INLEIDING.

§ 1. NAAM EN BEGRIP DER DOGMATIEK.

1. De naam dogmatiek is nog van jonge dagteekening. Vroeger waren

gansch andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn dogmatisch

hoofdwerk den titel περι ἀρχων. Augustinus omschreef zijn Enchiridium

ad Laurentium door de bijvoeging, sive de fide, spe et caritate.

Johannes Damascenus gaf eene Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως. Met

Isidorus Hispalensis komt de naam Sententiæ op, die in de 13de eeuw

plaats maakt voor Summa theologiæ. Melanchton sprak van Loci communes

rerum theologicarum, sive hypotyposes theologiæ. De uitdrukking loci

is aan Cicero ontleend, en eene vertaling van het grieksche τοπος.

Aristoteles verstond onder τοποι de algemeene regelen der dialectiek,

die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom als στοιχεια των

ἀποδειξεων dienst konden doen, Rhet. lib. II c. 22 § 13. Metaph. lib.

IV c. 3 § 3. Cicero bracht deze leer der τοποι van de dialectiek op de

rhetorica over, en verstond er die plaatsen door, waar de redenaar de

argumenten vinden kon, die hij in zijne rede noodig had. Hij verklaart de

uitdrukking door sedes, notæ argumentorum, en wijst als zulke bronnen

aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbeteekenis van het

woord, de synoniemen enz. Top. II c. 2. Dit gebruik van het woord

loci stemt met de beteekenis bij Aristoteles niet geheel overeen, en

werd in de latere logica nog meer gewijzigd. Melanchton zelf verklaart

in zijne Dialectica, lib. IV de uitdrukking loci door signa quædam,

quibus rerum, quæ dici tractarique debent, capita indicantur. Loci

communes zijn volgens Cicero, de Orat. III 27. Brutus 12, zulke

stellingen, die op geen bepaald object betrekking hebben, algemeen

zijn en daarom altijd en overal gelden; in onderscheiding van loci

proprii, die concreet zijn en daarom alleen bij een bepaald onderwerp of

in eene speciale wetenschap van kracht zijn. Melanchton wilde in zijne

loci communes alleen de voornaamste hoofdstukken van de christelijke

religie geven, gelijk die vooral door Paulus in zijn brief aan de

Romeinen waren behandeld. Hij zelf omschrijft ze daarom door hypotyposes,

ontwerp, schets, lineamenta der theologie. En de Duitsche vertaling

van Spalatin gaf den titel weer door: Hauptartikel und fürnehmste

Punkte der ganzen Heiligen Schrift. Naam en inhoud van Melanchton’s

dogmatiek staan dus in tegenstelling met de scholastieke Sententiae

en Summae. Ze bedoelde niet een volledig dogmatisch systeem aan de

ontwikkelden te geven, maar veeleer de onontwikkelden in te leiden tot

de kennis der Heilige Schrift. Cf. Heppe, Dogm. des Deutschen Protest.

1857 I s. 4-14; Herzog u. Plitt, Real. Enc. 8, 708 f.; Sanseverino,

Philosophia Christiana, ed. nov. Neap. 1878 III 286-315. Daaruit laat

zich verklaren, dat de naam loci communes bij de Roomsche theologen,

op eene enkele uitzondering na, geen ingang vond. Wel bezigen ze de

uitdrukking loci, maar niet in den zin van Melanchton, maar in dien

van Cicero of Aristoteles. Zij verstaan er niet onder de articuli

fidei, maar de principia of bronnen der Theologie, Dens, Theologia ad

usum Seminariorum. Mechl. 1828 I 5; Billuart, Summa S. Thomae sive

Cursus Theologiae 1747 I 47; Daelman, Theologia seu Observ. theol. in

Summam D. Thomae 1759 I 18. Het beroemde werk van Melchior Canus, Loci

Theologici 1563 vat de uitdrukking in denzelfden zin op en behandelt

niet de dogmatiek zelve, maar hare bronnen, welke tien in aantal zijn:

Schrift, traditie, Paus, concilien, kerk, kerkvaders, scholastici,

rede, philosophie, geschiedenis. Daarentegen werd de naam loci communes

van Melanchton door vele luthersche en geref. theologen overgenomen,

zooals Chemniz, Hutter, Gerhard, Calovius; Martyr, Musculus, Hyperius,

Ursinus enz. Maar toch moest hij vrij spoedig voor een anderen titel

wijken. Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder

den titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae

fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos den naam van Institutio

religionis Christianae. En latere theologen uit de luth. en geref. kerk

keerden tot den ouden naam van theologia terug. Ter onderscheiding

van andere theologische vakken, die allengs in aantal en in gewicht

toenamen, moest deze naam van Theologia nader omschreven worden.

Daartoe diende de bijvoeging didactica, systematica, theoretica,

positiva, en sedert L. Reinhart, Synopsis theologiae dogmaticae 1659,

ook die van dogmatica. Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de

geloofswaarheden reeds lang met den naam van dogmata werden aangeduid,

en de met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en

ethiek voor beide vakken een afzonderlijken naam eischte. Sedert heeft

deze bijvoeging zoo groote heerschappij verkregen, dat zij het hoofdbegrip

van theologie heeft gebannen en zelfstandig is opgetreden, dat zij onder

theologen van allerlei belijdenis instemming heeft gevonden, en door de

nieuwere namen van geloofsleer, heilsleer, christelijke leer enz. niet

is kunnen verdrongen worden.

2. Het woord δογμα, van δοκειν, dunken, duidt datgene aan, wat

bepaald, besloten is en daarom vaststaat, το δεδογμενον, statutum,

decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd van bevelen der

overheid, LXX, Esth. 3:9; Dan. 2:13; 6:8; Luk. 2:1; Hd. 17:7, van de

inzettingen des O. Verbonds Ef. 2:15; Col. 2:14, en van de besluiten

der vergadering te Jeruzalem, Hd. 15:28; 16:14. Bij de klassieken heeft

het de beteekenis van besluit of bevel en in de philosophie die van

door zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep.

VII c. 16. p. 538 C.; Arist. Phys. ausc. 4, 2; Cic. de fin. 2, 32;

Acad. prior. 2, 9. § 27; Seneca Epist. 94, 95. In deze beteekenissen

wordt het woord ook in de theologie overgenomen. Josephus, c. Ap. I, 8

zegt, dat de Joden de boeken des Ouden Verbonds van kindsbeen af houden

voor θεου δογματα. In dezelfde beteekenis spreken de kerkvaders van de

christelijke religie of leer als το θειον δογμα, van de menschwording

van Christus als δογμα της θεολογιας, van de waarheden des geloofs,

die in en voor de kerk gelden als τα της ἐκκλησιας δογματα, en evenzoo

van de leeringen der ketters als δογματα των ἑτεροδοξων enz. Cf.

Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v.; Herzog² s. v. Dogmatik; H. Cremer,

Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v. Dezen zelfden zin behoudt het

woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn Commonitorium c. 29, en

bij de Protest. theologen zooals Sohnius, Opera 1609 I 32; Ursinus,

Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius, Methodus Theol. 1574 p. 34;

Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133.

3. Het gebruik van het woord leert ons in de eerste plaats, dat

met dogma allerlei bevelen, besluiten, philosophische waarheden,

theoretische stellingen, practische regels enz. kunnen worden

aangeduid, maar het gemeenschappelijke erin is, dat er altijd eene zekere

autoriteit aan ten grondslag ligt. Een dogma is eene stelling, die

gezag heeft, Harnack, Lehrbuch der Dogmengeschichte, 2te Aufl. 1888 I.

15. In het woord dogma ligt echter op zichzelf niet, op welk gezag het

steunt. Bij de verschillende dogmata is ook dat gezag verschillend. Bij

politieke dogmata is dat gezag de overheid, bij philosophische dogmata

de innerlijke evidentie of de kracht der bewijzen; bij de godsdienstige

of theologische dogmata ligt dat gezag alleen in Gods getuigenis,

hetzij deze volgens de Protestanten alleen in de Schrift, of volgens de

Roomschen ook in de kerk wordt vernomen. Eene stelling heeft in kerk

en theologie alleen daarom gezag, wijl ze rust op de getuigenis Gods.

Ten onrechte wordt daarom door en sedert Schleiermacher het wezen en

karakter van een dogma in de kerkelijke vaststelling en afkondiging

gezocht, Schleiermacher, Christl. Sitte 1884, S. 5; Rothe, Zur Dogm.

10; Schweizer, Christl. Glaub. I. 23; Daubanton, Theol. Studien

1885, bl. 136-145; Kuyper, Encycl. III 395 v. Op Roomsch standpunt

ware hier nog iets voor te zeggen, wijl de kerk onfeilbaar is. Maar

de reformatie erkent geen waarheid dan alleen op het gezag Gods in

de H. Schrift. Verbum Dei condit articulos fidei, et praeterea nemo,

ne angelus quidem, Art. Smalc. Pars II art. 2. Dogmata en articuli

fidei zijn alleen die waarheden, quae in scripturis proprie ut credenda

proponuntur, Hyperius, Methodus theol. p. 34, 35. Het zijn alleen zulke

sententiae, quibus credi aut obtemperari necesse est propter mandatum

Dei, Ursinus, Tract. Theol. 22. En daarom keert telkens bij de Geref.

theologen deze stelling terug: principium, in quod omnia dogmata

theologica resolvuntur, est: Dominus dixit, cf. Ritschl, Lehre v. d.

Rechtf. u. Vers. 3te Aufl. II 2. Maar uit het karakter van autoriteit,

dat aan een dogma eigen is, volgt toch in de tweede plaats vanzelf, dat

het als zoodanig ook in zekeren kring wordt erkend. Er ligt ongetwijfeld

in het begrip van dogma een sociaal element. Eene waarheid moge nog

zoozeer vaststaan; indien ze niet erkend wordt, is zij in het oog van

anderen niets meer dan eene sententia doctoris, eene particuliere

opinie. Het begrip van dogma sluit in, dat de autoriteit, die het

bezit, zichzelve ook weet te doen erkennen en te handhaven. Er moet

daarom onderscheiden worden tusschen dogma quoad se en dogma quoad

nos. Eene stelling is dogma in zichzelf, afgedacht van alle erkenning,

indien ze rust op het gezag Gods. Maar om niet eigen opinie te

vereenzelvigen met de waarheid Gods, is het voor iederen geloovige en

vooral ook voor den dogmaticus van het hoogste belang te weten, welke

waarheden uit de Schrift onder de leiding des H. Geestes in de kerk van

Christus tot algemeene erkenning zijn gebracht. De belijdenis kan dus

heeten het dogma quoad nos. Maar ook in dezen subjectieven zin is dogma

volstrekt niet beperkt tot wat uitdrukkelijk in de symbolen is opgenomen

en kerkelijk is vastgesteld. De kerk heeft een leven en een geloof,

dat veel rijker is dan in de belijdenis tot uiting komt. De confessie

formuleert lang niet den ganschen inhoud van het christelijk geloof.

Zij behoort ook niet tot het wezen der kerk, is bijkomstig, en bijkans

altijd uit bijzondere omstandigheden geboren. Zij neemt gewoonlijk slechts

op, wat binnen of buiten haar bestrijding heeft gevonden. Evenals dus

het hout niet brandt, omdat het rookt, maar de rook toch een teeken

is van brand, zoo ook is eene stelling niet een dogma, omdat de kerk

het erkent, al is het ook dat de erkenning door de kerk een belangrijk,

ofschoon altijd feilbaar, bewijs is van de waarheid ervan, Kleutgen,

Theologie der Vorzeit, 2te Aufl. I, 97 f. In de derde plaats leert ons

het gebruik van het woord dogma nog, dat het nu eens in ruimer, dan

in enger zin werd gebezigd. Soms wordt er heel de christelijke religie

mede aangeduid, en kan Basilius M., de Spiritu Sancto c. 27 onder

δογματα (in tegenstelling met κηρυγματα, de uit de Schrift geputte

articuli fidei) de kerkelijke ceremonieën en riten verstaan, Suicerus,

Thes. Eccl. s. v. δογμα. Polanus t. a. p. zegt, dat dogma in ruimer zin

alles omvat, wat in de H. Schrift is begrepen, niet alleen de doctrina

evangelii et legis, maar ook alle conciones, historiae sacrae enz.

Gewoonlijk werd het woord echter in enger zin gebezigd, voor de doctrina

evangelii et legis, voor die sententiae, quibus credi aut obtemperari

necesse est propter mandatum Dei, Ursinus t. a. p. 22. Het omvatte dus

niet alleen de leerstellige, maar ook de ethische waarheid. Later

echter is het woord dogma nog enger begrensd geworden, doordat de

doctrina legis van de doctrina evangelii onderscheiden en gescheiden

werd; dogmata waren nu alleen die sententiae, quibus credi necesse

est propter mandatum Dei. Polanus ging nog verder en maakte ook nog

onderscheid tusschen de dogmata en de principia theologiae. Zoo werd

dogma de aanduiding van de articuli fidei, welke op het gezag van Gods

Woord rusten en daarom allen verplichten tot geloof. En dogmatiek is

dan het systeem der articuli fidei.

4. Toch is daarmee het begrip der dogmatiek nog slechts in formeelen

zin vastgesteld. Eene definitie der dogmatiek als wetenschap der

dogmen baat weinig, zoolang we de stof, den inhoud der dogmen niet

kennen. Om nu het materieele begrip der dogmatiek te bepalen, moeten

we ons herinneren, dat dogmatiek oorspronkelijk een adjectief was ter

omschrijving van het hoofdbegrip theologie. Daarnaar werd in vroeger tijd

de dogmatiek gewoonlijk opgevat als doctrina de Deo principaliter et de

creaturis, secundum quod referuntur ad Deum ut ad principium vel finem,

Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 3 en 7; Alb. Magnus, Sent. lib. I

dist. 1 § 2; Petavius, Opus de theol. dogmatibus cap. 1. --Gerhard, Loci

Comm., prooemium de natura theologiae; Hase Hutterus Redivivus § 11;

H. Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche § 2. --Fr. Junius, Opera Omnia I

fol. 1375-1424; Polanus, S. Theol. lib. I cap. 1-4; Gomarus, Disput.

Theol., thesis 1; Owen, Θεολογουμενα, sive de natura, ortu.... verae

theologiae, libri sex. Oxon. 1661, lib. 1 cap. 1-4; Voetius, Diatribe

de theologia. Ultraj. 1668; Coccejus, Summa theol. cap. 1. Anderen

echter hadden bezwaar, om God tot het hoofdbegrip der dogmatiek te

maken, en noemden haar object liever anders. Lombardus, Sent. I dist.

1, sloot zich bij Augustinus aan, die de doctr. christ. lib. I cap. 2

zegt: omnis doctrina vel rerum est, vel signorum, en droeg daarom aan

de theologie twee zaken ter behandeling op: res, d. i. God, wereld,

mensch, en signa, d. i. sacramenten. Maar deze onvolledige bepaling

werd spoedig prijs gegeven en door de commentatoren verbeterd. Alexander

Halesius en Bonaventura, Proleg. qu. I in 1 Sent. en Breviloquium Pars

I cap. 1 noemden Christus en zijn mystiek lichaam, de kerk; Hugo a St.

Victor, De sacr. lib. I c. 2, noemde de opera reparationis stof en

inhoud der theologie of dogmatiek. En ook Luth. en Geref. theologen

omschreven den inhoud der dogmatiek op deze wijze. Calovius, Isagoge ad

theologiam 1662, bestrijdt ten sterkste, dat God het eigenlijk object is

der theologie; de etymologie beslist hier niets, de theologie op aarde

is heel iets anders dan in den hemel, wij streven hier wel naar kennisse

Gods, maar bereiken ze niet. God tot object te maken der theologie is

even verkeerd als den Vorst tot object te maken van de politica, in

plaats van de res publica, p. 283 s. 291 s.; het eigenlijk object der

theologie is homo in quantum est perducendus ad salutem p. 252, 290

of de godsdienst p. 299, 324. En zoo wordt ook door Amesius, Medulla

Theol. I c. 5; Maestricht, Theor. pract. Theol. I c. 1 § 47; Marck,

Merch der Christ. Godg. I § 34; Moor, Comment. in Marckii Compendium

I p. 112; Burmannus, Synopsis Theol. I c. 2 § 30; Limborch, Theol.

Christ. I c. 1, het Deo vivere per Christum, de religio, de cultus

Dei tot inhoud der dogmatiek gemaakt. De subjectieve, practische

opvatting van de theologie begon alzoo langzamerhand meer ingang te

krijgen. En toen nu de philosophie van Kant het menschelijk kenvermogen

tot de zienlijke dingen beperkte, het Agnosticisme de onkenbaarheid

Gods uitsprak, de historische kritiek de bovennatuurlijke openbaring

ondermijnde, is deze subjectieve, practische opvatting de heerschende

geworden. Schleiermacher vatte de dogmatiek op als Glaubenslehre, en

omschreef de dogmata als Auffassungen der frommen Gemüthszustände,

Der Christl. Glaube § 15, 16. En sedert hebben schier alle theologen

dezen overgang mede gemaakt. Niet God, maar de godsdienst is object

der theologie. En wel, de godsdienst in het algemeen als historisch en

psychologisch verschijnsel, Tiele, Gids Mei 1866; Idem, Theol. Tijdschr.

1ste aflev. 1867; Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1869 bl. 1 v. 163 v.

Wet op het Hooger Onderwijs van 1876, of meer bepaald de christelijke

religie, gelijk zij in Schrift en gemeente tot openbaring komt.

Dienovereenkomstig wordt dan aan de dogmatiek tot inhoud gegeven de

religio of doctrina christiana, zooals die of uit de H. Schrift geput,

of door eene of andere kerk beleden, of door persoonlijke ervaring

gekend wordt.

5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die eene andere

omschrijving van de Theologie gaven, opgemerkt, dat zij daartoe kwamen

wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur et non ad

rationem, secundum quam considerantur, Summa Theol. I qu. 1 art. 7.

In de theologie en zoo ook in de dogmatiek, wordt over veel meer dan

alleen over God gehandeld; ook engel en mensch, hemel en aarde, ja

alle schepselen komen daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk

gezichtspunt en met welk doel ze in de theologie behandeld worden.

Immers, behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen;

het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin,

dat zij beschouwd worden in hunne relatie tot God, ut ad principium et

finem, Kaftan, Wahrheit der Chr. Rel. S. 3. Voorts ware de definitie

van de dogmatiek als wetenschap van de religio christiana op zichzelve

nog niet zoo verkeerd, wanneer, gelijk in vroeger tijd, daaronder die

religio werd verstaan, welke objectief in de Schrift was neergelegd.

Maar na Kant en Schleiermacher heeft deze definitie een anderen

zin gekregen en is de dogmatiek de beschrijving geworden van dat

historisch verschijnsel, dat christelijke religie heet en zich ook in

een eigenaardig geloof en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in

dezen zin verstaan, dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig

beschrijving van wat in zekeren kring voor waarheid op godsdienstig

gebied gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te doen;

indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is ze niet

tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort ze aan te wijzen,

wat als waarheid gelden moet. Niet het ὁτι, maar het διοτι, niet de

werkelijkheid, maar de waarheid; niet het reëele, maar het ideëele,

het logische, het noodwendige behoort ze aan te toonen. Zoodra ze dat

echter beproeft, komt ze terstond tot God terug, wordt ze in eigenlijken

zin wederom theologie. Immers, al wie het Christendom maakt tot object

van eene eigen wetenschap, gaat uit niet van het feit van het _bestaan_

van dat Christendom --want dan ware behandeling van dat historisch

verschijnsel in de litt. faculteit volkomen voldoende-- maar van eene

bijzondere waardeering van dat feit, Gunning en Saussaye Jr., Het

ethische beginsel der Theologie 47. De theologie als eene afzonderlijke

faculteitswetenschap onderstelt, dat in die historische feiten van

het Christendom God op eene bijzondere wijze zich heeft geopenbaard,

onderstelt en eischt dus het bestaan en de openbaring Gods. Dat is, de

theologie eischt, om theologie te zijn en te blijven, dat alles in haar

sub ratione Dei beschouwd wordt. En indien hiertegen de onkenbaarheid

Gods worde ingebracht, dan geldt de regel: qui nimis probat, nihil

probat. Indien God niet kenbaar is, valt daarmede niet alleen de

dogmatiek en de theologie, maar ook de religie, want deze is op de

kennis Gods gebouwd. Alzoo is dogmatiek het wetenschappelijk systeem der

kennisse Gods, d. i. van die kennis, welke Hij aangaande zichzelf en

aangaande alle schepsel als in relatie tot Hem in zijn Woord aan de kerk

heeft geopenbaard.

§ 2. ENCYCLOPAEDISCHE PLAATS DER DOGMATIEK.

1. Over de plaats der dogmatiek in de encyclopaedie der theologie

is bijna geen verschil. Allen brengen haar tot de Systematische of

Dogmatische Theologie, d. i. tot die groep van vakken, welke zich

met het dogma bezig houden, en waartoe behalve de dogmatiek, ook de

ethiek, symboliek, dogmengeschiedenis en elenctiek behooren. Alleen

Schleiermacher, Kurze Darstellung des theol. Studiums, 2te Ausg. 1830

§ 195, voegde ze bij de historische theologie, omdat zij de wetenschap

is von dem Zusammenhange der in der Kirche zu einer gegebenen Zeit

geltenden Lehre, Der Christl. Glaube § 19, ook Rothe, Zur Dogm. 1863

S. 14, en dus eene statistiek geeft van het heden. Schleiermacher

kwam tot dit eigenaardig gevoelen, wijl hij de dogmatiek zoo streng

mogelijk scheiden wilde van de apologetiek. Terwijl deze als deel der

philosophische theologie heeft aan te toonen wat christelijke waarheid

is, heeft gene alleen te beschrijven, wat als waarheid in eene of

andere christelijke kerk geldt. Toch bedoelde Schleiermacher hiermede

volstrekt niet, om aan de dogmatiek alleen een refereerend karakter

toe te kennen; hij schrijft haar wel terdege eene kritische taak toe en

verlangt, dat ze systematisch zij, dat ze eigen overtuiging geve, en

dat ze beschrijve niet wat gegolden heeft, maar wat geldt, Dr. Is. van

Dijk, Begrip en methode der Dogmatiek 38 v.; Hagenbach, Encycl. § 80.

Maar daarmede gaat ze dan ook de zuiver historische beschrijving reeds

te boven. De christelijke gemeente kan zich niet tevreden stellen met

een objectief referaat van haar geloofsinhoud, maar verlangt dat haar

geloof ook als waarheid ontvouwd en uiteengezet wordt. De dogmaticus

staat ook niet neutraal buiten en tegenover het geloof der gemeente,

gelijk tegenover de godsdienstige leer van Mohammedanen en Buddhisten,

maar behoort tot die gemeente, en beschrijft dus ook, wat voor hem

als waarheid geldt en gelden moet. En eindelijk is er een wezenlijk

onderscheid tusschen werken als van Hase, Schmid, Schweizer en Heppe,

die eene objectieve beschrijving geven van de Luth. en Geref. leer, en

de dogmatiek, die de waarheid der religieuse overtuigingen aantoonen

en voorstellen wil. Als Schleiermacher, de dogmatiek een historisch

vak noemende, daarmede niet anders bedoelde dan dat zij eene thetische,

positieve wetenschap is, die haar object niet zoekt maar vindt en nu

beschrijft, dan is zijne bedoeling te waardeeren, maar de benaming toch

onjuist. Wanneer hij echter de meening koesterde, dat de dogmatiek

slechts een historisch gegeven had te beschrijven en geen aanspraak

maakte op normatieve waarheid, dan is zijne opvatting zeer zeker onjuist

geweest en tegenwoordig dan ook algemeen verworpen. Hagenbach, Encycl.

§ 80; Herzog² 3, 643.

2. Behoort alzoo de dogmatiek tot de vakken der dogmatische theologie,

zij moet van hare zusteren wel onderscheiden worden. Alle vakken in

dit deel der theologie hebben het met het dogma te doen, d. i. met de

waarheid, gelijk God ze heeft geopenbaard, maar ieder op eene eigene

wijze. Het kan beluisterd worden, zooals het door de gemeente klaar en

krachtig in haar confessie beleden wordt, en dan ontstaat de theologia

symbolica. Het kan in eenvoudigen, bevattelijken vorm, als melk 1

Petr. 2:2 aan de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden

voorgedragen, en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel

te onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het kan

in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd, en

dan volbrengt de theologia elenctica hare taak. Het kan ook thetisch

en positief, maar in wetenschappelijken, systematischen vorm, voor het

ontwikkeld bewustzijn worden uiteengezet, en dan wordt de dogmatiek

beoefend. Al deze vakken hebben met elkander gemeen, dat ze de

thesauri Sacrae Scripturae uitstallen, maar ieder op eigene wijze.

De dogmatiek doet dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke,

schoolsche wijze, dat is, zóó als het in de scholen der wetenschap

behoort te geschieden. Natuurlijk hangt hier zoo niet alles, dan toch

veel af van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met

de piëtisten en theologi biblici eene scherpe tegenstelling aanneemt

tusschen Schrift-en kerkleer, dan zal hij zoo eng mogelijk aan de

Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen, en zoo min

mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet hij in de belijdenis

der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering maar ontwikkeling

der Schriftuurlijke waarheid, dan zal zijne dogmatiek kerkelijk en

confessioneel gekleurd zijn. En als hij tegen Schrift en kerk beide

rationalistisch overstaat, zullen de geloofsovertuigingen, die hij

voordraagt, vooral een negatief karakter dragen. Dat alles is een

verschil van methode en komt later ter sprake. Maar juist daarom is het

niet goed, met Prof. Doedes, Encyclopaedie, § 48, drieërlei dogmatiek

te onderscheiden, n.l. N. Test. of christelijke, kerkelijke en kritische.

Want daardoor wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht

toegekend, neemt de verwarring nog toe, komt de N. Test. dogmatiek als

de christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te staan,

kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten de eigen

overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek alleen die van

de eigene zelfstandige beschouwing. De taak der dogmatiek is veeleer

altijd eene en dezelfde. Zij is en kan naar haar aard niets anders zijn

dan eene wetenschappelijke uiteenzetting der godsdienstige waarheid,

eene enarratio verbi Dei, eene uitstalling van de thesauri Sacrae

Scripturae, eene παραδοσις εἰς τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zoodat wij in

haar hebben eene forma en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek

is dus zelve niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld

en eene zwakke gelijkenis van; zij is eene feilbare, menschelijke poging

om op eigene, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds

veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste

dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, Polanus, Syntagma p.

539; Heidegger, Corpus Theol. Christ. Loc. I § 58. De vraag, hoe de

dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is eene vraag van

methode en moet later afzonderlijk behandeld worden.

3. Het nauwst verwant is de dogmatiek aan de ethiek. Het woord dogma

omvatte oudtijds beide, de articuli fidei en de praecepta decalogi, de

dogmata fidei en de dogmata morum. De ethiek werd of in de dogmatiek

opgenomen, bij Lombardus, Thomas, Melanchton, Calvijn, Martyr, Musculus,

Sohnius enz., of in een tweede deel na de dogmatiek bewerkt, bij

Polanus, Amesius, Heidegger, Wollebius, Wendelinus, Maestricht,

Brakel enz. of ook geheel zelfstandig, gescheiden van de dogmatiek,

behandeld, bij Danaeus, Ethices Christ. libri III 1577, Keckermann,

Walaeus, Polyander, Amyraldus, Pictet, Driessen, Hoornbeek, Heidegger,

Osterwald, J. A. Turretinus, Stapfer, Beck, Wyttenbach, Endeman, cf.

A. Schweizer, Die Entw. des Moralsystems in der ref. Kirche, Stud.

u. Krit. 1850, Heft 1; Gass, Gesch. der chr. Ethik II Bd., 1te Abth.

1886 S. 131 f.; Luthardt, Gesch. der chr. Eth., 2te Hälfte 1893. De

invloed van Aristoteles, die met Melanchtons philosophia moralis 1539

reeds begon, hield de ontwikkeling van de christelijke ethiek tegen. De

scheiding, die later intrad, had tengevolge, dat de ethiek een eigen

beginsel miste, dit ter kwader ure zoeken ging bij de philosophie,

als verbasterde theol. ethiek vijandig kwam te staan tegenover de

dogmatiek en deze verdrong van haar plaats, en eindelijk de grenzen

tusschen haar en de dogmatiek geheel uitwischte. Ten bewijze strekken

de vruchtelooze pogingen, om beide te onderscheiden. Bij Kant heeft de

godsdienst geen eigen inhoud meer, maar is slechts de opvatting van

het goede als gebod Gods, Religion innerhalb der Grenzen der blossen

Vernunft, ed. Rosenkranz S. 184. Schleiermacher gaf aan beide tot

inhoud het christelijk leven, maar de dogmatiek beschrijft dat leven in

relatieve rust, de ethiek in relatieve beweging, Die Christl. Sitte,

ed. Jonas, 2te Aufl. 1884 S. 12-24. Rothe zag het onvoldoende dezer

onderscheiding in en maakte daarom de dogmatiek tot een historisch vak,

dat de dogmata der kerk behandelde, de ethiek tot een speculatieve

wetenschap, die haar stof dialectisch uit het Godsbewustzijn ontwikkelt,

Theol. Ethik, § 15. Dorner, Glaubenslehre I 9 f., Sittenlehre 47,

Herzog² 4, 352, Wuttke, Christl. Sittenlehre I 9, Palmer, Moral des

Christ. 24 f. e. a., onderscheiden beide als kennen en doen, verstand

en wil. Doedes, Encycl. § 52 n°. 4 en Van Oosterzee, Chr. Dogm. § 4

n°. 4 als heil-en als levensleer; Gunning, Het ethische beginsel der

Theologie 12 als leven van Christus in de kerk en in den individu;

Daubanton, Theol. Stud. III 114 v. als leer van God en leer van den

mensch, enz. Al deze onderscheidingen gaan daaraan mank, dat ze een

principiëel verschil zoeken tusschen dogmatiek en ethiek. En dat is er

niet. De theol. ethiek, wel te onderscheiden van de philos. ethiek,

heeft geen eigen beginsel, maar wortelt geheel en al in de dogmatiek.

De aangegeven scheidingslijnen scheppen een dualisme tusschen God en

mensch, individu en gemeenschap, heil en leven, rust en beweging,

verstand en wil, en banen er den weg toe, dat de ethiek een eigen

beginsel gaat zoeken langs speculatieven philosophischen weg, zooals bij

Rothe, haar theologisch karakter verliest en van uit hare speculatieve

hoogte op de historische, positieve dogmatiek minachtend neerziet.

Indien dogmatiek en ethiek afzonderlijk behandeld moeten worden, wat om

verschillende redenen wenschelijk is, maar nog altijd door velen ontraden

wordt, als Sartorius, Nitzsch, Beck, A. Dorner, Ueber das Verhältniss

der Dogm. u. Ethik in der Theol. Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1889;

Hofmann, Schriftbeweis I 14; Wendt, Die Aufgabe der System. Theol.

1894 S. 12 f., dan kan de onderscheiding tusschen beide alleen hierin

gelegen zijn, dat de mensch, hoezeer ten allen tijde van God volstrekt

afhankelijk, toch ook een vrij en zelfstandig handelend wezen is. Door de

genade des H. Geestes wedergeboren en vernieuwd, ontvangt de zondige

mensch ook wederom lust en kracht, om naar Gods geboden te leven. De

dogmatiek beschrijft de daden Gods voor en aan en in den mensch, de

ethiek beschrijft de daden, die de vernieuwde mensch nu doet op grond en

in de kracht van die daden Gods. In de dogmatiek is de mensch passief,

ontvangt en gelooft; in de ethiek treedt hij zelf handelend op. In de

dogmatiek komen de articuli fidei, in de ethiek de praecepta decalogi

in behandeling. Daar wordt gehandeld de fide, hier de caritate,

obedientia, bonis operibus. De dogmatiek ontwikkelt wat God is en doet

voor den mensch en doet hem God kennen als zijn Schepper, Verlosser,

Heiligmaker; de ethiek zet uiteen wat de mensch nu is en doet voor God,

hoe de mensch geheel en al, met verstand en wil en alle krachten, zich

Gode wijdt uit dankbaarheid en liefde. De dogmatiek is het systeem der

kennisse Gods, de ethiek dat van den dienst Gods. Ritschl, Rechtf. u.

Vers. III 14.; H. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 2te Aufl. 1892 S. 3;

Wendt, t. a. p. 17. Beide wetenschappen zijn niet zelfstandig tegenover

elkaar, maar vormen saâm één systeem, zijn bij elkander behoorende leden

van één organisme, Wendt, ib. 19.

§ 3. METHODE DER DOGMATIEK.

1. Onder methode der dogmatiek is in ruimen zin te verstaan de wijze,

waarop de dogmatische stof verkregen en behandeld wordt. Drie zaken

komen daarbij in aanmerking: de Schrift, de belijdenis der kerk en

het persoonlijk geloof van den dogmaticus. Al naar gelang deze drie

verwaarloosd of gebruikt en dan in verhouding tot elkander gesteld

worden, verschilt het uitgangspunt en daarom de weg en de uitkomst der

dogmatiek. Feitelijk gaat het nu altijd zoo toe, dat ieder Christen, ook

de dogmaticus, zijne geloofsovertuigingen ontvangt uit den kring, waarin

hij geboren en opgevoed is. Door prediking wordt de kerk gesticht en

overgeplant van geslacht tot geslacht. Het geloof is uit het gehoor.

De traditie, door Rome onfeilbaar verklaard, is ook door de Reformatie

niet ten eenenmale verworpen en spoedig daarna tot eene macht geworden,

die alle vrijheid aan banden legde. Men ontving de dogmatische stof

uit de handen der kerk en der school. Materia theologiae proprie

sunt loci communes, materia remota est S. Scriptura, zeggen Alsted

en Alting, Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 210. En na de reactie

der zoogenaamde Theologia Biblica is in deze eeuw het sociaal

element in de religie, het kerkelijk karakter der dogmatiek weer van

verschillende zijde in het helderst licht gesteld. Er is schier niemand,

die de confessioneele bepaaldheid van religie en dogmatiek ontkent,

Schleiermacher, Glaub. §19; Rothe, Zur Dogm. S. 27; Lange, Dogm. I

659 f.; Herzog² 12, 651 f. e. a. Hier te lande legden de Groninger

Godgeleerden weer op de kerk den nadruk, H. de Groot, De Gron. Godg.

68, 71-74, 97 v. Instit. theol. nat. § 37; Voorlez. over de gesch. der

opvoeding des menschdoms door God, II. 16de en 17de voorl. En zelfs

moderne theologen sluiten gewoonlijk in de behandeling der geloofsleer

bij het kerkelijk dogma zich aan. Biedermann, Chr. Dogm. 2te Aufl. II.

170 f.; Lipsius, Dogm. § 7; Scholten, Leer der Herv. Kerk.

2. Maar de kerk met hare belijdenis kan toch het principium der

dogmatiek niet zijn. De Grieksche en Roomsche kerk hebben de traditie

wel voor onfeilbaar verklaard, maar ten allen tijde hebben kerken,

secten en richtingen, aan wie het christelijk karakter niet kon worden

ontzegd, van die overlevering een beroep gedaan op de H. Schrift. Zelfs

is in de Theologia biblica de poging beproefd, om zonder de hulp van

kerk en belijdenis uit de Schrift alleen te komen tot eene leer des

geloofs. Ze werd reeds voorbereid door Erasmus, Joh. Jansen, Gesch.

des deutschen Volkes II. 15, de Socinianen, Herzog² 14, 389, en de

Remonstranten, in de praefatie voor de apologie hunner confessie.

Ze vond steun bij de vele secten, die daarna in en naast de kerken

der Hervorming optraden. Ze werd in de kerken zelve ingeleid door

Calixtus en Coccejus, en won in de 18de eeuw hoe langer hoe meer

veld. Hare bedoeling wordt kenbaar b.v. uit de werken van A. F.

Büsching, Epitome Theol. Christ. e solis S. S. verbis concinnatae et

ab omnibus rebus et verbis scholasticis purgatae, Gott. 1755. Gedanken

von der Beschaffenheid und dem Vorzüge der bibl. dogm. Theologie vor

der scholastischen 1758. Nog in deze eeuw wordt zulk eene Bijbelsche

richting in de dogmatiek voorgestaan door Beck en zijne volgelingen,

door Doedes, Leer der zaligheid, 2de dr. 1876, en ook door Ritschl

en zijne school, die van de door de Grieksche philosophie verbasterde

dogmatiek terugkeert tot de openbaring Gods in den persoon van Christus.

3. Maar ook daarmêe is de mogelijkheid van conflict tusschen de leer

der Schrift en de persoonlijke overtuiging van den dogmaticus nog niet

weggenomen. Zoolang de waarheid objectief voor den dogmaticus in de

Schrift of in de kerkleer is neêrgelegd, schijnt aan de persoonlijkheid

van den dogmaticus geen recht te kunnen wedervaren. Dogmatiek blijft

dan eene uiteenzetting der leer van Schrift of kerk, maar misschien

zonder persoonlijke instemming van den dogmaticus. Dat is echter geen

dogmatiek. Want deze bestaat niet in een historisch referaat, maar zet

uiteen, wat als waarheid gelden moet, en houdt dus in de persoonlijke

overtuiging van den dogmaticus. Sedert de autoriteit in zake religie

voor velen geheel wegviel en de religio subjectiva van de religio

objectiva onafhankelijk werd gemaakt, is het religieus bewustzijn,

het geweten, het gevoel, de rede of hoe men het noemen wil, de bron

en maatstaf van de godsdienstige voorstellingen geworden. Heel de

theologie is door en na Schleiermacher, zoowel onder de orthodoxen

als onder de modernen, bewustzijnstheologie. Scholten, Schweizer,

Biedermann, Lipsius mogen nog bij de behandeling der dogmata van de

kerkelijke formuleering uitgaan, zij geven toch ten slotte niets anders

dan hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner,

Hofmann, Philippi, Frank e. a., nemen hun uitgangspunt in het bewustzijn

van den geloovige. Hier te lande nam Van Oosterzee, Dogm. § 10, het

christelijk bewustzijn op onder de bronnen der dogmatiek. Des Amorie van

der Hoeven Jr. dichtte in Geloof des harten: het onuitspreeklijk woord

staat in ons hart te lezen, en Christus gaf er klanken aan. Beets,

Dichtwerken IV 130 zong: Gansch objectief te zijn, is de eisch, is

menschlijk. Maar zou het mooglijk zijn? Och, paai u met geen schijn! De

stelsels zijn persoonlijk of onmenschlijk. En prof. Van Manen wees, in

zijne inaugureele oratie te Groningen, op het persoonlijk karakter der

leerstellige Godgeleerdheid, Gron. 1884. Uit dat persoonlijk karakter

der dogmatiek verklaart Doedes, Encycl. bl. 168 v. de grenzelooze

verwarring, die er op haar gebied heerscht.

4. Reeds dit overzicht van de drie dogmatische richtingen maakt

het duidelijk, dat geen der drie de andere ontberen kan. Elk wordt

op zichzelve genomen eenzijdig en vervalt tot dwaling. De kritische

richting, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt en alle

religieuse waarheid uit het subject afleiden wil, is allereerst al

met de ervaring in strijd. Ook religieus zijn we producten van onze

omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige voorstellingen en indrukken

van degenen, die ons verzorgen en opvoeden, en blijven ten allen tijde

gebonden aan den kring, waarin wij leven. Eene goede psychologie toont

aan, dat verstand en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding op

geen enkel terrein als kenbron der waarheid kunnen gelden. Evenals

wij physisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank, deksel en

kleeding van haar ontvangen moeten, zoo zijn we ook psychisch, in kunst,

wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk van de wereld buiten

ons. Al onze kennis komt van buiten; er zijn geen ideae innatae. Vooral

het gevoel kan als kenbron niet in aanmerking komen, want het gevoel

is nooit een prius, maar altijd een posterius; het reageert alleen op

hetgeen het aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust,

van aangenaam of onaangenaam, Tholuck, art. Gefühl in Herzog²; Bender,

Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 S. 659 f.; Philippi, Kirchl. Glaub. I

60 f.; Hodge, System. Theol. I 65 f.; Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864 bl.

1-43. Id. Wijsgeerige Godsdienstleer, Amst. 1894 bl. 59 v. 213 v. Het

autonoom verklaren van den godsdienstigen en zedelijken mensch hangt

altijd met het deïsme of het pantheïsme saâm. Het deïsme maakt den

mensch onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner

rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in den mensch

tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het mysticisme. Beide

vernietigen de objectieve waarheid, laten rede en gevoel, verstand en

hart aan zichzelve over, en eindigen in ongeloof of bijgeloof. De rede

critiseert alle openbaring weg, en het gevoel geeft aan den Roomsche

evenveel recht, om zich Maria voor te stellen als de zondelooze

koningin des hemels als aan den Protestant om dit geloof te bestrijden,

Schweizer, Glaub. der ev. ref. K. I 94. Opmerkelijk is het daarom, dat

de H. Schrift den mensch nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf

der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen, waar zij

den psychischen mensch geheel en al, in zijn verstand Ps. 14:3; Rom.

1:21-23; Rom. 8:7; 1 Cor. 1:23, 2:14; 2 Cor. 3:5; Ef. 4:23; Gal. 1:6,

7; 1 Tim. 6:5; 2 Tim. 3:8; in zijn hart Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9;

Ezech. 36:26; Mark. 7:21; in zijn wil Joh. 8:34; Rom. 7:14; 8:7; Ef.

2:3; en ook in zijn geweten Jer. 17:9; 1 Cor. 8:7, 10, 12; 10:28; 1 Tim.

4:2; Tit. 1:15 als door de zonde verduisterd en verdorven beschrijft.

Voor de kennis der waarheid verwijst ze hem altijd naar de objectieve

openbaring, naar het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan,

Deut. 4:1; Jes. 8:20; Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15; 2 Petr. 1:19 enz. En ook,

waar de objectieve waarheid door het geloof ons persoonlijk eigendom

wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan eene fontein, die het levende

water uit zichzelve voortbrengt, maar aan een kanaal, dat het water van

elders ons toevoert.

5. Rome heeft deze onmogelijkheid eener religieuse en zedelijke

autonomie uitnemend begrepen en daarom den mensch op straffe van

de zaligheid zijner ziel gebonden aan de onfeilbare kerk. Deze, en

dus ter laatste instantie de onfeilbare Paus, is voor den roomschen

Christen het principium van zijn geloof. Het Papa dixit is het einde

aller tegenspraak. Maar de historie leert, dat deze theoretische of

practische onfeilbaarheid der kerk niet alleen in Rome, maar ook in

de kerken der Hervorming ten allen tijde tegenspraak en oppositie

heeft ontmoet. Niet de ongeloovige, maar de vrome kringen zijn het in

de eerste plaats, die deze macht der hierarchie als een knellenden

band voor de conscientie hebben gevoeld. Er is alle eeuwen door niet

slechts een wetenschappelijke, maatschappelijke, staatkundige, maar ook

eene innig godsdienstige en zedelijke oppositie tegen de hierarchische

macht der kerk geweest. Het gaat niet aan, deze oppositie uit ongeloof

en ongehoorzaamheid te verklaren, en als met opzet de religieuse

motieven te miskennen, die aan de oppositie der verschillende secten

en richtingen ten grondslag lagen. Niemand durft al deze secten

verdoemen, omdat ze tegen de kerk en hare traditie in verzet kwamen.

Zelfs Rome deinst voor deze gevolgtrekking terug. Het extra ecclesiam

nulla salus is eene belijdenis, die ook aan het sterkste geloof nog te

zwaar valt. De wet, die we op alle terrein zien heerschen, gaat dan ook

in godsdienst en zedelijkheid door. Er is eenerzijds een revolutionaire

geest, die al het historisch gewordene tot den grond toe wil slechten,

om dan van nieuws aan het bouwen te gaan; maar er is ook een valsch

conservatisme, dat er behagen in schept om het bestaande onaangetast te

laten alleen omdat het bestaat en, naar het bekende woord van Calvijn,

malum bene positum non movere. Overal en op alle terrein is er te zijner

tijd een zeker radikalisme van noode, om het evenwicht te herstellen,

de ontwikkeling te doen voortgaan, en den stroom van het leven niet te

laten verzanden. In kunst en wetenschap, in staat en maatschappij en

zoo ook in godsdienst en zedelijkheid, ontstaat er langzamerhand eene

sleur, die de rechten der persoonlijkheid, het genie, de vinding, de

inspiratie, de vrijheid, de conscientie onderdrukt en verkracht. Maar

dan staat ook altijd te zijner tijd de man op, die het onder dien druk

niet houden kan, die het juk der dienstbaarheid van zich werpt, en

die het weder opneemt voor de vrijheid van den mensch, voor de vrijheid

van den Christen. Dat zijn de keerpunten in de geschiedenis. Zoo

trad Christus zelf eenmaal op tegen de traditie der ouden en keerde

tot de wet en de profeten terug. En zoo heeft eenmaal de reformatie

het bestaan, om niet ter wille van eenig wetenschappelijk, sociaal of

staatkundig belang, maar in naam van den Christenmensch te protesteeren

tegen Rome’s hierarchie. Zelfs bij de secten en richtingen, die later

in de Protestantsche kerken opkwamen, is menigmaal dat religieus,

ethisch motief niet te miskennen. Ook de theologia biblica verdedigt

een belangrijk stuk der godsdienstige waarheid. Als kerk en theologie de

rust verkiezen boven den strijd, roepen zij zelve de oppositie wakker,

die haar herinneren aan heur christelijke roeping en taak. Rome kan

uitteraard zulk eene oppositie nimmer goedkeuren en moet ze reeds van

te voren veroordeelen. De reformatie is er zelve uit voortgekomen en

kan aan anderen niet onthouden wat zij voor zich zelve nam. En de H.

Schrift, hoewel verre van alle revolutionair verzet, heeft toch het

recht van tegenspraak tegen alle menschelijk, met Gods Woord strijdend

bevel gewettigd in het koninklijk woord van Petrus: πειθαρχειν δει θεῳ

μαλλον ἠ ἀνθρωποις, Hd. 5:29.

6. Zoo schijnt alleen die methode de ware te zijn, welke door de

bijbelsche theologen toegepast wordt. Maar ook deze richting lijdt

aan groote eenzijdigheid. Zij meent geheel onvooringenomen tegenover

de Schrift te staan en zuiver en objectief haar inhoud weer te

geven. Maar zij vergeet, dat elk geloovige en ieder dogmaticus zijne

geloofsovertuigingen allereerst ontvangt uit de hand zijner kerk. Hij

komt dus nooit van buiten af, zonder eenige kennis en vooropgevatte

meening tot de Schrift, maar brengt van huis uit reeds eene zekere

opvatting van den inhoud der openbaring mede en beziet dus ook de

Schrift met den bril, dien de kerk hem voorhoudt. Elk dogmaticus staat,

als hij aan den arbeid gaat, of hij ’t erkent of niet, in die historische

verschijning van het Christendom, waarin hij geboren en opgevoed is en

komt als gereformeerd of luthersch of roomsch Christen tot de Schrift.

Men kan zich ook hier eenvoudig van zijne omgeving niet ontdoen, men is

altijd kind van zijn tijd, product van zijne omgeving, Toorenenbergen, De

Chr. Geloofsleer, bl. 6.; Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 1889 S. 8 f.

De uitkomst beantwoordt dan ook aan deze verwachting; alle dogmatische

handboeken, die door de bijbelsche richting in ’t licht zijn gegeven,

weerspiegelen getrouw het persoonlijke en kerkelijke standpunt van den

auteur; ze kunnen op geen meerdere objectiviteit aanspraak maken dan

die van de kerkelijke dogmatici. Het zuivere Evangelie, dat Ritschl bijv.

bij Luther en bij Jezus terugvindt, beantwoordt geheel aan de opvatting,

die hij er zich zelf van gevormd heeft. Al deze bijbelsche richtingen

worden dan ook voortdurend door de historie geoordeeld, ze doen haar

nut voor een tijd en roepen eene vergeten waarheid wakker, maar ze

veranderen den stroom van het kerkelijk leven niet en hebben geen

bestand in zich zelve. Gewoonlijk komen zij voort uit eene godsdienstige

overtuiging, die ook in de Schrift zich niet meer vinden kan. Wel

beginnen ze steeds met van de belijdenis op de Schrift zich te beroepen,

maar ze gaan straks van de Schrift naar den persoon van Christus terug

en eindigen er mede om ook zijne autoriteit aan te tasten. En altijd

toont dan de historie weer, dat het Christendom het relatief zuiverst

in de confessies der kerken is bewaard. Maar zulk eene bijbelsche

opvatting is niet alleen practisch onmogelijk, zij is ook theoretisch

onjuist. De Schrift is geen wetboek, waarvan de artikelen maar behoeven

nageslagen te worden, om in een bepaald geval haar opinie te kennen.

Zij is samengesteld uit vele boeken van onderscheidene personen, uit

zeer verschillende tijden, met uiteenloopenden inhoud. Zij is geen

abstracte, maar eene organische, levende eenheid. Zij bevat nergens

eene schets der geloofsleer, maar deze moet uit heel het organisme

der Schrift worden afgeleid. De Schrift is er niet op ingericht, dat

wij haar napraten, maar dat wij haar als vrije kinderen Gods nadenken

zullen. Maar dan is ook alle zoogenaamde Voraussetzungslosigkeit en

objectiviteit onmogelijk. Dan is er zooveel studie en nadenken van het

subject mee verbonden, dat één persoon daartoe ten eenenmale onbekwaam

is. Daar zijn eeuwen voor noodig. Daar is de kerk voor aangesteld, die

de belofte heeft van de leiding des Geestes in alle waarheid. Wie van

de kerk, d. i. van de Christenheid, van de gansche dogmenhistorie

zich isoleert, verliest de christelijke waarheid. Hij wordt een tak

gelijk, die van den boom is gescheurd en wegsterft, een lid dat van

het lichaam is gescheiden en daarom voor den dood is bestemd. Alleen

in de gemeenschap der heiligen is de lengte en breedte, de diepte en

hoogte van de liefde van Christus te verstaan, Ef. 3:18. Daar komt nog

bij, dat de voorstanders dezer richting vergeten, dat het Christendom

universeel is en ingaan kan en moet in alle vormen en toestanden. Ze

stellen de genade vijandig tegenover de natuur en rekenen niet genoeg

met de vleeschwording des Woords. Want even waarachtig als de Zone

Gods mensch is geworden, wordt ook de gedachte Gods neêrgelegd in de

Schrift, vleesch en bloed in het bewustzijn der menschen. Dogmatiek is

en behoort te zijn, de goddelijke gedachte volkomen ingegaan en opgenomen

in ons menschelijk bewustzijn, uitgesproken vrij en zelfstandig in onze

taal, in haar wezen vrucht der tijden, in haar vorm van dezen tijd (Da

Costa). Daarom is ook de tegenstelling onjuist, die er dikwerf gemaakt

wordt tusschen Bijbelsche Theologie en Dogmatiek, alsof gene den inhoud

der Schrift, deze dien der kerkelijke dogmata zou weêrgeven. Want de

dogmatiek bedoelt niets anders dan de gedachten Gods te exponeeren, die

Hij in de H. Schrift neergelegd heeft, Maresius, Syst. Theol. loc. 1. §

8. Maar ze doet dat, gelijk behoort, op wetenschappelijke manier, in een

vorm en naar eene methode, gelijk die wetenschappelijk geëischt zijn. In

dezen zin hebben de Gereformeerden vroeger het recht der zoogenaamde

theologia scholastica verdedigd. Zij hadden er volstrekt niet op tegen,

dat de geopenbaarde waarheid ook in eenvoudiger vorm onder den naam

van theologia positiva, catechetica enz. werd voorgedragen. Maar ze

bestreden ten sterkste, dat deze beide verschilden in inhoud; wat ze

onderscheidde, was alleen een verschil in vorm en methode. En door

dit standpunt in te nemen, hebben zij eenerzijds zoo sterk mogelijk

de eenheid en den samenhang van geloof en theologie, van kerk en

school, gehandhaafd, maar anderzijds ook het wetenschappelijk karakter

der theologie hoog gehouden. De gedachten Gods mochten nog zoo hoog

en wonderbaar zijn, ze waren toch geen aphorismen, maar vormden een

organische eenheid, een systematisch geheel, dat ook ingedacht en in

een wetenschappelijken vorm kon weergegeven worden. De Schrift zelve

spoort tot dezen theologischen arbeid aan, als zij niet op het abstracte

weten, maar op leer en waarheid, kennis en wijsheid allerwege den

sterksten nadruk legt.

7. Eene goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie gegevens,

met Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging rekening te houden. Dan

alleen is het mogelijk, om voor grove eenzijdigheden te worden bewaard.

Toch komt het er dan nog op aan, de verhouding te bepalen, waarin deze

drie gegevens tot elkaar staan. In den regel gaat het zoo, dat we

onze godsdienstige overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is

het geval in alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden

allen als leden eener kerk geboren. Het verbond der genade neemt ons

op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus gelden niet

alleen de geloovigen maar ook hun zaad. In kritische tijden, gelijk

den onzen, gebeurt het dikwerf, dat er dan later eene smartelijke

breuke komt tusschen het geloof der kindsheid en de persoonlijke

overtuiging. Is deze breuke van dien aard, dat men wel zijn eigen kerk

verlaten moet maar toch bij eene andere historisch bestaande kerk

zich aansluiten kan, dan is ze betrekkelijk spoedig geheeld. Er is

dan wel verandering, maar geen verlies van de religie zelve, van den

Christennaam, van de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog

een dogma, dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven.

Op dit standpunt blijft er dus ook nog eene dogmatiek mogelijk, die de

waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in eene bepaalde kerk erkenning vond.

Maar dikwerf grijpt de twijfel veel dieper in het religieuse leven in.

Velen verliezen alle geloof en komen tot skepticisme en agnosticisme;

hier is er van dogmatiek, van geloof, van belijdenis, van gemeenschap

geen sprake meer; loutere negatie is tot het stichten van gemeenschap

onbekwaam. Anderen echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende

handhaven, trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen

godsdienstige overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk de

invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt men tot eene

godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij dan dit verschil,

dat hetgeen in eene kerk niet meer gevonden werd, nu gezocht wordt in

eene wijsgeerige school. Iedere wijsbegeerte is in deze eeuw beurtelings

aangegrepen, om zekere godsdienstige overtuigingen te wekken en te

handhaven. Ook op dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer.

Er is alleen nog een godsdienstig geloof, eene Glaubenslehre, een

wijsbegeerte van den godsdienst, eene wijsgeerige godsdienstleer.

Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap des

geloofs staat met eene of andere christelijke kerk. Dit ligt ook in

den aard van het godsdienstig geloof. Religieuse voorstellingen zijn

van wetenschappelijke o. a. daarin onderscheiden, dat ze niet steunen

op eigen inzicht, op het gezag van eenig mensch, maar alleen op het

gezag Gods. Maar dit sluit in, dat ze ook in een godsdienstigen kring,

d. i. in eene kerk geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt

alleen het religieus gezag van eene godsdienstige voorstelling kenbaar.

Eene kerk gelooft hare belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan

wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het Woord

Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke organen

zich uit. Wie zijne godsdienstige overtuiging zoekt bij eene wijsgeerige

school, verwart godsdienst met wetenschap en ontvangt niets dan eene

altijd onzekere, door velen bestredene, sententia of opinio doctoris.

Het godsdienstig geloof echter is krachtens zijn eigen natuur aan eene

gemeenschap en aan hare belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal

elders. Abstracties, universalia zijn er in de werkelijkheid niet. _De_

boom, _de_ mensch, _de_ wetenschap, _de_ taal, _de_ godsdienst, _de_

theologie zijn nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere boomen,

menschen, wetenschappen, talen en godsdiensten; zooals eene taal

samenhangt met een volk, zooals wetenschap en wijsbegeerte altijd in eene

zekere richting en school beoefend worden, zoo is religie en theologie

alleen te vinden en te kweeken in eene haar verwante gemeenschap. Eene

kerk is de natuurlijke bodem voor religie en theologie. Evenmin als er

nu reeds _de_ kerk is, is er ook _de_ religie en _de_ theologie. Er zijn

slechts verschillende kerken, en zoo ook verschillende theologieën.

En dit zal duren, tot de gemeente in Christus haar vollen wasdom

zal hebben bereikt en allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs

en der kennis van den Zone Gods. Deze eenheid is niet met geweld

te grijpen, maar kan het best worden bevorderd als elk het geloof

zijner eigene kerk indenkt, en ’t zuiverst voorstelt. Niet buiten de

bestaande kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich zijne

ééne heilige, algemeene gemeente. En niet buiten de verschillende

kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de eenheid der kennisse

Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze zal de dogmaticus ook het

best vruchtbaar kunnen werken voor de reiniging en de ontwikkeling

van het religieuse leven en de leer zijner kerk. Aanknooping aan het

bestaande is voorwaarde tot verbetering in de toekomst. In het nu ligt

wat worden zal, Twesten, Vorles. über die Dogm. 2e Aufl. I 46. Deze

beteekenis der kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het

verband, dat Christus zelf tusschen beide gelegd heeft. Hij heeft aan

Zijne kerk den H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid.

De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan. Zij is

de explicatie der Schrift, Lange, Christl. Dogm. I 3; Schoeberlein,

Princip. und System der Dogm. 26; de uitlegging, welke de H. Geest in

de kerk van de schatten des Woords gegeven heeft. De dogmaticus heeft

dus de stof voor zijne dogmatiek niet te putten alleen uit de geschreven

confessie zijner eigene kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met

heel ’t eigenaardig geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met

de geschiedenis der gansche kerk van Christus. Hij staat dus op de

schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door eene wolke

van getuigen, en laat zijne getuigenis saamvloeien met die stemme veler

wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te stemmen in den lofzang, die

door de kerk aller eeuwen Gode toegebracht wordt.

8. Maar daarmee is de dogmenhistorie en de belijdenis der kerk nog niet

verheven tot een onfeilbaar gezag. Er is onderscheid tusschen den weg,

waarlangs de dogmaticus gevormd wordt, en het beginsel, waaruit de

dogmatiek haar stof ontvangt. In iedere wetenschap begint de beoefenaar

te leven van de traditie. De eerste kennis van zijn vak verkrijgt hij

altijd door autoriteit. Hij moet eerst de geschiedenis van zijn vak in

zich opnemen en opklimmen tot de hoogte en den tegenwoordigen stand

van zijne wetenschap, om daarna zelfstandig aan den arbeid te gaan en

zich een eigen inzicht in het voorwerp van zijn onderzoek te verwerven.

Maar niemand zal daarom de traditie, die paedagogisch van zoo groot

belang was, voor de bron zijner wetenschap houden. Niet anders is het

met den dogmaticus. Paedagogisch gaat de kerk aan de Schrift vooraf.

Maar naar logische orde is de Schrift het principium unicum van kerk

en theologie. Bij verschil, waarvan de mogelijkheid op reformatorisch

standpunt nooit kan worden ontkend, moet kerk en belijdenis wijken voor

de Schrift.

Niet de kerk maar de Schrift is αὐτοπιστος, judex controversiarum,

sui ipsius interpres. Niets mag met haar op ééne lijn worden gesteld.

Kerk, belijdenis, traditie, alles moet naar haar zich regelen, aan haar

zich onderwerpen. De Remonstranten beschuldigden de Gereformeerden

wel, dat zij door de belijdenis aan het gezag, de genoegzaamheid en de

volmaaktheid der H. Schrift te kort deden. Maar de Gereformeerden,

schoon in deze bedeeling der kerk belijdenis noodzakelijk achtende, om

het Woord Gods te verklaren, de ketterijen te weren en de eenigheid des

geloofs te onderhouden, bestreden zoo sterk mogelijk dat de belijdenis

ook maar eenig gezag zou hebben naast de Schrift. De Schrift is alleen

norma en regula fidei et vitae, de belijdenis verdient alleen geloof

omdat en in zoover zij met de Schrift overeenkomt en blijft, als feilbaar

menschenwerk, revisibel en examinabel aan de Schrift. De confessie is

dus hoogstens norma secundaria, non veritatis sed doctrinae in aliqua

ecclesia receptae, en daarom bindend voor allen, die in gemeenschap met

de kerk willen leven. Binnen de kerk heeft de belijdenis autoriteit als

accoord van gemeenschap, als uitdrukking van het geloof der gemeente,

maar zij gelooft en handhaaft die belijdenis alleen op grond van de

Schrift, Voetius, Pol. Eccl. IV 1-74; Turret, Theol. El. Loc. 18. cap.

30; Examen van het Ontwerp van Tolerantie, 8e Sam. bl. 59-136; Moor,

Comm. in Marckii Comp. VI 353 s., enz. Alle christelijke kerken zijn één

in de belijdenis, dat de H. Schrift het principium is der theologie, en

de reformatie erkende haar eenparig als principium unicum. De Nederl.

Confessie spreekt dat uit in art. 5, en alle Luthersche en Geref.

theologen zijn hiermede eenstemmig, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 4;

Heppe, Dogm. der ev. ref. K. loc. 2. Wel is waar wordt in art. 2 der

Ned. Conf. beleden, dat God door twee middelen gekend wordt, nl. door

de natuur en de Schrift, en is door alle Geref. theologen de theologia

naturalis in haar waarheid en waarde gehandhaafd. Maar in den eersten

tijd, voordat het rationalisme de Geref. theologie had vervalscht, werd

duidelijk ingezien, dat natuur en Schrift niet onafhankelijk en los naast

elkander stonden, evenmin als de theologia naturalis en revelata.

Calvijn nam de theol. naturalis op in het corpus der christelijke

dogmatiek, en zei dat de Schrift de bril was, waarmede de geloovige

klaarder God aanschouwde ook in de werken der natuur, Instit. I. 6,

1. De theologia naturalis had oorspronkelijk volstrekt niet ten doel,

om langzamerhand en geleidelijk den weg te banen tot de theologia

revelata; men nam bij haar niet het voorloopige standpunt der rede in,

om dan door redeneering en bewijs op te klimmen tot het standpunt des

geloofs. Maar van den aanvang af stond de dogmaticus op den grondslag

des geloofs, en bezag als Christen, als geloovige nu ook de natuur; en

dan ontdekte hij, met zijn christelijk oog, gewapend met de H. Schrift,

ook in de natuur sporen van dien God, dien hij door de Schrift, in

Christus, als zijn Vader had leeren kennen. Subjectief kwam dus in de

dogmatiek niet eerst de natuurlijke rede en daarna het geloof aan het

woord; het was altijd de geloovige Christen, die in den catechismus, in

de confessie, in de dogmatiek zijn geloof uitsprak. En evenzoo stond

objectief de natuur niet als een zelfstandig en onafhankelijk principium

naast de H. Schrift, beide een eigen stel van waarheden leverend. Maar

de natuur werd bezien in het licht der Schrift, en de Schrift bevatte

niet alleen de in strikten zin geopenbaarde waarheid, maar bevatte ook

de waarheden, welke de geloovige in de natuur ontdekken kan. Zoo erkent

Alsted in zijne Praecognita Theologiae 1623. p. 115, wel eene theologia

naturalis in den onwedergeborene maar deze is verward en duister; voor

den geloovige zijn de principia et conclusiones theologiae naturalis in

de Schrift klaar en duidelijk herhaald, Hodge, System. Theol. I 11. 15;

Shedd, Dogm. Theol. I 68.

Ook al is er daarom een kennisse Gods uit de natuur, de dogmatiek

heeft toch maar een eenig principium externum, n.l. de H. Schrift,

evenals ook maar een eenig principium internum, n.l. de geloovige

rede. En nu niet slechts zóó, dat de H. Schrift alleen norma zou zijn

en geen bron, maar bepaaldelijk in den zin van principium theologiae.

Er is tusschen vroegere theologen en die van den tegenwoordigen tijd

een groot onderscheid. Sedert Schleiermacher van het object tot het

subject terugging, zijn eene schare van theologen in de gemeente en

hare belijdenis de bron der dogmatische waarheid gaan zien. Niet alleen

hebben ze, en terecht, het confessioneel en kerkelijk karakter der

dogmatiek erkend en uitgesproken, maar ze hebben ook de belijdenis der

gemeente tot kenbron gemaakt en de H. Schrift tot norma verlaagd,

Schleiermacher, Glaub. § 19; Rothe, Zur Dogm. 27; Schoeberlein 23;

Gunning en Saussaye, Het ethisch beginsel 12; Dr. Van Dijk, Begrip

en methode der dogm. 14 v.; Dr. Daubanton, Confessie en Dogmatiek 29

v., of ook de belijdenis naast de H. Schrift als kenbron geplaatst,

Lange, Dogm. II 3; Van Oost § 9; Von der Goltz, § 18; Reiff, I 256.

En Dr. Gunning t. a. p. 31-34 beweerde zelfs, dat de leer van de

Schrift als bron in plaats van als norma niet gereformeerd, maar

eigenlijk remonstrantsch was. Maar deze voorstelling berust op eene

onjuiste opvatting van de verhouding tusschen kerk en Schrift. In

den eersten tijd van de christelijke gemeente kon er nog sprake zijn

van eene zuivere traditie, die parallel liep met de geschriften der

Apostelen. Maar die beide stroomen zijn reeds lang samengevloeid. Er

is nu geen kennis van de christelijke waarheid meer, dan alleen uit

de H. Schrift. Ook al voedt het religieuse leven in de gemeente zich

veel meer uit stichtelijke werken dan uit de Schrift, Ritschl, Rechtf.

u. Vers. II² 12, het zijn toch slechts kanalen, waardoor de waarheid

der H. Schrift in meer bevattelijken vorm den geloovigen toegevoerd

wordt. Bovendien, de dogmatiek is iets gansch anders dan symboliek.

Deze beschrijft en verklaart de belijdenis der kerk. Maar de dogmatiek

dogmatiseert, d. i. zij zet uiteen, wat op godsdienstig gebied niet als

waarheid geldt, maar als waarheid gelden moet. Zij behoort wel met de

belijdenis in verband te staan, evenals met de school en de kerk. Maar

de dogmatiek staat toch zelfstandig naast de confessie, zij exponeert

de waarheid Gods op eene haar eigene wijze. De Schrift is aan de kerk,

maar ook aan de school, aan de wetenschap gegeven; en beide lezen

en onderzoeken, verklaren en beschrijven haar inhoud. Confessie en

dogmatiek werken daarbij op elkander in; de confessie is op haar beurt

evenzeer afhankelijk van de dogmatiek, als deze van gene. Dogmata zijn

niet door de kerk voortgebracht, maar zijn vrucht der theologie. Eerst

waren er de Apologeten, toen kwam Nicea. Eerst traden de Hervormers op

en later volgden de Protest. confessies enz., Harnack, Dogmengesch.

I 10, en mijn artikel Theol. Stud. 1891, bl. 258-275. En eindelijk is

de leer van de H. Schrift als unicum principium theologiae ook alleen

zuiver reformatorisch en gereformeerd. De Nederl. Conf. leert in art.

2 en 7 uitdrukkelijk, dat de kennis van God en zijn dienst alleen uit de

Schrift wordt geput en dat ze dus wel ter dege bron is en niet alleen

norma. Calvijn, Instit. I. cap. 6, Melanchton in de praefatie voor zijne

Loci en alle dogmatici verklaren, dat de kennisse Gods alleen klaar

en volkomen uit de Schrift kan worden verkregen. Iedere dogmatiek

haast begint met de leer der Schrift als unicum principium theologiae.

De eigenschappen van de auctoritas, sufficientia, perfectio, die de

Protestanten tegenover Rome aan de H. Schrift toekenden, betoogen

datzelfde, Daubanton, Theol. Stud. 1885, bl. 191-210. Dat zij daarbij

liefst niet van fons, maar van principium spraken, verzwakt deze

geheel eenige beteekenis van de Schrift voor de dogmatiek niet. De

naam principium is zelfs boven dien van fons te verkiezen. De laatste

uitdrukking duidt de relatie tusschen Schrift en theologie als eene

mechanische aan; en doet het voorkomen alsof de dogmata uit de H.

Schrift geput konden worden als water uit de bron. Maar principium

wijst op een organisch verband. Dogmata zijn er niet in de Schrift, maar

de stof ervan ligt in haar vervat. De Schrift bevat de kiemen, de

zaden waaruit de dogmata onder de onderwijzing des Geestes in de kerk

opwassen. Dogmatiek is de waarheid der Schrift, heengegaan door het

denkend bewustzijn van den mensch, en weergegeven in wetenschappelijken

vorm.

9. Daarmede is echter het persoonlijk karakter der leerstellige

Godgeleerdheid niet te niet gedaan. Dat kan en mag niet, wijl dogmatiek

niet is een historisch referaat, maar eene aanwijzing van wat op

religieus gebied als waarheid gelden moet. Dat persoonlijk karakter

der dogmatiek vloeit echter niet daaruit voort, dat alle band aan het

object wordt doorgesneden en elk nu maar voordraagt wat hij gelieft. Dan

toch houdt de dogmatiek op eene wetenschap te zijn en is ze niets dan

eene private opinie. Als de dogmatiek, volgens Prof. Van Manen bl. 23,

den waan moet laten varen, dat er eene van buiten gegeven, objectieve

waarheid is, dan is er geen dogmatiek meer. Dan zijn er maar subjectieve

meeningen, waarvan de eene even goed is als de andere. Elke wetenschap,

welke op dien naam aanspraak heeft, moet hebben een eigen, in de

werkelijke wereld bestaand object; onderstelt verder, dat dat object

kenbaar is; en is dan aan dat object zoo streng mogelijk gebonden. Voor

de dogmatiek geldt geen andere eisch; ook zij moet een eigen voorwerp

hebben, dat voorwerp moet kenbaar zijn, en aan dat voorwerp is ze

volstrekt gebonden. Maar de loochening van zulk een eigen, kenbaar

object mag nooit worden goedgemaakt met een beroep op het persoonlijk

karakter der leerstellige Godgeleerdheid. Dat is verwarring van

twee geheel verschillende kwestiën. Van een persoonlijk karakter der

dogmatiek kan er eerst dan sprake zijn, als vooraf vaststaat, dat ze een

eigen object heeft.

Immers, elke wetenschap, van natuur, geschiedenis, recht, zede enz.

heeft een object, dat in de werkelijke wereld aanwezig is. Maar daarom

draagt iedere wetenschap toch nog wel een persoonlijk karakter; de eene

zeker minder dan de andere, de wiskunde bijv. in veel geringere mate

dan de geschiedenis. Maar naarmate de wetenschappen minder formeel

zijn, en meer nabij het centrum liggen, naar die mate neemt de invloed

van de persoonlijkheid toe. Een mensch kan zich bij de beoefening der

wetenschap, evenmin als ergens elders, van zichzelven ontdoen; hij

brengt zijn opvoeding, levensbeschouwing, hart en geweten, sympathieën

en antipathieën mede, en deze oefenen vanzelf invloed op zijn onderzoek

en nadenken. Dit nu is op zichzelf niet verkeerd; het dualisme, dat

den mensch in twee helften deelt en bij de beoefening der wetenschappen

tot een puur verstand verlaagt, is practisch onmogelijk en theoretisch

valsch gedacht. Eisch is alleen, dat de mensch altijd en overal, ook

dan als hij de wetenschap beoefent, een goed mensch zij, een mensch Gods

tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. En niet anders is het in de

dogmatiek; ja hier is dit alles a fortiori het geval. Want de dogmatiek

heeft het juist te doen met de diepste geloofsovertuigingen van den

mensch en met het centrum aller wetenschap. Hier bovenal is het de

eisch, dat de mensch een goed mensch zij, dat hij in de rechte verhouding

sta tot God, wien te kennen het eeuwige leven is.

Daarom is het ook de leer der Schrift, dat de objectieve revelatie

zich voltooit in de subjectieve illuminatie. De Gereformeerde leer van

de Schrift staat in het nauwste verband met die van het testimonium

Spiritus Sancti. Het verbum externum blijft niet buiten ons, maar wordt

door ’t geloof een verbum internum. De H. Geest, die de Schrift gaf,

geeft ook getuigenis aan die Schrift in het hart der geloovigen. De

Schrift zorgt zelve voor haar eigen zegepraal in het bewustzijn der

gemeente van Christus. Daarvoor voelt de geloovige zich met heel zijn

ziel gebonden aan de Schrift. In haar wordt Hij ingeleid door den H.

Geest, den Doctor ecclesiae. En al zijn bedoelen is, om die gedachten

Gods, neergelegd in de Schrift, in zijn bewustzijn op te nemen en ze

denkend te verstaan. Maar daarbij blijft hij mensch, met eigen aanleg,

opvoeding, inzicht; het geloof zelf ontstaat in ieder mensch niet

op dezelfde wijze en is niet in allen van dezelfde kracht; de rede

verschilt in scherpte, diepte, klaarheid van denken; de invloed

der zonde blijft nawerken, ook in zijn bewustzijn en verstand. En ten

gevolge van alle deze invloeden blijft de leerstellige Godgeleerdheid

een persoonlijk karakter dragen. Dat is hier, als in elke wetenschap,

het geval. Zelfs profeten en apostelen zagen dezelfde waarheid van

verschillende zijden. De eenigheid des geloofs is nog evenmin als de

eenheid der kennis bereikt. Maar juist door de verscheidenheid heen

voert God Zijne gemeente de eenheid te gemoet. Als die eenheid des

geloofs en der kennis is bereikt, heeft ook de dogmatiek haar taak

volbracht. Zoo lang echter blijft haar de roeping toebetrouwd, om op

de erve der wetenschap de gedachten te vertolken, die God in de H.

Schriftuur voor ons heeft neergelegd. Tot deze taak zal de dogmaticus

het uitnemendst toegerust zijn, als hij in geloofsgemeenschap leeft

met de kerk van Christus en de Schrift als het eenig en genoegzaam

principium der kennisse Gods belijdt. De dogmaticus ontvangt dus den

inhoud van zijn geloof uit de handen der kerk. In paedagogischen zin

komt hij door de kerk tot de Schrift. Maar daarbij mag hij, evenmin als

eenig geloovige, blijven staan. Hij heeft de roeping, om de dogmata,

die hij door de kerk heeft leeren kennen, te ontleden tot in hun

vezelen toe, en na te gaan, hoe ze wortelen in de H. Schrift. Zoo

zou zijne taak hierin bestaan, dat hij eerst de dogmata objectief

overgaf, en daarna herleidde tot de H. Schrift; zijne methode ware

dan historisch-analytisch. Maar al heeft deze methode voor een enkel

dogma op zichzelf misschien veel aanbevelenswaardig; en al is ze in de

dogmatiek ook ondergeschikt van waarde; toch heeft ze dit tegen, dat

het bij haar niet komt tot een wetenschappelijk systeem. De dogmaticus

doet daarom beter een anderen weg te bewandelen; niet van de rivier tot

de bron, maar van de bron tot de rivier. Zonder te kort te doen aan de

waarheid, dat de kerk in paedagogischen zin aan de Schrift voorafgaat,

kan hij toch in de Schrift zelve als het principium theologiae zijne

positie nemen, en dan van daaruit de dogmata ontwikkelen. Hij

reproduceert dan als het ware den denkarbeid der kerk; hij laat ons

zien, hoe de dogmata organisch uit de Schrift zijn uitgegroeid; hoe

niet één enkele tekst, maar de Schrift in haar geheel de vaste, breede

bodem is, waarop het dogmatisch gebouw verrezen is. Deze synthetische,

genetische methode verschaft hem dan in de tweede plaats het voordeel,

dat hij ook de eenheid en het onderling verband der dogmata aanwijzen

kan. De verschillende dogmata zijn geen geisoleerde stellingen, maar

zij vormen een eenheid. Er is eigenlijk maar één dogma, dat uit de

Schrift is geboren en in allerlei bijzondere dogmata zich vertakt en

gesplitst heeft. De methode van de dogmaticus kan en mag niet anders

dan systematisch zijn. En eindelijk heeft hij nog de roeping, om in deze

genetische en systematische ontwikkeling der dogmata ook op mogelijke

afwijkingen opmerkzaam te maken, mogelijke leemten aan te vullen, en

alzoo te arbeiden aan de ontwikkeling der dogmata in de toekomst. Dat

is de kritische taak, waartoe de dogmaticus geroepen is, maar die in de

systematische bearbeiding der dogmatische stof vanzelf reeds opgesloten

ligt. Op die wijze tracht hij in de dogmatiek eene expositie te geven van

de schatten der wijsheid en der kennis, welke in Christus verborgen zijn

en in de Schrift zijn uitgestald.

§ 4. INDEELING DER DOGMATIEK.

1. Zoodra de dogmatiek opkwam, was er ook eene indeeling noodig van de

stof welke in haar behandeld werd. Die indeeling was in den beginne

hoogst eenvoudig. De drie hoofdwerken van Clemens Alexandrinus, nl.

Cohortatio ad gentes, Paedagogus en Stromata zijn wel saam verbonden

door de idee der opvoeding van het menschelijk geslacht door den

Logos, maar bevatten toch geen eigenlijke indeeling; en het laatste

werk ontwikkelt wel de ware philosophie van het Christendom tegenover

Heidendom en Jodendom, maar Clemens zegt zelf in ’t begin van het 6e

en aan ’t slot van het 7e boek van dat werk, dat hij daarin slechts

schreef wat hem voor den zin kwam, en dat men dus over het gebrek

aan orde zich niet verwonderen moet. Origenes’ werk περι ἀρχων,

de principiis, tracht reeds eenige orde in de stof te brengen, en

heeft dan ook vier hoofdbegrippen: God, wereld, vrijheid, openbaring;

het eerste boek handelt over God, de Triniteit en de engelen; het

tweede over de wereld, den God des O. Test., het goede en kwade,

de incarnatie en de opstanding; het derde over de wilsvrijheid, de

verzoekingen en het wereldeinde; en het vierde over de H. Schrift,

hare ingeving en uitlegging. De verschillende loci over God, engel,

mensch, Christus, enz. komen hier reeds voor den dag, maar nog niet

in goede orde en juiste begrenzing, en ook nog onvolledig; de leer

der sacramenten ontbreekt, die over de Schrift komt achteraan, en

een indeelingsbeginsel is nog niet te ontdekken. Deze indeeling van

Origenes wordt verbeterd overgenomen door Theodoretus in het 5e

boek van zijn Αἱρετικης κακομυθιας ἐπιτομη, haereticarum fabularum

compendium, dat eene schets bevat van het orthodoxe geloof.

Achtereenvolgens wordt hierin gehandeld over God, wereld, engel en

mensch, Christus, Schrift en sacrament, opstanding en gericht, terwijl

er ten slotte eenige ethische capita over virginiteit, boete, vasten

aan toegevoegd worden. Voorts ligt ditzelfde schema ten grondslag

aan de Ἐκδοσις ἀκριβης της ὀρθοδοξου πιστεως van Joh. Damascenus.

De indeeling in vier boeken is eerst in de Middeleeuwen in het werk

gebracht, nadat het op bevel van Eugenius III door den rechtsgeleerde

Johannes Burgundis uit Pisa in het latijn was vertaald, en Petrus

Lombardus in zijne Sententiae met de indeeling in vier boeken was

voorgegaan. Damascenus begint met de leer van God, Triniteit,

eigenschappen (boek I), spreekt dan over de wereld, schepping, engelen,

menschen en de voorzienigheid (boek II), behandelt vervolgens den

persoon en het werk van Christus (boek III en IV, cap. 1-9), en eindigt

met eenige soteriologische (geloof, doop, enz.), ethische (wet, sabbat,

enz.) en eschatologische capita (boek IV, cap. 10-28).

Daarnaast bood de apostolische geloofsbelijdenis, in aansluiting aan de

doopsformule, reeds vroeg eene andere indeeling voor de dogmatische

stof. De Expositio symboli van Rufinus en Augustinus’ boek de fide et

symbolo leverden commentaren daarop, en behandelden de hoofdzaken van

het christelijk geloof aan de hand van het trinitarisch schema, dat

aan ’t apostolisch symbool ten grondslag lag. Maar Augustinus was

niet alleen in deze indeeling voor vele lateren ten voorbeeld, maar

in zijn Enchiridium ad Laurentium behandelt hij heel de dogmatische en

ethische stof onder de drie christelijke deugden geloof, hoop en liefde;

echter op zeer ongelijkmatige wijze. Na eene inleiding, cap. 1-8, zet

Augustinus dat wat geloofd moet worden uiteen van cap. 9 tot cap.

113, hoofdzakelijk aan de hand van het apostolisch symbool, maar wijdt

dan slechts drie capita (114-116) aan de hoop, waarbij hij ’t gebed des

Heeren tot leiddraad neemt, en de overige capita 117-122 aan de liefde.

Geloof, gebed en gebod vormen hier dus het schema der dogmatiek, dat

later dikwerf, vooral in catechismussen, is overgenomen. Ook Isidorus

van Sevilla heeft in het eerste boek van zijn Sententiarum sive de

summo bono libri III, in hoofdzaak deze volgorde van het apostolisch

symbool en handelt in 30 capita over God, schepping, wereld, engelen

en menschen, Christus, den H. Geest, de kerk, Schrift en sacramenten,

opstanding en laatste dingen en behandelt dan in het tweede en derde

boek uitsluitend ethische stof.

Gereformeerde dogmatiek. Eerste deel. Inleiding. Principia. · 第 6 / 28 题