—Let goed op, Ben Amis. Wanneer uw paard in de arena komt, zal iedere

wedder een som op Aldabaran zetten.

—Natuurlijk.

—Wij zullen hooge bedragen inzetten op het andere paard, dat „Mary”

wezen zal. Dit is al uitgemaakt door onze club. „Aldabaran” tegen

„Mary”. Het publiek wedt op uw paard, wij op „Mary”. Als u uw paard

minder snel laat loopen wint Mary het, en de weddenschap is ons. Vooral

wanneer u de tweede rondte éérste zijt, wedt het publiek tot abnormaal

hooge bedragen.

Raffles had stil toegeluisterd.

Niets verried wat voor plannen hij smeedde.

Hij keek Lord Bentfield aan en vroeg toen bijna fluisterend:

—Hoeveel geeft mij dat?

—Duizend pond sterling!

—Wanneer uitbetalen?

—Direct nà afloop der rennen.

Langen tijd zweeg Raffles. Hij wilde den schijn opwekken of hij er

ernstig over nadacht, niettegenstaande hij reeds lang wist wat hij

zeggen zou.

—Ik wil het aannemen—zeide hij geruimen tijd later—op deze voorwaarde

dat mij heden duizend pond wordt uitbetaald. Het is—vervolgde hij

snel—geen gemakkelijk werk en Aldabaran is niet zoo spoedig te

regeeren. Voor mij is het een levensquaestie. Want Aldabaran zal zich

niet zonder tegenstribbelen tot een nederlaag laten dwingen.

Lord Bentfield draaide onrustig op zijn stoel heen en weer.

—Alleen op voorwaarde dat u mij heden het genoemde bedrag ter hand

stelt, zal ik het aannemen, maar op geen andere manier dan ik wil!

—Vijfhonderd pond dan—zeide Lord Bentfield.

—Duizend—antwoordde Raffles kalm—geen penning minder. ’t Is toch al een

klein bedrag in verhouding van het groote feit, dat u van mij eischt.

Ik verlies tot mijn spijt toch ook de eer en de medaille. Won ik, dan

kreeg ik bovendien nog duizend pond.

Lord Bentfield stond op en maakte aanstalten om heen te gaan.

—Vijfhonderd pond, meer niet, Ben Amis.

—Laten wij de onderhandelingen als afgebroken beschouwen.

—Goed!—hernam Lord Bentfield.—Tenslotte kunnen wij toch ook op uw paard

wedden.

—Zeker. Maar vergeet niet dat wie eenmaal mijn paard heeft gezien, op

geen andere wedden zal en uw plannen vallen in duigen.

Lord Bentfield werd boos en grof.

—Wie zegt mij dat u wel zulk een paard bezit? Laat mij uw paard zien en

ik zal u duizend pond betalen.

—Houdt gij uw woord?

—Ja!

—Weet als gij uw woord niet houdt, gij geen stap meer uit mijn stal

doet.

—Aangenomen.

Raffles ging daarop met Lord Bentfield mee naar den stal waar

„Aldabaran” stond.

Voorzichtig, geheimzinnig, als gold het een heilig iets, opende Raffles

de deur, en liet Lord Bentfield binnen.

En daar aanschouwde deze een zóó buitengewoon edel dier, dat hij al

aanstonds berekende hoeveel duizenden ponden sterling dit edele dier

wel verdienen kon. Inderdaad, als het publiek dit paard zag, zou men

ongetwijfeld hoog gaan wedden. Dit dier moest winnen. Alle paarden

vielen daarbij in ’t niet.

—Nu?—vroeg Raffles.

—Geeft gij uw woord dat gij niet zult winnen?

—Ja.

—Bedenk dat, als gij valschelijk met ons omgaat, gij niet levend uit

York vertrekt.

—Geef mij de duizend pond. Wed zoo hoog mogelijk en gij zult een

aangename verrassing krijgen.

—Accoord. Ik neem het aan.

Raffles zag hoe Lord Bentfield een portefeuille uit zijn binnenzak

haalde, waarin precies duizend pond sterling aanwezig was.

—Loopt u altijd met zooveel geld in uw zak?—vroeg Raffles terloops,

terwijl hij het geld in zijn zak stak.

—Neen. Gewoonlijk niet.

—Dus u rekende er toch wel eenigszins op, dat ik met dit voorstel komen

zou?

—Ja, wel eenigszins.

—Zooveel te beter. Zóó is het ook veel aangenamer.

Nog zeer langen tijd bleef Lord Bentfield bij Raffles, en toen hij

eindelijk vertrok, wees alles er op dat de man bergen van oneerlijke

winst voor zich zag.

Natuurlijk was Lord Bentfield bij enkele zijner makkers gekomen en hij

deelde hun mede wat er gebeurd was. In een geestdriftige speech

vertelde hij van het wonderpaard „Aldabaran” en rekende hun voor

hoeveel winst dit dier hun brengen zou.

—Alles goed en wel!—mopperde er een.—Maar duizend pond is geen

kleinigheid.

—Wat ben jij een uil! Begrijp je dan niet—aldus sprak Lord

Bentfield—dat als de wedrennen zijn afgeloopen, wij dien Ben Amis

feestelijk uitnoodigen en hem aan ’t verstand brengen dat hij dit

bedrag terug moet betalen wil hij niet dezelfde kuur ondergaan als

onzen geëerden Baxter?

—Dat is een pracht-idee! Nu, dan neem ik er genoegen mee.

Raffles zat in dien tusschentijd met Charly in het hotel.

—Het groote moment nadert, mijn jongen. Er moet snel gewerkt worden.

Zorg er voor dat jij goede weddenschappen afsluit met die kerels die op

„Mary” wedden. Laat hen zuiver teekenen en op de wed-bureaux moet alles

goed beschreven worden. Zijn de wedrennen afgeloopen, dan neem ik de

leiding weer wel van je over. Dan moet men binnen enkele uren de hand

van Raffles voelen!

—Moet ik nergens anders voor zorgen?

—Neen. Baxter zit veilig. „De vloo” komt nà de wedrennen en de rest zal

te Londen afgewikkeld worden.

—Wat zijt ge van plan?

—Dat is een geheim, Charly. Maar ’t zal een goed lesje worden voor

onzen goeden vriend Baxter. Hij heeft in lang niets gehad. Londen moet

weer eens lachen! En nu, beste jongen, gaan wij rusten. Alles is

gereed. Ik ben vol goeden moed.

Intusschen brachten reeds extra-treinen vele belangstellenden naar York

om de wedrennen bij te wonen.

Het rustige plaatsje was thans een internationaal punt geworden, want

allerlei talen hoorde men....

York zou morgen in alle organen van Europa genoemd worden.

Alles was gereed voor de jaarlijksche wedrennen!...

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE WEDRENNEN.

Er heerschte reeds vroeg in den morgen een buitengewoon groote drukte

op den weg die van York naar de renbanen liep.

Duizenden menschen verdrongen zich voor de bureaux van plaatsbewijzen

en langzaam aan stroomden de tribunes vol met bezoekers en bezoeksters

van de meest uiteenloopende karakters en typen.

De commissarissen van orde liepen druk heen en weer, wezen de menschen

den weg en hadden het zoo druk, dat zij bijna over hun eigen beenen

struikelden.

De jury met de keuringscommissie stonden nog met elkander te praten,

terwijl de agenten van de wed-bureaux reeds bezig waren verschillende

namen in te vullen op de voor de weddenschap benoodigde formulieren.

Het was een fantastisch gezicht, kleuren van allerlei schakeering

boeiden het oog en bedrogen de voorteekenen niet, dan zou men getuige

zijn van een spannenden wedstrijd.

Ben Amis en „Aldabaran”, dàt waren de twee namen, die op aller lippen

waren en men hunkerde naar het tijdstip, waarop de stallen geopend

zouden worden.

Raffles, alias Ben Amis, had ’s morgens zeer vroeg zijn Aldabaran in

een stal bij de renbanen gebracht, omdat men vóór den wedstrijd de

paarden, welke deel wenschten te nemen aan de wedrennen, keuren moest.

Ook daarbij bestonden prijzen en het was nu reeds bekend geworden, dat

de keuringscommissie, bestaande uit de beste veeartsen van Engeland, in

overeenstemming met de jury, besloten had, met algemeene stemmen, de

eere-prijzen voor vorm, gezondheid, kleur en leeftijd toe te kennen aan

den volbloed Arabischen hengst „Aldabaran”.

Raffles genoot in stilte en bemerkte zeer goed, dat Lord Bentfield zich

verheugde in dit alles. Het zou immers de zaken der wedclub ten goede

komen?

Elf uur!

Een schot viel!...

Twee en twintig staldeuren werden geopend en even zooveel paarden,

bereden door in allerlei kleuren uitgedoste jockey’s vlogen naar de

loge der jury, waar de startlijn gespannen was.

Kreten van opwinding, van blijdschap, van verrukking, van geluk, werden

vernomen en aller halzen rekten zich uit om toch vooral niets te

verliezen van alles wat er gebeuren ging.

Toch verheugde zich niemand meer dan Ben Amis in de algemeene

belangstelling.

Fier, rechtop, zat in kleurig met goud afgezet costuum Raffles op den

rug van „Aldabaran”.

De bruine, gouden kleur van Aldabaran’s huid glom als een spiegel, de

ranke pooten werden regelmatig opgetild en neergezet, de kop werd

trotsch opgeheven, de oogen schoten vuur, de neusgaten waren wijd

opengesperd.

„Aldabaran” was een toonbeeld van fierheid, kracht en schoonheid.

Een gejuich steeg op toen Raffles met de hand aan zijn hoofddoek

salueerde.

Nogmaals werd door een der juryleden het reglement op de wedrennen

voorgelezen, waarna de deelnemers zich ten rij schaarden voor de lijn.

Ademlooze stilte.

Iedereen lette op de twee en twintig paarden in verschillende kleuren,

van ongeveer dezelfde grootte.

Het oogenblik van afrit was daar.

Weer klonk een schot...

Als door onzichtbare handen werd de startlijn weggenomen,... de

paardenlichamen strekten zich en voort ging het.

Donderend weergalmde het uit duizenden kelen „hoera”....

De wedrennen waren begonnen.

De twee en twintig paarden moesten driemaal de baan rennen. Wie deze

drie „rondes” in een bepaalden tijd had afgelegd, werd gevoegd in de

tweede groep. De tweede groep reed een half uur later weer af, op

dezelfde wijze. Dan werd de derde groep gevormd. Daarna de vierde en

ten slotte de eindwedstrijd, waar het ging om het feit wie van de

deelnemers het éérst de drie „rondes” had afgelegd.

Reeds spoedig bemerkte men, dat de strijd vinnig worden zou.

Snuivend vlogen de paarden over de baan. De lichamen gestrekt, de

pooten ver vooruit werpend, liepen zij in snellen gang voort.

De jockey’s vuurden hun dieren aan, door woorden, door gebaren, alleen

Raffles zat kalm op „Aldabaran”’s rug en liet het edele dier den vrijen

teugel.

Twee „rondes” waren al gereden... de derde kwam aan... Verschillende

jockey’s waren nog niet aangekomen van hun tweede baan, toen de anderen

voor de derde maal de baan opvlogen.

De derde was geëindigd....

Een half uur pauze!

Twaalf paarden, van wie „Aldabaran” nummer één, hadden binnen den

vastgestelden tijd de banen afgerend. De anderen werden uitgeschakeld.

De tweede groep kwam in ’t veld, en weer renden de paarden, weer

vuurden de jockey’s hun dieren aan... weer juichte, stampte, schreeuwde

het publiek en weer vielen er een aantal paarden af.

De derde groep moest beginnen met acht paarden, van wie andermaal

„Aldabaran” nummer één.

—De kerel rijdt uitmuntend—merkte Lord Bentfield op.

—Als hij ons maar niet bedriegt—merkte een ander gemelijk op.

—Heb je gezien—vroeg een derde—dat dat paard nog geen vermoeienis

toont?

—De groote pauze komt nog. Daarna de weddenschappen. „Mary” houdt zich

óók goed. En ik vertrouw op Ben Amis,—besloot Lord Bentfield.

De vierde groep was inmiddels op de baan gekomen met vier paarden.

„Aldabaran” was en bleef nummer één en toen de groote pauze kwam, vóór

de eindbeslissing, waren er nog overgebleven voor den kamp „Aldabaran”,

„Mary” en „Tom Tit”. Drie paarden op wie aller aandacht gevestigd was.

En in de groote pauze, die tot half vier duren zou, begonnen de

weddenschappen al.

Het publiek was dol!

Iedereen wilde wedden op... „Aldabaran”.

De agenten, leden van de club der wedders, op „Mary”.

—Een tegen tien... tien tegen dertig... dertig tegen zestig... vijf en

twintig tegen vijftig... honderd tegen duizend....

Van alles hoorde men roepen en de formulieren gingen van hand tot hand.

Duizenden menschen wedden... kleinere en grootere bedragen... en men

zag allerwegen opgewonden gezichten....

Charly wedde ook.

—Honderd tegen duizend op „Mary”—voegde de agent hem toe, die niet wist

dat Charly alles wist.

—Dank je. Ik wed op „Aldabaran”.

—Goed. Hoeveel?

—Duizend tegen tienduizend!

De agent sprong achteruit en brulde: „Een dief!”

Onmiddellijk waren verscheidene politie-agenten aanwezig. Met groot

misbaar deelde de agent mede wat hem zóó schrikken liet.

Charly opende evenwel een portefeuille en toonde onder enorme

belangstelling tien banknoten van duizend pond sterling.

De politie was tevreden en de agent hapte gretig toe, sloot een

contract af op „Mary” tegen „Aldabaran” en zag zich al eigenaar van

tien duizend pond sterling.

Doch wat Charly bij dien eenen agent had gedaan, deed hij ook bij de

anderen en toen de groote pauze om was, hadden de leden der club een

bedrag van zes en zeventig duizend pond gezet op „Mary”, doch het

publiek achthonderd negen en negentig duizend pond op „Aldabaran”.

Zelfs adellijke lieden, tegenwoordig bij de wedrennen, hadden voor zeer

aanzienlijke bedragen gewed en Lord Bentfield bedacht bij zich zelf dat

hij Ben Amis de duizend pond belooning best zou kunnen schenken.

Men was gereed voor de eindbeslissing. „Aldabaran” stond naast „Mary”

en deze naast „Tom Tit”.

Het publiek hijgde van inspanning.

De jury nam plaats....

Het schot klonk over de banen...

Het touw viel....

De paarden schoten vooruit.

Raffles reed met dezelfde gemakkelijke houding als ’s morgens en het

scheen wel alsof de hengst nog vlugger was dan toen.

„Mary” hield hem aanvankelijk bij, maar bij de eerste halve ronde

schoot „Aldabaran” vooruit, zoodat de beide anderen achterbleven.

Bij de tweede ronde viel „Tom Tit” uit, doordat het dier een spat kreeg

aan een der achterpooten en dus niet meer meê kon doen.

De clubleden zagen, evenals het publiek, gestadig in klimmende spanning

naar de beide paarden.

De tweede ronde was begonnen en „Mary” werd op een wanhopige manier

voortgezweept.

Raffles zat onbewegelijk.

Niets wees er op, wat hij in zijn schild voerde.

Langzaam verminderde „Aldabaran” vaart....

„Mary” haalde òp....

Het publiek werd wild.

—Toe, Arabier... geef den teugel... Vooruit!...

Onbeschrijfelijk was de opwinding.

De clubleden begonnen te smalen, zeker als zij meenden te zijn van hun

overwinning.

Want nog steeds won „Mary”.

De spanning werd angstig!...

Het publiek begon op Ben Amis te schelden; alleen Charly bleef rustig

en zeide tegen een heer, die naast hem zat:

—Let op. Straks gebeurt er iets.

De derde „ronde”....

Reeds was de baan half afgelegd, en nog was „Mary” voor.

De leden der club genoten!

Toen, iedereen was er van overtuigd dat „Mary” winnen zou, een

oorverdoovend gejuich....

„Aldabaran” steigerde hoog op en vloog daarna als een pijl uit den boog

voort.

Zijn lichaam raakte bijna den grond.

Steeds sneller ging het...

Ben Amis was één met het edele dier, dat al maar meer inliep op

„Mary”...

Zijn kop was bij „Mary”’s achterpooten...

„Mary”’s berijder hief zijn zweep op en sloeg naar „Aldabaran”, die

toen juist „Mary” voorbij stoof.

Nu kende de verontwaardiging van het publiek geen grenzen meer. Men

brulde van moord en doodslag en de politie had handen vol werk om te

zorgen dat het publiek de balustrades niet overkwam om „Mary”’s jockey

te straffen voor zijn euveldaad.

Raffles had dit evenwel verwacht en met ijzeren vuist had hij de

teugels gegrepen toen de slag op „Aldabaran” ’s lichaam neerkwam.

Als een wervelwind rende het paard voort en had, toen Raffles het tot

stilstand bracht, de wedrennen glansrijk gewonnen!...

Als een koning werd Raffles toegejuicht, „Mary”’s jockey werd

onmiddellijk gevangen genomen en toen het publiek een stormloop

ondernam op de bureaux van de wed-agenten, was er niemand te vinden,

die van uitbetalen wist.

Ondanks het oordeelkundig optreden der politie, werden er vele

gebouwtjes en tenten vernield.

Enkelen waren verstandiger en redeneerden:

—Wij hebben niets gewonnen, maar ook niets verloren....

Ben Amis’ naam werd dien dag luide gezegend.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

BAXTER.... ÈN DE ONTKNOOPING.

Zoodra de leden der wedclub gezien hadden wat er gebeurd was, en

getuige waren van het feit dat de Arabier winnen ging, achtten zij het

hoog noodig een goed heenkomen te zoeken.

Zij verlieten zoo spoedig mogelijk de banen en kwamen later te zamen in

hun geheim clubgebouw, waar nog steeds Baxter gevangen zat.

Juist toen de wedrennen waren afgeloopen, ging men over tot het

beraadslagen „wat te doen”.

Lord Bentfield was woedend en zwoer een duren eed, dat hij zich op „Ben

Amis” wreken zou.

Alle leden waren het roerend met hem eens.

Dit moest gebeuren. En wel zoo spoedig mogelijk.

Men besloot een lid naar het „London Hotel” te zenden, om Ben Amis te

complimenteeren en meteen moest deze den Arabier treffen.

Alles werd daartoe in gereedheid gebracht, evenals alle maatregelen om

daarna zoo spoedig mogelijk te vertrekken.

Iedereen grimeerde zich, iedereen gaf zich een ander uiterlijk, opdat

niemand zich herkend zou zien door het publiek.

Toen men gereed was, dacht men aan Baxter.

Wat daarmee gedaan?

—Ik weet een prachtig plan. Wij zullen hem grimeeren en een ander

costuum aantrekken!

Prachtig vond men dit voorstel en al werd er ieder oogenblik gevloekt

en getierd om al den tegenslag en schade, die Ben Amis hun veroorzaakt

had, dit was toch een kleine vergoeding....

Baxter werd onder veel tegenstribbelingen naar voren gebracht en een

half uur later was hij onherkenbaar gemaakt door baard en knevel, die

zóó vast waren gemaakt, dat hij minstens een uur met water betten moest

om het gegrimeerde los te maken.

En water was er niet.

Raffles ging, nadat hij „Aldabaran” had toevertrouwd aan de zorgen van

Tom en Jack, die het dier onmiddellijk naar Londen vervoerden in een

daarvoor speciaal gemaakte auto, naar het hotel, vroeg zijn rekening en

vertrok met Saraj naar het station, om per eerste gelegenheid naar

Londen te kunnen gaan.

Haast maakte Ben Amis niet, want zijn werk was nog niet geëindigd.

Hij wachtte „de vloo”.....

Deze moest nu arriveeren, want toen Raffles als Baxter door de telefoon

met „de vloo” gesproken had, had hij juist dezen tijd genoemd.

En werkelijk.

Aan het hoofd van een groot aantal stoere agenten van „Scotland Yard”

kwam „de vloo” aangemarcheerd.

Ben Amis trad op hem toe, en vertelde hem de wonderlijke geschiedenis

van Baxter’s verdwijning. Zelfs het publiek had,—volgens Ben

Amis—gemompeld, dat Raffles eigenlijk Baxter was en dat deze thans met

de wedders gevlucht was.

Zóó overtuigend was Ben Amis’ betoog, dat „de vloo” uitriep:

—Ik heb altijd wel gezegd dat mijn chef eens een dwazen streek zou

doen.

—Doe een inval, mr. Marholm—riep Raffles—in het huis der wedders. Maak

geen onderscheid. Neem iedereen gevangen. Breng ze naar Londen en ik

zal bij mijn consulaat uw naam noemen als een der beste

politie-ambtenaren.

„De vloo” bloosde.

—Niemand, al noemt hij zich Baxter!—zoo riep hij uit—komt vrij. Weet u

dat huis?

—Ik niet, maar Saraj wèl.

—Mag hij mij den weg wijzen?

—Gaarne!

Vlug marcheerden de mannen nu voort.

„De vloo” was in actie.

Vele nieuwsgierigen liepen mee.

Saraj bracht „de vloo” bij het huis nummer drie Jasonsteeg.

Onmiddellijk werd het huis omsingeld en alle uitgangen bezet. Door

middel van den toegang van andere huizen, slaagde men er in den tuin

ook af te zetten.

Toen drongen met groot geweld verscheidene politie-agenten naar binnen.

De clubleden hoorden het geraas, en niet verdacht op zulk een inval,

openden zij de deur om te zien, wat of er gaande was.

Toen men de deur eenmaal geopend had, was het te laat. De agenten

drongen voorwaarts, grepen met kracht de mannen aan en de mechanieke

boeien bewezen uitstekende diensten.

Boven alles uit hoorde men Baxter’s geluid.

—Goed zoo, mannen! Laat er niet één vrij... Helpt mij! Ik ben immers

Baxter,—riep hij, toen niemand op hem meer lette dan op de anderen.

—Houd je muil, Raffles!—beet „de vloo” hem toe.

—Mr. Marholm!... kent ge mij niet meer? Ik ben, ’t is waar, wel eens

ruw tegen je, maar ’t zal nooit meer gebeuren!

—Zoo—lachte „de vloo”.—Neen, Raffles, op mij moet je je kunsten niet

probeeren. Mijn chef laat ik er buiten. Dien kan jij bedotten, omdat ’t

zelf zoo’n ezel is. Maar mij zul je leeren kennen, vriend!

Baxter was geen mensch meer.

Hij schold op het „ezelsveulen van een Marholm”, dat het hooren en zien

verging, maar hoe hij ook sprak, niemand geloofde hem.

Hij werd met de andere leden der club naar buiten gebracht, waar het

publiek schold en jouwde op de oplichters.

Drie uren later kwam de bende aan op „Scotland Yard”, waar een

hoofdambtenaar van justitie aanwezig was.

Want Raffles had zich reeds eerder naar Londen begeven—met het oog op

de wedrennen reden er dien dag vele extra-treinen,—en had als Ben Amis

de geheele toedracht der zaak verteld.

Op het Paleis van Justitie was men van meening, dat dit toch te ver

ging met inspecteur Baxter en men wilde thans grondig ingelicht worden,

hoe alles gebeurd was.

Groot was de ontzetting van Baxter, toen hij dezen ambtenaar zag

zitten.

—Waar is het hoofd van Scotland Yard?—vroeg de ambtenaar gestreng.

—Die ben ik!—piepte Baxter.

—Geen praatjes hier. Al hebt gij mij menigmaal doen schudden van

lachen, Raffles, eens komt er een einde aan dit alles. Gij hebt met

Baxter, die een groote nul is, menigmaal gespeeld als een kat met een

muis; ik wil thans weten waar de man is.

—Maar hij staat voor u.

—Bedenk wel, dat gij uw straf verzwaart!

—Maar ik... ik ben Baxter zelf. Geef mij water!...

—O! ik stik.... en ik zal u bewijzen dat ik Baxter ben!......

Hierop vertelde hij onder groote hilariteit het gebeurde en toen hij na

ernstige pogingen er in slaagde de grime los te maken, kwam Baxter

beschaamd te voorschijn.

Van dat oogenblik af liep alles goed van stapel. De mannen, leden der

club, werden verhoord en gevangen genomen.

Men meende nu eindelijk in Lord Bentfield Raffles gevonden te hebben.

Groot was evenwel de woede, en de verbazing toen Baxter en de ambtenaar

van justitie een kort briefje ontvingen van denzelfden inhoud:

Geachte Heer.

Ben Amis vleit zich, dat hij een bende oplichters die niet, zooals

ondergeteekende, een daad doen tot heil van ’t algemeen of van den

enkeling, in uw handen heeft gevoerd. Hij wilde meteen zijn dank

betuigen voor de bescherming, die hij te York genoot van het hoofd

van Scotland Yard.

Evenwel was het noodig hem, in verband met plannen, die hij alleen

kon uitvoeren, voor een tijdje te doen verdwijnen.

Dat men hem aanzag voor Raffles, verheugt niemand meer dan

RAFFLES.... zèlf.

„De vloo” maakte zich angstig uit de voeten.... Baxter zat geslagen en

de ambtenaar stamelde:

—„Ben Amis... wàs Raffles”.

Den volgenden morgen schreeuwden de couranten-jongens: „Ben Amis bij de

wedrennen van York. Baxter is Raffles! Opzienbare arrestatie van het

hoofd van Scotland Yard.”

Gansch Londen had dagen lang pret van deze geschiedenis, die voor

Baxter een verschrikking, voor Raffles een prettige herinnering was.

Drie maanden later behandelde het Lagerhuis een wetsvoorstel tot

regeling van weddenschappen, die door het Hoogerhuis werd aangenomen en

bekrachtigd.

Sinds dien tijd mag er in Engeland, dank zij Raffles’ optreden, niet

meer gewed worden.

Doet men het toch, dan wordt alles administratief in ’t buitenland

geregeld.

NOTES

[1] Wettig betaalmiddel in Engeland. Zooveel als bij ons de papieren

guldens en rijksdaalders.

Lord Lister No. 0122: De wedrennen van York · 第 3 / 3 段