kerel woont en hem behoorlijk straffen. De vent had mij, Baxter!
onmiddellijk in kennis moeten stellen van dit feit. Zaken... zaken?...
Politie gaat altijd voor... Naar Ben Amos, zeg je, hè?... Waarom lach
je, hondsvot?
—’t Is Ben Amis, chef.
—Nu ja!... Ben Amis dan... Goed, laten wij er heen gaan, en de kerel
moet al heel weinig praatjes maken of ik reken hem in.
—Maar chef, de kerel is toch volkomen correct geweest!
—Zwijg, ik kan de zwarte tronie van dien vent niet uitstaan....
„De vloo” zweeg en toog met inspecteur Baxter op weg naar het „London
Hotel”, waar zij Ben Amis te spreken vroegen.
Raffles had dit bezoek eenigszins verwacht, want natuurlijk zou Baxter
toch wel onderzoeken of Ben Amis hem nieuws meedeelen kon.
Toen Baxter met „de vloo” binnenkwam, trad Ben Amis hen eenigszins
gereserveerd tegemoet en vroeg met gedempte stem:
—Heb ik opnieuw beleedigd?
—Integendeel... waarde heer—viel Baxter uiterst vriendelijk Raffles in
de rede.—Ik kwam juist even bij u om te toonen dat wij u wenschen te
beschermen.
—Ook al beschermen?—vroeg Raffles, alias Ben Amis, met lichten
spot.—Ben ik hier aangeland in een gekkenhuis? U wenscht mij te
beschermen... Lord Bentfield wenscht mij te beschermen, wat moet ik
daarvan denken?
—Mijnheer—sprak Baxter geërgerd—ik verzoek u eenigen eerbied te hebben
voor mijn waardigheid.
—Met genoegen! Maar u zult mij toestemmen dat het mij wel zéér vreemd
voorkomt al dat beschermen. Wij doen dat gewoonlijk zèlf.
—Maar hier is het een ander land. Ik ben bijvoorbeeld onmisbaar...
omdat ik juist de burgers beschermen moet.
„Aangenaam”, dacht Raffles, „de kerel geniet dat hij over zichzelf
spreken kan.”
—Wie is Lord Bentfield—vroeg Baxter daarop, probeerende, zooveel als
maar mogelijk was, gewichtig te doen!
—Een vreemd heer. Een man die met een pruik op en verf op zijn
gezicht....
—Raffles—riepen Baxter en „de vloo” tegelijk.
—Veel van gehoord—merkte Ben Amis alias Raffles lakoniek op.
—Maar man... beste bruinhuid... lieve, goede Arabier... dat is de man
dien wij zoeken. Waarheen is die Lord Bentfield gegaan?
In vervoering greep Baxter „de vloo” vast, omhelsde hem en danste als
een bezetene de kamer rond.
—O „vlooitje”—riep Baxter.—Hou me vast!... Eindelijk!... Hij is hier in
dit kleine nest. Hij kan niet weg. Alle wegen laten wij afzetten! Hij
kan niet weg!!... Jij bent een engel, Marholm, een genie... Als ik
Baxter niet was....
—Zou u Marholm willen zijn—zeide „de vloo” droog weg.
—Kerel, je gaat vooruit. Je bent veel vlugger van begrip... Lord
Bentfield!!... Wie had dat gedacht... Ik zal hem „fielden”... De ure
der wrake is daar.
Waarschijnlijk zou dit nog langer geduurd hebben, ware het niet dat
Charly binnen was gekomen en aller aandacht ineens op hem
geconcentreerd was.
—Weet gij iets naders, Saraj?—vroeg Ben Amis.
—Ik ben hem gevolgd, meester. In stal zeventien ging hij binnen en kwam
enkele minuten later met twee andere mannen naar buiten. Zij liepen
weer naar het marktplein terug, sloegen een steeg in en daalden in
nummer drie naar beneden.
—Goed gedaan, Saraj! Dank je wel. Blijf hier. Misschien hebben de
heeren jou nog iets te vragen.
Charly boog het hoofd en trad enkele schreden terug.
Baxter en „de vloo” gingen nu rustig zitten, want de manier van
optreden, getoond door Ben Amis, was werkelijk imponeerend.
Ben Amis presenteerde den heeren een sigaar, zette zich tegenover
Baxter neer en zeide:
—Het doet mij toch zulk een innig genoegen, dat u zoo prettig hier
tegenover mij zit. Dit had ik waarlijk nooit gedroomd. Ter zake. ’t Zal
zoowat een uur of twee geleden zijn, dat bij mij aangediend werd en
binnentrad Lord Bentfield. Hij wilde mijn Aldabaran zien. Ik stemde
niet toe. Ik vertrouwde hem niet. Toen vroeg hij mij of hij mij een
jockey mocht aanbevelen. Alles zonder resultaat. Ik rijd immers zelf.
Toen bemerkte ik dat hij met verf besmeerd was, en ander haar droeg dan
hij van moeder natuur gekregen had. Ik maakte hem hierop opmerkzaam met
het gevolg dat hij mij aanbood mede te werken tot een goeden afloop in
de aanstaande weddenschappen.
—Hij is het!—stiet Baxter uit.
—Natuurlijk—meende Raffles, terwijl een ondeugend glimlachje hem langs
de lippen vloog.—Ik voor mij ben in vergelijking van u slechts een leek
op het gebied van politiezaken, maar me dunkt dat... eh!....
—Raffles—viel Baxter dringend in.
—Juist, Raffles,—hernam Ben Amis—zit er achter. Jongmensch—vervolgde
hij tot „de vloo”—u mag wel goed les nemen bij uwen chef die zoo groot
man is en blijkt te zijn.
Baxter glom van genoegen. Hij zegende Ben Amis duizend maal en dacht,
eerlijk gezegd, niet meer om Raffles, zóó was zijn eigenliefde en
eigendunk bezig hem in te palmen.
Eindelijk dacht Baxter om zijn plicht en meteen riep hij uit:
—Waarde Ben Amis, waarom hebt ge mij niet eerder gewaarschuwd.
Raffles, alias Ben Amis, had deze vraag reeds veel eerder verwacht en
daarom antwoordde hij onmiddellijk:
—Daar had ik geen gelegenheid voor en nam dientengevolge zelf
maatregelen.
—Welke?
—Ik hoop, o groote man op het terrein der politie, dat het uwe
goedkeuring zal wegdragen.
—Natuurlijk!—stemde Baxter al bij voorbaat toe.
Raffles genoot in alle opzichten.
—Wat deedt gij?—vroeg Baxter.
—Ik liet mijn Saraj hem volgen en gij zelf hebt gehoord welk een
mededeeling de trouwe jongeling deed.
—Zij zijn dus in een huis gegaan?—vroeg Baxter aan Charly, alias Saraj.
—O ja, heer!—antwoordde deze.
—Herinnert gij u nog welk huis?
—Wanneer ik als gids dienen mag, zal ik de heeren veilig daar brengen.
—Prachtig.
—Gaat u alleen, chef?—vroeg „de vloo”.
—Neen, jonge man, ik zal er wel alleen binnengaan en Raffles met zijn
vlegels arresteeren, maar er moeten eenige agenten binnenkomen als ik
er eenmaal ben.
—Zou het geen overweging verdienen, mijnheer de inspecteur, om de
kerels voor goed te vangen? Ik bedoel door hen zichzelf zoo vast te
laten werken dat zij nooit meer vrij uit kunnen gaan? Wanneer u nu alle
netten uitzet, zullen de vogels ongetwijfeld gevangen worden, tenzij u
nu natuurlijk zulke maatregelen te nemen weet, dat zij niet vrij uit
gaan. Wij, Arabieren, houden niet van hinderlagen. Wij vechten met open
vizier. En me dunkt, als u daar binnen komt, kunnen er wel zooveel
mannen aanwezig zijn, met zooveel middelen tot ontvluchten, dat u de
dupe wordt.
—Wanneer zij mij zien, zegt dat reeds genoeg, mijn waarde Ben Amis.
—Toch zou ik voorzorgsmaatregelen nemen.
Ook „de vloo” raadde dit sterk aan en Baxter liet zich overhalen.
—Waarom—zoo vroeg Raffles,—zoudt u niet met dezelfde maat meten als
zij. Verf u ook en trek andere kleederen aan.
—Ja. Dat is een idee. Maar welke?
—Ik weet—hernam Ben Amis—goeden raad. Gij waart zoo vriendelijk mij te
beschermen. Ik stel dat op zeer hoogen prijs nu! Waarom zou ik u mijn
diensten niet aanbieden? Lord Bentfield is bij mij gekomen. Hij kent
mij dus. Hij deed mij zeer mooie financieele voorstellen. Geef u uit
voor Ben Amis en begin de zaak uit te hooren.
—Waarde Ben Amis—zeide Baxter diepbewogen—ik ben getroffen door uw
wijze van optreden! Het is mij buitengewoon aangenaam met u kennis te
hebben gemaakt. Ik zal uw naam blijven zegenen! Uw aanbod is zeer
aannemelijk, doch hoe kom ik bij die vlegels binnen?
—Saraj!—riep Ben Amis.
—Ja, heer!—antwoordde deze direct.
—Ga naar het huis van die steeg, welke gij gezien hebt. Klop aan en
vraag wanneer uw heer verwacht wordt. Voeg er bij dat ik de plannen van
Lord Bentfield aanneem.
Meteen gaf Ben Amis, alias Raffles, Saraj, alias Charly, een wenk
zonder dat deze door Baxter of „de vloo” opgemerkt werd.
Buigend vertrok Charly en keerde ongeveer een half uur later terug. Hij
was niet buiten het hotel geweest, want Raffles’ wenk had hij volkomen
begrepen!
Inmiddels had Baxter een costuum van een Arabier aangetrokken en zijn
gelaat en handen bruin gemaakt met een kleurenmengsel dat een
hotelbediende in de eenige apotheek die York bezat, gehaald had.
Charly trad op Baxter toe, boog en zeide:
—Heden om half twaalf wordt gij verwacht in de Jasonsteeg nummer drie.
Tweemaal kloppen, eenmaal fluiten, driemaal „Aldabaran” zeggen.
—Goede hemel, dat is een gansche les. Schrijf me dat even op, Marholm.
Marholm, of-te-wel „de vloo”, schreef het op, en alles was gereed tot
vertrek.
Baxter was ongeduldig.
Hij wilde maar direct weggaan, zou zich verdekt opstellen om op die
manier te weten te komen, hoeveel mannen daar binnengingen.
Aldus gebeurde.
Even half elf vertrok Baxter met „de vloo”, uit geleide gedaan door
Saraj.
Raffles maakte zich gereed om heen te gaan naar stal nummer zeventien.
Baxter liep als Arabier door de stille straten van het kleine York.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN WOELIGE BIJEENKOMST.
Raffles, die inderdaad Lord Bentfield had laten volgen en dus wist waar
de bijeenkomst plaats zou vinden, had reeds lang zijn werkplan
vastgesteld en spoedde zich nu met snelle schreden naar stal nummer
zeventien bij de renbanen, waar over enkele uren—overmorgen—alles één
leven en beweging wezen zou!
Toen Raffles naderde trad een donkere gedaante op hem toe, en hoorde
hij een stem zeggen:
—Wat is er?
—Aldabaran—antwoordde Raffles.
—Voor wie?
—Voor Lord Bentfield.
—Gaat binnen!
—Beste kameraad—zeide Raffles—er is onraad, roep om hemelswil Lord
Bentfield.
—Hier ben ik, Ben Amis—antwoordde een stem.—Ik hoorde u. Braaf dat ge
gekomen zijt.
—Beste Lord, er moet gehandeld worden! Ik ben waarachtig meer uw vriend
dan gij misschien wel denken kunt.
—Spreek! Vlug! Niet te luid! Wat is er?
—De politie heeft ons ontdekt.
—Onmogelijk.
—Toen gij bij mij waart, heeft men ons beluisterd. Naast mij is een
inspecteur uit Londen gelogeerd. Deze was thuis en heeft woord voor
woord verstaan!
—Baxter!—stamelde Lord Bentfield.
—Juist. De naam doet er thans weinig toe. Ik heb maatregelen genomen en
gij kunt u redden.
—Hoe?
—Ik heb dien inspecteur zoo omgepraat dat hij als Ben Amis bij u komen
zal. Hij scheen te weten waar uw vergaderlokaal is en gaat daarheen.
Hij is gekleed evenals ik, zijn gelaat is bruin geverfd. Geef hem een
gevoelige les en ga er van door. Kom morgen gewoon als jockey bij mij.
Het geld moet goed verdeeld worden.
Ademloos had Lord Bentfield geluisterd en zoodra hij alles gehoord had,
floot hij driemaal op een eigenaardige manier, waarop een man te
voorschijn kwam.
—Vlug. Allen naar de Jasonsteeg. Met maskers. Ik dank u, Ben Amis—sprak
de kerel—morgen spreken wij nader.
—’t Zal mij aangenaam wezen—zeide Raffles, terwijl hij naar York terug
wandelde.
In ieder geval wilde hij den afloop der geschiedenis bijwonen en begaf
hij zich zonder eenige haast te toonen naar een restaurant op de markt,
dicht bij de Jasonsteeg.
Niettegenstaande York maar een klein plaatsje was, waren de restaurants
thans nog open wegens het jaarlijksche bezoek van verscheidene
sportmenschen.
Raffles zette zich neer in een aangenaam hoekje, bestelde zich een
drank, stak een fijne sigaar aan en wachtte de dingen af die komen
zouden.
Lord Bentfield en zijn makkers waren vergaderd in de achterkamer,
uitkomende in den tuin van het groote huis, bekend onder nummer drie in
de Jasonsteeg.
Hier woonde een lid van de wedders-club en hij had met medeweten en
goedkeuring op kosten van de leden der club de achterkamer geheel als
vergaderlokaal ingericht met inachtneming van alle maatregelen om het
vergaderlokaal volkomen geluidloos te maken en te doen zijn.
Hier waren op ’t oogenblik een twaalftal mannen bijeen, de een al
ongunstiger type dan de andere.
Af en toe ging de deur mechaniek open en trad er weer iemand binnen,
totdat er ongeveer een twintigtal personen aanwezig waren, onder wie
een zestal jockey’s, die deel zouden nemen aan de jaarlijksche
wedrennen van York.
Zoodra Lord Bentfield binnen was gekomen—hij was een der
laatste—overzag hij den kring zijner vrienden en nam plaats aan ’t
hoofd der lange tafel, die in ’t midden der kamer stond.
Hij noodigde allen uit om plaats te nemen en sprak daarna in een zeer
vlug tempo:—Kameraden! Er is een onheil over ons gekomen. Op ’t
oogenblik is het mij niet te doen om te onderzoeken wie van ons iets
heeft laten ontvallen, dat de politie achter onze schuilplaats en onze
geheimen is gekomen.
Hierop ontstond een geweldig tumult. Iedereen pleitte zich vrij,
iedereen zag zijn buurman voor een verrader aan, iedereen raasde en
tierde.
Lord Bentfield hamerde geweldig en verzocht of allen, met het oog op de
komst der politie, kalm wilden zijn en zoo noodig handelen.
—Ik heb, dank zij ontzaggelijk veel moeite, beslag weten te leggen op
een man, die ons veel zorg heeft gebaard. Ben Amis uit Alexandrië,
eigenaar en berijder van den Arabischen hengst Aldabaran, komt tot ons
over. Hij heeft mij evenwel op ’t oogenblik al den zeer grooten dienst
bewezen om onzen vijand—de politie—aan ons over te leveren.
Hierop verhaalde Lord Bentfield de geheele geschiedenis welke Raffles
hem had medegedeeld.
Een toornig gemompel werd vernomen. Allen hadden een meening, ieder
vond zijn idee het beste voor uitvoering vatbaar.
—Wij moeten—zoo sprak Lord Bentfield—in de allereerste plaats de
politie, die verschijnen zal in de gedaante van den dikken Baxter, een
poosje hier houden. Wij kunnen ons vermaken.... Maskers vóór, gebood
Lord Bentfield een oogenblik later, want driemaal werd er gefloten op
een instrument dat in de zoldering was aangebracht, en in verbinding
stond met den portier.
De maskers werden voorgedaan.
Er naderden voetstappen, die voor de deur van het vergaderlokaal stil
hielden.
Tweemaal hoorden de aanwezigen op de deur kloppen. Toen een gefluit.
Het lid der vergadering belast met de opening en sluiting der
binnendeur, stond op en vroeg op luiden toon:
—Wie daar?
Driemalen klonk toen Baxter’s stem:—Aldabaran! Aldabaran! Aldabaran!
De deur opende zich als vanzelf en Baxter’s welgedane lichaam, omkleed
met Arabische kleederen, trad binnen in de vergaderzaal, waar niets
anders dan gemaskerde mannen zaten die bijna geen notitie van den
binnentredende namen.
—Lord Bentfield!—riep Baxter op een gebiedenden toon, waar desniettemin
een trilling van angst in was waar te nemen.
—Welkom! Ben Amis! Welkom in de vergadering van de club der
wedders—zeide Lord Bentfield.
Baxter herademde! Alleen die beroerde maskers! Wie was Raffles nu?
Zeker die Lord Bentfield. „Wacht maar, mannetjes, Baxter is er nu en
zal zijn slag slaan,” mompelde hij bij zichzelf.
—Mijne heeren—zoo vervolgde Lord Bentfield.—Het doet mij innig genoegen
dat ik u mag voorstellen den eigenaar en berijder van den schoonen
hengst „Aldabaran”. Ja, mijne broeders, Ben Amis zal ons, wanneer wij
hem een gunstig aanbod zullen doen, in de gelegenheid stellen goede
zaken te maken. Neemt u plaats, Ben Amis, en wij zullen uw voorstellen
overwegen.
Baxter was een beroerte nabij.
Waar bleven nu de agenten?
Waar „de vloo”.
Hier kwam hij nooit uit.
En dan die boeventronies.
Hij vervloekte het uur waarop hij hier binnengekomen was.
Natuurlijk begreep hij volkomen dat hij wilde er eenig succes op zijn
pogen komen, mee moest doen.
Tot zijn groote ontsteltenis herinnerde hij zich evenwel dat Ben Amis
hem wel gesproken had van plannen door Lord Bentfield geopperd, maar
niet welke.
Als men hem dus vroeg om eenig antwoord, dan zou hij òf niet kunnen
antwoorden òf het gansch verkeerd doen.
Daar had men ’t al.
Lord Bentfield vroeg:—Heeft Ben Amis nagedacht over hetgeen ik hem
zeide bij mijn bezoek in zijn Hotel?
—Ja!—stamelde de verschrikte Baxter—maar eh!... eh!... ik wilde nog wel
eens opnieuw hooren wat de voorstellen eigenlijk zijn.
—Me dunkt dat ik duidelijk genoeg gesproken heb. Ben Amis behoeft zich
niet te verschuilen achter eenig masker, want wij hebben bij zijn
binnenkomen geconstateerd, dat hij evenals wij, zich gemaskerd heeft.
Baxter rilde!
De kerels sprongen woedend op en schreeuwden van alles door elkander.
—’t Is een verrader!... Maakt hem van kant!... Weg met hem!...
Het koude angstzweet parelde Baxter op zijn voorhoofd.
Waarom kwam „de vloo” niet met de agenten?
Ah! zijn bevelen waren natuurlijk weer in den wind geslagen.
Lord Bentfield hamerde met zijn voorzittershamer verschrikkelijk op de
tafel en bezwoer voor enkele minuten den storm van verontwaardiging,
welke er dreigde los te breken in de vergaderzaal der wedders.
—Mijne heeren,—zoo riep Lord Bentfield—laten wij eerst eens kalm
overleggen wat wij doen moeten.
—Schiet hem dood!...—brulde er een.
—Genade!... kermde het hoofd van Scotland Yard.
—Kleedt hem uit en geeselt hem—opperde een ander.
—Om Godswil, laat mij vrij—smeekte Baxter, die bemerkte dat hier alles
bloedige ernst was.
—Houdt hem gevangen tot na de wedrennen—sprak een derde,—daarna leveren
wij hem over aan de Londensche politie met de boodschap er bij, dat hij
het is die de weddenschappen gewonnen heeft.
’t Was alsof een afgrond zich vóór Baxter opende. Hij las de kolommen
vol over „Baxter als oplichter”. Hij zag zijn ondergeschikten met
wreeden grijnslach op ’t gelaat. De menschen genieten immers over ’t
algemeen van leedvermaak! Hij zag „de vloo” fijntjes lachen om deze
nieuwe truc van Raffles. Natuurlijk! natuurlijk!... Lord Bentfield was
Raffles. ’t Kon niet anders. ’t Was zoo! En zóó dicht bij dien sloeber
te zitten en hem niet gevangen kunnen nemen.
Baxter barstte van nijd.
—Me dunkt—hoorde Baxter opnieuw zeggen...—me dunkt dat wij allereerst
moeten beginnen met te zien wie of Ben Amis eigenlijk is. Wie weet,
waarde kameraden, is het nog een goede kennis van ons, die ons een grap
wil doen beleven.
—Goed!—klonk het van alle kanten.
—Breng water en zeep!—gebood Lord Bentfield.
Verscheidene personen kwamen in botsing met elkander doordat men
allerwegen opstond om het verlangde te gaan halen.
Verwenschingen werden gehoord en de verwarring was volkomen.
Baxter’s ledematen weigerden dienst te doen. Als van den bliksem
getroffen zat hij terneer.
Eindelijk luwde het rumoer en er werd water en zeep gebracht.
Twee stevige kerels grepen Baxter aan en hielden hem vast.
Toen trad Lord Bentfield nader, greep Baxter bij zijn pruik en rukte
deze met woeste kracht af.
—In Arabië heeft men een zonderlingen haardos!—grappigde Lord
Bentfield.
Meteen wierp hij de pruik neer en nu ontstond er zulk een koddig
tooneel, dat zelfs Baxter een oogenblik moest glimlachen.
Zoodra de pruik op den grond lag, vielen enkele mannen er met een waar
Indianengehuil op af en worstelde men om het bezit der pruik.
Nu eens was zij in deze, dan in gene handen, zoodat de vlokken haar er
afvlogen.
En toen ten slotte een hunner de pruik voor goed bemachtigd had, zette
hij het ding, gehavend en wel, op het hoofd, wat zulk een potsierlijk
gezicht was dat er een donderend lachsalvo weerklonk uit de kelen der
aanwezigen.
Lord Bentfield ging nu over tot het bewerken van Baxter’s gelaat.
Baxter’s hoofd werd als met ijzeren tangen door twee paren handen
vastgehouden en Lord Bentfield overgoot zijn gelaat met veel water,
waarna hij met een stuk zeep begon te werken.
Baxter steunde!... raasde!!... tierde!!... vloekte als een ketter,
zwoer bij hemel en aarde dat hij een geheel regiment politie-agenten op
het „adderengebroedsel” los zou laten en brulde dat men op zou houden.
Lord Bentfield bleef „door zeepen”.
Baxter’s gelaat was onherkenbaar.
Het schuim zat hem in ooren, neus, oogen en mond, sijpelde in zijn
hals, op zijn rug en borst, en nog steeds zeepte Lord Bentfield
voort... als een razende Roland....
De mannen brulden van ’t lachen... sloegen zich op de knieën van pret
en moedigden met allerlei kreten hun voorzitter aan om verder te gaan.
Eindelijk,—Baxter’s gelaat geleek nu wel een waschtobbe vól
schuim—hield Lord Bentfield op.
Baxter zat als een toonbeeld van ellende neer en schreeuwde het uit van
pijn.
Hij deed wanhopige pogingen om zich in de oogen te wrijven, maar zijn
handen werden vastgehouden.
—Emmers water!—gebood Lord Bentfield.—Wij zullen hem even afspoelen.
—Zet hem op de plaats onder de pomp!—schreeuwden verscheidene stemmen!
—Hoera!... Hoera!... Dat is een goed idee! Aangenomen, kameraden. ’t
Zal hem meteen opfrisschen.
Baxter voelde zich optillen en wegdragen. Verzet kon hij niet meer
plegen. Hij voelde zich op en geslagen! Wat er met hem gebeuren zou, ’t
was ál precies eender, hij moest.
Enkele seconden later voelde hij de koude nachtlucht om zich heen
waaien en bemerkte hij dat hij buiten was.
De zeep beet hem in de oogen en zijn gansche gelaat deed hem pijn.
Men was thans bij de pomp.
Baxter’s hoofd werd onder de waterbuis gehouden en een piepend geluid
bewees, dat de hefboom, waaraan de zuiger der pomp bevestigd was, in
werking werd gesteld.
Een kouden waterstraal voelde Baxter op zijn gelaat.
Het water plaste en gutste op zijn gansche hoofd.
—Br!... houdt op!... Br!... Ik ga dood... Br!... Genade!...
Nadat de pomp gedurende een aantal minuten ettelijke liters water op
Baxter’s hoofd had doen stroomen, hield men op en droeg men het hoofd
van Scotland Yard weer naar binnen.
Met handdoeken werd zijn hoofd zoodanig „bewerkt”, dat een gloeiende
hitte zich verspreidde over zijn gansche bovenlichaam.
Doch ook hieraan kwam een einde en toen men ophield en Baxter’s dik,
bol, opgezet gelaat was waar te nemen in het volle licht, riep men
eenparig:
—Baxter!!— —
Baxter zelf was niet bij machte om iets te zeggen. Een gevoel van slaap
kwam bij hem op en alles vond hij op dat oogenblik goed.
De mannen besloten Baxter gevangen te houden en twee hunner werden
aangewezen om hem te bewaken.
Daarna vertrok men zoo geheimzinnig mogelijk.
Baxter sliep, gelegen in een hoek, den slaap des rechtvaardigen.
Zoodra Raffles gezien had dat Baxter naar binnen was gegaan in het huis
nummer drie van de Jasonsteeg, was hij naar de telefooncel geloopen en
had verbinding gevraagd en gekregen met het politie-bureau.
Baxter had immers „de vloo” weggestuurd toen zij samen op weg waren met
het doel naar de bijeenkomst der wedders te gaan, met het bevel: „Kom
over een uur met veertig agenten daar naar toe.”
Raffles vermoedde dit en thans deed hij precies alsof hij Baxter was.
Zoo men weet verstond Raffles uitstekend de kunst om Baxter te
imiteeren.
—Hallo! Met mr. Marholm?
—Roept hem dan even!
—Mr. Marholm? Met Baxter! Zeg eens, uilskuiken, je moet niet komen. Ik
heb een schitterende ontdekking gedaan. Gaat onmiddellijk naar Londen
en breng twintig agenten van Scotland Yard meê. Groote kerels,
begrepen? Overmorgen terug. Ik heb ze in de val. Maar ik moet nog meer
succes hebben.
—Wat zeg je? Brutaal? Vlegel, doe direct wat ik beveel. Zeg niets tegen
dien Ben Amos. Ik wil het alleen eens klaarspelen.
Mr. Marholm, die gewoon was aan dergelijke nukken van zijn chef,
besloot dan maar in hemelsnaam te gehoorzamen, ontbond den door hem
geformeerden troep politie-agenten en vertrok den volgenden morgen naar
Londen, zich afvragende waar zijn chef wel wezen mocht.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE PLANNEN.
Raffles was, toen het hem te lang duurde, naar het „London Hotel”
gegaan, om zich ter ruste te begeven.
Charly alias Saraj, lag reeds op één oor en spoedig waren de kamers der
beide Arabieren volkomen in rust.
Den volgenden morgen vroeg stond Raffles uitgerust op, en verzorgde
zijn uiterlijk weer geheel volgens de eischen, die hij zichzelf daaraan
stelde.
Even na het ontbijt werd Lord Bentfield aangediend en onmiddellijk
toegelaten tot Raffles’ kamers.
Reeds dadelijk bemerkte Raffles dat Lord Bentfield zich uitmuntend van
zijn taak gekweten had en toen deze het verhaal deed, hoe men met
Baxter gehandeld had, lachte hij totdat de tranen hem in de oogen
kwamen.
Het was, volgens hem, kostelijk.
Juist de wetenschap dat hij nu vrij handelen kon, deed hem zeer veel
genoegen.
Baxter was geborgen... de kerels waren gerust... het kon niet mooier.
—En nu onze plannen—begon Raffles.
—Ben Amis—hernam Lord Bentfield—er is geld voor u te verdienen.
—Mooi! Hoeveel?
—Voordat ik dit zeg, moet ik uiteen zetten hoe de zaak geregeld moet
worden. Morgen is het rennen en waarschijnlijk zal uw Aldabaran in den
eindwedstrijd uitkomen.
—Niet waarschijnlijk, maar zéker.
—Goed, zeker dan. Nu moet uw paard, wil u geld verdienen.... verliezen.
—Wat?—stoof Ben Amis op—mijn prachtpaard verliezen? Waarom?