TWEE KASTEELEN

(Zie bladz. 201 en 205.)

Zoo ge te Parijs zijt, en tijd en lust hebt om nog iets meer, iets

anders te zien dan de wonderen der groote stad, en de uitingen te

bespieden van het onrustige, fel bewogen leven harer uit allerlei

heterogene elementen saamgestelde, door allerlei stroomingen

in de tegenstrijdigste richtingen geslingerde bevolking; zoo uw

hart u bijwijlen naar het land trekt en uw heimwee uitgaat naar de

herinneringen van het verleden:--neem dan plaats op den spoortrein,

die over Versailles naar Chartres en verder naar het zuidwesten

loopt. Zoo ver behoeft ge evenwel niet te gaan: ge kunt uitstappen

aan het station La Verrière, een onbeteekenend gehucht, dat zijn naam

ontleent aan een tusschen sierlijke boomgroepen verscholen kasteel,

hetwelk in der tijd heeft behoord aan den tijdens de restauratie,

door zijn ijver voor Napoleon en door de toewijding zijner vrouw,

zoo bekend geworden graaf de La Valette. Hier, aan dit station, staan

omnibussen gereed, die u naar verschillende plaatsen in den omtrek,

en ook naar de plaats, waar ik u voeren wil, brengen; maar zoo ge niet

opziet tegen eene fiksche wandeling door eene liefelijke, vruchtbare,

schoone streek, dan zullen wij liever te voet gaan.

Wij hebben nog niet lang gewandeld, of wij ontmoeten het dorp

Maurepas op onzen weg; Maurepas, met de ruïne van zijn alouden

ridderlijken burgt, die maar al te dikwijls, in de middeleeuwen,

de schrik was van den vreedzamen handelaar en eenzamen reiziger,

op weg naar of terugkeerende van de groote hoofdstad. Doch de naam

van het vlek wekt waarschijnlijk alleen de herinnering bij u op aan

dien graaf de Maurepas, den minister van Lodewijk XV en Lodewijk XVI,

wiens zorgelooze lichtzinnigheid zoo onbekommerd, met zoo spelende

frivoliteit, de geweldige stormen hielp ontketenen, waarin de fransche

monarchie te gronde zou gaan.

Wij vervolgen onzen weg door de schilderachtige, heuvelrijke streek

tot aan het welvarende dorp Le Trembly, alleen merkwaardig door het

fraaie kasteel, dat langen tijd het eigendom was der familie Leclerc

du Trembly. Herinnert ge u, dat de zoo bekende en--moet ik zeggen

beroemde of befaamde?--_père_ Joseph, de kapucyner-monnik, de vriend

en vertrouweling van den kardinaal de Richelieu, een afstammeling was

van deze familie? Richelieu en Maurepas--de man, die meer dan iemand

anders heeft medegewerkt tot de vestiging der absolute monarchie in

Frankrijk; en de man, die anderhalve eeuw later, mede het zijne deed om

deze zoo spoedig uitgeputte monarchie ten verderve te voeren;--de beide

figuren staan u voor den geest; en terwijl ge voortwandelt, vergelijkt

ge onwillekeurig in uwe gedachte den strengen, onverbiddelijken,

geduchten kardinaal, den man van ijzer en bloed, die recht op zijn

doel afging en dat ook bereikte, trots allen tegenstand van vijanden en

aarzeling van vrienden, den man, die de roemrijkste, de aanzienlijkste

hoofden van Frankrijks fieren adel vallen deed, zoodra ze zich tegen

hem durfden verheffen;--ge vergelijkt die forsche, indrukwekkende

figuur met dien beklagelijken, frivolen, onbekwamen minister van

Frankrijks laatste koningen, dien kleingeestigen vervolger van het

parlement, die juist kracht en eigenzinnigheid genoeg had om zijne

tegenstanders te verbitteren en met vuur te spelen, zonder zich te

bekommeren om den snel om zich grijpenden gloed.

Doch reeds hebben wij Le Tremblay lang achter ons; en terwijl

onze blikken dwalen door het schoone landschap, worden zij toch

onwillekeurig aangetrokken door die slotruïne op gindschen heuvel,

aan welks voet het stedeke Montfort-l'Amaury zoo rustig en kalm

nederligt. Ernstig en statig overschouwt ze de gansche liefelijke

vallei, deze oude slotruïne, waarvan de naam alleen u treft als een

klank uit den ouden tijd, als eene herinnering uit lang vervlogen

dagen. En inderdaad, ze weet van oude tijden, van eene ondergegane

wereld, van wapenroem en ridderlijken glans, te verhalen. Deze burgt

was eenmaal de zetel dier machtige heeren en graven van Montfort, wier

naam eene zoo breede plaats beslaat in de kronieken der oude feodale

monarchie. In de vrouwelijke lijn afstammende van Karel den Groote,

bogen deze fiere baronnen niet dan onwillig het hoofd voor de koningen

uit het huis van Capet, en handhaafden zich in die meer dan halve

onafhankelijkheid, die toen het wettig deel was van ieder vrijgeboren

edelman. Telkens en telkens ontmoet gij hen in de verhalen van dien

tijd, beurtelings bondgenooten of vijanden van de fransche koningen,

wier macht nog zoo wankelend, wier gebied zoo eng begrensd was.

Het ligt natuurlijk niet in onze bedoeling, de geschiedenis van dit

machtig geslacht te verhalen;--zouden wij daarbij ook wel op uwe

belangstelling mogen rekenen? Een paar grepen slechts uit den rijken

overvloed van beelden en herinneringen, die voor onzen geest oprijzen,

terwijl wij ons op den heuvel nederzetten, en de nu zoo kalme vallei

overzien, in vroeger eeuw zoo dikwerf weergalmende van het woeste

krijgsgedruisch.

Op zekeren dag in het jaar 1092 toog Filips, de koning van Frankrijk,

naar de stad Tours, en begaf zich daar naar de kerk van Sint-Jan,

waar een nieuwe doopvont zou worden ingewijd. Maar het was niet om

deze plechtigheid dat koning Filips naar Tours gekomen was. Daar bevond

zich ook Foulques, de graaf van Anjou, met zijne echtgenoote Bertrade,

dochter van Simon van Montfort: en om harentwil was de koning herwaarts

getogen. Wel was hij sedert twintig jaren gehuwd met Bertha, de dochter

van onzen graaf Floris I; maar een onwederstaanbare hartstocht voor

de schoone Bertrade had zijn gemoed overweldigd. Om haar te kunnen

bezitten, had hij zijne wettige gemalin verstooten en naar Montreuil

gebannen; nu ontmoetten de koning en de gravin van Anjou elkander in de

kerk te Tours, maakten daar de noodige afspraak, en weinige dagen later

werd Bertrade door eenigen van 's konings mannen opgelicht en naar

Orléans gevoerd, waar hij naar wachtte. De koning wilde toen Bertrade

huwen: maar geen der bisschoppen van Frankrijk was bereid deze dubbele

overspelige verbintenis in te zegenen, niet dan met zeer veel moeite

kon de koning een priester vinden, die zich daartoe leende. Nu begon

tusschen Filips eenerzijds en de katholieke kerk, met den paus aan

het hoofd, anderzijds, eene worsteling, die jaren lang voortduurde,

zonder tot eenige uitkomst te leiden. Telkens beloofde de koning, dat

hij Bertrade zou wegzenden; maar toch hield hij haar bij zich, ondanks

bij herhaling den ban over de beide echtbrekers was uitgesproken. Doch

Filips bekommerde zich weinig over den ban. Waar de koning verscheen,

werd de eeredienst geschorst, en zoodra hij vertrok, begonnen al

de klokken te luiden; Filips spotte openlijk met dit interdict,

dat het land in beroering bracht, en riep, als hij het klokgelui

vernam, zijne overspelige gemalin al lachende toe: "Hoort ge wel,

mijne schoone, hoe men ons wegjaagt!" Eindelijk, in 1104, legde de

koning op nieuw de belofte af, dat hij alle verkeer met Bertrade zou

afbreken; waarop de excommunicatie werd opgeheven. Maar hoe weinig

het hem ook nu met die belofte ernst was blijkt wel hieruit, dat hij

in 1106, vergezeld van Bertrade, een bezoek ging afleggen te Angers,

waar hij door Bertrades eersten echtgenoot, graaf Foulques, met groote

staatsie ontvangen werd. Het moet inderdaad een zonderling schouwspel

zijn geweest, deze drie personen vriendschappelijk aan dezelfde tafel

of ter kerk in hetzelfde gestoelte te zien zitten! Bertrade oefende

ook nu nog zulk een overweldigend en invloed uit op haar eersten man,

dat graaf Foulques zich niet alleen met den koning verzoende, maar ook

haar zelf met den grootsten eerbied behandelde, en meermalen op een

voetbank bij haar plaats nam, terwijl de koning nevens haar zat! De

listige en heerschzuchtige vrouw gaf zich vergeefs alle moeite om 's

konings zoon uit zijn eerste huwelijk van de opvolging uit te sluiten,

en haar eigen zoon op den troon van Frankrijk te verheffen. Zij

eindigde haar onrustig leven in een klooster.

Een ander beeld verrijst voor ons oog: dat van den man, die den naam

van zijn stamhuis wel het meest bekend en berucht heeft gemaakt,

van Simon de Montfort, het hoofd van den kruistocht tegen de

Albigenzen. Zij beslaat eene bloedige bladzijde in de geschiedenis

van Frankrijk, die jarenlange vreeselijke worsteling tusschen het

katholieke, feodale, germaansche Frankrijk van het noorden, en dat

weelderige kettersche, half romeinsche zuiderland, met zijn zoo

sterk gemengde, uit zoo verschillende bestanddeelen saamgestelde

bevolking, zijne eigenaardige, alles behalve orthodoxe beschaving

en nationale onafhankelijksheidszucht. Van ouds was deze landstreek

tusschen de Rhône, de Garonne en de Middellandsche zee, een broeinest

van ketterijen en afwijkende meeningen; ja, eigenlijk het brandpunt

eener in waarheid anti-christelijke beweging, die zich onder de meest

verschillende namen verschool, maar niettemin in doel en streven een

zeer duidelijk en onmiskenbaar karaker droeg. De tegenstelling met de

heerschende geestesrichting, met name in het noorden van Frankrijk,

was zoo groot, dat de schok kwalijk uitblijven kon; en te verwonderen

was het niet, dat toen Innocentius III, een leerling der parijsche

Universiteit, in 1198 den pauselijken troon besteeg, deze in de eerste

plaats naar noordelijk Frankrijk zijne oogen wendde, om daar den man te

zoeken, die den ontworpen kruistocht tegen de ketters van het zuiden,

"erger dan de Sarracenen", zou kunnen leiden. Hij vond dien in graaf

Simon de Montfort, door zijne moeder, graaf van Leicester in Engeland,

pas uit het Oosten teruggekeerd, en daar zich reeds den roem van

buitengewone dapperheid in den krijg tegen de ongeloovigen verworven

hebbende. Simon de Montfort was inderdaad uitstekend berekend voor

de hem toegedachte taak. Gloeiende van ijver voor de kerk en in den

strijd voor haar alle middelen geoorloofd achtende; een onverschrokken

oorlogsman, met een innemend voorkomen en groote lichaamskracht; een

trouw vriend en ijverig beschermer zijner volgelingen; eerzuchtig,

met groote talenten ook als staatsman; energiek, geboren om te

heerschen--kon de paus kwalijk een geschikter uitvoerder zijner

bevelen hebben gevonden. Vijftien jaren lang, van 1208 tot 1223,

woedde de vreeselijke krijg, die bijna het gansche zuiden van Frankrijk

vernielde en van ongehoorde gruwelen vergezeld ging. Simon de Montfort

beleefde het einde van dien kruistocht echter niet. Op den 28sten Juni

1218 werd hij voor Toulouse, dat hij sedert negen maanden belegerde,

door een steenworp gedood. Paus Innocentius III was hem reeds twee

jaren vroeger ten grave voorgegaan.

De luister van zijn huis ging met Simon de Montfort ten onder. Zijn

zoon, Amaury VII, trachtte te vergeefs de door zijn vader veroverde

landen te behouden; weldra zag hij zich genoodzaakt, met den graaf

van Toulouse een verdrag te sluiten, waarbij deze in het bezit van

genoegzaam al zijne bezittingen werd hersteld. De zoon van Amaury VII

liet slechts eene dochter na, die in 1256 met den graaf van Dreux

huwde. De heerlijkheid Montfort en de overige goederen der familie

kwamen nu achtereenvolgens door erfenis of schenking in handen van

andere geslachten: van de hertogen van Bretagne, van de koningen van

Frankrijk of prinsen van den bloede, van de hertogen van Luynes. Een

dezer laatsten verkocht de heerlijkheid in het begin dezer eeuw.

Van den fieren burgt Montfort-l'Amaury is niet meer over dan eenig

muurwerk en de ruïnen van twee torens, waarvan slechts een van

oude dagteekening is en blijkbaar tot de oorspronkelijke feodale

veste heeft behoord. De andere, achthoekige toren, van gehouwen en

gebakken steen opgetrokken, is van veel later dagteekening. De heuvel,

waarop deze ruïnen liggen, is tegenwoordig sierlijk beplant en tot

wandelplaats ingericht.

Van het andere kasteel, dat van Sainte-Geneviève, weet ik niets te

vertellen, zelfs niet in hoever deze naam in verband staat met de

schoone legende der bekende heilige, de patronesse van Parijs. Wil

u dus vergenoegen met de fraaie plaat.

De Verdelgingsoorlog der Yankees tegen de Apachen-indianen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 3 / 5 题