LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 122 DE WEDRENNEN VAN YORK
DE WEDRENNEN VAN YORK
EERSTE HOOFDSTUK.
OP REIS NAAR YORK.
Lord Lister, alias John C. Raffles, zat met het ochtendblad van een der
vele Engelsche couranten die vóór hem lagen, in zijn ontbijtkamer
geduldig te wachten, zonder dat hij een blik wierp op de kolommen druks
die hij in zijn handen hield.
Af en toe keek hij het mooie park in; een park in een der prachtigste
buitenwijken van Londen, waar zijn luxe villa stond, en ademde met
volle teugen het frissche morgenwindje in, dat door de geopende ramen
naar binnen stroomde.
De bloemen geurden met een bedwelmenden reuk, en ’t was alsof aan
iederen stengel een diamanten druppel bengelde, zóó schitterde de dauw
in het zonnelicht.
’t Was een heerlijke Meimorgen.
Lord Lister keek op zijn horloge en mompelde:—„Waar blijft Charly nu
toch in ’s hemelsnaam?”
Toen drukte hij op een electrische schel, waarop, even daarna, James,
de oude getrouwe huisknecht, binnenkwam.
Zwijgend boog hij voor zijn heer en meester.
—Waar blijft master Brand, James?
—Master Brand zal zoo aanstonds verschijnen, Lord.
—Vraag hem spoed te maken.
—Zeer goed, Lord.
Geheimzinnig, zonder eenig gedruisch te maken, vertrok James om Mr.
Charly Brand, secretaris en vriend van Lord Lister, te waarschuwen dat
deze met het ontbijt op hem zat te wachten.
Even later trad Charly de kamer binnen en vroeg met eenige verbazing in
zijn stem, nog vóór dat hij „goeden morgen” had gezegd:
—Wacht gij op mij, Edward?
—Goeden morgen, mijn jongen—antwoordde Raffles.
—Nu ja, goeden morgen,—kibbelde Charly tegen.—Wat overkomt mij dat mijn
heer en meester op mij wacht? Anders zijt gij—vervolgde hij in gewonen
toon—om dezen tijd reeds lang in het park.
—Niet zoo sarcastisch, mijn waarde. Hedenmorgen wilde ik juist op je
wachten.
—Maar waarom dan?
—Omdat gij geld moet halen van de bank...... Wij gaan heden op reis.
—Op reis?!?... En wij zijn pas thuis. Gisteravond laat gearriveerd. Eén
nacht thuis geslapen... Me dunkt wij mogen nu toch wel eenige vacantie
nemen!
—Later, mijn jongen. Nu niet. Ik wil op reis en je onmisbare hulp moet
ik meenemen.
—Waarheen?
—Naar York!
—Naar York?... Wat moet je in dat gat uitvoeren?
—Den hoeveelsten hebben wij vandaag?
—Wat heeft dat er mee te maken?—vroeg Charly, die, hoewel hij meer dan
anderen Lord Lister’s manier van doen kende, thans toch wel wat al te
zeer verbaasd was.
—Beste jongen, je gedachten werken nog lang niet vlug genoeg. Ik spreek
van York en vraag je bovendien den hoeveelsten hebben wij vandaag. Me
dunkt dat is nogal duidelijk.
Even was er stilte.
Charly keek Lord Lister vragend aan.
—Als men van York spreekt, waaraan denkt men dan?
—Aan de wedrennen.
—Juist. En die worden gehouden?
—Gewoonlijk van 15 tot 18 Mei.
—En vandaag is het?......
—De veertiende!
—Accoord! Nu zijn wij er.
—Maar wat moet ge er dan gaan doen?... Wij die geen paarden bezitten om
te rennen... die nooit wedden... die eigenlijk geen belang stellen in
de hippische sport... gaan nu ineens naar York. Dát verbaast mij.
—Herinnert gij je, Charly, wat verleden jaar bij dat vermaledijde
gezwendel gebeurde?
—Neen!...
—Gij hebt het zelf in ons archief gebracht. Ziehier en lees!
Meteen gaf Lord Lister aan Charly een courant met de woorden: „het
roodomstreepte binnenin moet ge lezen”.
Charly Brand greep de courant gretig aan en las:
DE REUZENZWENDEL TE YORK.
Reeds meermalen is er door particulieren, zoo ook in onze
wetgevende lichamen gewezen op den reuzenzwendel die gewoonlijk
plaats vindt bij de jaarlijksche wedrennen te York, zonder dat men
evenwel vermocht in te grijpen, om een einde te maken aan
weddenschappen, die menigeen te gronde hebben gebracht.
Wat toch is het geval?
Het is thans gebleken, dat een geheime club van oplichters, of hoe
men die personen gelieft te noemen, de weddenschappen met zorg
hebben voorbereid en er een trust van hebben gemaakt, waardoor het
mogelijk is dat alle sommen op een bepaald paard ingezet, vallen in
handen van één lid der weddersclub. Natuurlijk moeten de kerels in
contact staan met de jockey’s, die waarschijnlijk in de winst mogen
deelen.
Bijvoorbeeld.
Er zijn twee paarden op de baan, van wie vermoed wordt dat zij om
de eindbeslissing zullen moeten kampen. (Ter verduidelijking noemen
wij de paarden A en B. Red.)
De club der wedders heeft zijn agenten, die schreeuwend vertellen
dat zij willen wedden.
Honderden menschen—wedden is immers onze volksaard—loopen op de
kerels toe en zetten op A een bedrag. Tien tegen één. Goed, de
weddenschap gaat aan. De strijd begint. B is één lengte vóór. Dan
roept men den wedders toe dat de mogelijkheid bestaat om te
„wisselen”. Dat wil zeggen dat men de weddenschap op B kan zetten,
tegen een klein verlies. Dit gebeurt meestal. Dan—B heeft inmiddels
nog steeds „de baan gehouden”—begint A „op te halen”. Al meer en
meer verliest B baan, totdat A geheel vóór is en vrij gemakkelijk
als winner uit den eindwedstrijd te voorschijn komt.
Nu is dit al eenige jaren voorgekomen. Ook gisteren bij den
eindwedstrijd. Duizenden menschen, die bij de tweede ronde
„wisselden”, moesten bedragen betalen, véél hooger dan hun mogelijk
was, en werden dupe van onmeedoogende menschen.
De twee jockey’s werden na afloop der wedstrijden onmiddellijk in
hechtenis genomen, doch moesten na verhoor op vrije voeten gesteld
worden, omdat de politie geen zekerheid kon krijgen wat de oorzaak
was, dat het eerst winnende paard B verloor.
Het vermoeden werd geopperd dat John C. Raffles hierin de hand
heeft. Toen de politie van York haar rapporten zond aan Mr. Baxter,
hoofd van het Bureau Scotland Yard, opperde deze dadelijk dit
vermoeden en sprak deze den wensch uit, dat er volgend jaar nog
geen wet zou bestaan op deze weddenschappen. Mr. Baxter leeft in de
hoop, dat hij dan „den grooten onbekende” eindelijk eens vangen
zal.
Wij voor ons vermoeden niet dat Raffles hier aanwezig was, omdat,
zoolang als wij kennis dragen van de euveldaden van dezen
„gentleman-boef”, hij nooit zich vergreep aan de gelden der kleine
luyden.
Charly legde de courant neer en keek zijn vriend opnieuw vragend aan.
Deze zat blijkbaar in gedachten verdiept en staarde de blauwe
rookkringetjes na die uit zijn pijp, welke hij steeds na het ontbijt
rookte, naar boven stegen.
Zwijgend wees Lord Lister even daarna naar een andere courant.
Charly Brand nam ook deze op en, na onder de rubriek sport gezocht te
hebben, las hij het volgende:
DE AANSTAANDE WEDRENNEN.
Morgen wordt te York de inschrijving geopend van paarden en
jockey’s, welke deel wenschen te nemen aan de jaarlijksche
wedrennen.
Men verwacht nog meer belangstelling dan andere jaren, omdat de
Londensche politie zich in verbinding heeft gesteld met de
autoriteiten te York en uitgebreide maatregelen neemt met het oog
op de weddenschappen.
Lord Lister was opgestaan en toen hij bemerkte dat Charly gereed met
lezen was, zeide hij:
—Natuurlijk moeten wij dien Baxter weer opnieuw een lesje geven. Als er
werkelijk zulk een zwendel is, dan ga ik er ook naar toe met de vaste
begeerte en besliste zekerheid een einde te maken aan al dat gedoe, dat
mij vreemd is.
—Wat kan het je schelen?
—Veel.
—Och, de wereld wil immers zoo. Iedereen doet toch alles om zich ten
koste van anderen te verrijken. Soms zelfs onder den schijn van
philantropie of iets dergelijks. Waar bemoei je je mee. Ga op reis.
Trek er uit. Laat den boel voor wat ze is en... geniet.
—Charly! Charly! Wat sla je door! Zeker, ik denk ook wel eens: waarom
leef ik niet als een gewoon man? Maar, beste jongen, ik geloof dat ik
gauw dood zou gaan. Emotie moet ik hebben. Als iedere zenuw gespannen
is, dan leef ik pas. Soms spijt het mij dat ik geen club heb opgericht.
Een club die alle beroerde dingen bestreed, die opkwam voor de door het
leven of de omstandigheden getrapten, die altijd zóó blijven als een
slaaf... Ach, wat jij... jij hebt er vanmorgen uitstekend slag van om
mij te stemmen tot tegenweer—vervolgde Raffles.—Wij zullen dit gesprek
staken en onmiddellijk maatregelen nemen.
—Welke?—vroeg Charly nu, die begreep dat Raffles niet van zijn plannen
af te brengen was.
—Zooveel mogelijk moet er bekend gemaakt worden, dat de Arabier Ben
Amis met zijn hengst Aldabaran de wedstrijden zal meemaken.
Vragend zag Charly Brand naar Lord Lister. Hij begreep er niet veel
van. Raffles zag dit en zeide:
—Mijn beste Charly, het blijkt mij dat gij slecht van geheugen zijt.
Heb ik niet—zoo vervolgde hij in eenen adem door—direct na die
bekendmaking, verleden jaar, gezorgd dat ik een edel rijdier kocht?
Oefende ik mij niet? Is alles niet gereed voor de wedrennen?
—En gij verkocht den hengst?
—Ha! Ha!...—lachte Raffles,—ja, in schijn. Inderdaad staat hij thans te
York op mij te wachten.
—Wie moet het dier berijden?
—Ik zelf.
—Ge breekt den nek.
—Misschien! Dan zijt gij meteen verlost van een lastig heer, Baxter van
zijn nachtmerrie en de wereld van een onbekenden misdadiger, die er nu
eenmaal behagen in schept met alles wat zoogenaamd recht en wet is, van
ganscher harte te spotten.
—Jij verweet mij dat ik in een kwade stemming was, doch vermeen te
mogen opmerken dat ook gij niet ver van pessimisme zijt.
—Dank je wel voor je gratis advies, Charly! Me dunkt, ge kunt nu wel
even een chèque in klinkende munt omzetten, niet?
Charly begreep dat hij gaan moest, wilde hij zijn heer en vriend niet
al te zeer in een „booze bui” brengen.
Hij stond op en ging heen, terwijl Lord Lister achter bleef, droomend
voor zich uit starend in de blauwe lucht, die boven hem zich uitspande
als een hemelsch schoon tapijt.
Enkele minuten verliepen er.
Toen stond Raffles op. Een zachte glimlach speelde hem om de lippen,
terwijl hij mompelde: „Wat kunnen mij eigenlijk de menschen schelen?
Hoofdzaak is dat ik gelukkig ben. Goddank behoef ik nooit te vragen om
hulp of iets dergelijks. Als ik dood ga laat ik de wereld een naam na,
of die goed of kwaad is, wat kan mij het schelen? Misschien noemen ze
het krankzinnig... maar ik heb geleefd!...”
Met deze woorden trad hij een soort van kleedkamer binnen.
Een acteur die zich voor een bepaalde rol schminken moest, had hier
alle middelen gevonden welke noodig waren zichzelf te veranderen in den
een of anderen persoon, welke noodig was in en bij het tooneelspel.
Raffles zette zich neder voor een kaptafel en nadat hij zich ontdaan
had van jas en vest, begon hij zich langzaam en met zorg te schminken.
Zoodra hij daarmede gereed was, kleedde hij zich in een Arabisch kleed,
dat slechts een zeer klein onderdeel vormde van de uitgebreide
collectie kleedingstukken in die kamer aanwezig.
Een uur later, toen Charly terugkwam, zat Ben Amis in een salon te
wachten.
—Indien ik niet wist dat gij het waart, Edward, dan zou ik waarachtig
denken dat een Arabier hier zat.
—Van dit oogenblik af ben ik dat ook. Hebt ge alles gereed?
—De koffers moet ik nog pakken.
—Vlug dan. Vergeet vooral de uniform van politie-inspecteur niet.
—Binnen een half uur is alles gereed.
—Zorg er voor dat gij ook een Arabier zijt.
—Ik?
—Maakt gij al weer bezwaar?
—Neen!... Maar... ik...
—Ga maar mede. Ik zal je wel even helpen.
Twee en een half uur later liepen twee Arabieren op het
West-End-station te wachten op den trein die naar York ging.
—Zou Baxter er al zijn?—vroeg Charly, die den naam droeg van Saraj.
—Misschien wel—antwoordde Ben Amis, alias Raffles.—Let op! Daar is „de
vloo”.
Inderdaad stapte enkele seconden later Mr. Marholm, de secretaris van
Mr. Baxter, langs de beide vrienden en keek hen onderzoekend aan.
Mr. Marholm had den bijnaam van „de vloo” en was als zoodanig in het
gansche politiecorps en bij de pers bekend. Ook Raffles wist dit en
noemde hem nooit anders.
—Waar „de vloo” is, zal ook de meester wel wezen!—meende Charly.
—Zwijg, Saraj,—gebood Ben Amis.—Men let op ons. Opgepast. Speel je rol
goed, mijn jongen!
„De vloo” draaide om de beide vrienden als een mug om een kaars.
Raffles merkte dit tot zijn genoegen op, want het was misschien een
reden dat „de vloo” bij hen zou komen zitten. Tot overmaat van
smart—tenminste voor „de vloo”—werd deze aangesproken door twee andere
heeren.
Raffles had hen nog nooit gezien, doch vermoedde intuitief dat het
geheime agenten van Baxter waren.
Langzaam kwam de trein, die op het enkele spoor, waaraan York,
verscheidene mijlen verder, lag, het station binnen gerangeerd.
Het was niet bijzonder druk. Wel zag men verschillende typen van
paardenliefhebbers, paardenkooplieden, enzoovoort, enzoovoort, maar
bijster veel belangstelling was er nog niet.
Dat kwam overmorgen pas.
Heden was het immers slechts inschrijving!
Raffles met Charly talmden net zoo lang totdat zij wisten waar „de
vloo” plaats genomen had en traden toen ook dezelfde coupé binnen.
„De vloo” wreef zich vergenoegd de handen en keek triomfantelijk de
beide Arabieren van ter zijde scherp aan.
Rustig, flegmatiek, ging Raffles te werk, reikte den controleerenden
beambte zwijgend zijn biljet over en rolde zich een cigarette met
onmiskenbare handigheid.
Even een snerpend fluitje, en de trein zette zich in beweging......
—Nu gaat het er op los, heeren!—sprak „de vloo” tot zijn beide
reismakkers, die eveneens tegenover Raffles en Charly zaten.
—Ja! Mr. Marholm—antwoordde de een.—’t Zal mij werkelijk interesseeren
of Raffles er is.
—Mij ook. Hoewel ik—vervolgde „de vloo”—het niet geloof. Die meening
van Mr. Baxter deel ik niet.
Raffles wees naar buiten en sprak eenige Arabische woorden tot Charly,
die teekenen van instemming gaf.
—Wat moeten die snuiters?—fluisterde een der geheime agenten tot „de
vloo”.
—Weet ik niet—antwoordde deze terug.
—Zouden zij Engelsch verstaan—informeerde de ander.
Mr. Marholm of-te-wel „de vloo” gevoelde zijn roeping en zeide met
tamelijk veel gewicht: „dat zullen wij eens vragen”.
—Reist u naar York?—vroeg hij daarop aan Raffles.
—Om u te dienen,—antwoordde deze in eenigszins gebroken Engelsch.
—Deelnemer aan de wedrennen?—informeerde „de vloo”.
—Mag ik u een weervraag stellen?—vroeg Ben Amis met een vreemden lach
om de lippen. Ineens vervolgde hij:—Vraagt u dit, omdat gij zelf ook
deel zal nemen aan de rennen?
„De vloo” beet zich op de lippen.
Hij had zulk een woord niet verwacht van den Arabier.
Toen zeide hij:—Ik reis in mijn kwaliteit van politie-ambtenaar.
—O! Heeft men hier daar de politie bij noodig? Bij ons in Alexandrië is
dat gansch anders. Daar is het zelfs feest voor de politie als er
wedrennen plaats hebben.
Zoo écht kinderlijk, naïef had Raffles dit gezegd, dat geen der
politiemannen er ook maar één minuut aan twijfelde, of deze man sprak
in volle overtuiging.
„De vloo” was gewonnen en toen Raffles met een onderdanige buiging hem
een cigaret aanbood, was hij het die, met zeker air, vroeg naar de
wedrennen van Alexandrië, naar de reis, naar paarden, kortom naar alles
wat een Arabier belangrijks te vertellen weet aan een Westerling zooals
Mr. Marholm was!...
En Raffles antwoordde hem met beleefde voorkomendheid, zoodat de reis
buitengewoon aangenaam en vlug verliep.
York lag niet zoo heel ver van Londen en ware het niet dat hier
jaarlijksche wedrennen werden gehouden die over de gansche
wereld—vooral in de sportkringen—een grooten naam hadden gemaakt, zoo
ware York een vergeten plaatsje geweest, zóó onbeduidend was het.
Charly zat gedurende de gansche reis maar stil voor zich uit te zien.
Hij lette goed op wat er gesproken werd en verbaasde zich er over dat
Raffles weer met onnavolgbare handigheid den toestand beheerschte en
met de politieambtenaren deed wat hij zelf wenschte.
Toch was Raffles niet geheel tevreden. Hij vroeg zich af „waar Baxter
toch wel wezen mocht”?
Misschien ziek?
Dat zou jammer wezen. Want hij—Raffles—had zich al verheugd in de
mogelijkheid Mr. Baxter eens een nieuw avontuur te laten beleven.
Vragen naar hem kon hij niet, zonder eenige verdenking op zich te
laden.
Zoo zat Raffles gedurende de laatste minuten te denken, toen hem
plotseling een plan te binnen schoot.
—Mag ik u een vraag doen?—vroeg Raffles onnoozel aan „de vloo”.
—Met genoegen, en kan ik deze beantwoorden, dan zal zulks mij zeer
aangenaam wezen.
—Vanmorgen las ik deze courant—hierbij haalde Raffles een courant te
voorschijn—dat de politie uit Londen maatregelen nam te York. Waarvoor
is dat?
„De vloo”, blijde dat hij een gewichtige houding aan kon nemen,
vertelde Raffles de knoeierijen der weddenschappen en der jockey’s.
—Rijdt een uwer paarden ook mee?—vroeg „de vloo” na zijn verhaal.
—Ja. Mijn Arabische hengst „Aldabaran”—antwoordde Raffles.
—Hebt u een Engelschen jockey?
—Neen. Ik rijd zelf.
—Men zal u willen omkoopen.
Ben Amis’—alias Raffles—oogen glinsterden onheilspellend.
—Ik ben niet om te koopen!—zeide hij norsch, zoodat „de vloo” zich
haastte zijn verontschuldigingen aan te bieden.
—Ik wilde u alleen maar even waarschuwen!
—Dank u!—sprak Raffles.
Nog enkele minuten... en de trein liep het station van York binnen.
Het spel zou beginnen.
Raffles voelde zich in „stemming”.
TWEEDE HOOFDSTUK.
BAXTER VERGIST ZICH!
Toen de trein stilstond en de portieren geopend waren, namen Raffles en
Charly afscheid van „de vloo” en zijn makkers en stapten zij naar den
uitgang, waar verschillende personen stonden te wachten.
Raffles had een stil vermoeden dat er vele geheime agenten onder het
aanwezige publiek waren en merkte al aanstonds op, dat juist op zijn
persoon en dien van Charly alle aandacht gevestigd was.
Doende alsof hij niets bemerkte, overhandigde hij den controleerenden
beambte zijn biljetten en liep het plein op, vóór het station.
Een commissionair, met gegalonneerde pet op, waar met gouden letters
vermeld stond dat hij employé was van het „London Hotel”, trad op
Raffles toe en vroeg:
—Ben Amis uit Alexandrië?
—Juist, vriend.
—Uw auto staat gereed.
—Is ’t ver naar het hotel?
—Vijf minuten.
—Dan loop ik. Zoo’n duivelsding wensch ik niet. Waarom geen paarden?
De commissionair ging een weinig achteruit, omdat Raffles met forsche
stem dit vroeg en den man gestreng aanzag.
—Ik wist niet dat u een rijtuig wenschte. Zal ik er een ontbieden?
—Niet noodig.
Inmiddels hadden zich, zooals dit gewoonlijk gaat, vele menschen om
Raffles verzameld, die allerlei opmerkingen te hooren gaven.
—Hoor! Wat een kaffer!...
—Hij denkt dat wij slaven zijn.
—’t Is een echt aapmensch...
—De kerel durft niet eens in een auto.
—Dat belooft iets voor de wedrennen!
Dergelijke uitroepen werden vernomen en Raffles genoot met volle
teugen.—„Als Baxter dit nu eens zag”—dacht hij.
Meteen werd zijn wensch vervuld. Geweldig proestend en blazend baande
de dikke inspecteur Baxter, inspecteur en hoofd van Scotland Yard, zich
een weg door de opeengehoopte volksmenigte en riep met groote stem:
—Doorloopen! Volksoploopen zijn streng verboden. Wat is dat hier?
Raffles keek hem onderzoekend aan.
—Wie is u?—vroeg Ben Amis.
—Wat?—schreeuwde Baxter, die ’s nachts slecht geslapen had en dien
morgen buitengewoon prikkelbaar was.—Wat? Moet jij mij vragen wie ik
ben? Zwartkop? Alo! Mee naar het bureau.
—Naar welk bureau?—vroeg Raffles langzaam en met nadruk.
De belangstelling van het publiek steeg met iedere seconde......
Een snerpend fluitje weerklonk, doordat Baxter assistentie vroeg. Niet
lang daarna kwamen enkele agenten aansnellen, die op Raffles toetraden.
Charly stond doodsangsten uit.
Thans was het spel toch wel wat al te gewaagd. Nu zou Raffles eindelijk
vallen in de handen van zijn vijanden, dien hij zoo innig verachte—de
politie.
—Is het hier de gewoonte—riep Raffles—dat men met politie naar zijn
hotel gebracht wordt?
—Geen praatjes alsjeblieft—driftigde Baxter als een brieschende leeuw.
Onmiddellijk gaf hij bevel tot uiteenjaging van den oploop en stuwden
vier agenten Raffles voor zich uit, gewillig gevolgd door Charly.
Als een overwinnaar die pas van het slagveld terugkomt, liep Baxter
vooruit naar het bureau van politie te York.
Hij zou dien kroeskop, dien nikker, eens mores leeren hém, Baxter! te
ondervragen!
—Tuig!... is het... allemaal... en als die vervloekte Raffles nu maar
komt... Dezen keer ontsnapt hij mij niet... Enfin, dit is ook al een
aardig voorval!... Straks even naar Londen seinen!... ’t Kan nooit
kwaad dat men weet hoe actief ik ben!...
Met dergelijke overpeinzingen liep Baxter voort en trad weinige minuten
later het Yorksche bureau binnen.
Hij zette zich neer achter een schrijfbureau en keek vreemd op dat hij
inplaats van den Arabier, „de vloo” zag binnentreden.
„De vloo” had gewacht totdat zijn heer en meester binnen was gekomen en
was hem onmiddellijk gevolgd.
—Goeden morgen, chef!
—Jongmensch, ge komt als geroepen.
—Dat wist ik, chef.
—Wat wist jij?—beet Baxter hem nijdig toe.
—Dat ik op tijd kwam.
Baxter stond geslagen. Hij was opgesprongen en bleef voor „de vloo”
staan. Hij pakte hem bij de schouders en riep:
—Jongmensch!... ik waarschuw je! Pas op! Ik ben niet in een stemming om
jou brutalen toon te verdragen. Op ’t oogenblik ben ik de baas.
Begrepen?
—Dat is u altijd, chef. Maar als ik u verzoeken mag, laat mij dan los.
’t Is mijn eenige goede jas en mijn salaris is niet zóó hoog dat ik mij
de weelde van een nieuw pak permitteeren kan!
Baxter liet onmiddellijk „de vloo” los en zag hem uitdagend aan. Meteen
vernam hij gedruisch van voetstappen en riep:
—Let eens goed op, ezelsveulen, hoe je chef handelt. Wij hebben al een
goede vangst gedaan!
—Hebt u Raffles?—vroeg „de vloo” spottend.
—Spreekt dien naam niet meer uit—brulde Baxter,—anders zou het je je
baantje wel eens kunnen kosten.
Nog was Baxter niet geheel uitgesproken of de deur werd geopend en
omringd met en door de vier agenten, traden Raffles en Charly binnen!
—Ah!—riep Raffles, zoodra hij „de vloo” zag,—dat noem ik een geluk. U,
noch ik, had gedacht dat wij elkander zoo spoedig zouden weerzien.
Vertel mij eens, wat ik u bidden mag, is dit de gewoonte in Engeland
dat men vreemdelingen door de politie laat opbrengen?
„De vloo” keek eerst naar Raffles, toen naar Charly, daarna naar Baxter
en toen weer naar de beide Arabieren.
Daarop barstte hij in een welgemeend lachen uit, wat Baxter zóó woedend
maakte dat hij uitriep:
—Er uit!... Er uit!... En voorgoed!... Jij ellendig mormel, parodie der
menschheid, paskwil... ezelsveulen, moet jij lachen?... Hè?... Spreek
op....
„De vloo” maakte aanstalten om heen te gaan!...
—Neen, blijf hier!... schreeuwde Baxter!...
—En ik moet gaan.
—Blijf!... gebood Baxter met harde stem.—En antwoord mij. Wie is
dat?—Hierbij wees hij op Raffles.
—Ik maakte met dezen charmanten Arabier kennis in den trein. Hij komt
van Alexandrië en ik kan mij absoluut niet voorstellen wat u in hem
„een goede vangst” noemt.
—Zoo!... Hm!... Hm!... De kerel was onbeleefd.
Raffles had tot heden toe gezwegen en zich een houding gegeven alsof
hij absoluut niets van het geheele gesprek begreep. Hij schrok quasi op
toen Baxter het woord tot hem richtte.
—Uw naam?
—Ben Amis.
—En van uw makker?
—Saraj.
—Hoe?
—S. a. r. a. j.—spelde Raffles.
—Heidensche namen—bromde Baxter!—Waar vandaan?
—Alexandrië.
—Heb je papieren bij je?
—Zeker heb ik die. Maar heb ik gestolen? Kwaad gedaan? Op het consulaat
te Londen heeft men mij met alle eer behandeld. Ik zal een aanklacht
indienen wegens deze behandeling. Een dienaar van koning Menes heeft
recht op een betere behandeling.
Baxter verschoot een weinig van kleur.
„De vloo”, die zijn chef al zoo menigmaal had zien falen, en de
agenten, die Baxter gedurende één dag kenden, doch hem niet konden
respecteeren, genoten van de brutaliteit waarmede deze Arabier tegen
den chef durfde optreden!
Heel wat kalmer dan zooeven vroeg Baxter de reden van den volksoploop.
—Kan ik het helpen—vroeg Raffles—dat het publiek mij aangaapt met een
bijzondere belangstelling? Is het mijn schuld dat men nooit een Arabier
heeft gezien? Ligt het aan mij dat de bediende van het „London Hotel”
mij in een auto—een duivelsding!—wilde stoppen, wat ik niet verkoos? Uw
optreden, mijnheer, was ongerechtvaardigd. U kende mij niet. Evenmin ik
u. Als u in uniform geweest waart, dan had ik gezien dat u een
autoriteit was. Nu vermoedde ik dat gij een nieuwsgierige waart. Dat
moest u bedacht hebben. De Engelsche politie, vooral die uit Londen,
heeft in de wereld een goeden naam, en wij hadden nooit kunnen denken
dat wij deze ervaring zouden opdoen. Uw schuld is het, mijnheer de
inspecteur, dat de couranten zullen vermelden dat Ben Amis, de grootste
paardenbezitter van Alexandrië, door Engelsche politie-beambten is
opgebracht. Dat zal men u nooit vergeven en ik zal u aanklagen.
—Ja maar...—hakkelde Baxter uit het veld geslagen...
—Neen!... Neen!... Neen!... mijnheer, eenige vergissing is mogelijk,
maar niet een zooals deze. Zoekt u een misdadiger? Iemand die hier is
of komen zal? Maar, bij Mohamed’s baard, zie ik er dan uit als een
misdadiger?
Het geval werd tragisch.
Baxter transpireerde groote druppels zweet.
Hij werd angstig.
Het gelaat van „de vloo” stond in spanning. Ieder oogenblik had hij
willen uitbarsten in lachen.
Raffles’ gelaat stond onheilspellend donker.
—Rukt uit!—commandeerde Baxter tot de vier agenten, die nog steeds
stonden te wachten.
Glimlachend verwijderden zij zich.
Toen stond de inspecteur op en zeide zichtbaar geroerd:
—Mijnheer Ben... Ben... Ben!... hoe is ’t ook weer?... Eh... Ben...
Amos....
—Ben Amis—verbeterde „de vloo”.
—Houd je mond, vlegel!—brulde Baxter, blij dat hij zijn toorn op een
onschuldige kon doen losbranden!—’t Is jouw ezelachtige schuld dat ik
deze onschuldige lieden arresteeren liet.
—Mijn... schuld? Nu nog mooier!
—Zeker, stommerd! Jij had het je tot plicht moeten rekenen mij direct
in kennis te stellen van je reis. Dan had dit alles niet kunnen
gebeuren. Jij zult nooit leeren! Nooit wordt jij een goed politieman.
Jij en die... die... Raffles zijn twee ellendelingen!
Ben Amis, alias Raffles, voelde ineens veel sympathie voor „de vloo”.
Baxter ging voort:
—U, mijnheer Ben Amis, bied ik mijne verontschuldigingen aan.
—Geef mij dat op schrift.
—Dat kan ik niet.
—Dan klaag ik u aan.
—Ga uw gang, mijnheer. Gij zult dan ervaren wie Baxter is en wat voor
invloed hij heeft.
Raffles sprak eenige onverstaanbare woorden tot Charly en beiden
maakten aanstalten om heen te gaan.
„De vloo” schoot toe om de deur te openen, doch de inspecteur voorkwam
hem.
—Eén oogenblik! Wat wenscht u met dat geschrevene te doen?
—Meenemen als een bijzondere herinnering.
—Anders niet?
—Anders niet.
—Mr. Marholm!—gebood Baxter—schrijf even een verontschuldiging.
—Neen! Pardon! U zelf moet dit schrijven—sprak Raffles.
Na eenig tegenstribbelen zette Baxter zich neer; een oogenblik zat hij
te denken en toen schreef hij met groote lompe letters:
L. S.
Ik, ondergeteekende, inspecteur en hoofd van „Scotland Yard”, thans
gedetacheerd in York, ter gelegenheid van de jaarlijksche
wedrennen, verklaar, dat door een noodlottige vergissing Ben Amis,
komende van Alexandrië, door mij is gearresteerd geworden. Ik
verplicht mij hem op alle mogelijke wijzen te rehabiliteeren.
BAXTER.
York, 14 Mei 1880.
Glimlachend nam Raffles dit geschreven bewijs van Baxter aan en bergde
het in zijn wijd opperkleed.
Toen boog hij hoffelijk en vertrok zonder één woord te spreken, met
Charly naar het London Hotel!
Zoodra de beide Arabieren vertrokken waren, openden zich de „sluizen”
van Baxter’s toorn en al vloekende beweerde hij dat alles kwam „door
dien vermaledijden boef „Raffles”.”
Dit werd alles nog veel erger toen de postbeambte een brief, uit Londen
afkomstig, voor inspecteur Baxter bezorgde van den volgenden inhoud:
Geachte Heer Baxter!
Uit de dagbladen bemerkte ik dat u de meening is toegedaan, dat ik
te York aanwezig zou zijn tijdens de wedrennen.
Ten einde u niet nog beschaamder te doen staan tegenover hen die u
als onovertreffelijk beschouwen, deel ik u mede dat ik thans, en
wel voor het eerst van mijn leven, het genoegen zal hebben naar
York te komen.
Misschien is het wel zeer interessant.
Geheel de uwe,
RAFFLES.
Van dat oogenblik af was Baxter wanhopig en liet hij iedereen, die te
York aankwam, bij zich komen, hen onderwerpende aan een zeer scherp
verhoor.
Doch Ben Amis was reeds lang in het „London Hotel” aangekomen.
DERDE HOOFDSTUK.
LORD BENTFIELD ONTMASKERD.
Raffles en Charly werden als Ben Amis en Saraj verwelkomd door den
beheerder van het „London Hotel”, die zijn leedwezen uitsprak omtrent
het gebeurde en mededeelde dat de commissionnair, door wiens toedoen
het voorgevallene gebeurd was, direct ontslagen was.
—Dat is niet goed—antwoordde Ben Amis driftig.—Ge moet dien man
onmiddellijk in dienst terug nemen. ’t Was zijn schuld niet.
Deze onverwachte wending had den hotelier niet verwacht en hij gaf de
verzekering dat de man in dienst zou blijven evenals Ben Amis dit had
bevolen!
Daarop togen beide vrienden naar de voor hen gereserveerde kamers en
wierp Ben Amis zijn overtollige kleedingstukken uit.
—Nu, Charly! Wat zeg je er van, mijn jongen?
—Dat het ditmaal nooit goed met ons afloopt.
—Charly, neem eens een frisch bad, maar kom direct weer bij mij terug
om je opnieuw te grimeeren.
—Wat is dat nu weer voor malligheid?
—Wel, beste jongen, ’t lijkt mij toe, dat gij wat moê zijt, of
zwaarmoedig! Een goed koud stortbad, dat je op je huid prikkelt, is een
uitstekende medicijn!
—Dank je wel! ’t Is geen zwaarmoedigheid van me, wanneer ik vrees dat
’t ditmaal niet goed afloopt.
—Waarom denkt gij dat?
—York is een klein gat....
—Met, morgen, eenige tienduizenden bezoekers,—viel Raffles in.
—Wat zou dat? Baxter heeft ons reeds eenmaal gezien...
—Juist en daarom is van hem geen gevaar meer te vreezen.
—En die krankzinnige brief dan?...
—Is het middel hem op dwaalwegen te brengen. Wedden dat hij op ’t
oogenblik alle treinen onderzoeken zal?
—Best mogelijk. Maar nog nooit heb ik een angstig voorgevoel gehad voor
je ondernemingen. Nu wel!
—Dat komt omdat gij niets te doen hebt. Ledigheid is altijd verkeerd.
Het brengt gedachten of herinneringen, die niet goed en óók niet noodig
zijn. Ge moet iets doen! Jij gaat thans op verkenning uit en zoekt in
aanraking te komen met de wedders.
—Moet ik dit doen?
—Ja. Ik ga met spoed naar het inschrijvingsbureau en zal mij daarna
naar mijn vurigen Aldabaran begeven. Tot straks, Charly!
Charly begreep dat er niets aan te doen was. En ziende hoe zijn heer en
vriend gestemd was, begreep hij dat het niet zoo’n vaart loopen zou met
alles, en toog hij tamelijk opgewekt naar buiten.
’t Allereerste ging hij naar de plaats waar de wedrennen gehouden
werden en zag dat verscheidene handen bezig waren om de laatste
toebereidselen te maken voor de zoo gewichtige gebeurtenis—de
jaarlijksche rennen.
Reeds gedurende vele jaren werden ieder jaar te York, eenige mijlen van
Londen, wedrennen gehouden, uitgeschreven door een daartoe aangewezen
internationale commissie.
Van heinde en ver kwamen ze, de eigenaars, jockey’s en paarden om hier
te midden van uitgestrekte landerijen te genieten van een
sportdemonstratie of de krachten met anderen te meten.
Op het terrein vóór de renbanen, die keurig netjes opgeharkt waren en
zorgvuldig afgezet te blakeren lagen in het helle zonlicht, waren reeds
vele kramen opgeslagen. Kramen voor verfrissching, voor eetwaren, voor
uitspanning en vermaak, kortom ’t was er alsof het kermis ware.
Weer dichterbij vond men de kleine houten kantoortjes waar men de
postal orders [1] in depôt gaf, wanneer men een weddenschap aanging.
Hier stonden ook de waarnemingsborden en de namen der paarden, waardoor
men steeds den stand der wedrennen volgen kon.
En dan rondom de renbanen de reusachtige tribunes, de loopgangen voor
de wedagenten, de loges voor de eigenaars, de logementen voor de
jockey’s en de stallen voor de edele paarden.
Zoodra Charly op deze plaats rondliep, zich gereedhoudende om actief op
te treden, genoot hij ook, evenals op het stationsplein, verbazend veel
belangstelling. Langzaam, doch elastisch, zooals Raffles hem gezegd
had, liep hij als een echte Arabier langs dit alles heen en genoot van
de algemeene opmerkingen die men omtrent hem ten beste gaf.
Charly’s aandacht viel op een tweetal mannen die nevens een tent
stonden te wachten en hem onophoudelijk aankeken.
Wachtte men op hém?
Inderdaad! Eén der mannen trad op hem toe en vroeg:
—Zoekt u iets?
—Neen! Ik neem alleen alles eens in oogenschouw.
—Is mijnheer jockey?
—Neen!
—Komt mijnheer van zóó ver uit belangstelling?
—Hoe weet u dat ik van verre kom?—vroeg Charly.—Wonen er te Londen geen
Arabieren?
—Niet van zoo donkere gelaatstint als u—antwoordde de man
complimenteus.
—Gij hebt gelijk. Ik kom uit Alexandrië. Ge kent het? Ik heb mijn
meester Ben Amis en diens renpaard vergezeld.
De kerel, met wien Charly sprak, knipoogde tegen zijn kameraad zonder
te vermoeden dat de Arabier dit bemerkte.
—Maar dan rijdt u toch?
—Mijn meester rijdt zelf!
—Hoe is de naam van ’t paard?
—Aldabaran.
—Vlug?
—Als water, wegvliegend uit een rots.
—Sterk?
—Als de bergen van den Ararat!
—Jong?
—Als de zon die opkomt uit de nevelen van den nacht.
De kerels waren er stil van!
Op hun korte vragen had Charly—die nu pleizier in de geschiedenis
kreeg—echt dichterlijk geantwoord.
De beide mannen zagen elkander aan en na eenige minuten vroeg er een:
—Heeft dat paard al meer gewonnen?
—Van de twee en twintig wedrennen, gehouden tusschen de beste paarden
van Arabië, heeft Aldabaran er niet één verloren. Mijn meester is
schatrijk door hém!
Weer zweeg men en daarna vroeg de ander:
—Waar is uw meester?
—In het London Hotel.
—En waar het paard?
—In een specialen stal.
—Kunnen wij dat dier eens zien?
—Niet vóór de wedrennen.
—Waarom nu niet?
—Mijn meester wenscht dat niet.
—Jammer! Kunnen wij uw meester spreken?
—Vraagt het hem zelf.
—Ge zoudt kunnen verdienen.
—Ik verdien genoeg.
Nijdig keerden de kerels zich om en vertrokken.
Charly had eerst nog gehoopt dat zij terug waren gekomen, omdat hij
thans niet veel te rapporteeren had aan Raffles, maar hij werd in zijn
veronderstelling bedrogen.
De kerels waren achter de kraam of tent verdwenen en bleven weg.
Zoodra de beide mannen, die met Charly gesproken hadden, uit ’t gezicht
van de menschen, die bij en om de renbanen liepen, verdwenen waren,
zeide de een tot den ander:
—Dat is dat vreemde paard.
—Er moet ingegrepen worden,—meende de ander.
—Natuurlijk. Maar hoe?
—Oogenblikkelijk beginnen. We zullen dan vanavond aan de club kunnen
mededeelen dat wij goede zaken hebben gedaan. Er is iets extra’s te
verdienen.
—Wat wil je doen?
—Of ’t paard onschadelijk maken òf dien vreemden snoeshaan overhalen
tot medewerking.
—Dat is gewaagd!
—Ach wat! Goud verblindt. Met geld doe je alles, kun je hemel en aarde
bewegen! We zullen eens zien!...
Inmiddels was Charly weer teruggedwaald en begaf zich naar het „London
Hotel”.
Zijn meester en vriend was nog niet terug, redenen waarom Charly zich
rustig neerzette in de zitkamer, door Raffles gehuurd tijdens de
wedrennen.
Raffles was even na Charly weggegaan en had zich allereerst in laten
schrijven als deelnemer aan de wedrennen en als eigenaar van den
volbloed Arabischen hengst Aldabaran.
Toen dit afgeloopen was, begaf hij zich naar den stal waar Aldabaran
stond.
Enkele dagen geleden had Raffles dit edele rijdier met twee zijner
getrouwe bedienden naar hier gezonden en in een speciaal voor Aldabaran
gehuurden stal neergezet.
Het gebeurde immers wel eens dat een paard, buiten de weddenschappen
staande, zoodanig mishandeld werd, dat op den dag der rennen het dier
niets waard was.
En Raffles’ plannen waren ook zoodanig ingericht, dat iedereen brandde
van nieuwsgierigheid.
Hij vond Aldabaran met zijn twee bewakers Tim en Jack in de beste orde
en streelde het edele ros zacht over de huid.
Zorgvuldig hadden Tim en Jack alle belangen behartigd en Raffles’
bevelen tot in de fijnste onderdeelen toe uitgevoerd.
Raffles gaf zijn goedkeuring te kennen en drukte hun nogmaals op het
hart, toch vooral niemand tot Aldabaran toe te laten.
Daarna vertrok hij en liep evenals Charly gedaan had, nog even langs de
stallen bij de renbanen.
Sommige deuren waren gesloten, andere stonden open en overal was er
drukte en beweging.
Raffles’ aandacht werd opeens getroffen door enkele teekens die met
krijt op een deur van een der laatste stallen geteekend waren.
Dichterbij gekomen zag Raffles dat het de zoogenaamde dieventaal was,
en aangezien hij verschillende stelsels bestudeerd had, las hij het
„bericht” gemakkelijk: „Hedenavond elf uur spoedbijeenkomst”.
Drommels, waar zou die bijeenkomst wezen? En was dit heden geschreven?
Raffles naderde ongemerkt de deur en keek scherp toe. Het krijt was
versch, dus heden geschreven!
Om rustiger hierover te kunnen nadenken, begaf Raffles zich naar het
hotel en vond Charly op hem wachten.
Charly vertelde, terwijl Raffles cigaret na cigaret „verslond”, zijn
wedervaren en besloot met de mededeeling:
—Meer kon ik heden niet te weten komen.
—Waar bleven de kerels?
—Weet ik niet.
—Je hebt wel eenigszins dom gehandeld, want ik vermoed dat dit toch de
sleutel wezen zal, noodig om toegang te hebben tot die geheimzinnige
club der wedders. Bovendien ware het belangrijk geweest omdat er
hedenavond een vergadering of bijeenkomst is.
—Hoe weet jij dat?
—Gelezen.
—Waar?
—Op de staldeur nummer zeventien. Ge ziet mij weer zoo echt naïef aan.
Je weet ik let gewoonlijk op alles. En de dieventaal ken ik ook een
weinig.
—En waar is die vergadering?
—Dat is de vraag, Charly! De club heeft natuurlijk haar geheim lokaal.
Dat moet ik uitvinden.
—Hoe wilt gij dat doen?
—Nog onbekend, doch ik vertrouw op mijn gelukkig gesternte! Laten wij
eerst eens iets nuttigen. Mijn maag herinnert mij aan stoffelijke
dingen, vriendlief. Roep den kellner!
Charly drukte op een electrische schel en enkele oogenblikken later
verscheen een kellner, aan wien Raffles opdroeg zoo vlug mogelijk voor
een diner te zorgen.
Een uur later lag Raffles te genieten van een fijne Havana en dacht hij
diep na.
Bescheiden werd er op de deur geklopt. Raffles hoorde het niet, doch
Charly riep „Binnen!”
Een hotelbediende trad binnen en zeide:
—Mijnheer, daar is een heer bij onzen chef gekomen of hier een Arabier,
die een paard bezit met den naam Aldabaran, gelogeerd is. Wij vermoeden
dat het Ben Amis wezen kan en werd mij opgedragen u te verzoeken dit
aan uw meester mee te deelen.
—Hoe heet die vreemde heer?
—Lord Bentfield, mijnheer. Hier is het kaartje.
—Verzoekt die man toegang tot Ben Amis?
—Indien Ben Amis eigenaar is van Aldabaran.
—Dat is zoo! Ik zal mijn meester verwittigen.
Raffles, die op het breede balcon zat, had weinig van deze boodschap
gehoord, doch toen Charly hem alles had gezegd, riep hij:
—Laat onmiddellijk dien Lord Bentfield binnen!
Raffles bekeek zichzelf in den spiegel en gaf zich een ongedwongen en
gemakkelijke houding.
Charly leidde Lord Bentfield binnen.
Raffles stond op.
—Wat verschaft mij het genoegen Uwe Lordschap te mogen ontvangen?
—Niets meer en niets minder dan enkele, misschien brutale, vragen.
—En die zijn?—vroeg Raffles kortaf.
—Heden was ik bij de inschrijving tegenwoordig en ik bemerkte daar dat
u Ben Amis, een volbloed Arabischen hengst, Aldabaran geheeten, in de
baan brengt.
—Dat is zoo! Een gansch éénig paard, een dier zooals er geen tweede is!
’t Heeft mij reeds twee en twintig rennen doen winnen. ’t Is een
buitengewoon edel dier en een geschenk van koning Menes aan mij voor
bewezen diensten. Ik hoorde van de wedrennen te York. Las, hoe hier
schier uit alle oorden der wereld renners naar toe kwamen en vatte het
plan op om ook Aldabaran eens op Engelschen bodem te doen kampen. Hebt
u verstand van paarden?—vroeg Raffles ineens in een gansch anderen
toon.
—Gelukkig ja! En het is ook enkel en alleen belangstelling die u lastig
valt in mijn persoonlijk bezoek. Ik zelf heb zeer veel gereden en zou
zoo gaarne dit buitengewone dier zien.
Raffles sprong op.
—Is niet te zien, mijnheer!—riep Raffles driftig. —Wie garandeert mij
dat u geen revolver, geen mes of wat ook bij u hebt, waarmede gij mijn
trouwen Aldabaran treffen zou! Ah! wij Arabieren houden van onze dieren
en beschouwen zulk een paard als ’t licht onzer oogen... Overmorgen
zult gij Aldabaran zien! U is toch bij de wedrennen?
Lord Bentfield scheen wel wat geschrokken. Hij zweeg althans enkele
minuten, terwijl hij zenuwachtig met zijn hoed heen en weer draaide.
In dien tusschentijd had Raffles gelegenheid te over om Lord Bentfield
op te nemen. Daarbij bemerkte Raffles dat de kerel geschminkt was en
een pruik droeg. Ook de handen wezen er op dat dit onmogelijk een lord
wezen kon.
—Ziet u eens,—zoo begon Lord Bentfield weer—ik ben voorzitter van de
„Paardensport-vereeniging” en stel het zéér op prijs wanneer u van mijn
diensten gebruik zult willen maken. Ik ben allereerst gekomen om uw
Aldabaran te mogen zien. Dit is mij niet gelukt. Van zelf spijt dit
mij. Toch wil ik er in berusten, zonder rancunemaatregelen te nemen.
Doch mag ik u waarschuwen?
—Indien dit noodig is, zelfs zeer gaarne.
—’t Is de eerste maal dat u te York komt?
—Ja.
—U kent dus de gewoonten niet?
—Hoe zou ik ze kennen?—vroeg Raffles, die nieuwsgierig was waar de man
heen wilde.
—Ziet u eens. Als u als eigenaar rijden wilt, is er gevaar.
—Dat is wel eens aangenaam.
—Gevaar voor uw leven—zeide de man met klem, omdat hij boos werd dat
zijn woorden zoo weinig indruk maakten op den Arabier.
—Mijn leven is in Mohamed’s hand, Lord Bentfield, en daarbij blijf ik.
Is mijn tijd gekomen, dan moet ik gaan en daarmee afgeloopen.
Lord Bentfield stond woedend op.
—U moet het zelf ervaren—sprak hij met een merkbare trilling in zijn
stem—hoe het dan gaan zal.
—Zeer geëerde Lord—hernam Raffles—indien u met geen andere voorstellen
tot mij komen kunt, is uw tocht doelloos geweest. U denkt
waarschijnlijk dat ik, omdat ik een andere gelaatskleur heb dan u, ook
dommer wezen moet. Gerust, u vergist zich! Ik twijfel bijvoorbeeld niet
dat u Lord Bentfield is, maar vraag mezelf toch af wat de reden wezen
mag dat u tot mij komt met een vermomming...
Lord Bentfield gaf een lichten kreet en greep meteen naar zijn pruik.
Te laat......
Hij was ontdekt......
Raffles keerde zich om en deed precies alsof hij iets doodgewoons
gezegd had en lette niet op de wanhopige pogingen welke Lord Bentfield
deed om zich te herstellen.
Charly verkneukelde zich van pret en zag met genoegen hoeveel moeite
Lord Bentfield deed om een weg te vinden om heen te gaan.
Lord Bentfield keek van Raffles naar Charly en van dezen weer naar
Raffles.
Toen hoorde hij zich toevoegen door Raffles’ stem:
—Daar hebt u een spiegel, Lord!—Raffles drukte sterk op het laatste
woord.—Maak alles in orde en verdwijn!
—Zult u geen maatregelen nemen?
—Bij ons schiet men zoo iemand òf dood, òf men koopt de schuld af. Wat
ik thans moet doen weet ik nog niet. Trouwens York wemelt op ’t
oogenblik van geheime agenten van politie. Ik zou het hun mee kunnen
deelen en u hier zoolang doen bewaken. Wie de gevaren der woestijn en
der bergen kent, weet altijd te handelen, Lord!
—Ik ben bereid schadeloosstelling te geven!—stamelde Lord Bentfield.
—Voor wat? Mij deed en doet ge geen schade, wèl u zelf. Vertel mij wat
uw eigenlijk doel was. Want ik kan mij moeilijk voorstellen dat gij
alleen kwam voor hetgeen gij thans gezegd hebt. Is er meer belang bij
voor u dan voor mij? Heeft u reeds weddenschappen genomen op andere
paarden? Verwissel ze dan op mijn paard en ik geef u de verzekering dat
gij winnen zult. Hebt gij een eigen paard? Wilt gij een mijner
getrouwen als jockey? Komt u zichzelf aanbieden als zoodanig? Spreek
vrijuit. Ik ben dat ook gewoon te doen. Niets haat ik meer dan die
vormelijke belangstelling in het heil of geluk van anderen, dat niets
meer of minder beteekent dan eigen egoïsme nog beter te kunnen
bevoordeelen of te dienen. Wilt gij mij uw plannen zeggen?
Lord Bentfield zag wanhopig rond en besloot schijnbaar om zich gewonnen
te geven.
Na minuten lang zwijgen zeide Lord Bentfield:
—Inderdaad, Ben Amis, ik ben met andere plannen gekomen.
—En die zijn?
—Sta mij toe, u dit morgen te zeggen.
—Waarom dan pas?
—Ik ben niet alleen. Nog enkele heeren en kennissen van mij hebben een
club gevormd, die zich ten doel stelt de weddenschappen zoodanig te
doen zijn, dat er een kleine winst, zonder risico, gewonnen kan worden.
Dat is al! En wanneer u met uw paard komt, zal alles natuurlijk hooger
gaan mèt minder winst. Verschillende jockey’s zijn bij ons aangesloten.
—Dat begrijp ik,—viel Raffles in.—Er is dus, met andere woorden, geld
te verdienen?
—Jawel.—Haperend zeide Lord Bentfield dit.
—En hierover moet u met uwe makkers beraadslagen?
—U raadt het ongeveer.
—Laten wij een einde er aan maken. Dit gedraai om de zaak heen verveelt
mij. Wat betalen de heeren als ik hun de weddenschap met goed succes
bezorg?
Lord Bentfield keek ongerust op. Met dezen Arabier was het geen
gekscheren. Men moest met hem oppassen. Als hij nu maar eerst bij de
kameraden was. Misschien was er met dezen man te handelen.
—Ik wil—vervolgde Raffles—desnoods met u meegaan!
—Goed, gaat met mij meê. Om elf uur is het onze bijeenkomst. Ik zal u
wachten bij de stallen der baan.
—Mooi—lachte Raffles.—Ik zal er zijn.
—Het wachtwoord is Aldabaran.
—Prachtig.
—Ik waarschuw u verder dat u geen politie-maatregelen neemt, anders kon
het u wel eens berouwen.
—Gewoonlijk handel ik zèlf. Ook nu.
Lord Bentfield vertrok en Raffles wreef zich vergenoegd in de handen.
Het zaakje marcheerde prachtig.
VIERDE HOOFDSTUK.
BAXTER WORDT ARABIER.
Voordat Raffles wegging zette hij zich neder en schreef het volgende
briefje:
Mijnheer.
Vanmiddag, toen ik bij de stallen was, gelegen bij de renbanen,
bemerkte ik uit de verte twee mannen, die mijn aandacht trokken. Ik
stelde mij verdekt op, wetende dat in deze tijden zoo veel
misdadigers los loopen. Dichterbij gekomen, hoorde ik fluisteren en
verstond dat er hedenavond een bijeenkomst zal plaats vinden van de
zoogenaamde weddersclub. Ook hoorde ik den naam van Raffles en
besloot men vooral maatregelen te nemen tegen een Arabier, Ben
Amis, welke hier met een paard aanwezig is.
Misschien kunt u met deze weinige gegevens—meer kon ik er niet
bekomen—iets bereiken.
Ik was zelf gaarne gekomen, maar moet heden voor zaken weg.
Hoogachtend,
JACKSON.
Hij—Raffles—nam een couvert en schreef het adres:
Aan
den WelEdel Gestrengen Heer
BAXTER
uit Londen,
Hoofd der Politie,
YORK.
Daarop liet hij Charly den brief naar een estafet aan het station
brengen om den brief onmiddellijk te brengen op het Bureau van Politie.
Dit gebeurde en drie kwartier later liep inspecteur Baxter heen en weer
te „ijsberen” in het bureau.
Den brief van Jackson hield hij geopend in zijn hand en „de vloo” keek
zijn chef met groote oogen aan.
—De man wordt nu stellig gek—mompelde „de vloo”.
—Wat brom je daar weer?—stoof Baxter op.—Uilskuiken! In plaats dat je
mij helpt denken, zit je daar suf neer! Wat voer je eigenlijk uit?
„De vloo” stond op en „ijsbeerde” oogenblikkelijk mee met zijn chef.
En nu vertoonde zich het belachelijke feit dat Baxter met den
wijsvinger aan het hoofd, „de vloo” precies eender, heen en weer stapte
door het bureau.
Stond Baxter stil... „de vloo” stond als een paal.
Zuchtte Baxter... „de vloo” scheen aan pijn te lijden, want hij zuchtte
zóó aandoenlijk dat wie het gehoord had, hem ondersteund zou hebben.
Slaakte Baxter een kreet, alsof hij een ontdekking deed, „de vloo”
stiet een vreugdegeluid uit, precies alsof hij een schat vond van
groote waarde.
En dan maar weer... acht passen heen!... acht passen terug...
stilstaan,... zucht... vooruit... wéér stilstaan... kreet...
—Wat voer je in hemelsnaam uit?—brulde Baxter opeens, toen dit spel al
meer dan een kwartier geduurd had.
—Ik help u denken, chef—antwoordde „de vloo”.
—Ruk uit...
—Chef?
—Wat moet je?
—Als we eens....
—Raffles zochten, wil je zeggen, hè?
—Juist, chef....
—Jonge man, ik bewonder je doorzicht... Maar hoe? Waar vinden wij dien
kerel.
—Bij die wedclub.
—Maar waar vinden wij die?
—Chef, als ik nu eens iets zeggen mag?
—Ga je gang, Marholm. Geneer je niet....
—Als wij nu eerst eens naar dien Ben Amis gingen. Hij wordt in dien
lammen brief van Jackson genoemd. Misschien heeft de Arabier ook wel
een brief gekregen.
—Wat denk je van dien Jackson?
—Dat is een ezel, chef.