Mataafa stoorde zich in het geheel niet aan dit bericht, maar begon van

zijn stelling de stad aan te vallen en de hem tegenoverstaande soldaten

van Tanu terug te dringen; niet voordat de duisternis inviel, kwam er

een eind aan dezen strijd. Toen de soldaten van Tanu den volgenden

morgen op nieuw werden aangevallen, haalden de Amerikaansche en

Engelsche consuls admiraal Kautz over om reeds een halfuur voor den

vastgestelden tijd van de “Philadelphia” en de “Royalist” met het

schieten op de dorpen te beginnen, die door Mataafa en zijn aanhangers

bezet waren. Terzelfder tijd ontving de commandant van de “Porpoise”

bevel de dorpen ten Oosten en Westen van Apia te bombardeeren, waarvan

eenige, die aan den oever lagen, zeer spoedig in brand stonden.

Daar de door Mataafa bezette plaatsen door een dicht woud omringd

waren, was het voor de kanonniers der “Philadelphia” en van de

“Royalist” zeer moeilijk de juiste standplaats der vijandelijke partij

te bepalen; het gevolg van deze onzekerheid was, dat verscheidene

schoten aan beide zijden der verdedigingslinie hun doel misten. Zoo

barstte onder anderen een bom van de “Philadelphia” in de onmiddellijke

nabijheid van het Amerikaansche consulaat uiteen en doodde een groot

aantal van de aldaar op post staande mariniers. Ook in de woning van

den Duitschen consul zeer dicht bij ons, kwam een groote bom door het

lichte dak in de keuken terecht, waar zij al het keukengereedschap

vernielde.

Op verlangen van den directeur liep ik er vlug heen om te informeeren,

of de granaatkogel soms ernstig kwaad aangericht en een der bewoners

van het consulaat gekwetst had, maar tot mijn blijdschap vernam ik dat,

zooals reeds gezegd, alleen de breekbare waar in de keuken kort en

klein geslagen was.

Een groot aantal Duitsche inwoners van Apia begaf zich nog denzelfden

avond aan boord van den kruiser “Falke” om zich in veiligheid te

brengen, niet alleen voor de granaatkogels der Engelschen en Amerikanen

maar ook voor mogelijke aanvallen van de aanhangers van Tanu, hun

beschermelingen.

Zoowel consul Rose als directeur Beckmann bleven in hun huizen, te meer

omdat de eerste van den commandant der “Falke” een veiligheidswacht had

gekregen, die zoo noodig ook ons hulp zou kunnen verleenen, daar de

woning van den directeur slechts enkele schreden van het consulaat

verwijderd was. Bij het vallen van den avond hield het bombardement op,

maar lang zouden wij ons niet in onze rust verheugen. Midden in den

nacht deed Mataafa met zijn soldaten een hevigen aanval op de stad en

sloeg het leger van koning Tanu een heel eind terug, totdat deze van

een afdeeling Britsche matrozen ondersteuning kreeg. Toen er

verscheidenen van dezen, door de kogels hunner aanvallers gevallen

waren, trokken zich de krijgslieden van Mataafa weder in hun

verschansingen terug.

Mijnheer Beckmann, Petersen en ik hadden het geheele gevecht van het

terras voor ons huis gadegeslagen; dit terras lag vrij hoog en was door

een sterke borstwering omgeven, zoodat wij voor eventueel verdwaalde

kogels beschut waren.

“Een flinke, dappere kerel, die Mataafa!” riep Hendrik uit, toen wij

den koning met zijn troepen zoo moedig voorwaarts zagen rukken. “In

weerwil van de vijandelijke granaatkogels, die hem sedert vanmiddag om

de ooren vlogen, grijpt hij den vijand nog in den nacht aan en drijft

hem terug om te toonen, dat hij den moed nog lang niet verloren heeft.”

“Ronduit gesproken, vind ik het al heel schandelijk van de Engelschen

en Amerikanen om een bombardement te beginnen op niet ommuurde dorpen

en menschen, die zich niet verdedigen kunnen!” riep ik onwillekeurig

uit.

“Het is niet voor het eerst, dat de heeren Engelschen zulk een

heldendaad verrichten, beste vriend,” zeide de directeur op zijn

bedaarde manier van spreken. “Denk maar eens aan het bombardement van

Alexanderië in het jaar 1882, en den opstand van Arabi Pacha; dat was

ook een open stad.”

Het overige van den nacht ging ongestoord voorbij. Den volgenden dag

begon het beschieten opnieuw en een volle acht daag hield het thans

aan. Bijna de geheele blanke bevolking nam de vlucht op de

oorlogsschepen; velen verlieten Samoa voor altijd.

In weerwil van de talrijke verliezen aan menschenlevens hield Mataafa

zich gedurende het geheele bombardement dapper staande en gaf geen

enkele der door hem ingenomen stellingen op. Toen het schieten gestaakt

werd, dat geen ander gevolg had gehad dan een groote slachting onder de

inboorlingen van Samoa, waarvoor bovendien geen bepaalde aanleiding was

geweest, werd het langzamerhand weer rustig. De vluchtelingen verlieten

de oorlogsschepen, waarop zij bescherming gezocht en gevonden hadden en

keerden naar hun woningen terug, waarvan er zeker niet weinige door de

granaatkogels of de plunderende krijgslieden van Tanu in

deerniswaardigen toestand gebracht waren.

Ook mijn vriend Hendrik en ik zeiden het huis van onzen directeur, dien

wij in dezen veelbewogen tijd als een dierbaar familielid hadden leeren

kennen, vaarwel en keerden naar onze woonplaatsen terug—hij naar

Mulifanua, ik naar Laulii.

TIENDE HOOFDSTUK.

SAMOA WORDT EEN DUITSCHE KOLONIE.

Weinig dagen na mijn terugkomst lazen wij in de courant, dat den 23en

Maart in tegenwoordigheid van de Engelsche en Amerikaansche consuls de

feestelijke kroning van Tanu had plaats gehad, dus onmiddellijk na het

bombardement van Apia. Deze handelwijze van den kant der beide consuls

was hoofdzakelijk slechts een openbaring hunner vijandelijke,

verbitterde stemming tegenover Duitschland en in den grond zonder

eenige practische uitwerking, daar Mataafa, zooals reeds is vermeld, in

weerwil van het langdurig beleg, al zijn stellingen dapper had weten te

handhaven.

Zoowel onze consul Rose als president Raffel hadden dadelijk bij het

Duitsch bewind een flink gesteld protest ingediend tegen deze

slachtingen door de Engelsche en Amerikaansche scheepscommandanten op

de bewoners van Samoa gehouden, waarvoor, zooals hier boven reeds is

gezegd, geen enkel geldig motief bestond.

De gevolgen van dit protest waren, dat het bestuur der

veiligheidswachten de zaak in handen nam en vooral Engeland zijn

instemming betuigde met de voorslagen van het Duitsch gouvernement, om

voorgoed een eind te maken aan de vijandelijkheden en daarom een

commissie naar Apia te zenden, die bestaan zou uit drie

vertegenwoordigers der veiligheidswacht.

Voor deze commissie de plaats harer bestemming bereikte, kwam het in

April nog tot twee gevechten. Mataafa was er in geslaagd onzen ouden

vriend Tamasese voor zijn partij te winnen, die zich met het grootste

gedeelte zijner aanhangers met Mataafa’s strijdkrachten vereenigde.

Tamasese was tot dit verbond overgegaan, minder uit bijzondere

sympathie voor zijn vroegeren mededinger, dan wel uit haat tegenover

zijn oude vijanden, Malietoa en diens zoon Tanu; ook had hij meer

vertrouwen op de macht van Duitschland dan op den invloed van de door

hem van ouds zoo bitter gehate Engelschen.

Zooals ik bij mijn eerste bezoek aan Apia vernam, waarheen ik mij

begeven had om de noodige gelden in ontvangst te nemen tot uitbetaling

der salarissen, waren door het bombardement niet alleen een groot

aantal inboorlingen gedood, maar ook verscheidene dorpen geheel

verwoest, vooral die, welke dicht bij den oever gelegen waren. Eveneens

hadden vele Europeanen en Amerikanen aanzienlijke schade geleden; hun

woonhuizen waren door de granaten gedeeltelijk verbrand en

alleenstaande aanplantingen geheel verwoest. Zij wendden zich met hun

bezwaren tot den consul, wien het aanging, en ontvingen van hem het

voorloopig antwoord, dat zij geduld moesten hebben tot de bijeenkomst

der internationale commissie.

Den 15en April zat ik ’s morgens met Gaedecke aan het ontbijt, toen wij

duidelijk kanongebulder hoorden, gevolgd door het zwakker geluid van

geweervuur.

“Het zou mij niet verwonderen, als er in de bergen westwaarts een

gevecht plaats had tusschen Mataafa en de mannen van Tanu,” riep ik,

terwijl ik opsprong en naar buiten ging.

“Dat geloof ik ook,” antwoordde mijn collega, die mij gevolgd was.

“Maar hoe is het kanonvuur te verklaren, daar de twee partijen toch

moeilijk over kanonnen zullen kunnen beschikken?”

“Ja wel, ik herinner mij heel goed, dat de Amerikaansche admiraal zijn

beschermeling Tanu twee lichte kanonnen heeft geschonken, toen diens

aanhangers met de Engelsche kruiser ‘Royalist’, vervoerd werden; als ik

mij niet vergis, over de tweeduizend man. Ik heb de twee stukken

geschut zelf gezien, toen deze voorbij het huis van onzen directeur

getrokken werden, om tegen een verschansing van Mataafa te worden

aangewend. Ga mee, vriend,” ging ik voort, “wij zullen onze paarden

laten zadelen en naar den top van den berg rijden; daar zullen wij

zeker iets van het gevecht kunnen zien.”

Gaedecke nam met mijn voorstel genoegen; tien minuten later bestegen

wij de door de knechten vlug gezadelde paarden, nadat wij uit voorzorg

onze revolvers in den zak hadden gestoken; men kon nooit weten, of men

niet genoodzaakt zou zijn er gebruik van te maken.

Wij draafden langs den linkeroever der rivier voort tot beneden aan de

plaats, waar Mataafa in November van het vorige jaar de mannen van Tanu

met hun Engelsche bondgenooten in den rug aangevallen en over de bergen

teruggedreven had. Zoo vlug het met onze kleine paarden gaan kon, reden

wij vervolgens in schuinsche richting de helling op en, toen wij den

top bereikt hadden, konden wij het vrij breede dal van de Letoga-rivier

overzien en ons spoedig overtuigen, dat ik mij in mijn vermoeden niet

bedrogen had. Ongeveer een kilometer het dal in, werd inderdaad een

levendige strijd gevoerd op den nog slechts met enkele boomen en

struiken begroeiden linkeroever, juist tegenover een plaats aan den

rechteroever, het Samoaansche dorp Muliangi, zooals ik later vernam.

Nadat wij nog een eind de westelijke helling van den bergrug afgereden

waren, kwamen wij aan een plaats, waar de boomen minder dicht bij

elkander stonden, zoodat wij het dal goed konden overzien en zelfs de

gestalten der strijdvoerenden vrij duidelijk onderscheiden.

“Kijk, daar ginds, aan den voet van de helling zijn de twee stukken

geschut opgesteld,” zeide ik tot mijn metgezel; “zooals ik zie, worden

zij echter niet door inboorlingen bediend, maar door Amerikaansche

matrozen. Ook is daar ginds tusschen de boomen een heele afdeeling

Engelsche mariniers en matrozen vol ijver aan het schieten op de mannen

van Mataafa. Dezen schijnen door het vijandelijk vuur niet veel

verliezen te lijden, want zij houden hun stelling aan de rivier

tusschen de boomen staande. Zie je daar, een beetje hooger en meer naar

ons toe, dien flinken Samoaner, die met een heele schaar inboorlingen

uit het boschje aanrukt om de twee kanonnen in de rechterflank aan te

vallen? Dat is nog een oude kennis van mij uit Mulifanua, de vroegere

tegenkoning van Malutoa, Tamasese; een kranige kerel, hè? Kijk eens

aan! Door het onvermoeid vuren zijner soldaten dwingt hij de kanonnen

hun stelling op te geven en zich langs de rivier terug te trekken. Ook

schijnt Mataafa’s volkje door het zwijgen van het geschut nieuwen moed

gevat te hebben; ten minste hun koning leidt hen van twee kanten naar

de Engelschen en hun vrienden, die zich ook niet lang meer zullen

staande houden.”

Met behulp van mijn vrij sterken tooneelkijker, dien ik aan een riempje

over mijn schouder droeg, kon ik de afzonderlijke gestalten der

strijdenden aan weerszijden nauwkeurig onderscheiden, daar wij

nauwelijks een kilometer van hen verwijderd waren. Op dit oogenblik,

terwijl ik nog bezig was de bewegingen der strijdenden in het dal gade

te slaan, riep Gaedecke, die eenige meters lager dan ik stond, mij toe:

“Richt je kijker eens op gindsche helling aan den overkant, Arendt; als

mijn oog zich niet bedriegt, daalt daar een groote troep inboorlingen

den berg af en het dal in.”

“Ja, waarlijk! Je hebt je niet vergist, beste vriend,” antwoordde ik,

na eenige oogenblikken de tusschen de boomen zichtbaar wordende

gestalten te hebben gadegeslagen. “Het zijn gewapende inboorlingen,

waaronder ik zelfs eenige ‘Blauwjakken’ heb opgemerkt; het kunnen dus

alleen mannen van Tanu zijn met eenige Britsche en Amerikaansche

matrozen. Nu wordt mij ook duidelijk, wat die luitjes in het schild

voeren; zij willen op dezelfde wijze de helling afgaan, totdat zij zich

een vier en twintig meter boven de strijdenden in het rivierdal

bevinden en dan Mataafa’s soldaten in den rug aanvallen, hetgeen voor

onzen vriend licht hachelijk zou kunnen worden. Als het mij echter

eenigszins mogelijk is, zal ik er een schotje voor steken. Blijf jij

hier rustig wachten, Gaedecke, dan rijd ik onmiddellijk de helling af

en het dal in, zoo hard als mijn paard loopen kan, om Tamasese of een

ander opperhoofd van Mataafa van het dreigend gevaar in kennis te

stellen.”

“O neen, Arendt, hier blijven doe ik niet!” riep Gaedecke uit. “Ik zou

je alleen aan het gevaar blootstellen om midden in het gevecht te

geraken! Dat nooit! Ik ga met je mede. Vooruit dus! Geen tijd verloren

laten gaan!”

Bij deze woorden steeg hij van het paard en leidde het de steile

helling af; natuurlijk volgde ik zijn voorbeeld, ofschoon de gedachte

mijn bedaarden, vredelievenden vriend aan het gevaar te zien

blootgesteld van door een kogel getroffen te worden mij zeer bezorgd

maakte; ik begreep echter Gaedeckes bedoeling zeer goed: hij wilde mij

laten zien, dat het hem, den geleerde, als het er op aankwam, evenmin

aan moed ontbrak als mij den vroegeren soldaat.

Zoodra wij aan den rechteroever der Letoga-rivier gekomen waren,

draafden wij met den stroom mee, tot wij ongeveer op dezelfde hoogte

genaderd waren van het leger van Tamasese aan den overkant. Wij reden

toen door de vrij ondiepe rivier en stuitten na weinig tijds op de

manschappen van mijn ouden bekende, die gedeeltelijk op de, zeker

honderd meter breede, ruimte tusschen de Letoga en den voet van den

Westelijken bergrand, gedeeltelijk op een uitgestrektheid van de

helling een verdedigings-linie vormden, waarop zij en de vijanden

elkander beschoten. De hoofdmacht van Mataafa bevond zich iets lager en

scheen, zoover ik zien kon, in een hardnekkig gevecht gewikkeld met het

leger van Tanu en diens bondgenooten, die blijkbaar het voornemen

hadden Mataafa met zijn soldaten over de rivier terug te dringen.

Ik steeg dadelijk van mijn paard, waarvan ik de teugels aan Gaedecke

overgaf, met verzoek achter de eerste boomen aan den rand der helling,

waar hij en de dieren ten minste eenigszins voor de vijandelijke kogels

beschut zouden zijn, mijn terugkomst af te wachten. Nadat ik mij, zoo

goed en zoo kwaad het ging, achter struikgewas en boomstammen een poos

had schuilgehouden, sprong ik, zoodra ik begreep, dat ik gehoord zou

worden, vlug naar voren en riep den Samoaners mijn “Talofa” toe,

verwonderd keken de eersten om en beantwoordden mijn groet zeer

vriendelijk en, toen ik daarop vroeg, waar hun aanvoerder Tamasese zich

op dit oogenblik ophield, wezen zij naar de hoogte op de helling,

waarna zij weder met groote bedaardheid hun buksen afvuurden in de

richting, waar hun vijanden moesten staan, maar van wie mij geen enkele

in het oog viel. Zij hielden zich zeker evengoed achter boomstammen

verborgen als het leger van Tamasese; de twee partijen deden elkander

waarschijnlijk niet veel nadeel, ofschoon er met veel geestdrift werd

geschoten; mij ten minste vlogen verscheiden malen eenige kogels om het

hoofd.

Nadat wij een oogenblikje gestegen hadden, zag ik Tamasese bijna op den

rand der hoogvlakte staan, die zich tusschen de Letoga- en de

Vailele-rivier uitstrekt, waar hij ongeveer dertig soldaten om zich

heen had geschaard, waarschijnlijk met het voornemen den vijand van

bovenaf onverwachts aan te vallen. Zoodra ik de kleine open plek

betrad, kwam mij de voormalige tegenkoning van Malietoa eenige stappen

tegemoet, nam mij een oogenblik scherp met zijn groote donkere oogen op

en riep toen met een vriendelijk lachje zijn “Talofa” uit, terwijl hij

mij tevens de hand toestak; hij had mij dus dadelijk herkend. Nadat ook

ik hem vriendschappelijk had begroet, deelde ik hem, zoo vlug mij dit

in de Samoaansche taal mogelijk was, mede, welk gevaar hem en de zijnen

bedreigde.

Onmiddellijk riep hij zijn krijgslieden bij elkaar en daalde met hen de

helling af, in de verdedigingslinie slechts zooveel man achterlatend,

als strikt noodzakelijk was, om het vuur te onderhouden en de

bewegingen van Tamasese onduidelijk te maken. In het dal aangekomen,

nam ik afscheid van Tamasese, die mij op de hartelijkste wijze

bedankte, en spoedde mij naar Gaedecke, die rustig achter de boomen

mijn terugkeer had afgewacht.

In weinig woorden vertelde ik hem mijn ontmoeting met den kapitein,

steeg vervolgens in den zadel en stelde voor, op de eerste ondiepe

plaats de rivier te doorwaden en naar ons eerste standpunt op den

oostelijken rand van het dal terug te keeren, daar wij op den

linkeroever gevaar liepen midden tusschen de vijandelijke kogels te

geraken. Nauwelijks hadden wij dan ook de Letoga overgestoken en een

eind den berg opgereden, of wij hoorden al een hevig schieten van

geweren en luide oorlogskreten. Iets hooger aangeland, konden wij zien,

dat het Tamasese gelukt was nog voor de aankomst van Tanu’s leger een

stelling in te nemen, waar de ruimte tusschen rivier en helling

nauwelijks veertig meter breed en bovendien met kreupelhout bedekt was;

toen zijn vijanden nu laag genoeg gedaald waren, werden zij uit deze

verborgen hinderlaag met zooveel geweerschoten ontvangen, dat het

gevecht spoedig tot staan kwam. Intusschen drong ook het geluid van

levendig geweervuur van den anderen kant van het dal, vermengd met

kanongebulder tot ons door, waaruit wij een vrij hevigen strijd

opmaakten; van ons standpunt echter konden wij het slagveld niet meer

zoo goed overzien als vroeger, daar Mataafa er in geslaagd scheen te

zijn, den hem tegenoverstaanden vijand een heel eind terug te dringen.

Plotseling zagen wij een groote schaar inboorlingen op den linkeroever

naar boven ijlen, aan wier hoofd een man stond, in wien Gaedecke den

ouden kapitein herkende, die het vorig jaar in gezelschap van Mataafa

eenigen tijd bij ons gerust had en dien ik door mijn onderhandelen met

den Britschen officier uit groote verlegenheid had gered. Voor zoover

wij konden nagaan, zond Mataafa den kapitein met een sterke afdeeling

soldaten zijn bondgenoot Tamasese te hulp, nadat hij door het

aanhoudend schieten in het Noordelijk gedeelte van het dal, op het

aldaar plaats hebbend gevecht opmerkzaam was geworden.

Deze versterking van zijn troepen scheen zeer van pas te komen, want

Tamasese had het met zijn kleine veertig man hard te verantwoorden

tegenover de veel talrijker soldaten van Tanu en de matrozen. Toch

hadden zij zich zoo dapper gehouden, dat het den laatsten nog niet

gelukt was hen uit het bezette kreupelhout te verdrijven. Thans werd ik

tot mijn vreugd en geruststelling gewaar, dat Tamasese den kapitein met

het grootste gedeelte zijner manschappen de helling opstuurde,

klaarblijkelijk met het doel den vijand van boven af in de flank aan te

tasten. Deze omsingeling gelukte ook volkomen, want nauwelijks een half

uur later zagen wij, dat de mannen van Tanu dadelijk na de eerste

schoten, die hen tegemoet kwamen, weer naar boven trokken en spoedig in

het dichte woud uit ons oog verdwenen.

Mataafa scheen er eveneens in geslaagd te zijn, zijn tegenpartij de

Letoga verder af te dringen, want wij vernamen van dien kant nog

slechts enkele schoten. Het geheele gevecht, dat men wel een slachting

had kunnen noemen, had bijna drie uren geduurd, zoodat wij in een

verzengenden zonnegloed den terugtocht naar de factorij moesten

aanvaarden; wij verheugden er ons echter oprecht over, dat het den

dapperen Mataafa wederom gelukt was, zijn erfvijanden en de helpers van

hun bondgenooten, de Britsche en Amerikaansche zeelieden te verslaan,

hetgeen voor de beide laatsten toch ongetwijfeld een groote schande

was.

In den namiddag waren Gaedecke en ik voornemens ons naar de op de

oostelijke helling gelegen cultures te begeven, toen wij een troepje

inboorlingen ontdekten, die den kant van Laulii uitkwamen en onze

woning naderden. Het duurde niet lang, of ik herkende aan het hoofd

daarvan mijn kennis Tamasese benevens onzen vriend, den ouden kapitein.

Beiden riepen ons een zeer vriendelijk “Talofa” toe, toen zij bij de

veranda aan den voorkant van het huis gekomen waren, hetgeen wij op

dezelfde wijze beantwoordden met de uitnoodiging bij ons van de

vermoeienissen wat te komen uitrusten.

“Ik kom u bezoeken, mijnheer,” begon Tamasese, nadat hij had plaats

genomen “om u te bedanken voor uw tijdige waarschuwing van heden

morgen, en ook Mataafa laat u dank zeggen; hij kan zelf niet komen,

omdat hij onze soldaten niet zonder toezicht wil laten, daar hij ieder

oogenblik op een nieuwen aanval van Tanu voorbereid moet zijn. Als u

mij niet opmerkzaam hadt gemaakt op het gevaar, waarmede ik bedreigd

werd, zouden wij licht in groote moeilijkheden geraakt zijn.”

“Het was niet meer dan een staaltje van mijn plicht, een vriend van

mijn landgenooten en zulk een geacht opperhoofd te helpen,” gaf ik ten

antwoord, terwijl ik de mij toegestoken hand hartelijk schudde.

Inmiddels had Gaedecke op een wenk van mij den bedienden bevolen eenige

flesschen bier naar de veranda te brengen, daar ik de voorliefde van

Tamasese voor dezen drank kende; ook de zes krijgslieden, die zich in

de schaduw der bananen hadden nedergelegd, kregen een flesch whiskey en

eenige sigaren. Met zichtbaar welgevallen dronk Tamasese zijn glas uit

en at een weinig koud vleesch en brood, dat Sufa eveneens had

klaargezet.

“De soldaten van Tanu en de matrozen hebben zich bijna geheel tot aan

de kust teruggetrokken,” begon hij vervolgens, nadat hij een sigaar had

aangestoken “en ginds, in de buurt van Vailina een kamp opgeslagen.

Zooals Mataafa mij heeft meegedeeld, wil hij hen zoo mogelijk reeds

morgen aanvallen en tot Apia terugdringen om weder in het bezit te

geraken der dorpen, die hij na het bombardement heeft moeten ontruimen.

Wij zullen den strijd niet eerder opgeven, voordat het ons gelukt is

Tanu en zijn partij geheel te vernietigen, in weerwil van de hulp, die

hij van de Engelschen ontvangt. Nooit zullen wij ons onderwerpen aan de

heerschappij van dezen knaap.”

Wij wenschten hem en Mataafa oprecht een schitterend succes en

begeleidden Tamasese en zijn gevolg een eind weegs het dal in, toen zij

twee uren later vertrokken.

Den volgenden dag scheen er geen gevecht te hebben plaats gehad; ten

minste wij vernamen noch het knallen der geweren, noch het bulderen van

het geschut op de kust, die toch slechts een kilometer van ons woonhuis

verwijderd was. Den 17en April, echter, hoorden wij in de eerste

middaguren het gebulder van zware kanonnen, hetgeen wij ons zelf in het

geheel niet konden verklaren, tot ik op de gedachte kwam, dat

waarschijnlijk de “Philadelphia” of de twee Engelsche oorlogsschepen

van Apia gekomen en de golf ten Westen van Laulii binnengeloopen waren

om Tanu en zijn soldaten te ondersteunen.

Ik deelde mijn vermoeden aan Gaedecke mede, die dadelijk voorstelde

naar Laulii, aan de overzijde, te rijden om het gevecht, van den berg

af gade te slaan. Enkele minuten later zaten wij in den zadel en

draafden door het dal. Hoe dichter wij bij de kust kwamen, hoe

duidelijker wij het dreunen der groote scheepskanonnen hoorden. In

Laulii zelf konden wij intusschen niets van de oorlogsschepen te zien

krijgen; daarom reden wij naar den uitlooper van den bergrug, die zeer

steil naar de zee afhelde en zich ten Westen van den ingang van ons dal

bevond. Daar genoten wij een verrassend schoon uitzicht.

Op Samoa · 第 10 / 11 段