meer aan die van Origenes, Theodoretus en Damascenus. Zijne Sententiae
zijn in vier boeken verdeeld. Het eerste handelt de mysterio trinitatis;
het tweede de rerum corporalium et spiritualium creatione et
formatione: schepping, engelen, het hexaemeron, den mensch, den val,
de zonde; het derde de incarnatione verbi: den persoon en het werk
van Christus, het geloof, de hoop, de liefde, de 4 hoofddeugden en
andere ethische onderwerpen; het vierde boek de sacramentis: over 7
sacramenten, de opstanding, het gericht, hemel en hel. Er is hier reeds
merkbare vooruitgang te bespeuren: de onderwerpen zijn niet alleen
beter gegroepeerd en begrensd, maar het geheel is ook in vier deelen
gesplitst, elk met een eigen, onderscheiden object; de ethische stof is
niet als bij Theodoretus aan het slot toegevoegd maar in de dogmatiek
zelve opgenomen; de sacramenten, vroeger slechts even besproken, worden
breedvoerig behandeld; daarentegen laat de rangschikking veelzins te
wenschen over en komen verschillende onderwerpen zooals Schrift, kerk,
en vooral ook de soteriologische bijna in ’t geheel niet ter sprake.
De meeste Scholastici sloten zich aan dit werk van Lombardus aan en
schreven er commentaren op. Sommigen brachten in de ordening der stof
gelukkige verbeteringen aan. Thomas ontwikkelt bijv. in den proloog voor
zijn commentaar op de Sententiae op schoone wijze, dat eerst God, en
daarna zijne werken: schepping, herstelling en volmaking de onderwerpen
der 4 boeken zijn. Maar eene eereplaats wordt ook uit formeel oogpunt
ingenomen door het Breviloquium van Bonaventura. Vooreerst laat
Bonaventura een prooemium aan zijn werk voorafgaan en geeft daarin in
7 paragrafen een schoon overzicht van de leer der Schrift, vooral
van haar inhoud, dien hij in haar lengte en breedte, diepte en hoogte
kortelijk ontvouwt. En daarna geeft hij in 7 partes ons een schets der
geloofswaarheid; pars 1 handelt de trinitate, pars 2 de creatura
mundi, pars 3 de corruptela peccati, pars 4 de incarnatione verbi,
pars 5 de gratia Spiritus Sancti, pars 6 de medicina sacramentali,
en pars 7 de statu finalis judicii. Hier is een vaste, methodische
gang, eene volkomene beheersching der stof, eene zuivere begrenzing
der onderwerpen, en ook een met bewustheid gekozen indeelingsbeginsel;
want in pars 1 cap. 1 zegt Bonaventura dat, al behandelt de theologie
al die zeven onderwerpen, zij toch scientia una is, want God is niet
alleen rerum primum principium et exemplar effectivum in creatione,
sed etiam refectivum in redemptione et perfectivum in retributione.
Geheel anders is de indeeling van Thomas in zijne Summa. Dit werk
heeft drie partes, de partes zijn verdeeld in quaestiones, en deze
weer in articuli. Pars I handelt in 119 quaestiones over God en zijne
schepping, voor en buiten de zonde: God als principium en exemplar van
alle dingen. Pars II spreekt over den mensch als zijn imago, en valt
weer in eene prima en secunda uiteen; de prima omvat 114 quaestiones,
begint met het einddoel des menschen, nl. de zaligheid, en ontwikkelt
met het oog daarop den wil qu. 6-17, de goede en zondige qualiteit der
menschelijke daden, hartstochten en hebbelijkheden qu. 18-54, de deugden
in ’t algemeen qu. 55-70, de zonden in haar verdeeling, zetel, oorzaak
en gevolgen, qu. 71-89, vervolgens de uit-en inwendige motieven die
den mensch tot het goede aansporen, de wet, het evangelie, de genade
en de verdienste, qu. 90-114. De secunda van dit tweede deel handelt
dan in 189 quaestiones over de zonden en deugden in het bijzonder,
vooral naar de orde van de drie theologische en de vier cardinale
deugden. Nadat alzoo het einddoel van den mensch is bepaald en zijne
deugden en zonden in het licht gesteld zijn, beschrijft Pars III den
weg, waarlangs wij tot de zaligheid van het onsterfelijk leven kunnen
komen, dat is, Christus en de sacramenten. In 90 quaestiones worden
de persoon en het werk van Christus en dan het sacramentsbegrip, de
doop, confirmatie, eucharistie en poenitentia beschreven. Hier eindigt
het werk van Thomas; hij liet het bij zijn dood onvoltooid achter. Het
supplementum, dat er uit zijne andere geschriften aan toegevoegd is,
bevat 99 quaestiones, zet de sacramenten voort, en behandelt in qu.
69-99 den toestand der zielen na den dood, de opstanding, het oordeel,
de zaligheid en verdoemenis. Een appendix spreekt in 3 quaestiones nog
over het vagevuur. De indeeling van Thomas wijkt van die van Bonaventura
niet alleen af, maar staat daarbij ook in veel opzichten ten achter.
Wel wordt in Pars I qu. 1, eene breedvoerige ontwikkeling gegeven van
het wezen der theologie, maar daartegenover blijft de leer der Schrift
geheel onbesproken. Voorts springt Thomas bij het begin van het tweede
deel in eens naar het einddoel van het menschelijk leven over, en wordt
daardoor gedrongen om dikwerf te anticipeeren op wat eerst later
behandeld kan worden. De christelijke deugden, het evangelie, de wet,
de genade, welke Thomas in dit tweede deel opneemt, onderstellen den
persoon en het werk van Christus. De indeeling van Thomas hangt reeds
samen met de Roomsche leer van de ordo supernaturalis, waartoe de
mensch verheven moet worden. Nadat het eerste deel over God gehandeld
heeft, spreekt het tweede deel over den mensch, die als beeld Gods voor
de gratia supernaturalis is bestemd maar deze niet bereiken kan, en het
derde wijst dan in den persoon van Christus en de sacramenten den weg
aan, waarlangs de mensch tot deze zijne bestemming geraken kan. God,
mensch, Christus zijn dus de onderwerpen der drie deelen, Werner, Der h.
Thomas v. Aq., Regensburg 1858 I, 801 f.; Kleutgen, Theol. der Vorzeit,
2e Aufl. V, 60-70; Kling, Descriptio Summae theol. Th. Aq., Bonn 1846.
Eindelijk is ook de quaestionarische vorm van behandeling niet zonder
bedenking, Pierson, Studiën over Joh. Calvijn, I 228 v. Thomas stelt
elke geloofswaarheid in den vorm van eene kwestie, en brengt te berde,
al wat er door tegenstanders tegen ingebracht is. Met een beroep op
eene of andere autoriteit, Schrift, kerkvaders, Aristoteles, bewijst
hij echter de waarheid van het gevraagde en maakt de conclusio op.
Deze wordt dan toegelicht en eindelijk tegen de ingebrachte bezwaren
verdedigd.
3. Deze indeelingen werden door de latere Roomsche theologen meestal
overgenomen, niet alleen in de commentaren, die bijv. door vele
middeleeuwsche theologen en ook later nog door Estius e. a. op de
Sententiae van Lombardus of door Suarez, Valentia, Vasquez, Billuart,
Daelman enz. op de Summa van Thomas geleverd werden; maar ook in
zelfstandige dogmatische werken. Zoo werd de indeeling van Thomas
overgenomen door Mart. Becanus in zijne theologia scholastica, Mogunt.
1619, de locaalmethode van Theodoretus, Damascenus, Lombardus door
Petavius, Opus de theol. Dogm. Paris 1644. Proleg cap. I § 4. Maar
de scholastiek had nog een anderen invloed op de indeeling der stof.
Bonaventura had reeds de leer der Schrift in het prooemium opgenomen;
Thomas behandelde vooraf het wezen der theologie: de ontwikkeling
der scholastiek leidde tot de onderscheiding van articuli mixti en
puri, tot de leer van de praeambula fidei en motiva credibilitatis.
Zoo werd de stof voor de prolegomena hoe langer hoe uitgebreider.
En toen de Hervorming straks met het uitsluitend gezag der Schrift
optrad, werd het voor de Roomsche theologen noodzakelijk, om ook van
de principia der theologie zich rekenschap te geven. Melchior Canus
vooral in zijne loci theologici 1563 ontwikkelde de leer van de loci,
d. i. van de bronnen der Theologie. Dit werk is geen dogmatiek,
maar eene topica, in Cicero’s zin (zie boven, bl. 2). Hij behandelt
in 12 boeken tien bronnen der theologie n.l. Schrift, traditie,
Paus, concilium, kerk, kerkvaders, scholastici, rede, philosophie en
historie, waarvan de zeven eersten tot twee, Schrift en traditie, zijn
te herleiden, en de laatste drie slechts ministerialiter theologisch
zijn. Op deze wijze is er allengs vóór de eigenlijke dogmatiek eene
breede inleiding noodzakelijk geworden, die mede door de principiëele
bestrijding der theologie van den kant der philosophie enz. tot eene
gansche fundamenteele dogmatiek is aangegroeid. De meeste Roomsche
dogmatieken behandelen dan ook in een eerste deel het wezen of begrip
der theologie, de praeambula fidei (theol. naturalis), de motiva
credibilitatis (religie, openbaring, profetie, wonderen, wonderbare
verbreiding van het christ., martelaren enz.), het geloof, de bronnen
(Schrift en kerk), theologie en philosophie (geloof en rede), begrip
der dogmatiek. Zoo bij Klee, Heinrich, Jansen, Scheeben, Liebermann,
Perrone e. a. Perrone’s werk bijv. handelt vol. I de vera religione, en
in de beide laatste deelen VIII en IX over de loci theologici; deze
beide zijn wel later na de eigenlijke dogmatiek verschenen, maar behooren
naar des schrijvers eigen verklaring, vol. VIII, praef., zakelijk op
het eerste deel te volgen. In deze loci laat Perrone opzettelijk, in
onderscheiding van Canus, de kerk aan de Schrift voorafgaan. En zoo
is de rangschikking bij de meeste Roomsche dogmatici van den nieuweren
tijd. De kerk dringt hoe langer hoe meer op den voorgrond; zij is het
principium fidei. De gang der dogmatiek is dan gewoonlijk die der
locaalmethode. Men begint met God, beschouwd in zichzelven als eenig
en drieëenig; en gaat dan over tot God, beschouwd in Zijne relatie tot
de schepselen, en wel eerst als Deus Creator, dan als Deus Redemptor,
daarna als Deus Sanctificator en eindelijk als Deus Consummator.
4. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit anti-scholastisch
en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudigen en practischen vorm.
Melanchton’s Loci, verschenen in 1521, ontstonden uit voorlezingen
over Paulus’ brief aan de Romeinen. Ze zijn door en door practisch,
behandelen alleen anthropologische en soteriologische capita, vooral
die van zonde en genade, wet en evangelie, en laten de objectieve
dogmata van God, triniteit, schepping, vleeschwording, voldoening
geheel onbesproken. Maar de uitgave van 1535 werd door Melanchton
zeer uitgebreid en leidde de secunda aetas der Loci in; ze werd in
eene voorrede opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita
over God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak der zonde, werd
in het midden nog met eenige hoofdstukken verrijkt en breidde de drie
laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van ethischen,
ecclesiologischen en eschatologischen inhoud, samen 39 capita of
artikelen. In 1543 gingen de Loci hunne tertia aetas in: er kwam eene
voorrede bij pio lectori; het aantal loci daalt wegens vereenvoudiging
van 39 tot 24; maar de inhoud is nog belangrijk toegenomen. De laatste
door Melanchton zelf bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende
uitgaven toonen eene steeds grootere toenadering aan de synthetische
indeeling, die bij God begint en tot zijne werken in natuur en genade
afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena geheel
ontbreken, dat de christologie te kort komt wijl Christus’ persoon en
werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het dogmatische en ethische
ten nauwste verbonden blijft en het geheel niet met de eschatologische
dogmata maar met eenige ethische capita wordt besloten, Phil.
Melanchtonis Loci Theol. ed. Augusti 1821 p. 167 f. Die Loci C. des Ph.
M. in ihrer Urgestalt nach G. L. Plitt. 2e Aufl. von Dr. Th. Kolde,
Erlangen. Deichert 1890. Herzog² 9, 503 f. Zöckler Handb. der Theol.
Wiss. II 622 f. en de uitgave der Loci in het Corpus Reformatorum.
Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, Opera ed. Schuler
et Schulthess III 153 en zijne Fidei Christianae Expositio ib. IV 45,
behandelen ook wel eenige dogmatische loci, maar werden spoedig in
de schaduw gesteld door Calvijns Christianae Religionis Institutio.
De eerste editie verscheen in ’t latijn te Bazel in Maart 1536 en
bevatte eene praefatie van Aug. 1535 aan Frans I, en daarna zes
hoofdstukken over de wet, het geloof, het gebed, de sacramenten, de
roomsche sacramenten en de vrijheid. Ze werd driemalen uitgebreid in
1539, 1543 en 1559. De laatste editie was ongeveer vijfmaal grooter
dan de eerste, en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen
verandering. Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en
krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton’s
Loci werden meer synthetisch in den vorm, maar bleven het karakter
van eene reeks van loci behouden; Calvijns Institutie kreeg meer en
meer een systematischen vorm. De editie van 1559 bevat vier boeken,
over de kennis van God als Schepper, als Verlosser, als Heiligmaker
en een laatste boek over de uitwendige genademiddelen. De indeeling
is dus niet zuiver trinitarisch maar is ontleend aan de apostol.
geloofsbelijdenis; vandaar dat een vierde deel achteraan komt, handelend
voornamelijk over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer
dan de titel belooft, behandelt ook de bronnen der Godskennis en de
leer der triniteit. Kosmologie en anthropologie worden over het eerste
en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve soteriologische
ook vele ethische hoofdstukken, benevens de leer der verkiezing en der
opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie is theologisch, maar
Calvijn gaat niet uit van een abstract Godsbegrip, maar van God gelijk hij
door den mensch uit natuur en Schrift gekend wordt, Köstlin, Calvins
Instit. nach Form und Inhalt in ihrer geschichl. Entw. Stud. u. Kr.
1861 S. 7-62, 410-486. Godgel. Bijdr. 1868 bl. 861 v. 1869 bl. 483 v.
Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J. Kalvijn I
127 v. en de uitgave in het Corpus Reform.
5. Luthersche en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische
indeeling van Melanchton en Calvijn in het eerst schier algemeen
nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de beste gehouden.
Met alleen Gereformeerden zooals Hyperius, Methodus Theol. 1574
p. 11-16, Alsted Theol. schol. didact, in de praefatio, Ursinus,
Opera, Heidelb. 1612 I 417, H. Alting, Oratio inauguralis de methodo
loc. comm. Heidelb. 1613, Leydecker, de Verit. Rel. Christ. 1690
p. 77; maar ook Lutherschen, zooals Flacius, Clavis Scripturae
Sacrae, vol. II, tract. I p. 54, Declaratio tabulae trium methodorum
theologiae, bij Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 46 hebben aan de
synthetische methode de voorkeur gegeven, wijl daarin gelijk Hyperius
zegt, a primis principiis per formas ac differentias ad finem usque
fit progressus. Deze indeeling werd daarom geprefereerd, omdat zij
dienzelfden historischen gang volgde, welken God in Zijne openbaring
had voorgeteekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische
speculatie en het positief karakter der theologie het best bewaarde;
en omdat zij analoog was aan de methode in de andere wetenschappen,
die ook met de eenvoudigste elementen of principia beginnen en dan
tot het samengestelde voortschrijden. Deze indeeling bleef dan ook
in de Luthersche kerk de heerschende tot op Calixtus toe; men vindt
ze in hoofdzaak bij Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter,
Gerhard, enz. In de Geref. theologie wordt ze gevolgd tot op Coccejus
toe, door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius,
Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten belangrijk
gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek eene inleiding
voorgevoegd, waarin het begrip der theologie, de leer der Schrift, eene
enkele maal ook, bijv. bij Amesius en Maestricht, het wezen des geloofs
werd behandeld. De dogmatiek werd dus in twee deelen ingedeeld, de
principiis theologiae en de articulis fidei, Polanus, Syntagma Theol.
p. 133. In het corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en
ook meer systematische ordening der loci: de verkiezing, door Calvijn
in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der besluiten,
de leer van wereld, mensch, Christus, enz. kregen ieder eene eigene
plaats; het slot der dogmatiek werd niet in beslag genomen door eenige
ethische capita, maar door de consummatio seculi; de ethische stof werd
of in de soteriologie ter sprake gebracht of ook wel in een tweede
deel, de operibus, in onderscheiding van het eerste de fide, behandeld,
of met Danaeus en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De
behandeling der afzonderlijke loci werd in de 17e eeuw hoe langer zoo
scholastischer; de samenhang met het leven des geloofs werd hoe langer
hoe minder gevoeld.
6. De reactie tegen deze scholastiek kon op den duur niet uitblijven.
Zij begon in de Luth. kerk met Calixtus, in de Geref. met Coccejus.
Calixtus vatte de theologie als eene practische wetenschap op en volgde
in zijn Epitome theologiae 1619 de analytische indeeling. Nieuw was deze
in zooverre niet, als ook Thomas na de leer van God in het tweede deel
tot de bestemming van den mensch overgaat en in het derde deel den weg
beschrijft, die in Christus daarheen leidt. Maar Calixtus begint in eens
met het doel, de bestemming van den mensch. Deel I handelt de fine, d.
i. de immortalitate animae, resurrectione et extremo judicio. Deel II
spreekt de subjecto, d. i. over God, engel, mensch, zonde. Deel III
handelt de mediis, d. i. over praedestinatie, incarnatie, Christus,
rechtvaardiging, woord, sacrament, enz. Deze drie deelen vormen de pars
communis, welke allen geloovigen aangaat; maar daarop volgt nog een
pars propria, dat vooral over de kerk handelt en inzonderheid voor de
ambtsdragers van belang is. Al was er nu veel goeds in, om tegenover
de scholastische behandeling der theologie op haar practisch karakter
den nadruk te leggen, toch wordt deze indeeling door vele bezwaren
gedrukt. Afgedacht daarvan, dat de in de pars propria behandelde leer
van de kerk eene waarheid geldt, voor alle geloovigen van belang;
het maakt een vreemden indruk, dat de dogmatiek met het einde, de
onsterfelijkheid, enz. begint; het tweede deel moet handelen van het
subject der theologie, den mensch, maar bevat ook heel de leer over
God; het derde deel beantwoordt nog het best aan zijn titel, maar doet
de soterologie bij de soteriologie te kort komen, Gass, Gesch. der prot.
Dogm. I, 304 f. Toch werd deze analytische methode door de latere
Luthersche theologen, Calovius, Quenstedt, König, Baier, Scherzer
nagevolgd. En ook onder de Gereformeerden vond ze ingang. Barth.
Keckermann te Dantzig had reeds vóór Calixtus in 1603 een systema
S. Theologiae het licht doen zien, waarin hij met beroep op Ursinus
in zijne Catechesis de theologie omschrijft niet als eene scientia
contemplatrix maar als eene disciplina operatrix, of nog beter als eene
prudentia religiosa ad salutem perveniendi, cap. 1. Daarom kiest hij met
beslistheid de analytische methode, want de synthetische methode is
eigen aan de wetenschappen, maar de analytische past aan de disciplinae
operatrices. En zoo verdeelt hij dan zijne theologie in drie deelen. In
het eerste deel handelt hij over de principia der theologie, nl. God,
het principium essendi, en zijn Woord, het principium cognoscendi. Uit
deze beide worden alleen het doel en de daartoe leidende middelen ons
bekend. In het tweede deel zegt hij dan met een enkel woord dat het
doel der Theologie is vita, salus aeterna, gelijk ook Ursinus in zijn
catechismus vraag 1 dit voorop stelt. De middelen, om dit doel te
bereiken, zijn tweeërlei: kennis van onze ellende, en verlossing uit
die ellende, lib. II, cap. 1. Boek II handelt dus over den mensch en
zijne zonde, en Boek III over de media salutis, verkiezing, Christus,
kerk, rechtvaardiging, sacramenten. Opmerkelijk is nog, dat Keckermann
met voorliefde de theologie met de medische wetenschap vergelijkt en
zelfs de namen aan haar ontleent voor de verschillende deelen van zijne
theologie. Bonaventura Brevil. Pars I, cap. 1, had dit reeds vóór hem
gedaan. Hem en anderen navolgend, spreekt Keckermann van eene pars
pathologica, therapeutica, diaetetica der theologie, p. 214, 295, cf.
Kuyper, Encycl. I, 40.
Evenzoo werd door Coccejus het theologische met het anthropologische
standpunt verwisseld. Het nieuwe in zijn Systema doctrinae de foedere et
testamento Dei 1648 bestond niet in het verbondsbegrip als zoodanig,
dat al bij Zwingli en Calvijn voorkomt en door Bullinger, Olevianus,
Cloppenburg ontwikkeld was. Maar het lag hierin, dat Coccejus voor het
eerst heel de dogmatische stof van uit dit begrip indeelde, en daarmee
bedoelde eene meer bijbelsch-theologische, anti-scholastische dogmatiek
te geven; voorts dat hij in de rangschikking der stof de historische
orde van de bedeelingen des verbonds volgde, deze bedeelingen zóó
scherp onderscheidde, dat haar eenheid te loor ging en slechts door
willekeurige typische exegese bewaard kon worden; en eindelijk, dat hij
heel de geschiedenis van het genadeverbond van het begin tot het einde
beschouwt als eene afschaffing van het werkverbond; zonde, Christus,
Nieuw Verbond, lichamelijke dood en opstanding zijn de vijf keerpunten,
waardoor successief het werkverbond van al zijne kracht en werking
wordt beroofd, cap. III § 68. Deze indeeling wordt door vele bezwaren
gedrukt; ze neemt haar standpunt niet theologisch in God, maar in
het verbond van God en mensch en kan dus de leer over God en mensch
niet anders dan vooraf in eene inleiding, bij wijze van onderstelling,
behandelen; ze wischt door haar historischen gang de grens uit tusschen
de geschiedenis der openbaring en de dogmatiek en ondermijnt daardoor
de laatste; ze valt in veelvuldige herhalingen en komt er vanzelf
toe, om eenerzijds de analogieën en anderzijds de onderscheidingen in
de verschillende bedeelingen van het verbond te overdrijven. Toch
vond ze bij velen navolging, o. a. bij Momma, Heydanus, Vitringa,
Braun, Witsius, en ook bij Lutheranen, zooals W. Jäger, 1702. En zelfs
Leydecker, een volgeling van Voetius en bestrijder van Coccejus,
trachtte de trinitarische indeeling met de foederalistische op die wijze
te verbinden, dat de opeenvolgende huishoudingen der genade in verband
werden gebracht met de drie personen en de drieërlei werkzaamheid in de
triniteit, Schweizer, Gl. der ev. ref. k. I 115 f.
7. Maar nog grooter verandering kwam er in den vorm der dogmatiek
door den invloed der wijsbegeerte. Vooral hierin komt dit uit, dat de
eigenlijke materieele dogmatiek hoe langer hoe armer wordt, en de pars
formalis aan omvang en uitgebreidheid steeds wint. Tot dusver was het
gansch anders; de prolegomena ontbraken geheel, of waren klein van
omvang en handelden hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht
werd gewijd aan de uitwerking en verdediging der bijzondere dogmata. Het
fundament lag zoo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle arbeid
werd besteed aan het gebouw, dat op dien grondslag werd opgetrokken.
Dit veranderde door de philosophie, door de rechten die de rede
allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde. Zij was niet langer
tevreden met de bescheiden rol van dienaresse, en verlangde eene stem
in het kapittel. In de pars materialis had dit ten gevolge, dat alle
scholastieke bewerking der dogmata zooveel mogelijk werd vermeden; men
gaat van de belijdenis tot de Schrift terug en huldigt de historische,
bijbelsche methode; de dogmata worden vereenvoudigd en afgesleten en
verliezen het kenmerkende; alle dieper indenken van de dogmata wordt
gebannen; de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog grooter was
de invloed op het formeele deel der dogmatiek. Men verliet hier het
reformatorische uitgangspunt des geloofs en keerde tot dat van de
Roomsche theologie terug. Vooreerst meende men, dat de menschelijke
rede, ook buiten het geloof, al de waarheden der theol. naturalis uit
zichzelve kon voortbrengen; de theol. naturalis ging als praeambula
fidei aan de theol. revelata vooraf, de rede werd van het geloof, van
de openbaring geëmancipeerd, beide stonden zelfstandig naast elkaar.
S. van Til behandelde ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque
compendium, cum naturalis tum revelatae 1706. Vervolgens kreeg die
rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar strekte
ze haar macht ook over die openbaring zelve uit. Aan haar werd het
recht toegekend, om de waarheid der openbaring te onderzoeken. In de
theologia naturalis stond men op vasten grondslag, op eene zuiver
wetenschappelijke basis; van dit standpunt uit werd ook de openbaring
onderzocht, en als dan de rede door allerlei rationeele en historische
bewijzen, als zoovele motiva credibilitatis, de waarheid der openbaring
had aangetoond, was het immers redelijk die openbaring te gelooven
en zich aan haar te onderwerpen. Zoo werden de prolegomena al meer
uitgebreid. Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden
van de theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke
of redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid,
noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond; en
eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei historische,
kritische, rationeele bewijzen wordt gestaafd. En eerst na dien langen
weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek, die er zoo sober en zoo
eenvoudig mogelijk uitziet. Heel het standpunt is veranderd; het
uitgangspunt is niet meer het geloof maar de rede. Wat wonder dat
deze in het deïsme en rationalisme heel de openbaring ontkent, eene
openbaring, die immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is.
Deze orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en
Roomsche theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt
nooit te boven gekomen, Fock, Der Socin. 291 f. En de Remonstranten
zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch, Theol. Christ.
spreekt in cap. 1 de theologia ac religione, in cap. 2 de existentia
Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift. Episcopius breidt in zijne
Instit. Theol. deze inleidende stof nog uit, spreekt eerst zelfs over
de vereischten van den theoloog, en dan over het practisch karakter
der theologie, de theol. naturalis, de religie, de openbaring en de
H. Schrift. Langzamerhand drong deze uitbreiding der prolegomena
ook in de orthodoxe dogmatiek door. De indeeling der dogmatiek in
twee deelen: de fide en de operibus brengt er Amesius en Maestricht
toe, om in den aanvang na theologie en Schrift ook de natuur van het
geloof te bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk
over den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol.
naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de
inleiding thuis hoort. Maar langzamerhand begint er in de 18e eeuw een
reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan als theologie,
natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv. bij J. A. Turretinus,
Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen van rationalistische en
supranaturalistische richting.
8. Wel werd nu door Kant die rationalistische grondslag der dogmatiek
ondermijnd, en wel trachtte Schleiermacher geloof en geloofsleer te
redden, door ze te beperken tot het gevoel en de beschrijving daarvan.
Maar feitelijk is er in deze orde der dogmatiek geene verandering
gekomen. De aanvallen op de christelijke religie in deze eeuw richten
zich in de eerste plaats tegen de fundamenten zelve. In vroeger
eeuwen was het geloof krachtiger en kwam de vraag: waarom geloof ik,
haast niet op. De grondslagen schenen zoo vast, dat een onderzoek
ervan geheel onnoodig was; alle kracht werd aan het optrekken van het
gebouw besteed. Maar thans wordt de dogmatiek juist in hare wijsgeerige
onderstellingen bestreden; niet een of ander leerstuk in de dogmatiek,
maar de mogelijkheid der dogmatiek wordt ontkend, Pierson, Ter uitvaart
1870. Het menschelijk kenvermogen wordt tot de zienlijke dingen beperkt;
de openbaring wordt onmogelijk geacht; de H. Schrift wordt door de
historische kritiek van haar goddelijk gezag beroofd en zelfs het
recht en de waarde van den godsdienst wordt ernstig betwist. Bij en
ten deele door dit alles is het religieuse leven sterk verminderd;
er is wel veel beweging op godsdienstig gebied, maar er is weinig
echt godsdienstig leven. Het geloof voelt zich niet zeker meer; zelfs
onder de geloovigen is er veel twijfel en onvastheid. Het kinderlijke
en tegelijk heroieke: ik geloof, wordt zelden gehoord en heeft voor
het kritisch twijfelen plaats gemaakt. Men gelooft misschien nog zijne
belijdenis, maar men belijdt niet meer zijn geloof (Schweizer). In tijden
van opgewekt godsdienstig leven spreekt men als machthebbende, en niet
als de schriftgeleerde; dan klinkt het: ik weet in wien ik geloof, van
de lippen. Maar in een kritischen tijd als den onzen is er onzekerheid
juist over de principia, over kenbron, methode, bewijs, enz. De pars
formalis is daarom nog het voornaamste deel der dogmatiek. Eene
gansche apologetiek gaat aan de dogmatiek vooraf, Hoekstra, Godgel.
Bijdr. 1864 bl. 2 v. Schleiermacher heeft de dogmatiek wel tot eene
positieve, historische wetenschap gemaakt en haar van alle apologetiek
trachten te verlossen. Maar hij liet aan de historische theologie,
waartoe de dogmatiek behoort, de philosophische voorafgaan, die haar
uitgangspunt moest nemen über dem Christenthum, in het religieuse
gemeenschapsleven in het algemeen, en van daaruit kritisch het wezen
des Christendoms had te bepalen, Kurze Darstellung des theol. Stud.
2e Ausg. § 32 f. Feitelijk heeft hij dus de theologie niet van de
philosophie bevrijd, maar zoo sterk mogelijk van haar afhankelijk gemaakt.
Dit komt ook daarin uit, dat hij in zijne Glaubenslehre eene breede
inleiding laat voorafgaan met allerlei Lehnsätze uit de ethiek, de
religionsphilosophie en de apologetiek. Nu heeft het voorbeeld van
Schleiermacher, om encyclopaedisch de philosophische theologie aan
de historische te laten voorafgaan, wel slechts bij enkelen navolging
gevonden; maar in aansluiting aan hem is het toch gewoonte geworden,
om de dogmatiek aan te vangen met een apologetisch deel. Zoo schreef
Voigt eene Fundamentaldogmatik, Lange eene philosophische dogmatiek,
die aan de positieve voorafging, Van Oosterzee legde een apologetischen
grondslag, Dorner laat een fundamentaler Theil of Apologetik
voorafgaan, Biedermann een prinzipieller Theil, Lipsius en Nitzsch een
Principienlehre, enz. De raad van Liebner, Jahrb. f. d. Th. 1856 I 196
f. om in de inleiding alleen het begrip der dogmatiek te ontwikkelen,
daar er anders eene gansche dogmatiek komt vóór de dogmatiek, en de
begrippen van religie, openbaring reeds de leer van God en mensch
onderstellen, is weinig opgevolgd. De onderwerpen, die in deze
Principienlehre behandeld worden, zijn niet bij allen gelijk, maar loopen
toch meest over de begrippen: aard onzer kennis in religieuse dingen,
religie, openbaring, H. Schrift en kerk. Het hoofdstuk theologie,
vroeger meermalen opgenomen, is verhuisd naar de Encyclopaedie. De
indeeling van de materieele dogmatiek is zeer verschillend. Sommigen
volgen de trinitarische indeeling, zooals Martensen, Lange, Kahnis,
Ebrard, Schweizer. Anderen gaan uit van Christus en behandelen de
onderstellingen, den persoon en het werk van Christus, zooals Liebner,
Thomasius, Lange. De tegenstelling van zonde en genade, met de daaraan
voorafgaande onderstelling van de verhouding van God en wereld, ligt
ten grondslag aan de indeeling van Schleiermacher en Rothe, zur Dogm.
29. Hofmann, Philippi, Lutbardt, hebben het foedusbegrip, d. i. de
gemeenschap Gods tot uitgangspunt genomen en behandelen den oorsprong,
de verstoring, de objectieve herstelling, de subjectieve verwezenlijking
en de voltooiïng dier gemeenschap. Het koninkrijk Gods wordt tot
principium dividendi gekozen door Van Oosterzee; het begrip van liefde
door Schoeberlein; dat van leven door Oetinger, Reiff, enz., terwijl
eindelijk velen de gewone orde volgen van theologie, anthropologie enz.,
zooals Vilmar, Hodge, Shedd, Böhl e. a.
9. Wat allereerst aangaat de indeeling der dogmatiek in een algemeen en
een bijzonder deel, deze is niet alleen door de principieele bestrijding
der dogmatiek noodzakelijk geworden, maar is ook op zichzelve nuttig
en goed. Reeds vroeg werd er behoefte gevoeld, om vóór de eigenlijke
dogmata het wezen der theologie en hare principia in het licht te
stellen. Polanus maakte al onderscheid tusschen de principia en de
articuli fidei. En allengs is het dringende behoefte geworden voor
den geloovige, niet alleen te weten wat, maar ook waarom hij gelooft.
Maar daartoe is dan ook de taak van het eerste, algemeene deel der
dogmatiek bepaald. Dit eerste deel heeft zich niet in te laten met
allerlei encyclopaedische kwestiën, zooals het wezen, de geschiedenis,
de indeeling der theologie, gelijk Gretillat, Exposé de théol. system. I
1885, p. 199 s., nog doet. Vroeger geschiedde dat, omdat theologie met
dogmatiek vereenzelvigd werd, en omdat de theol. encyclopaedie nog niet
als eigen vak werd beoefend. Thans echter moet aan de encyclopaedie
overgelaten worden de ontwikkeling van het wezen der theologie; in
de dogmatiek behoort alleen nog de uiteenzetting van naam, begrip,
methode, indeeling en geschiedenis der dogmatiek zelve, zooals dat
in de inleiding geschiedt. Maar ook nog op eene andere wijze moet het
principieele deel der dogmatiek beperkt worden. De methode, die reeds
met de Scholastiek is opgekomen en dan later ook bij de Protestanten
ingang vond, om nl. eerst de natuurlijke Godskennis (praeambula fidei)
en daarna al de historische en redebewijzen (motiva credibilitatis) voor
de openbaring te behandelen, verdient daarom afkeuring, wijl zij in het
begin en in beginsel het standpunt des geloofs prijsgeeft, het positief
karakter der dogmatiek miskent, op het terrein van den tegenstander
overgaat, en dus feitelijk rationalistisch is en de dogmatiek van de
philosophie afhankelijk maakt. Daartoe behoort ook de poging om de
theologia of religio naturalis met het foedus operum te vereenzelvigen
en dan te behandelen als eene voorbereiding voor de theologia revelata,
die zakelijk één is met het foedus gratiae, Schweizer, Gl. der. ev.
ref. K. I, 107-115, II 1 f. en Scholten L. H. K. I 304 v. Cf. Dr. van
Dijk, Studiën, VI 1880, 1e stuk blz. 11 v. Beiden maken de natuurlijke
religie (foedus operum, status integritatis), de wetsreligie (foedus
gratiae ante legem en sub lege) en de Erlösungsreligion (foedus gratiae
post legem) tot drie momenten in het religieuse proces. Daardoor wordt
de openbaring niet alleen van haar bovennatuurlijk karakter beroofd,
maar ook van de Geref. indeeling een gebruik gemaakt tegen haar
bedoeling in. Het foedus operum, vóór den val, is geen voorbereiding
van maar vormt eene tegenstelling met het foedus gratiae, dat eerst
na verbreking van het foedus operum door de zonde in de historie
optreedt. De onderscheiding van theol. naturalis en relevata is
daarentegen eene gansch andere, niet eene historische maar eene, die
nog altijd in de theologie bestaat en voortduurt. Tegenover zulk eene
rationaliseering van religie en theologie moet met Schleiermacher,
Rothe, Frank, Ritschl, enz. het positief karakter gehandhaafd worden.
Ook de principia fidei zijn articuli fidei, die niet op menschelijke
redeneeringen en bewijzen maar op goddelijk gezag rusten. De erkenning
van de openbaring, van de Schrift als Gods Woord is een vrucht en daad
des geloofs. In de dogmatiek is van het begin tot het eind de geloovige
aan het woord, zoowel in de principia als in de articuli fidei; hij
belijdt en geeft rekenschap van zijn geloof, van grond en van inhoud. In
het eerste deel worden dus alleen de principia fidei ontwikkeld. Deze
zijn tweevoudig, principium externum en internum, objectivum en formale,
Voetius, Disp. I 2. Alting, Theol. Schol. didact. p. 10, evenals de
religio objectiva en subjectiva onderscheiden moet worden. En in deze
twee wordt heel het eerste deel der dogmatiek afgehandeld.
Bij de ordening van de stof in het tweede deel is de trinitarische
indeeling te verwerpen, omdat zij de behandeling der triniteit zelve
natuurlijk niet in eene der drie oeconomieën kan opnemen en dus bij wijze
van onderstelling in een hoofdstuk vooraf moet laten gaan. Voorts
bestaat er bij deze indeeling gevaar, dat de opera ad extra veel te
veel als opera personalia worden opgevat en te weinig worden beschouwd
als opera essentialia, als gemeenschappelijke werken der drie personen,
of ook andererzijds dat bij handhaving der eenheid de triniteit slechts
oeconomisch genomen en in haar ontologisch karakter miskend wordt.
Eindelijk is aan deze indeeling nog de schaduwzijde verbonden, dat de
loci over schepping, engel, mensch, zonde, kerk, enz. onder de personen
der triniteit verdeeld, niet tot hun recht kunnen komen. Maar nog veel
meer bezwaren bestaan er tegen de christologische indeeling. Hoeveel
aanlokkelijks ze ook bij den eersten oogopslag hebben moge, ze is toch
onbruikbaar. Ze rust ten eerste dikwerf op de onjuiste voorstelling,
alsof niet de Schrift maar bepaald de persoon van Christus het
principium en de kenbron ware der dogmatiek, en toch weten we van
Christus niets af dan uit en door de Schrift. Voorts is Christus zeer
zeker het centrum en de hoofdinhoud der H. Schrift, maar juist omdat
hij het middelpunt is, is hij het uitgangspunt niet; hij onderstelt God
en den mensch, gelijk hij ook niet terstond bij, maar eerst vele eeuwen
na de belofte in de historie is opgetreden. Vervolgens is het buiten
twijfel, dat Christus ons den Vader heeft geopenbaard, maar dit spreken
Gods door den Zoon doet het spreken Gods op velerlei wijze door de
profeten niet te niet; niet het Nieuwe Testament alleen, noch ook
alleen de woorden van Jezus, maar heel de Schrift is een Woord Gods,
dat door Christus tot ons komt. Eindelijk is het duidelijk, dat de
christologische indeeling de loci over God, schepping, wereld, mensch
slechts bij wijze van onderstellingen en postulaten behandelen en dus
niet in hunne rijke beteekenis ontwikkelen kan. De andere indeelingen,
ontleend aan de drie deugden geloof, hoop, liefde, geloof, gebed en
gebod, aan de bestemming en het einddoel des menschen, aan het verbond
of de gemeenschap van God en mensch, aan het rijk Gods, aan de begrippen
van leven, liefde, geest, enz. mogen practisch veel voor hebben en in
een catechismus op haar plaats zijn; zij kunnen voor eene dogmatiek, die
het systeem der kennisse Gods is, niet in aanmerking komen. Ze zijn
daartoe niet centraal en algemeen genoeg. Zij zijn dan ook òf van buiten
aangebracht en beheerschen het systeem niet, gelijk bij Van Oosterzee;
òf zij zijn als indeelingsbeginsel streng vastgehouden maar doen aan
verschillende loci te kort.
10. Inhoud der dogmatiek is de kennisse Gods, gelijk Hij die in Christus,
door zijn Woord, heeft geopenbaard. Het eigenaardige van de kennis des
geloovigen bestaat daarin, dat hij alles religieus, theologisch beziet,
dat hij alles beschouwt in ’t licht Gods, sub specie aeternitatis. Dat
is het onderscheid tusschen zijne en eene wijsgeerige of wetenschappelijke
wereldbeschouwing. In de dogmatiek is altijd de geloovige, de Christen
aan het woord. Hij speculeert niet over God, hij gaat niet van een
abstract, philosophisch Godsbegrip uit, en komt niet door de theologia
naturalis tot de theologia revelata. Hij redeneert niet over God, gelijk
Hij in zichzelven bestaat, want deze kennis is volkomen onbereikbaar.
Hij beschrijft alleen die kennisse Gods, welke hem in Christus is
geopenbaard. Ook als hij dus in het eerste deel der dogmatiek over
God, zijne eigenschappen, de triniteit handelt, spreekt en denkt hij
als geloovige, als Christen, als theoloog en niet als philosoof. In
elk dogma klopt dus het hart der religie. Dogmatiek is geen wijsgeerig
systeem, dogmatiek is theologie. Maar daarom juist beschrijft de
dogmaticus in zijn systeem der kennisse Gods niet, hoe hij tot het geloof
kwam en door het geloof subjectief en successief inzicht verkreeg in de
verschillende waarheden des geloofs. Dat ware eene analytische methode,
die in een catechismus uitnemend is maar in eene dogmatiek niet past.
Maar hij expliceert den inhoud van zijn geloof, gelijk die objectief, in
de openbaring, door God zelven voor zijn geloofsoog uitgespreid is. Hij
ontleent het beginsel van indeeling en de rangschikking der stof niet
aan zijn eigen geloofsleven, maar aan het voorwerp zelf, dat hij in zijne
dogmatiek te beschrijven heeft; niet aan het geloovig subject, maar
aan het object des geloofs. Al stemmen we er dus van harte mede in,
dat in de dogmatiek altijd en overal, van het begin tot het einde, de
geloovige denkt en spreekt; toch is dit iets gansch anders, dan dat hij
ook de ordening der dogmatische stof aan zijn eigen ervaring ontleenen
zou. Daardoor zou de dogmatiek in haar karakter miskend worden, in
anthropologie overgaan, en ophouden theologisch te zijn. Dit blijft ze
alleen, als het systeem der dogmatiek aan haar eigen stof en inhoud
wordt ontleend.
Indien dit uitgangspunt goed is gekozen, zijn er maar twee indeelingen,
die zichzelve daarvoor aanbevelen. De eerste is de reeds besprokene
trinitarische indeeling. Er ligt in haar veel bekoorlijks; vandaar dat
ze telkens weer ingang vond en ook in de philosophie grooten invloed
oefende. Zij beveelt zich aan door haar zuiver theologisch karakter.
God is begin en einde, alpha en omega. Natuur en geschiedenis worden
onder Hem gesubsumeerd. Alles is uit God en tot God. Het trinitarische
behoedt voor eenvormigheid en waarborgt leven, ontwikkeling, proces.
Maar daarmede is tegelijk haar gevaar aangewezen. Zij is te speculatief,
ze offert de historie op aan het systeem, ze neemt zoo licht de
kosmogonie op in het trinitarische leven Gods en wordt dan tot
theogonie. De philosophie van Erigena, Böhme, Baader, Schelling, Hegel
strekt ten bewijze. Daarom verdient die indeeling de voorkeur, welke
theologisch is en tevens een historisch-genetisch karakter draagt.
Ook zij neemt haar uitgangspunt in God en beschouwt alle schepselen
slechts in relatie tot Hem. Maar van God uitgaande, daalt ze tot
zijne werken af, om dan door deze heen weer tot Hem op te klimmen en
in Hem te eindigen. Ook bij deze indeeling is God dus het begin, het
midden en het einde. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Maar God wordt hier niet neergetrokken in het proces der historie,
en de geschiedenis komt hier beter tot haar recht. Tusschen God en
zijne werken wordt onderscheid gemaakt. In die werken treedt Hij op
als Schepper, Hersteller en Volmaker. Hij is exemplar effectivum in
creatione, refectivum in redemptione, perfectivum in retributione. De
dogmatiek is het systeem der kennisse Gods gelijk Hij in Christus zich
heeft geopenbaard; zij is het systeem der christelijke religie. En het
wezen der christelijke religie bestaat daarin, dat de schepping des
Vaders, door de zonde verwoest, weer in den dood van den Zone Gods
wordt hersteld en door de genade des H. Geestes herschapen wordt tot
een koninkrijk Gods. De dogmatiek toont ons, hoe God, de Algenoegzame
in zichzelven, zich nochtans verheerlijkt in zijne schepping, die, ook
als ze door de zonde wordt uiteengeslagen, toch weer in Christus
wordt bijeenvergaderd Ef. 1:10. Zij beschrijft ons God, altijd God, van
het begin tot het einde, God in zijn wezen, God in zijne schepping,
God tegenover de zonde, God in Christus, God door den H. Geest allen
tegenstand brekend, en heel de schepping heenleidend tot het door Hem
vastgestelde doel, de glorie van zijn naam. Dogmatiek is dus geen dorre
wetenschap. Zij is eene theodicee, een lofzang op alle Gods deugden en
volmaaktheden, een lied der aanbidding en der dankzegging, een δοξα ἐν
ὑψιστοις θεῳ.
§ 5. GESCHIEDENIS EN LITTERATUUR DER DOGMATIEK.
A. Opkomst der dogmatiek, 2e-4e eeuw.
1. De H. Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons noodige kennisse
Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd. De waarheid is
daar neergelegd als vrucht van openbaring en inspiratie, in eene taal,
die de onmiddellijke uiting is van het leven en daarom altijd frisch
en oorspronkelijk blijft. Maar zij is nog geen voorwerp van reflectie
geworden en nog niet heengegaan door het denkend bewustzijn. Hier en
daar, b.v. in den brief aan de Romeinen, moge er een aanvang van
dogmatische ontwikkeling zijn; meer dan een aanvang is het ook niet. De
periode der openbaring moest gesloten zijn, eer die van de dogmatische
reproductie een aanvang kon nemen. De Schrift is de goudmijn, maar de
kerk is het, die het goud eruit opdelft, het stempelt en in gangbare
munt omzet, Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 20 f. Deze dogmatische
verwerking van den inhoud der H. Schrift is echter niet het werk
van één enkel theoloog, of van eene bijzondere kerk of school, maar
van de gansche kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door
Christus herborene menschheid. Gelijk er eenheid en continuiteit is in
de ontwikkeling van iedere wetenschap, zoo is dat ook het geval in
de theologie en in de dogmatiek. Ook deze hebben eene geschiedenis.
Niet alleen in dien zin, dat de stof en inhoud allengs, in een verloop
van eeuwen, door God werd geopenbaard; noch slechts alzoo, dat de
verschillende waarheden door de kerk allengs duidelijker geformuleerd
en in het leven toegepast zijn; maar ook nog in deze beteekenis, dat
het wetenschappelijk bewustzijn hoe langer hoe meer een helder inzicht
kreeg in het organisme en het systeem dier geopenbaarde waarheid. Ook
het wetenschappelijk karakter van dogmatiek en theologie heeft eene
geschiedenis doorloopen.
De Apostolische Vaders, o. a. uitgegeven door Hefele-Funk, Tübingen
1878-1881. Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost. opera. Lips.
1875-’77, ed minor repetita. Lips. 1894. Hilgenfeld, Nov. Test. extra
canonem receptum, ed sec. Lips. 1884, vertaald door Duker en Van Manen,
Oud-Christ. letterkunde. Amst. 1871, staan nog geheel op het standpunt
van een naïef, kinderlijk geloof. Het Christendom was geen vrucht van
menschelijk onderzoek, maar van openbaring en vorderde daarom in de
eerste plaats geloof. Men spreekt de H. Schrift nog na. De bijbelsche
begrippen, zooals van Christus als Heer, zijn dood, geloof, bekeering,
gemeente, waken, gebed, aalmoes, opstanding, leven, onsterfelijkheid,
enz. worden wel overgenomen, maar zonder dat de reflectie ontwaakt
en de inhoud ervan ingedacht en ontleed wordt. Het Christendom vond
trouwens ook meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden. Des
te meer is al het streven erop gericht, om de christelijke waarheid om
te zetten in het leven en ze practisch ook in cultus en organisatie tot
heerschappij te brengen; niet op de gnosis maar op een heilig leven,
op de beoefening der christelijke deugden van liefde, zachtmoedigheid,
vrede, eenheid enz. wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden,
waarin men zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele bijbelsche
begrippen ontbreken geheel, en andere worden verzwakt of gewijzigd; de
werkheilige opvatting van het Christendom wordt voorbereid. Over het
algemeen zijn de geschriften der Apost. Vaders ethisch krachtiger en
rijker dan dogmatisch. In weerwil van denzelfden briefvorm en ten deele
dezelfde gemeenten, aan wie zij zich richten, springt het onderscheid en
de afstand tusschen de Apostelen en de Apostolische Vaders zeer sterk
in het oog. Het heidensche bewustzijn kon zoo spoedig de christelijke
gedachten niet in zich opnemen, Lübkert, Die Theol. der apost. Väter,
in Niedner’s Zeits. f. hist. Th. 1854 S. 589 f. Sprinzl, Die Theol. der
apost. Väter, Wien 1880. Lechler, Das apost. u. nachapost. Zeitalter,
3e Ausg. 586-610. Zöckler, Handbuch der theol. Wiss. Supplementband
1889 S. 18 f. Dorner, Entw. Gesch. der Lehre v. d. Person Christi, 2e
Aufl. I 130 f. Harnack, Dogmengesch. I 125-186.
2. Bij deze eenvoudige herhaling en practische toepassing der
Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan. De
tegenstand, dien het Christendom allengs van de heidensche cultuur
ondervond, dwong tot nadenken, en verdediging. In den eersten tijd
bepaalde zich de heidensche macht tot vervolging, Uhlhorn, der Kampf
des Christ. mit dem Heid. 3e Aufl. Stuttgart 1879, haat, verachting en
spot, gelijk ze door Tacitus, Ann. 15:44 en Lucianus in zijn Peregrinus
Proteus worden geuit, Th. Keim, Rom und das Christenthum, herausg. v.
H. Ziegler 1881. Stud. u. Kr. 1851, S. 826 f. Herzog² 8, 772. Maar
langzamerhand moet de heidensche wereld met het Christendom rekenen
en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich Kellner heeft in zijn
Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866 deze geistige Reaktion des
antiken Heidenthums gegen das Christenthum opzettelijk beschreven, en
ten slotte, S. 431 f. ook op hare verwantschap met de bestrijding van
het Christendom in den tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste
wetenschappelijke bestrijders zijn: Celsus, (W. Th. Keim, Celsus’ wahres
Wort. Zürich 1873. Origenes, contra Celsum. Bindemann, Zeits. f. d.
histor. Theol. 1842, 2tes Heft S. 58 f. Baur, Kirch. Gesch. der 3
ersten Jahrh. 383 f. Herzog² 11, 100 f. Vigouroux, Les livres saints
et la critique rationaliste, 3e ed. I 133 s.) Porphyrius, (Baur,
ib. 420 f. Jahrb. f. d. Theol. 1878. 2tes Heft S. 269 f. Herzog²
10, 524. Vigouroux, ib. I 156 s.), Fronto, de vriend van Aurelius
(blijkens Minucius Felix, Octavius 9, 31. Boissier, Les polémiques
religieuses au second siècle, Revue des Deux Mondes 1 Jan. 1879,
Herzog² 8, 772), en later nog Julianus, die blijkens de weerlegging
van Cyrillus, contra Julianum, een boek tegen de christenen schreef,
(C. J. Neumann, Juliani imperatoris librorum contra Christianos quae
supersunt Lips. Teubner 1880, ook vertaald in ’t Duitsch. ib.). Al
de argumenten, die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn
ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoo b.v. tegen de echtheid en
waarheid van vele Bijbelboeken, den Pentateuch, Daniël, de Evangeliën,
tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende dogmata
zooals de menschwording, de voldoening, de vergeving, de opstanding,
de eeuwigheid der straf; tegen de moraal, zooals het ascetisme,
de wereldverachting, de onbeschaafdheid; om niet te spreken van
de lasterlijke beschuldigingen van het aanbidden van een ezelskop,
kindermoord, echtbreuk enz. Toch heeft ook deze wetenschappelijke
bestrijding het Christendom niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich
gedrongen, om of den ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, gelijk
het Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, Zeller, Philos. der
Griechen 3e Aufl. V 79 f. 419 f., of het Christendom met het Heidendom
te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde in het Gnosticisme
en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme was eene machtige poging, om
het Christendom in de combinatie en fusie van allerlei heidensche
elementen, neoplaton. wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie,
chaldeeuwsche astrologie, perzisch dualisme, enz. optenemen en zoo van
zijn absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze, hoe de
menschelijke geest in de banden der materie gekomen was en daaruit nu
kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in het Gnosticisme de abstracte,
onderscheidlooze eenheid. Uit hem is de materie, de oorzaak van het
kwaad, niet te verklaren. Deze wordt afgeleid uit een lageren god,
den demiurg, die tusschen den hoogsten God en de zinnelijke wereld in
staat en vereenzelvigd wordt met den God des O. Test. Ter verlossing
van de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende
aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en hun
hoogtepunt bereiken in den aeon Christus. Het Christendom is dus niet
de eenige maar de hoogste godsdienst. Christus echter wordt docetisch
opgevat, want niet op het feit, de historie, maar op de idee komt het
aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid ook in het kennen; kennis met
askese maakt zalig. De pistis, de theologie, moge goed zijn voor de
onontwikkelden; de gnosis, de philosophie is het hoogste, zij is het
eigendom der πνευματικοι. Deze ideeën werden door allegorische exegese
met de Schrift in overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen
en beelden, aan de mythologie ontleend en door de phantasie versierd.
Ze veranderden het Christendom in een soort van Religionsphilosophie,
van speculatieve philosophie, welke alle eeuwen door, tot in de
stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft, cf.
Jacobi in Herzog² 5, 204 f. Harnack Dogm. I 186 f. Vigouroux t. a. p. I
106 s. en de daar aangeh. litt.
Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging noodig. De
Christenen werden gedwongen, om over den inhoud der openbaring na
te denken, en eene ware, christelijke gnosis te stellen tegenover
de valsche. De geopenbaarde waarheid wordt object van methodisch,
wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie, niet uit en voor de kerk
en ter opleiding harer dienaren, maar naar aanleiding en ter afwering
van de aanvallen, die op het Christendom gericht werden. Natuurlijk
was tot zulk eene denkende werkzaamheid, kennis van de heidensche
philosophie van noode; de theologie ontstond feitelijk met behulp van
en door verbinding met de philosophie. De Gnostieken hadden dit ook
reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de wijze, waarop de
Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding zochten. Dat verschil
bestaat niet daarin, dat genen eene acute, en dezen eene allmählige
Hellenisirung van het Christendom ondernamen, Harnack, Dogmengesch.
I 168 f. 413 f. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute
inhoud der christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef deze
bewaard; bij genen was het gebruik der philosophie materieel, bij dezen
in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door de kerk verloochend,
dezen erkend; genen stelden de verschillende philosophieën voor als
een religieus proces, waarin ook het Christendom werd opgenomen,
dezen trachtten de christelijke religie, die ze erkenden en aannamen,
aan te toonen als de hoogste waarheid, als de ware philosophie, die
alle waarheidselementen van elders in zich vereenigt. Dit laatste
is zelfs de grondgedachte der Apologeten, en ze werken deze aldus
uit: God is één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door den
Logos ook schepper der wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en
principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is hier
overwonnen; de wereld draagt overal den stempel van den goddelijken
Logos, ook de materie is goed en door God geschapen. De mensch is
oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede en vrijheid en werd voor de
ἀθανασια bestemd; deze moest en kon hij bereiken in den weg der vrije
gehoorzaamheid. Maar hij heeft zich laten verleiden door de daemonen en
is nu onder de heerschappij der zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling
en den dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en wordt de
oorzaak der zonde in den wil des menschen gezocht. Maar daarom zijn er
nu nieuwe middelen van noode, om den mensch van den weg der leugen en
des doods terug te brengen en heen te leiden naar de onsterfelijkheid.
God openbaarde zich door den Logos van de oudste tijden af, en deelde
kennis der waarheid mede ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan
de profeten onder Israel, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus Christus.
In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid. Door Hem als
leeraar der waarheid wordt de mensch wederom tot zijne bestemming
gebracht. De Apologeten zijn dus intellectualistisch en moralistisch;
toch ontbreekt b.v. bij Justinus het streven niet, om Christus ook als
Verzoener en Verlosser te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving
der zonde ontvangen. Uitgave der Apologeten Justinus, Tatianus,
Athenagoras, Theophilus en Hermias, bij Migne ser. gr. t. 6. Van hen
is Justinus verreweg de belangrijkste, Semisch, Justin der Martyrer,
Breslau 1840. Böhringer, Kirch. Gesch. in Biogr. I 1 S. 96-270. Aubé St.
Justin philosophe et martyr. Paris 1861. Weiszäcker, Die Theol. des J.
M. (Jahrb. f. d. Th. 1867, S. 60-119). Engelhardt, Das Christ. J. d. M.
Erlangen 1878 en Herz.² 7, 318. Stählin, Justin der Martyrer Leipz.
1880. Harnack D. G. I 413-464. Dr. H. Veit, Justinus des Philos. und
Martyrers Rechtfertigung des Christ. Strassburg, Heitz. 1894.
3. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter niet
alleen zwak maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid en dwaling
niet vrij. De problemen die zich voordeden waren vele en machtige; de
verhouding van theologie en philosophie, de leer van den Logos in zijne
verhouding tot God, de beteekenis van Christus en zijn dood enz. waren
veel te diep, dan dat in eens het rechte inzicht verkregen kon worden.
Verschil van opvatting deed zich menigmaal voor. Zoodra er theologie
kwam, kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei
dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Eenerzijds die,
welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus (ed. van Oehler,
Leipzig 1853, van Gersdorf, Bibl. patr. eccles. lat. vol. 4-7. Migne,
ser. lat. t. 1-2). Cyprianus (ed. Gersdorf. vol. 2-3. Hartel, Vienna
3 vol. 1868-71. Migne ser. lat. t. 4) en Lactantius (ed. Gersdorf.
vol. 10-11. Migne t. 6), en ook door Irenaeus, van wien alleen het
hoofdwerk Ἐλεγχος και ἀνατροπη της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk
geciteerd Adversus haereses libr. V is bewaard gebleven (ed. Stieren,
Leipzig 1853. Migne ser. gr. t. 7) en zijn leerling Hippolytus van
Rome, waarschijnlijk schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven
φιλοσοφουμενα ἠ κατα πασων αἱρεσεων ἐλεγχος (ed. Duncker u. Schneidewin
Gött. 1859. Migne, ser. gr. t. 10). Dezen allen staan antithetisch
tegenover de philosophie. Irenaeus waarschuwt er zeer ernstig tegen,
adv. haer. II 25-28 en Tertullianus bant ze geheel en zoo scherp
mogelijk, de praescr. 7, in de bekende plaats: wat heeft Athene en
Jeruzalem, de akademie en de kerk, de Christenen en de ketters gemeen
enz. Toch maken zij er allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus
is voor de theologie daarom zoo belangrijk, wijl hij een aantal termini
voor het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zooals
trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una substantia
en tres personae, duae substantiae in una persona enz. Maar ze staan
daarbij op den grondslag van het geloof der kerk; ze zijn historisch,
positief, realistisch en maken tusschen geloof en theologie, πιστις en
γνωσις, geen qualitatief maar hoogstens een quantitatief onderscheid,
Iren. adv. haer. I 10, 3. En wel is nog van een dogmatisch systeem
bij deze mannen geen sprake; de dogmata staan los naast elkander, een
bepaald principe is niet te vinden, zelfs is in de christologie door
Tertullianus en Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen;
maar toch is de theologie van deze mannen, inzonderheid van Irenaeus,
die der volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij hem te
vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader en Zoon, van den
God der schepping en der herschepping, de eenheid van den God des O.
en dien des N. V., de schepping der wereld uit niets, de eenheid van
het menschelijk geslacht, de oorsprong der zonde uit de wilsvrijheid, de
beide naturen van Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de
opstanding aller menschen enz. zijn door hem tegenover het Gnosticisme
duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft bij Irenaeus
het eerst eene eigene, zelfstandige theologische wetenschap ontvouwd,
Harnack, Dogm. Gesch. I 464-547, de artikelen over de genoemde
theologen bij Herzog², de monographieën over hen, bijv. over Irenaeus,
Böhringer, Kirchengesch. in Biogr. 2e Aufl. I Bd. 1e Abth. Ziegler,
Irenaeus, Der Bischof von Lyon, Berlin 1871. Reville, Revue des deux
Mondes 1865. Alzog, Grundriss der Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888 S
104 f. enz. Zöckler Supplement S. 40 f.[1]
[1] Kortheidshalve worden hier eenige werken genoemd voor
de Conciliën, Kerkvaders, Kerkelijke schrijvers, enz. en
litteratuur daarover. De acten der conciliën zijn verzameld
in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia maxima.
Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin.
Mansi. Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio.
Flor. 1759-1788. 31 vol.; eene nieuwe, verbeterde editie
verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta et decreta sacrorum
conciliorum recentiorum. Collectio Lacensis (Maria Laach), 7
vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta der concilia van
1682-1870. De voornaamste besluiten van conciliën en Pausen
zijn verzameld door H. Denzinger. Enchiridion symbolorum et
definitionum, ed. 6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb. 1888. De
geschiedenis der conciliën is het volledigst behandeld door
Karl Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte, nach den Quellen
bearbeitet, 7 Bde. Freiburg 1885-1671, 2e Aufl. Bd. 1-4 door
Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler; ’t werk is voortgezet
door Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde 1867 en 1890.
De Kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven
o. a. door: Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum
antiquorumque scriptorum ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781,
14 tomi fol. J. P. Migne, Patrologiae cursus completus,
sive Bibliotheca universatis .... omnium S. S. Patrum,
doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum,
sive graecorum. Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221
tomi, series graeca 166 tomi, patrologia graeca latine
tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende kerkvaders
afzonderlijk uitgegeven door de Mauriner monniken (Cf.
art. Herz²), zooals Origenes door Delarue Paris 1733,
Chrysostomus door Montfaucon 1718, Augustinus door Delfau e.
a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt er eene uitnemende
editie van de Lat. kerkvaders te Weenen onder leiding van
de Keizerlijke Akademie der wetenschappen: Corpus scriptorum
ecclesiasticorum Latinorum. Vindob. 1866 sq. waarin reeds
verschillende kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob.,
Lact., enz. of gedeelten van kerkvaders Tert., August. enz.
verschenen zijn. Zie verder Bellarminus, De Scriptoribus
ecclesiasticis Romae 1613. Ed. du Pin, Nouvelle Bibliothèque
des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par. 1686-1714. Cave,
Historia literaria script. eccles. 2 vol. Lond. 1689, Basil.
1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae 4 vol. 1757 sq. Ritter,
Geschichte der christl. Philosophie, 4 Theile, Hamburg
1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr.
u. schol. Zeit. 6e Aufl. 1881. Nirschl. Lehrb. der Patrol.
u. Patristik, 3 Bde. Mainz 1881-1885. Alzog, Grundriss der
Patrologie, 4e Aufl. Freiburg 1888. G. Krüger, Gesch. der
altchristl. Litteratur in den ersten drei Jahrh. Freiburg
1895.
Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk
Grieksch, het woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus
ecclesiasticus, ed. 2a longe auctior Amst. 1728, 2 tomi; voor
het middeleeuwsch Grieksch C. Dufresne, dominus du Cange,
Glossarium ad scriptores mediae et infimae graecitatis. Lugd,
1688, 2 tomi; voor het middeleeuwsch Latijn C. Dufresne,
dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et infimae
latinitatis. Par. 1678, 3 vol.; nieuwe uitgave door de
Benedictijnen in 6 deelen 1733-36; door G. A. L. Henschel,
Par. 1840-50 in 7 deelen; en door Leopold Favre in 10
deelen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon,
in 4 deelen Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto
in 4 deelen. Padua 1828-’31: engelsche uitgave te Londen
1826; duitsche door Voigtlander en Hertel te Zwickau en
Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië door Corradini
te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 deelen te Prato
1858-79. Voor de plaatsnamen: J. V. Muller, Lexicon manuale,
geographiam antiquam et mediam cum Latine tum Germanice
illustrans, Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus over
Verzeichniss der lateinischen Benennungen der bekanntesten
Städte usw. Dresden 1861.
Gansch anders was de houding, die door de Alexandrijnsche theologen
tegenover de philosophie en het gnosticisme werd aangenomen. Op
verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte tegen het einde
der 2e en in het begin der 3e eeuw het streven, om de christelijke
stof wetenschappelijk te bewerken en zoo mit dem Zeitbewusstsein
zu vermitteln, Harnack, D. G. I 549. De oorsprong en het ontstaan
der Katechetenschool in Alexandrië is ons onbekend, Guericke, De
schola quae Alexandriae floruit catechetica 1824. Vacherot, Hist.
crit. de l’école d’Alex. 1846-51. Herzog² I 290-292, maar ze bestond
reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe. De
eerste leeraar, die ons door zijne overgebleven geschriften bekend
is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de schaduw gesteld
door Origenes, den invloedrijksten theoloog uit de eerste eeuwen.
Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer om te zetten in een
speculatieve wetenschap. Wel handhaafden zij het geloof, en namen zij
in onderscheiding van de gnostieken in de positieve leer der kerk hun
uitgangspunt. Clemens noemde het geloof zelfs een γνωσις συντομος,
schatte het hooger dan de heidensche wijsheid; het Christendom is een
weg ter zaligheid voor alle menschen en kan slechts door het geloof
toegeeigend worden; de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar
belijdenis samengevat, en de kenbron der waarheid is enkel en alleen de
openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en Origenes
even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus. Maar het
onderscheid begint hier, dat de Alexandrijnen een qualitatief verschil
aannamen tusschen geloof en wetenschap. Geloof moge goed zijn en noodig
voor de eenvoudigen; de ontwikkelden hebben daaraan niet genoeg. De
theologie moet er naar staan, om den inhoud des geloofs te ontwikkelen
tot eene wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelve
haar waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven
worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de ketterij te weren
en te bestrijden maar wordt doel. De pistis voert slechts tot een
χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie moet uit de H. Schrift den
χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen. Wat Philo beproefd had voor de
Joden, ondernamen Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten
het werk van Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten
zij natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de philosophie; ze
sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze bedienen
zich van de gansche grieksche philosophie sedert Socrates, vooral van
die van Plato en van de Stoa. En met behulp daarvan levert Origenes
een systeem dat zonder twijfel van genialen blik en diepe denkkracht
getuigt, maar dat ook telkens gevaar loopt, om de theologie in
philosophie te doen ondergaan. Subordinatie van den Zoon, eeuwigheid
der schepping, praeexistentie der zielen, dualisme van geest en stof,
aardsche loutering, herstelling aller dingen zijn zoovele elementen in
het stelsel van Origenes, die het met het geloof der kerk in strijd
brachten en later zijne veroordeeling bewerkten. Met de Schrift werd
dit alles overeengebracht door eene pneumatische, allegorische exegese.
Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de christelijke
religie in ideeën opgelost. Zij zoekt eene transactie tusschen kerk en
wereld, geloof en wetenschap, theologie en philosophie, een compromis
tusschen de dwaasheid des kruises en de wijsheid der wereld en is
zoo de schoonste en rijkste type van de telkens in de kerk opkomende
Vermittelungstheologie, Bigg, The Christian Platonists of Alexandria.
Oxford 1886. Harnack D. G. I 547-604, art. in Herzog² en de daar en bij
Harnack aangeh. litt.; ook Zöckler, Supplement S. 51 f.
4. In den aanvang der derde eeuw zijn de grondslagen der christelijke
theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom en Jodendom,
tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme welbewust eene vaste positie
ingenomen, en de zelfstandigheid van het Christendom gered. Maar nu
komen in de derde eeuw allerlei inwendige twisten op. De groote strijd
der 3e eeuw liep over de verhouding van den Logos (en den Geest)
tot den Vader, en de ketterij die moest bestreden worden was het
Monarchianisme in zijne beide vormen van dynamistisch en modalistisch
Monarchianisme. De eersten zooals de Alogi, Theodotus en zijne partij,
Artemas c. s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata, bisschop
van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zoo te handhaven,
dat ze Zoon en Geest niet voor personen maar voor eigenschappen
hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus was een mensch, in
bijzondere mate door den Goddelijken Logos toegerust en met Gods Geest
gezalfd. De modalistische Monarchianen echter leerden, dat de Godheid
zelve in Christus vleesch geworden was; zij erkenden dus de Godheid
van Christus maar identifieerden Vader en Zoon en kwamen zoo tot het
patripassianisme. Dit gevoelen was in de 3e eeuw zeer verbreid en vond
veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noetus, Epigonus,
Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus, Kallistus en
vooral Sabellius. De monarchianen en antitrinitariërs zijn bestreden
door Hippolytus in Contra haeresin Noeti, en Philosophumena, en
ook in ’t zoogen. Parvus Labyrinthus (bij Euseb. h. e. 5, 28), door
Tertullianus adv. Praxeam, Novatianus de trinitate, Dionysius Alex.
adv. Sabellium, Eusebius contra Marcellum, de eccles. theologia, en
de fide ad Sabellium. Zie Harnack D. G. I 604-709, en art. Monarch. in
Herzog² 10, 178. Dorner, Gesch. d. Lehre v. d. P. Christi, 2e Aufl. I
497 f. Lange, Gesch. u. Entw. der Systeme der Unitariër vor der nic.
Synode, 1831. Hagemann, Die römische Kirche in den 3 ersten Jahrh.
1864. Aan het eind der 3e eeuw stond het dogma van Christus’ Godheid
en van zijn onderscheid van den Vader vast. Er waren drie hypostasen in
’t Goddelijk wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zoowel in
het Oosten als in het Westen, Harnack D. G. I 667, 709. De begrippen,
waarmede het denken in de volgende eeuw zich zal bezighouden, zooals
μονας, τριας, οὐσια, ὑποστασις, προσωπον enz. bestaan reeds, maar
zullen eerst later hun bepaald karakter en vaste waarde verkrijgen. De
grondslag is gelegd, en de grenzen zijn afgebakend, binnen welke de
christelijke speculatie haar kracht beproeven zal.
B. De dogmatiek in de Oostersche Kerk.
5. De periode van de 4e tot de 8e eeuw wordt in het Oosten geheel
in beslag genomen door de christologische twisten. De homoousie van
den in Christus mensch geworden Zoon met den Vader was het dogma bij
uitnemendheid. Het religieus belang, hierbij in ’t spel, was dat God
zelf mensch moest worden, opdat wij menschen van den dood bevrijd, tot de
onsterfelijkheid en de aanschouwing Gods geleid, en der goddelijke natuur
deelachtig gemaakt zouden worden. De Godheid van Christus is het wezen
des Christendoms. Niemand heeft dit beter begrepen dan Athanasius. Zijne
geschiedenis is die zijner eeuw. Voor hem concentreert zich heel het
Christendom in de verlossing ten eeuwigen leven door den waarachtigen
Zoon van God. Daarin handhaaft hij het specifiek karakter der christ.
religie, maakt de leer der triniteit vrij van kosmologische speculaties,
die er nog bij Origenes en Tertullianus mede verbonden waren, en
bewaart ’t Christendom voor verwereldlijking, Harnack II 21-27, 204 f.
Athanasius is christoloog. Hij voelt diep het religieus belang van de
Godheid van Christus. Christus moest God zijn, om onze Zaligmaker te
kunnen wezen. Door deze geheel eenige beteekenis van het christologisch
dogma zien geen eigenlijke dogmatische systemen het licht. Wel echter
zijn er een aantal belangrijke dogmatische verhandelingen. Het Arianisme
wordt bestreden door Alexander, bisschop van Alexandrië, in zijn
Epistolae de Ariana haeresi deque Arii depositione, door Athanasius
in al zijne geschriften, vooral in zijne Orationes contra Arianos, door
Basilius in zijn Libri V adv. Eunomium en in zijn Liber de Spiritu
Sancto, door Gregorius Naz. in zijn Orationes V de theologia, door
Gregorius Nyss. Libri s. orationes XII c. Eunomium, door Cyrillus,
Hilarius, Ambrosius, Fulgentius e. a., en op de Synode van Nicea en
Constantinopel veroordeeld. De Godheid en homoousie des H. Geestes werd
tegen Macedonius van Constantinopel verdedigd door Athanasius in zijn
Epistolae ad Serapionem, door Basilius in zijn werk tegen Eunomius, en
in zijn verhandeling de Spiritu Sancto, door Greg. Naz. in verschillende
van zijne Orationes theologicae, door Greg. Nyss. in zijn adv.
pneumatomachos Macedonianos, en vooral ook door Didymus in zijn werken
de Trinitate libri tres en de Spiritu Sancto, en werd vastgesteld op
de Syn. te Constantinopel 381. Reeds tijdens de vraag over de homoousie
des Zoons kwam eene tweede vraag op over de menschelijke natuur en over
hare vereeniging met de goddelijke natuur. Apollinaris erkende dat de
Verlosser God moest zijn, maar hij kon geen volkomen mensch zijn, want
dan waren er twee wezens en twee personen en kwam er geen eenheid. De
Logos nam daarom aan bezielde σαρξ en vormde daarin zelf het πνευμα,
het ik, het principe van zelfbewustzijn en zelfbepaling. Maar hij werd
bestreden door Athanasius, de incarnatione domini nostri J. C. contra
Apollinarem, en de salutari adventu J. C., door Greg. Naz. in zijne
Epistolae ad Cledonium en door Greg. Nyss. in zijn Antirrheticus adv.
Apollinarem, en op de Synode te Rome 377 en te Constantinopel 381
veroordeeld. Toen de twee naturen waren vastgesteld, rees er verschil
over den aard harer vereeniging. Niet substantieel en wezenlijk,
maar moreel en relatief, zei Nestorius; er zijn in Christus twee
personen, ὑποστασεις. Maar hij vond een sterk bestrijder in Cyrillus van
Alexandrië, die hem in verschillende werken de incarnatione Unigeniti,
adversus Nestorii blasphemias contradictionum Libri V, enz. aanviel, en
werd veroordeeld op de Synode te Efeze 431. Het lijnrecht daartegenover
staande gevoelen van Eutyches werd bestreden door Theodoretus in zijn
Ερανιστης ἠ πολυμορφος en Leo Magnus in zijn Epistola ad Flavianum en
werd veroordeeld op de Synode te Chalcedon 451.
6. Het chalcedonisme bracht echter geen vrede, de verwarring nam
toe, het monophysitisme was in het Oosten te sterk. Het vond wel een
krachtig verdediger in Leontius van Byzantium 485-543, door Harnack II
383 de eerste scholasticus genoemd, en werd ook erkend op de 5e synode
te Constantinopel 551. Maar de Monophysieten werden niet gewonnen, ook
niet door de bemoeiingen van Justinianus I. De in de 7e eeuw opkomende
monergistische en monotheletische strijd eindigde met de vaststelling
van twee willen in Christus op de 6e synode te Constantinopel 680. En
tot den huidigen dag zijn er monophysitische Christenen in Syrie, art.
Jacobiten in Herzog², Dr. H. G. Kleijn, Jakob Baradeus. Leiden 1881.
Ze nemen ééne natuur in Christus aan, ex. niet in duabus naturis,
verwerpen Chalcedon en erkennen de zoogenaamde rooversynode te Efeze,
gebruiken gezuurd brood bij het avondmaal, maken het kruis met één
vinger, hebben beelden- en heiligenvereering van de grieksche en
roomsche kerk overgenomen en staan onder den „Patriarch van Antiochië”
die echter gewoonlijk in Diarbekr woont. Dogmatisch van belang is de
geloofsbelijdenis van Baradeus bij Kleijn bl. 110 v. Monophysieten zijn
er voorts in Egypte, Kopten geheeten, onder een patriarch wonend in
Kaïro, Herzog² 1, 178 f., in Abessynië, onder een Abbûna, door den
patriarch in Kaïro benoemd en resideerende in Gondar, Herzog² 1, 69 f.,
in Armenië onder een Katholikos in Etschmiadsin, een klooster bij Erivan
in Armenië. Zie Hofmann, Symboliek § 62-68, met de daar en in Herzog
aangegeven litteratuur, Kattenbusch, Confessionskunde I 205-234.
Maar dogmatisch zijn niet alleen de christologische geschriften van
belang, ook andere verhandelingen komen in aanmerking. De leer van
God, zijn namen, eigenschappen, voorzienigheid werden behandeld
in aansluiting aan de apologeten, die het christelijk Godsbegrip
tegenover het gnosticisme hadden gehandhaafd. Men ging meest uit van
de natuurlijke Godskennis, van God als een eenvoudig, onveranderlijk
zijn, wiens bestaan psychologisch, kosmologisch en teleologisch bewezen
kon worden, die wel onkenbaar was in zijn wezen, maar in de Schrift
als Drieëenige was geopenbaard, Chrysostomus, Homiliae 12 contra
Anomoeos seu de incomprehensibili Dei natura, Pseudodiomysius de
divinis nominibus, Chrysostomus de providentia L. III. Theodoretus de
providentia orationes X, Harnack II 116-122, Münscher-v. Coelln I 124
f. Kosmologie en anthropologie werden vooral behandeld in aansluiting
aan Genesis 1-3, en zoo, dat het Origenisme vermeden werd. God had de
wereld geschapen door den Logos naar het voorbeeld eener bovenaardsche
geestelijke wereld; de zonde ontstond door den vrijen wil en wordt
opgewogen door de straf en de verlossing, Basilius, Homiliae IX in
hexaemeron. Greg. Nyss. Explicatio apologetica in hexaemeron en de
hominis opificio, Ambrosius L. VI in hexaemeron. Augustinus, de Genesi
contra Manich. L. II, De Genesi ad litteram liber imperfectus. Johannes
Philoponus, de æternitate mundi c. Proclum, en de mundi creatione l.
VII, Anastasius Sinaita, Anagogicæ contemplationes in hexaemeron, libri
XII. Harnack D. G. II 122-129. Münscher-v. Coelln I 141 f. Schwane D.
G. II. Voorts werden er ook zeer vele tractaten geschreven over de
virginiteit, het monnikschap, de volmaaktheid, de priesterschap, de
opstanding enz., zooals door Ephraem Syrus, Greg. Naz., Chrysost.,
Greg. Nyss., Chrysost., benevens vele apologieën tegen Joden, Heidenen
en Ketters. Het merkwaardigst voor de geschiedenis der dogmatiek zijn
de Ὑποτυπωσεις, Institutiones theologicæ libr. VII, in fragmenten bij
Athanasius, en verzameld in Gallandii Bibl. III 662-663. Routh Reliq.
Sacr. III en Migne ser. gr. 18, waarvan de drie eerste boeken handelen
over God, den Vader en den Schepper, den Zoon en den Geest, het vierde
over engelen en daemonen, het vijfde en zesde over de incarnatie en
het zevende over de schepping. Voorts de Κατηχησεις van Cyrillus, 18
voordrachten voor φωτιζομενοι over de waarheden des geloofs en vijf voor
νεοφωτιστοι over de mysteriën, doop, zalving, eucharistie, liturgie,
Plitt, de Cyrilli Hierosol. orationibus, quae exstant catecheticis.
Heidelb. 1855. Gregorius van Nyssa, Oratio catechetica in 40 cap.
bevat eene philosophische bewijsvoering voor de hoofdwaarheden des
Christendoms, Gods bestaan, wezen, triniteit, schepping en val,
verlossing, sacramenten, vooral boete en eucharistie, en eschatologie.
Chrysostomus’ Catecheses duo zijn vooral zedelijke toespraken tot de
catechumenen. Theodoretus gaf een compendium van het christ. geloof
in het 5e boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη Haereticarum
fabularum compendium. Maximus Confessor behandelde de geloofswaarheden
der kerk in korte kapittels Κεφαλαια, 200 over de leer van God, 300
over de menschwording en de zonde, 500 over de liefde. Van groote
beteekenis waren ook de vijf geschriften περι θειων ὀνοματων, περι της
οὐρανιας ἱεραρχιας, περι της ἐκκλησιαστικης ἱεραρχιας, περι μυστικης
θεολογιας benevens 10 brieven, die in de vijfde eeuw het licht zagen
en langen tijd doorgingen voor geschriften van Dionysius Areopagita.
Ze gebruikten neoplatonische philosophie en pantheïstische mystiek
tot toelichting en bewerking der christelijke leer en werden spoedig
hooggeschat, gecommentariëerd door Maximus Confessor, Pachymeres e. a.,
door theologen, mystici, asceten vooral in de Middeleeuwen gebruikt en
haast met de Schrift gelijk gesteld. Al de elementen der dogmatische
ontwikkeling werden eindelijk saamgevat en vereenigd door Joh.
Damascenus in zijn Πηγη γνωσεως. Dit werk bestaat uit 3 deelen. In deel
1 Κεφαλαια φιλοσοφικα geeft hij een schets der philosophie als dienares
en werktuig der theologie, bepaaldelijk der logica naar Aristoteles en
Porphyrius. Deel 2 is historisch, Περι αἱρεσεων en geeft een overzicht
der ketterijen tot Mohammed toe. Deel 3 Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου
πιστεως is het eigenlijk dogmatische deel in 100 capita; hij erkent zelf
daarin niets te geven dan wat de vaderen geleerd hebben en haalt dan
ook de grieksche vaders, en Paus Leo telkens aan, J. Langen, Johannes
van Damaskus, Gotha 1879. Grundlehner, Joh. Dam. Utrecht 1876.
Eene geschiedenis van de theologie en de dogmatiek in de Oostersche
kerk na Damascenus bestaat nog niet. De patristische tijd, waarin de
groote dogmenvorming plaats had, eindigde ongeveer met Justinianus I
527-565, of ook met Photius ± 860. Heel deze tijd van de 6e tot de 9e
eeuw is een tijd van overgang. De beeldenstrijd 726-842 is daarin de
karakteristieke gebeurtenis, Harnack, D. G. II 452 f. K. Schwarzlose,
Der Bilderstreit, ein Kampf der gr. K. um ihre Eigenart und um ihre
Freiheit, 1890. Reliquiën en beelden waren ook al voor de 5e eeuw
in gebruik, maar het christologisch dogma kwam ze ondersteunen. Het
eigenaardige van het Christendom scheen daarin gelegen, dat het
het Goddelijke zinlijk en lichamelijk tegenwoordig maakte. Het beeld
werd weldra van symbool tot drager en orgaan van het heilige. Het
heidendom keerde in de christelijke kerk terug. Maar de verdediging
der beelden was juist verbonden met die van de vrijheid der kerk en
met de religieuse belangen, die er toen aanwezig waren. Daartegenover
stond de keizerlijke partij, die de beelden bestreed maar daarmede
ook de kerk aan den staat wilde onderwerpen, die aan den keizer
de vaststelling van een kerkelijk dogma wilde laten, die door het
bestrijden der beelden Joden en Mohammedanen te gemoet wilde komen. In
de beeldenvereering trok heel de orthodoxie zich samen. In het zinlijke
wil men het Goddelijke bezitten en genieten. Johannes Damascenus was
een van de krachtigste verdedigers der beeldenvereering, in zijne de
imaginibus orationes III; hij brengt ze met de vleeschwording Gods in
Christus in ’t nauwste verband en ziet in hare bestrijding judaïsme
en manichaeisme. De dogmatische rechtvaardiging der beeldenvereering
is de laatste arbeid der kerk in ’t Oosten geweest. De Byzantijnsche
periode, van de 9e eeuw tot de inneming van Constantinopel door de
Turken 1453, treedt in. Het is een tijd van rust, van machteloosheid in
het produceeren. De grieksche kerk is die der orthodoxie, zij bewaart
alleen; het christologisch dogma is het dogma bij uitnemendheid. Toch is
er tot 1453 toe een sterk wetenschappelijk leven geweest. De geschriften
der Byzantijnsche theologen, van Damascenus af tot die welke de inneming
van Constantinopel beleefden, vormen in den Cursus patrologiae graecae
van Migne de banden 94-161. Na Damascenus, wiens dogmatiek nog tot
heden toe norma is, verdient uit de Byzantijnsche periode vooral
genoemd te worden Photius, patriarch van Constantinopel 891, wiens
hoofdwerk Μυριοβιβλος of Bibliotheca geleerde excerpten uit allerlei
schrijvers bevat en die als dogmaticus optrad in zijne Μυσταγωγια του
ἁγιου πνευματος, ed. Hergenröther, Ratisb. 1857; cf. Gass in Herzog²,
Hergenröther, Photius, Patriarch v. K., Regensburg 1867-69. Voorts
Euthymius Zigabenus in de 12e eeuw, die op last van keizer Alexius I
schreef eene Πανοπλια δογματικη της ὀρθοδοξου πιστεως ἠτοι ὁπλοθηκη
δογματων, en Nicetas Choniates ± 1220 die het werk van Euthymius
aanvulde in zijn Θησαυρος ὀρθοδοξιας, ten deele uitgegeven, cf. Ullmann,
Nic. v. Meth., Euth. Zigab. und Nicetas Chon. oder die dogm. Entw. der
gr. K. im 12 Jahrh., Stud. u. Kr. 1883 4tes Heft. Verder is het werk
van Nicolaus Kabasilas, περι της ἐν Χριστῳ ζωης λογοι ἑπτα door Gass
uitgegeven 1849; en eene verhandeling van Demetrius Kydonius περι του
καταφρονειν τον θανατον door Kuinoel, Lips. 1786.
Na de inneming van Constantinopel door de Turken zou de grieksche
kerk in het Oosten geheel vernietigd of tot eene secte ineengekrompen
zijn, indien ze niet steun had gevonden in het Russische rijk, dat in
de 10e eeuw gekerstend werd en het grieksch-orthodoxe geloof in zijn
geheel en zonder kritiek overnam. Van de theol. litteratuur na dien
tijd is ons nog veel minder bekend, dan in het vroegere tijdvak. Migne’s
uitgave gaat niet verder en laat ons hier in den steek. Een overzicht
van namen en werken wordt gegeven in Νεοελλενικη φιλολογια, συγγραμμα
Κωνσταντινου Σαθα, Athene 1868. De pogingen tot vereeniging met Rome
op de concilies van Lyon 1274 en Florence 1439 zijn ons uit de akten
bekend. De correspondentie van de Tubingsche theologen 1576 met den
patriarch Jeremias II is te Wittenberg 1584 uitgegeven, Gass Symb.
der gr. K. 45 f.; over die van Cyrillus Lucaris met vele protest.
theologen en staatslieden zie men Gass, art. Lucaris in Herzog² 9,
5 f., Kattenbusch 141 f. Men kan de geschiedenis dezer litteratuur
niet in één woord: versteening, orthodoxisme, enz. samenvatten. Het
zwaartepunt der grieksche kerk is naar Rusland verlegd, en Rusland is
nog jong, heeft nog geen verleden en komt eerst op. Zijn litterarisch en
wetenschappelijk leven heeft nog pas een aanvang genomen. Uit de vorige
eeuw wordt genoemd Theophanes Procopowitsch, die als de vader der
russische systematische theologie geldt, Philaret, Gesch. der Kirche
Russlands II 209 v. En uit deze eeuw Philaret, Ausführl. Catech. der
rechtgläub. kath. morgenl. Kirche in ’t werk van Philaret Gesch. d. K.
Russl. II 293 f. Macarius, Handbuch zum Studium der christl. orthodox.
dogm. Theol., deutsch von Blumenthal 1875. Zie Zöckler Supplement
112 f. Kurtz, Lehrb. d. K. G. § 68. Gass, Beiträge zur kirchl. litt.
u. dogm. gesch. des gr. M. A., 2 Bde. Breslau 1844-47. Ook: A. v.
Reinholdt, Gesch. der russ. Lit. v. ihren Anfängen bis auf die neueste
Zeit 1886. K. Krumbacher, Gesch. der byzant. Litt. 1891. Kattenbusch,
Conf. 252-287. Het leerbegrip der grieksche (russische) kerk is te
vinden bij Walch I 431 sq. E. J. Kimmel, Monumenta fidei ecclesiae
orientalis, 2 Bde. 1850. Schaff, Creeds of Christ. I. 1881. p. 24-82;
II 57-73; 275-554. Μεσολωρας, Συμβολικη της ὀρθοδοξου ἀνατολικης
ἐκκλησιας I 1883. W. Gass, Symbolik der gr. Kirche 1872. H. Schmidt,
Handbuch der Symbolik, 1890. S. 30 f. Hoffmann, Symboliek bl. 130
v. Kattenbusch, Lehrb. der vergl. Confessionskunde I: Die orthodoxe
anatolische Kirche I 1892. Voorts kan men nog raadplegen over de
kerken in het Oosten, vooral in Rusland, de werken genoemd door Walch
Bibl. theol. sel. II 559 sq. Le Quien, Oriens christianus, 3 Bde.
1740. J. Mason Neall, History of the holy eastern church I 1850. Gass,
art. Gr. u. gr. russ. Kirche, Konstant. in Herzog². J. Silbernagl,
Verfassung und gegenwartiger Bestand sämmtlicher Kirchen des Orients,
Landshut 1865. Victor Frank, Russische Selbstzeugnisse. I Russ. Christ.
Paderborn 1889. H. Dalton, Die russ. Kirche, Leipzig 1892. Presb.
and Ref. Rev. Jan. 1892 p. 103 v. Anatole Leroy Beaulieu, Das Reich
des Czaren und der Russen, autor. deutsche mit Schluszbemerkungen
versehene Ausgabe von L. Pezold und J. Muller. Sondershausen 1884-90.
III Bd.: Die Macht der Religion, Kirche, Geistlichkeit und Sektenwezen
in Russland. H. Dalton, Evangel. Strömungen in der russ. Kirche der
Gegenwart, Heilbronn 1881. Nik. von Gerbel-Embach, Russische Sectirer,
Heilbronn 1883 (beide in de Zeitfragen des Christ. Volkslebens Bd.
VI en VIII). Over de Stundisten: The Stundists, the story of a great
religious revolt. James Clarke, Fleetstreet, London. Dr. Ferd. Knie,
Die russ.-schismatische Kirche, Ihr Lehre und ihr Cult. Graz 1894.
Kattenbusch 234 f. 542 f.