachtte deze door allegorie te verklaren. M. Tindal † 1733,

Christianity as old as creation 1730 stelde heel de openbaring ter

zijde. Het deïsme eindigde in skepticisme bij Henry Dodwell, Christianity

not founded on argument 1742. En deze skepsis werd op philosophisch

gebied door D. Hume † 1776 voltooid.

34. Ongeveer 1750 is overal het verval der Geref. theologie ingetreden.

De ontbindende elementen, reeds in de vorige eeuw aanwezig, werken

door en ondermijnen de dogmatiek. Nadat het Coccejanisme hier te lande

de overwinning had behaald, kwam van 1740 tot 1770 het tijdperk der

Toleranten. De kracht der waarheid werd verloochend; van de belijdenis

trok men zich naar de Schrift terug; eigenaardige geref. leerstukken,

erfschuld, werkverbond, bijzondere voldoening, enz. werden losgelaten;

onder schoonen vorm en bijbelschen naam kwamen allerlei remonstrantsche

en sociniaansche dwalingen op. De belijders der Geref. religie leggen

zich hoogstens nog bij het voorhandene neer, maar ze leven er niet

meer in en spreken er niet meer uit. De oude dogmatiek werd een

voorwerp van historische studie. Prof. Bernh. de Moor schreef een

Commentarius perpetuus in Marckii Compendium, 6 vol. Lugd. B. 1761-71,

en Ds. Martinus Vitringa gaf een commentaar op de Doctrina Christ.

religionis van zijn vader Campegius Vitringa, onder den titel Doctrina

Christ. relig. per aphorismos summatim descripta, ed. sexta. Cui nunc

accedit ὑποτυπωσις theologiae elencticae in usum scholarum domesticarum

Campegii Vitringae, curante Martino Vitringa, qui praefationem,

prolegomena et adnotationes adjecit, nec non analysin v. cl. Theodori

Scheltingae, 9 partes, Amst. 1761. Onder de weinigen, die met hart en

ziel aan de oude geref. leer vasthielden en ze met talent verdedigden

en verder ontwikkelden nemen Alex. Comrie † 1774, A. B. C. des geloofs

1739, Eigengesch. des zaligm. geloofs 1744, Verklaring van den Catech.

1753, Brief over de rechtvaardigmaking 1761, cf. Dr. A. G. Honig, Alex.

Comrie, 1892, Nic. Holtius † 1773, Verhandeling over de rechtv. door

het geloof 1750, en J. J. Brahé, Aanmerkingen wegens de vijf Walch. art.

1758 eene eerste plaats in. De beide eersten bonden in hun Examen van

het ontwerp van Tolerantie, in 10 Samenspraken, Amst. 1753-59 den strijd

tegen de Toleranten aan, onder wie de Hoogleeraren J. van den Honert,

J. J. Schultens en Alberti het vooral moesten ontgelden. Naast hen

verdient ook nog J. C. Appelius genoemd te worden, die bekend is door

zijn strijd over het avondmaal, Zedig en vrijmoedig onderzoek, enz. 1763.

Over het avondmaal 1764. Aanmerkingen over het rechte gebruik van het

Evangelie. Vervolg van de Aanmerkingen, enz. De Hervormde leer 1769.

Maar sedert 1770 nam de zoogenaamde neologie hoe langer hoe meer

aan invloed toe. Het Engelsche deïsme, het Fransche ongeloof en het

Duitsche rationalisme vond hier een vruchtbaren bodem. De revolutie

was een totale keer in de begrippen. De orthodoxie werd in den vorm

van een niet rationalistisch maar rationeel, gematigd, bijbelsch

supranaturalisme overgeleid naar de 19e eeuw, en had als zoodanig haar

voornaamste vertegenwoordigers in P. Chevallier, Schema Institutionum

theol. 1773-75. Br. Broes, Institut. Theol. theor. 1788. J. van Nuys

Klinkenberg, Onderwijs in den godsdienst 12 deelen 1780 v. Samuel van

Emdre, Katechismus der H. Godg. 1780. W. E. de Perponcher, Beschouw.

Godg. 1790 enz., inzonderheid H. Muntinghe, Pars theologiae christ.

theoretica 1800. En evenzoo ging het in andere landen. Frankrijk had

in de 18e eeuw geen eigen geref. theologie meer. De herroeping van

het edict van Nantes bande de beste krachten buiten ’s lands. In de

18e eeuw verwierven Paul Rabaut † 1794 en Antoine Court † 1760, zich

den eerenaam van herstellers der geref. kerk in Frankrijk. De Fransche

predikanten ontvingen hunne opleiding meest in Lausanne, waar een

eigen seminarie was opgericht voor de Fransche studenten naar het plan

van Antoine Court. In Zwitserland kon de Consensus Helvetius 1675 het

rationalisme niet keeren. J. E. Wettstein en zijn zoon in Bazel, J. C.

Suicerus en zijn zoon Henricus in Zurich, Mestrezat en Louis Tronchin

in Genève brachten er al bezwaren tegen in, Schweizer, Centraldogmen

II 663 v.; reeds in 1685 werden er pogingen in het werk gesteld om

haar terzijde te stellen, en in de 18e eeuw werden deze in Genève,

Bazel, Appenzell, Zurich, Bern enz. met goed gevolg bekroond. J. F.

Osterwald, pred. te Neufchatel † 1747 vormt den overgang van de 17e

eeuwsche orthodoxie tot het 18e eeuwsch rationalisme. In zijn Traité des

sources de la corruption, qui règne aujourd’hui parmi les Chrétiens

1700, Catéchisme 1702, Compendium theol. Christ. 1739 klaagt hij over

de doode orthodoxie en de fijn uitgesponnen dogmata, verzwijgt hij vele

leerstukken, bijv. over de verkiezing, en zoekt herleving der moraal.

Met hem vormden J. A. Turretinus † 1737, Opera 3 vol. en S. Werenfels

† 1740, Opuscula, ed. 2. 1739 het Zwitsersche triumviraat. De door hen

vertegenwoordigde gematigde orthodoxie leidde welhaast tot besliste

heterodoxie bij J. J. Zimmermann † 1757. Opuscula 1751-59. J. J. Lavater

† 1759 art. Genève in de Dictionn. Encycl. van Diderot en d’Alembert,

J. Vernet, Instruction Chrétienne 1754. De mathematische methode van

Wolf werd op de theologie toegepast door D. Wyttenbach, Tentamen

theol. dogm. methodo scientifica pertractata, 3 tomi 1747, J. F.

Stapfer, Institut. theol....... ordine scientifico dispositae, 5 vol.

1743, Grundlegung zur wahren Religion Zurich 1751-52, Bernsau, later

prof. te Franeker, Theol. dogmatica, methodo scientifica pertractata

1745-47, in Duitschland door Ferdinand Stosch † 1780, Summa paedagogiae

scholasticae ad praelectiones academicas in theologiam revel. dogm.

1770, Sam. Endemann prof. te Marburg Instit. theol. dogm. 1777 en Sam.

Mursinna prof. te Halle, Compendium theol. dogm. 1777. In Engeland

werd de dogmatiek schier geheel in beslag genomen door de kwestiën

over voorspelling, wonder en openbaring, die door het deïsme aan de

orde waren gesteld. Ofschoon de apologetiek dikwerf rationalistisch

gekleurd was, had ze toch vele en onder hen ook sommige uitnemende

vertegenwoordigers, Samuel Clarke † 1729, Nathan Lardner † 1768, Joseph

Butler † 1752, Richard Bentley, William Whiston, Arthur Ashley Sykes,

Thomas Sherlock † 1761, Daniël Waterland † 1742, John Coneybeare, John

Leland, James Foster, William Warburton † 1779, Richard Watson † 1816,

William Paley † 1805, Evidences of Christianity 1794. Natural Theology

1802 enz. Onder de dogmatische werken, die in deze periode het licht

zagen, zijn de voornaamste die van Hutchinson, waarvan een uittreksel

gegeven wordt in A letter to a bishop concerning some important

discoveries in philosophy and theology 1735; van Stackhouse † 1752,

A complete body of speculative and practical divinity 1709, holl.

vert. 1758, Isaac Watts † 1748 bekend niet alleen door zijne geestelijke

liederen en logika maar ook door zijn catechismus 1728, Philipp

Doddridge † 1751, Rise and progress of religion in the soul 1745, e. a.

Onder de Schotsche Godgeleerden in de 18e eeuw treden op den voorgrond

Thomas Boston † 1732, A complete body of divinity, 3 vol. 1773,

Fourfold State, holl. vert. 1742, A view of the covenant of grace,

holl. vert. van Comrie 1741; Adam Gib, en de eerste vijf Seceders,

Fisher, Wilson, Moncrieff en de gebroeders Ralph en Ebenezer Erskine,

wier werken ook in ’t holl. zijn vertaald, nieuwe uitgave, Amst. 1856.

Van belang was de zoogenaamde Marrow controversy, die in 1717 begon

naar aanleiding, dat het werk van den Independent Edward Fisher, The

marrow of modern divinity, verschenen in 1647, opnieuw in Schotland

werd uitgegeven. De neonomiaansche strijd, die in de vorige eeuw in

Engeland was gestreden, werd daardoor naar Schotland overgeplant. Het

boek werd aangevallen door Principal Hadow van St. Andrews in een

werk, getiteld The antinomianism of the marrow detected 1721. Men

beschuldigde de „Marrow divines”, onder wie Boston de voornaamste was,

van antinomianisme, maar hield zichzelf van neonomianisme niet vrij. De

General Assembly veroordeelde sommige stellingen in het Marrowboek als

dwalingen; wat mede aanleiding gaf tot de scheiding van de Erskine’s,

die zich aan de zijde van Boston hadden geschaard. Het neonomianisme

was de voorbereiding voor het rationalisme, dat langzamerhand ook in

de theologie en kerk van Schotland doordrong en in mannen als Simpson,

Mc. Laurin e. a. reeds duidelijk merkbaar is, Walker, The Theology and

theol. of Scotland p. 25 v. 39 v. 53 v. James Buchanan, The doctrine of

justification 1867 p. 182-188. Merle d’Aubigné, Duitschland, Engeland

en Schotland, Rotterdam, 1849.

35. In den aanvang der 19e eeuw verkeerde de Geref. theologie bijna

overal in een droevig verval. In den vorm van het supranaturalisme

werd de theologie hier beoefend door Van der Palm, Van Voorst, Borger,

Clarisse, Kist, van Hengel te Leiden, door Abresch, Chevallier,

Muntinghe, Ypey te Groningen, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke te

Utrecht, door vele bekwame en voorname predikanten Dermout, Broes,

Donker Curtius, van Senden, Egeling enz. en door vele verhandelaars

in het Stolpiaansch legaat 1756, Teylers Genootschap 1778 en het

Haagsch Genootschap 1787. Deze supranat. richting wilde rationeel

zijn, niet rationalistisch in den zin van Wegscheider, Röhr, Paulus,

ze handhaafde de openbaring en betoogde hare noodzakelijkheid,

mogelijkheid en waarheid op allerlei rationeele en historische gronden.

Ze wilde bijbelsch zijn en was anticonfessioneel, antiphilosophisch,

anticalvinistisch; ze kreeg een dogmatiek, die deïstisch was in de

theologie, pelagiaansch in de anthropologie, moralistisch in de

Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie, en eudaemonistisch

in de eschatologie. Ze werd in de noordelijke provinciën des lands

ongeveer 1835 vervangen door de Groninger theologie, die op het

voetspoor van de Socratische wijsbegeerte van Van Heusde † 1839 de

idee van openbaring en leer verving door die van opvoeding, en

dus een ethisch element in de verhouding van God en mensch opnam.

God was hier niet in de eerste plaats Leeraar, maar de groote

Opvoeder, die door natuur en geschiedenis, door den persoon en de

kerk van Christus de menschen als zijne kinderen opleidde tot wijze

en vrome christenen, tot Godegelijkvormigheid. De bestrijding, die ze

ondervond van orthodoxe, straks ook van moderne zijde, en de innerlijke

ontwikkeling tot Evangelische richting maakten, dat ze ongeveer 1850

plaats moest maken voor de Moderne Theologie. Deze kwam op met

Opzoomer die hoogleeraar te Utrecht werd in 1845 en de empiristische

philosophie van Mill en Comte toepaste op den godsdienst. Hij kwam tot

het antisupranaturalisme. Scholten gaf in zijne Leer der Hervormde

Kerk ten slotte eene moderne dogmatiek onder gereformeerde vlag. En

Kuenen trad op als voorstander der evolutie op het gebied der Oudtest.

Schrift. Er was dus langzamerhand eene ontwikkeling op theologisch

gebied naar het ongeloof heen; de moderne theologie heeft geen

dogmatiek meer. Tegenover deze negatieve richtingen kwamen echter in

deze eeuw op in ons vaderland de positieve richtingen van den Reveil

en de afscheiding, van de Utrechtsche en de ethisch-irenische school

en eindelijk van het Calvinisme, dat er naar streeft om ook theologisch

een eigen positie te veroveren. Zie verder mijn opstel over de Gesch.

der theol. in Nederland, Presb. and Ref. Review April 1892, en Tijdschr.

voor Geref. Theol. Juni en Juli 1894 bl. 161 v. en de daar opgegeven

litteratuur. In Duitschland is de Geref. theologie hoe langer hoe

verder achteruitgegaan. De Geref. kerk had in Duitschland een breed

terrein veroverd. Haar theologie werd beoefend in Heidelberg, Duisburg,

Marburg, Frankfurt a/O, Herborn, Bremen, Halle. Zoo bleef het tot het

midden der 18e eeuw. Maar toen kwam de Aufklärung, in 1817 de Union,

vervolgens de invloed der wijsbegeerte van Kant, Schleiermacher enz,

en al deze oorzaken hebben de Geref. kerk en theol. in Duitschland

geheel tot verval gebracht. Wel kwam er in het begin dezer eeuw eenige

ontwaking ook van het Geref. bewustzijn, bij Krafft in Erlangen, G. D.

Krummacher in Elberfeld, Geibel in Lübeck, Mallet in Bremen enz. Maar

deze was toch niet sterk genoeg. Zelfs mannen als Ebrard † 1888 in

Erlangen, Heppe † 1879 in Marburg hebben door hun Melanchtonianisme

aan de Geref. zaak groote schade toegebracht. Alleen Wichelhaus †

1858 in Halle, Karl Südhoff † 1865 in Frankfurt a/M., Böhl in Weenen,

Dr. A. Zahn in Stuttgart, O. Thelemann in Detmold, Kohlbrugge † 1875

in Elberfeld e. a. stelden zich beslist op den grondslag der Geref.

confessie. Thans is er in Duitschland geen enkele theol. Universiteit

of school, en geen enkel theol. professor van Geref. belijdenis meer, A.

Zahn, Die Ursachen des Niederganges der ref. Kirche in Deutschl. Barmen

1881. Id. Abriss einer Gesch. der ev. Kirche auf dem europ. Festlande

im 19 Jahrh. Stuttgart 3e Aufl. 1893, 12tes Kapitel.

36. In Zwitserland en Frankrijk kwam er herleving door den Reveil, die

van uit Schotland daar werd overgeplant. De Reveil, (cf. Wagenaar, Het

reveil en de afscheiding, die bl. 40 litt. opgeeft. H. von der Goltz,

Die reform. Kirche Genfs im 19. Jahrh. Bazel u. Genf 1862. Léon Maury,

Le réveil religieux dans l’église réformée à Genève et en France,

Paris, Fischbacher 2 vol. 1892. W. van Oosterwijk Bruijn, Het Reveil

in Nederland, Utrecht 1890. Pierson, Oudere Tijdgenooten 1888) was

eene machtige, geestelijke beweging, maar was van huis uit onkerkelijk

en anticonfessioneel. Hij stond op algemeen-christelijken grondslag en

kenmerkte zich verder door zijn individualistisch, aristocratisch,

methodistisch en philanthropisch karakter. In Zwitserland legde hij

vooral op twee dogmata, de verkiezing (Cesar Malan † 1864. Biographie

door Malan Jr. Amst. Höveker 1874) en de inspiratie (Merle d’Aubigné

† 1872. Gaussen † 1863) nadruk. Maar Alexander Vinet 1797-1847, in

1822/’23 onder invloed van den Reveil gekomen, ging theologisch van

eene andere gedachte uit. Het levensbeginsel van zijn geloof en zijne

theologie was de harmonie van Christendom en geweten. Daardoor kwam

hij er toe, om zoo sterk aan te dringen op het verband van dogma en

moraal, op de ethische zijde der waarheid; daardoor kwam hij tot zijn

synergisme en tot verwerping der verkiezing enz. Vinet bleef echter tot

den einde toe aan de hoofdwaarheden van het Christendom vasthouden,

Dr. J. Cramer, Alex. Vinet als christ. moralist en apologeet geteekend

en gewaardeerd, Leiden, Brill 1883, en de daar bl. 6 aangeh. litt.

Veel verder ging echter zijn leerling E. Scherer, die eerst streng

orthodox was maar allengs met zijn verleden brak, en in volslagen

ongeloof zijn leven eindigde. Sedert kwam er in Frankrijk en Zwitserland

een liberaal Protestantisme, Pécaut Le Christ et la conscience, Paris

1859, Martin-Paschoud, Réville; Cougnard, Buisson. Zoo stonden er twee

richtingen, eene liberale en eene evangelische, tegenover elkaar.

Maar onder de laatste werkten de beginselen van Vinet door, later nog

gesteund door den invloed van Ritschl. Er zijn thans drie richtingen

te onderscheiden: eene liberale of linkerzijde, Bouvier in Genève;

eene bemiddelende richting, Pressensé, Astié, Sécrétan, Sabatier,

Leopold Monod, Chapuis, Dandiran, Lobstein; en eene evangelische,

gematigd-orthodoxe, Godet vader en zoon, Porret, Berthoud, Martin,

Doumergue, Bertrand, H. Bois, Gretillat. De strijd tusschen deze

twee richtingen loopt thans vooral over twee vragen. De eene raakt

de autoriteit in zake de religie, of deze n.l. ligt in de Schrift,

in Christus of in rede en geweten. De tweede geldt den persoon van

Christus, of hij n.l. waarachtig God is of door kenose zich ontledigd

heeft of ook slechts een mensch is, gradueel van ons verschillend, cf.

Gretillat in The Presb. and Ref. Review, July 1892 en July 1893.

37. Een overzicht van de theologie in Engeland en Schotland wordt

gegeven door Pfleiderer, Die Entw. der prot. Theol. in Deutschl. seit

Kant u. in Grossbritt. seit 1825, Freiburg 1891, S. 386 f. Ad. Zahn,

Abriss einer Gesch. der ev. Kirche im britischen Weltreich im 19 Jahrh.

Stuttgart 1891. Dr. Carl Clemen, Der gegenwärtige Stand des relig.

Denkens in Grossbrittannie, Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft S. 513-548.

G. Elliott, Bilder aus dem kirchl. Leben Englands, Leipzig Akad.

Buchhandlung. G. d’Alviella, L’évolution relig. chez les Anglais, les

Americains et les Hindous 1884. Walker, Present theological drifts in

Scotland, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1893. Het godsdienstig Engeland,

gelijk wij het heden kennen, is een werk van het Methodisme. John Wesley

1703-1791 was geen wetenschappelijk theoloog, maar een machtig prediker,

die het evangelie individualiseerde, en tot een levensvraag maakte voor

ieder mensch cf. J. Wedgwood, John Wesley and the evangelical reaction

of the eighteenth century 1870. Het door hem en George Whitefield

1714-1771 opgekomen Methodisme was niet in de eerste plaats eene

afwijking van een of ander der 39 artikelen, maar het concentreerde heel

de waarheid der religie om twee middelpunten, n.l. om de plotselinge,

bewuste ervaring van schuld en genade, d. i. om de persoonlijke

bekeering, en ten tweede om de openbaring van dat nieuwe leven in

een geheel nieuwen vorm, daarin bestaande dat men uitging op het

bekeeren van anderen, van verschillende adiaphora zich onthield en de

christelijke volmaaktheid reeds in dit leven voor bereikbaar hield. Deze

eenzijdigheid leidde er toe dat allengs verschillende dogmata werden

bestreden, gewijzigd of van ondergeschikte waarde werden beschouwd; cf.

over het Methodisme het art. van Schoell in Herzog². Saussaye, Godsd.

Bewegingen 109 v. Möhler, Symbolik § 75-76. Schneckenburger, Vorles.

über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 S.

103-151. Kolde, der Methodismus u. seine Bekämpfung, Erlangen 1886.

Id. Die Heilsarmee ib. 1885, holl. vert. van Dr. A. W. Bronsveld. Het

Methodisme heeft een onberekenbaren invloed geoefend, op Independenten,

Baptisten, Presbyterianen, Anglikanen; Wesley is de herschepper van

het Engelsche en Amerikaansche Protestantisme geweest, de revivals zijn

sedert niet meer uit de Prot. kerken geweken, hij was de Archbishop

of the Slums, de vader van de inwendige zending, de stichter van het

christelijk socialisme. Het Methodisme was echter in hoofdzaak beperkt

tot het volk. In de hoogere kringen, in politiek, philosophie, letteren

bleef het koude liberalisme heerschen. Daartegen kwam reactie door

de romantiek, (W. Scott, Southey, S. T. Coleridge † 1834), welke

op kerkelijk en theologisch gebied werd overgeplant in de Oxforder

beweging. Deze beweging heeft de hoogkerkelijke partij, die al van de 16e

eeuw af bestond, aanzienlijk versterkt, en de Roomsche leer en ritus

in de Anglikaansche kerk krachtig bevorderd. Cf. art. Traktarianismus

in Herzog². Ook de schrijvers van Lux Mundi 1890, Canon Holland,

Moore, Illingworth, Talbot, C. Gore e. a. trachtten het Puseyisme te

vernieuwen en de christelijke dogmata plausibel te maken, door ze te

plaatsen in het licht van den nieuweren tijd. Naast de hoogkerkelijke is

de breedkerkelijke partij opgetreden, die reeds in de 17e en 18e eeuw

werd voorbereid door het Latitudinarisme, en in deze eeuw uitnemende

vertegenwoordigers kreeg in Thomas Arnold † 1842, Hampden † 1868,

F. D. Maurice † 1872, Ch. Kingsley † 1874, Whately † 1863, F. W.

Robertson † 1853, A. P. Stanley † 1881. Afkeerig van het Methodisme

der laagkerkelijke partij, hebben zij allen op ernstige en edele wijze

gestreefd naar eene verzoening van Christendom en cultuur. De kerk

moest naar hunne overtuiging eene opvoedingschool van het volk worden;

de religie moest zich verzoenen met al het ware, goede en schoone,

waar het ook te vinden was; en het Christendom moest vooral in de

zedelijke vernieuwing der maatschappij zijne kracht openbaren. Dit breede,

tolerante standpunt vond hoe langer hoe meer instemming. De opkomst

en voortgang van het ritualisme, de velerlei secten en richtingen, de

nood der lagere maatschappij en vooral ook het Higher Criticism, dat

reeds met bisschop Colenso zijn intrede in de Engelsche wereld deed, en

dan door Rob. Smith, T. K. Cheyne, S. R. Driver gepropageerd werd,

hebben aan de breedkerkelijke richting de overhand verschaft. Een van de

voornaamste woordvoerders in den tegenwoordigen tijd is F. W. Farrar,

deken der Westminster Abbey. Maar lang niet alleen in, ook ver buiten

de Staatskerk wordt dit breede standpunt thans door velen ingenomen.

Onder de voornaamste woordvoerders behooren thans de Baptist J.

Clifford; de Congregationalisten E. W. Dale, The old Evangelicalism and

the new 1889, Dr. Joseph Parker te Londen, Dr. Fairbairn van Mansfield

College, The place of Christ in modern theology, cf. Theol. Stud. van

Dr. Daubanton, Mei, Juni 1894; de Presbyterianen Prof. Henry Drummond,

The natural law in the spiritual world, Summum bonum enz. Marcus Dods,

A. B. Bruce, Apologetics, or Christianity defensively stated, Edinburgh

Clark 1892. James Lindsay, The progressiveness of modern Christian

thought, Edinb. Blackwood 1892. Horton, Inspiration and the Bible Rev.

J. B. Heard, Alexandrinian and Carthaginian Theology Edinb. Clark,

Hulsean lectures, Prof. Edw. Caird, The evolution of religion, 2 vol.,

James Orr, The Christian view of God and the world, as centring in the

incarnation, Edinb. Elliot. 1893, cf. mijn opstel, Theol. Stud. van Dr.

Daubanton 1894. En voorts nog Flint, Milligan, Gloag in de Establ.

Church van Schotland, Brown, Rainy, Davidson, Salmond, Laidlaw, G.

A. Smith, in de Free Church, Cairns, Muir, Thomson, J. Smith in de

United Presbyt. enz. Behalve door haar christologisch uitgangspunt, dat

alles concentreert rondom de incarnatie, kenmerkt zich deze richting

nog door haar unieerende tendenz. De kerkelijke verschillen worden

uitgewischt of als van geringe beteekenis voorgesteld; practisch werkt

men met mannen van allerlei kerk en richting saam; en theoretisch

streven velen zelfs naar vereeniging van alle Protestantsche kerken,

zooals b.v. J. Clifford. W. T. Stead gaat zeker wel het verst, als hij

op eene „kerk der toekomst” hoopt, die de gansche sociale hervorming

leiden, heel de cultuur, tot zelfs de theaters toe, in zich opnemen

en alle menschen omvatten zal. Dikwerf gaat dan hiermede nog gepaard

de hope op eene wederherstelling aller dingen aan gene zijde van het

graf; zie van de rijke litteratuur alleen The wider Hope, Essays and

Strictures on the doctrine and literature of future punishment by

numerous writers, lay and clerical, London, Fisher Unwin 1890. Het

strenge Calvinisme verliest bij den dag aan terrein. Hier en daar wordt

het nog gehandhaafd, in de Schotsche Hooglanden, in Wales enz., maar

van eene wetenschappelijke beoefening en verdediging is geen sprake

meer. Daarentegen breidt de leer der evolutie zich in Engeland bij

den dag uit. Nadat het Deisme alreede de wonderen, de voorspellingen

en de openbaring aan eene geduchte kritiek had onderworpen, heeft

onder invloed van de afstammingsleer van Darwin, het agnosticisme van

Spencer, het empirisme van Stuart Mill en het materialisme van Tyndal,

Huxley, Evolution and ethics 1893 cf. Tijdspiegel, April 1894 dit

religieuse ontbindingsproces zich nog verder voortgezet. De kritiek

der christelijke dogmata kreeg een ongedachten, sterken steun van

Edwin Hatch, The organisation of the early christ. churches 1881, The

influence of Greek ideas and usages upon the christ. church, Hibbert

lectures 1888, die evenals reeds Hampden voor hem in zijn The scholastic

philosophy in relation to christ. theology 1832 de dogmata verklaarde

uit de verbinding van de heidensche wijsbegeerte met het oorspronkelijk

Christendom. Het Unitarisme, dat in 1773 zijne eerste gemeente stichtte

en thans in James Martineau, A study of religion, its sources and

contents 1888, The seat of authority in religion 1890 een uitnemend

woordvoerder bezit, wint gaandeweg aan invloed. Velen hebben zelfs met

het Christendom geheel gebroken, G. Eliott, Ch. Bradlaugh, A. Besant,

W. St. Ross, Morley, J. C. Morison, cf. Ch. Bradlaugh, A. Besant and

Ch. Watts, The freethinkers textbook 1876; en zoeken hunne religieuse

bevrediging in Buddhistische theosophie (Mevr. Blavatzky, A. Besant),

in de moraal (M. Arnold, Literature and dogma 1873, God and the Bible

1875, die de religie omschreef als morality touched with emotion en God

als the eternal power, not ourselves, which makes for righteousness),

of in een gezelschap voor ethische cultuur, (opgericht 1876 in Amerika,

1886 in Engeland. W. M. Salter, Die Religion der Moral, deutsch von G.

von Gizycki, Leipzig 1885) of zelfs in het Mohammedanisme, waarvoor in

1891 in Liverpool eene moskee werd geopend.

38. Voor de geschiedenis der dogmatiek in Amerika kan men o. a.

raadplegen Encyclopedia of living divines and Christian Workers

of all denominations in Europe and America. Being a supplement to

Schaff-Herzog, Encyclopedia of religious knowledge. Edited by

Rev. Ph. Schaff and Rev. S. M. Jackson, New-York 1887. Adolf Zahn,

Abriss einer Gesch. der Evang. Kirche in Amerika im 19 Jahrh.

Stuttgart 1889. Fr. Nippold, Amerik. Kirchengeschichte seit der

Unabhängigkeitserklärung der Ver. Staaten, Berlin 1892. Alle kerken

zijn uit Engeland en andere landen van Europa successief in Amerika

en Canada overgeplant. De Episcopaalsche kerk is de oudste en rijkste

en dagteekent al van de immigratie in Virginia in 1607. De Dutch

Reformed Church is er gevestigd sedert de ontdekking van den Hudson

en van Manhattan Island 1609. De Independenten of Congregationalisten

landden het eerst te Plymouth 1620. De Kwakers werden door William

Penn in 1680 naar Pennsylvanie geleid. De Baptisten kregen vasten voet

in Amerika op Rhode Island door Roger Williams 1639. De Methodisten

vonden er ingang door Wesley 1735 en Whitefield 1738. De Duitsche

kerken, zoowel de Luthersche als de Geref. werden er gevestigd sedert

het midden der vorige eeuw. De Presbyteriaansche kerken zijn er in

verschillende groepen verdeeld. Eene schets van de Presbyt. theologie

geeft Prof. Schaff in zijn Theological Propaedeutic, 2 parts, New-York

1892 ’93, II p. 374-405, en in The Independent, New-York vol. 45

N°. 2321, 2324, 2329 en 2330. Voor het Congregationalisme zie men

Congregationalists in America, ed. by Dr. Albert E. Dunning, New-York,

Hill and Co. 1894. Bijna al deze kerken en richtingen in kerken waren

van Calvinistischen oorsprong. Van alle godsdienstige bewegingen is

het Calvinisme in Amerika de krachtigste geweest. Het is niet tot

eene of andere kerk beperkt, maar is onder allerlei wijziging het

bezielend element in de Congregat. Bapt. Presbyt. Holl. en Duitsch

Geref. kerken enz. Van alle kanten werd het in Amerika gebracht, uit

Engeland, Schotland, Frankrijk, Holland, Duitschland. Het vormde het

karakter van New-England gedurende de koloniale periode 1620-1776. Er

moet echter onderscheiden worden tusschen het Puriteinsche Calvinisme,

dat vooral uit Engeland kwam en in New-England ingang vond, en het

Presbyteriaansche Calvinisme, dat van uit Schotland in de Zuidelijke,

Midden en Westelijke Staten werd ingevoerd. Beide vormen van Calvinisme

hadden tot basis de Westminster confessie van 1647, maar in beide kwam

ook weldra een strijd tusschen eene oude en eene nieuwe school. De

eerste en voornaamste theoloog van New-England was Jonathan Edwards

1703-1758, art. in Herzog², biographie door Prof. A. V. G. Allen, bij

Houghton, Miffin and Comp. New-York, 1e deel van American religious

leaders. Zijne werken zijn in 4 deelen uitgegeven te New-York, Carter

and Brothers 1881. Hij verbond diepe metaphysische denkkracht met eene

ernstige vroomheid. In 1734, nog vóór de komst van Wesley in Amerika,

had er in zijne gemeente te Northampton eene merkwaardige opwekking

plaats; en later heeft hij met zijn vriend Whitefield dergelijke revivals

meermalen geleid en verdedigd. Theologisch voerde hij den strijd vooral

tegen het Arminianisme, dat door de geschriften van Daniel Whitby and

John Taylor in New-England doordrong. Hij trachtte het Calvinisme door

zijne metaphysische en ethische speculaties te versterken, maar heeft

het toch feitelijk door zijne onderscheiding van natuurlijke en zedelijke

onmacht verzwakt. Hij werd de vader van de Edwardianen, New-Theology

Men, New-Lights, zooals ze genoemd worden, die wel de Calvinistische

leer van Gods souvereiniteit en uitverkiezing handhaafden, maar

daarmede vereenigden de verwerping van de erfschuld en de algemeenheid

der verzoening, evenals de Saumursche theologen dat in Frankrijk deden.

Zijn zoon Jonathan Edwards 1745-1801 droeg in de leer der voldoening

in ’t wezen der zaak de theorie van Grotius voor. Samuel Hopkins, een

leerling van Edwards 1721-1803, wiens werken in 1852 te Boston door

Prof. Park van Andover werden uitgegeven, schreef een systeem der

Godgeleerdheid, waarin hij het stelsel van Edwards teruggaf en vooral de

belangelooze liefde tot God uitwerkte in den zin van Fénélon en Madame

Guyon. Nathaniel Emmons 1745-1840, Works, Boston 1842 was een van de

voornaamste verdedigers van het Hopkinsianisme. Bij Timothy Dwight

1752-1817, Nathaniel W. Taylor 1786-1858 werd het systeem van Edwards

in pelagiaanschen zin gewijzigd. En het leidde in den tegenwoordigen

tijd te Andover, onder leiding van Dr. Egbert C. Smyth, hoogl. in

kerkhistorie, tot verdediging van eene progressieve orthodoxie en tot

de leer van the future probation. De Old School in de theologie van

New-England was vooral gerepresenteerd door Dr. Bennet Tyler 1783-1858,

en Dr. Leonard Woods 1774-1854, die het oude Calvinisme verdedigden.

Het Puritanisme heeft echter meer en meer de standaards van Dordrecht

en Westminster verlaten. Op de synode van de Congregat. kerken in

Amerika, te St. Louis 1880, werd eene nieuwe confessie van 12 artikelen

voorbereid, waarin de kenmerkend Geref. leerstukken zijn weggelaten.

39. De theologie in de Presbyt. kerken in Amerika heeft een parallel

verloop gehad. Ook hier kwam scheuring niet alleen onder de theologen,

tusschen de Old Lights en de New Lights, maar ook in de kerken tusschen

de Synode van Philadelphia en New-York 1741-1758. Een van de eerste

theologen was John Dickinson 1688-1747, wiens voornaamste werk eene

verdediging is van de vijf artikelen tegen de Remonstranten. De Old

School vond vooral steun in Princeton college, gesticht 1812, en

werd daar vertegenwoordigd door Dr. Archibald Alexander 1772-1851,

Dr. Charles Hodge 1797-1878, Systematic Theology London and Edinb.

Nelson 1873 3 vol. en diens zoon en opvolger Archibald Alexander

Hodge 1823-1886, Outlines of Theology, ed. by W. H. Goold. London,

Nelson 1866. Evangelical Theology, ib. 1890. De zoogenaamde Princeton

Theology is in hoofdzaak eene reproductie van het Calvinisme der

17e eeuw, gelijk het neergelegd is in de Westminster confessie en

den Consensus Helveticus en vooral uitgewerkt is door F. Turretinus

in zijne Theol. Elenctica. Hetzelfde systeem wordt ook voorgestaan

door de Zuidelijke theologen James H. Thornwell 1812-1862, Robert

J. Breckinridge 1800-1871 en Robert L. Dabney. Een van de jongste

representanten der Old School, is W. G. T. Shedd, sedert 1890 emeritus

professor van Union Seminary te New-York, Dogmatic Theology, 2 vol.

New-York, Scribner 1888. Tusschen Hodge en Shedd is er echter een

merkwaardig onderscheid. De eerste is foederalist en creatianist, de

tweede is realist en traducianist. Beide echter stemmen daarin weer

overeen, dat ze de verkiezing zeer ruim opvatten en daaronder ook alle

jongstervende kinderen opnemen. De New Lights weken van de Oude School

af, behalve in het gezag der algem. synode, de revivals, de unie met

de congregationalisten enz. vooral ook in zake de erfschuld en de

bijzondere voldoening, waarbij later nog gekomen zijn de inspiratie der H.

Schrift en de eschatologie. Vertegenwoordigers dezer nieuwe richting

waren Albert Barnes 1798-1870, Lyman Beecher 1775-1863 en Thomas H.

Skinner 1791-1871, die echter geen van drie een theol. systeem hebben

nagelaten. Barnes en Beecher werden van ketterij aangeklaagd maar

vrijgesproken. Toch kwam het opnieuw tot eene scheuring in de kerken in

1837, toen de Oude School de meerderheid in de Algemeene Synode kreeg

en vier synoden van de gemeenschap afsneed. In 1869 werden ze echter

wederom vereenigd vooral door den invloed van het Union Theol. Seminary

te New-York, gesticht in 1836. Hier werd de dogmatiek gedoceerd door

Dr. Henry B. Smith 1815-1877, System of Christian Theology, ed. by W.

S. Karr, 4 ed. New-York Armstrong 1890, die tusschen Oude en Nieuwe

School eene bemiddeling zocht in het christocentrische standpunt.

Een zijner leerlingen, Lewis French Stearns † 1892 schreef Present

day Theology, en staat daarin al de nieuwere denkbeelden voor over

inspiratie, voorzienigheid, kenosis, praedestinatie, zaligheid. Een

ander Hoogleeraar in Union Seminary, Dr. Charles Briggs werd in 1892

aangeklaagd van heterodoxie, wijl hij de rede voor bron houdt, dwalingen

in de Schrift aanneemt, het Higher Criticism erkent, The Bible, the

Church and the reason; Messianic prophecy; Inspiration and inerrancy

enz., en in 1893 door de General Assembly veroordeeld. Maar daarmede is

de crisis niet uit. De Geref. kerken in Amerika doorleven een moeilijken

tijd. De dogmata van de onfeilbaarheid der H. Schrift, van de triniteit,

van den val en de onmacht des menschen, van de bijzondere voldoening,

van verkiezing en verwerping enz. worden heimelijk ontkend of open

bestreden. De revisiekwestie is wel tijdelijk in de Presbyt. kerk van

de baan, maar komt toch waarschijnlijk wel weer aan de orde. Het heden

schijnt voor den bloei van de Geref. theologie niet gunstig te zijn, cf.

mijn opstel The future of Calvinism, Presb. and Ref. Review Jan. 1894.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 9 / 28 题